woensdag 14 december 2022

Flora Groult • 15 december 1944

Flora Groult (1924-2001) was een Franse schrijfster en journaliste. In 1963 publiceerde ze samen met haar zus Benoîte een oorlogsdagboek: Journal à quatre mains, in het Nederlands door Nini Wielink vertaald als Dagboek voor vier handen.

14 december 1944
Onze Benoîte nam haar mooie spiegelkast [haar vriend, een Amerikaanse soldaat] mee voor de lunch. Hij valt bij ons thuis zo uit de toon dat het lachwekkend is; en hij lacht ook, met zijn mooie open smoel, zijn superwitte tanden en zijn blik zonder geheimen. Onze ouders en hij spreken niet dezelfde taal, maar dan ook helemaal niet, en ze denken dat die barrières aan de taal zijn te wijten; en ik lach in mijn vuistje, want de haag zou hun nog hoger lijken als ze elkaar begrepen.
Kurt is niet geschikt voor onze huizen. Hij past niet in de fauteuils, zijn voeten nemen op het tapijt een enorme plaats in; zijn lach klinkt als onweer; en tegelijkertijd is hij verbijsterend aardig; het scheelt niet veel of hij opent zijn armen voor de Mum en Dad van zijn mooie Frenchie. Hij vond alles fine, good en wonderful maar ik geloof dat zelfs Benoîte, die echt is ingenomen met haar mooie reus, besefte hoe groot de afgrond, de cultuur en de werelddelen zijn die ons, in weerwil van onszelf, scheiden van die glimlachende atleten. Hij heeft zo'n natuurlijke, doeltreffende charme dat we geen moment in verlegenheid worden gebracht door die oceanen tussen ons. Bovendien wordt het natuurlijk nog gemakkelijker gemaakt door het feit dat hij van niks weet en geen verschil ziet tussen deze Mum en Dad en dezelfde exemplaren in Pennsylvania. Hij overlaadde ons met levensmiddelen en ik heb hem de bijnaam Say it with cans gegeven. Het ziet er mooi uit, dat Amerikaanse voedsel. Je zou het willen opeten. Maar het is niet lekker.
Benoîte heeft me de Cantate van de XIVde zondag na Pasen van Bach gegeven; ik zet de plaat steeds weer op tot die een eentonige dreun wordt, 'die zijn licht en gratie in mijn hart uitstort', tweemaal... driemaal.
'O! Jezus, lieve Heer die hoop geeft!' De stemmen rijgen zich aaneen, komen vlak na elkaar, terwijl ze verschillende dingen zeggen; die stemmen zijn goddelijk en geven een indruk van eeuwigheid, van hemelse stilte welhaast. Ik zet haar steeds weer op, die muziek van mijn willekeur, die me in haar macht heeft en me obsedeert. Dat is zo prachtig: zozeer door iets geobsedeerd worden dat je gaat geloven dat er niets anders bestaat; arabesken in de ruimte, kringels van stemmen, jullie fascineren me en ik behoor jullie toe.

15 december 1944 Het lange wachten op dingen en de korte, schitterende, indrukwekkende manier waarop ze verdwijnen in het heden.
Ik ben dagenlang bezig geweest met het illustreren van een heel slecht verhaaltje voor een kinderkrantje waar een vriend van mijn peetmoeder zich mee bezighoudt. Ik heb zitten knoeien, ik heb lijnen getrokken en met mijn tong uit mijn mond zitten werken om mijn vervelende opdracht precies op tijd af te leveren. De vriend in kwestie keek nauwelijks naar 'mijn werkstuk' zei: 'Goed, prima' en stopte het in een map. Hij overhandigde me een belachelijk laag bedrag en zei even neerbuigend als onverschillig 'tot ziens juffrouw'.
Nou ja, ik heb ergens in mijn zak een heel klein bedrag dat ik helemaal aan mezelf te danken heb, en dat is aangenaam; en ik heb ook een opdracht om illustraties te maken voor een kinderboek, en om borden te ontwerpen voor Christofle.

dinsdag 13 december 2022

Maarten 't Hart • 14 december 1969

• In 1969-1970 hield de Nederlandse schrijver Maarten 't Hart (1944) een onregelmatig dagboek bij.

14 dec. Gisteren een reünie ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de school. Ik zou er nooit heen zijn gegaan als er niet een kleine kans was geweest om M.R. te ontmoeten. Ik arriveerde even voor half twee, ging in de hal naast het aquarium staan waar ze nu vogels in hielden, en bleef staren naar de binnenkomende mensen. Telkens werd ik begroet door mensen die ik nauwelijks herkende, ik staarde alleen maar naar de ingang om haar te zien. Na een kwartier dacht ik moedeloos: ze komt niet meer. Ik liep naar de kelder van het gebouw, daar was ze ook niet. Ik keerde terug, zag dat er in de cantine ook mensen waren, opende de tochtdeuren en zag haar dadelijk staan bij een raam terwijl het toch erg vol was daar en zij ook erg was veranderd. Zeven jaar lang had ik haar niet gezien maar ik herkende haar niet alleen onmiddellijk doch wist haar ook ogenblikkelijk te vinden in een grote zaal vol mensen. Ik durfde niet goed meer naar haar te kijken, ik voelde me vreemd duizelig, liep maar wat rond en toen opeens kwam ze naar me toe en zei: ‘Jou wil ik ook even de hand drukken’.

Vreemd, het was allemaal zeven jaar geleden en toch leek er niets veranderd, toch wist ik dat ze in zeker opzicht de enige is en het altijd zal blijven en dat dat los staat van haar en mijn huwelijk, van haar kinderen, van haarzelf, van mijzelf, iets dat daar boven uitgaat en niet meer ongedaan gemaakt kan worden.

16 dec. Fantaseer urenlang over gesprekken die ik met M.R. zou kunnen voeren. Onder andere over de vraag: wie vind je de grootste componist. Mijn antwoord: dat kan ik niet zeggen. Misschien kan ik het zo formuleren: van Schubert houd ik het meeste, Bach bewonder ik het meeste en Mozart aanbid ik.

maandag 12 december 2022

J.F.S. Domela Nieuwenhuis Nyegaard • 12 december 1913

J.F.S. Domela Nieuwenhuis Nyegaard (1900-1944) was politicus en later verzetsstrijder. In zijn jonge jaren hield hij een dagboek bij..

VRIJDAG 12 DECEMBER 1913
Er gebeurt bijna nooit zoowat iets bijzonders. Zoo vandaag: opstaan, eten, naar school gaan, eten, weer naar school gaan, thuis komen, werken, eten en werken en naar bed toe gaan. 's Avonds dan komt er nog welis iemand, zoo nu Meneer en Mevrouw Furier??. Gisteren avond kwam ook nog het pak uit den Haag, daar zat allerlei lekkers in, zooals banquet, chocolade, een doosje borstplaat en nog een heeleboel meer. Ook een negerhut voor mij van Grootmama(D.N.). Verder, vandaag, gebeurde er niets wetenswaardigs.

ZATERDAG 13 DECEMBER 1913
Niets bijzonders. Ik ga na 4 uur even naar Van Goethem een paar boekjes koopen. Verder niets.

ZONDAG 14 DECEMBER 1913
's Morgens ga ik naar de zondagsschool en toen ik er met Moeder naar toe ging, liep het gesprek langzamerhand over wat Vader noemen zou, Livarda's. Moeder eerst raaide Annijes Chirholt, daarna nog een, en daarna natuurlijk Marietje. Ja, ja, moeder wou zich houden alsof zij het niet wist. Daarom noemde zij eerst een paar anderen. Ja, ja. Slim bedacht, maar ik wist het ook wel! Ja! Ja! Oh! Oh! Zij wist het zoo drommels goed, maar zij moet zich natuurlijk groot houden. Verder kwam 's middags Mevr. van Col met haar zoon met de familie Klaays. Toen ik binnenkwam zei vader dat ik Ko heette en toen begon het over de oude Hollandsche namen en hunne afkortingen. Daarna over de gekke Vlaamsche namen en Madame Klaays vertelde, dat toen haar zuster geboren werd en het op de naam kwam, zei eindelijk de moeder 'Nu dan zullen wij op de almanak kijken en zij las: Wij zullen haar Va-ra-ra-rildeke noemen", 's Avonds schrijf ik nog een brief om de grootouders te bedanken voor de cadeaux. Verder niets.

MAANDAG 15 DECEMBER 1913
Vader moet vroeg weg. M.Champenois is afwezig. Hebben Frans en en Aardrijkskunde van Mijnheer Beterams. Verder weer niets.

DINSDAG 16 DECEMBER 1913
Alles gaat heel goed vandaag. Niets bijzonders.

WOENSDAG 17 DECEMBER 1913
Weer niets bijzonders voor vandaag. Dat is toch vervelend, niet?


zondag 11 december 2022

David Sedaris • 12 december 1998

• De Amerikaanse schrijver David Sedaris (1956) publiceerde zijn dagboeken 1977-2002 onder de titel Theft by finding.

December 12, 1998
Paris
The unemployed have gone on strike — at least that's how I understood it from listening to the radio. The teacher explained that, seeing as they have no jobs, they can't actually walk off them. Instead, they're holding a protest and insisting on a Christmas bonus with their unemployment check. She's in their corner and said it's unfair to punish children just because their parents were thrown out of work.
The information desk at the Louvre is also on strike, demanding better working conditions. By this, do they mean a public so well informed, they won't have to pester the employees with questions?

December 13, 1998
Paris

I took a walk last night and ran into Richard, who lives in a grand Left Bank apartment overlooking the river. We talked for half an hour or so, and he told me about a friend of his, a journalist, who each week buys $60 worth of magazines from a kiosk near the Café de Flore. She was there with a male friend recently, a photographer who wanted to see if one of his pictures had been used in the latest Italian Vogue. The guy started leafing through it when the newsagent said, the way they do here, "This is not a lending library."
The journalist said she would pay for the magazine, and when she pulled out her wallet the newsagent said, "Why don't you go get fucked up the ass by a nigger."
So much stuff goes over my head here.

J.M.A. Biesheuvel • 11 december 1981

• J.M.A. Biesheuvel (1939-2020) was een Nederlandse schrijver. In 1981 hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij (onder het pseudoniem 'God zelf').

Vrijdag [11 december]
's Morgens voor het gemak maar in bed gebleven. Veel vallende sterren, 's Middags naar kantoor. Vriendelijke sfeer, 's Avonds naar het feest van Piet Cambier die werkt bij de afdeling electronenmicroscopie. Het is een druk feest en ik kom te zitten tussen twee mooie meiden: Lia en Adriana. Ik stel me aan en laat me aanleunen dat ik belangrijk zou zijn. Ik wil een pijpje opsteken. Het mag niet van Eva. 'Ga jij buiten maar een pijpje roken', zegt ze, 'er roken al zoveel mensen hier'. Ik rook inderdaad veel. Nu heb ik een aderontsteking en ik heb gehoord dat alleen joden een aderontsteking krijgen van veel roken. Dat is mooi! Hoor ik van op! Misschien behoor ik dan toch bij het Volk? Ik heb altijd een jood willen zijn! Dat ik geen jood ben is een van mijn grootste frustraties. Op het avondje bij Cambier wordt me door een hoge ambtenaar uitgelegd hoe nu precies de Raad van State werkt. Ik vind het leuk om op een avondje onder mensen te kunnen zijn. Ik had een uitnodiging om mee te gaan naar het avondje voor The-merson, gegeven door Spoor in Den Haag. Daar had ik mijn oude vriend weer kunnen ontmoeten. Ik ben erg gesteld op Themerson. Later hoorde ik dat Mulisch, Nooteboom, Ethel Portnoy er ook waren. Die had ik ook wel eens willen zien, maar Eva vindt dat ik me niet teveel op de voorgrond moet dringen. Aanbiedingen van twee tv-stations om te komen voorlezen en zingen. Ik begin te denken over een roman, maar eerst moet er een nieuw geitehok komen. Als ik eindelijk in bed lig denk ik: Waarom zou ik eigenlijk een roman schrijven? Ik heb het hele Oude Testament al gemaakt. Daar staan de dwaaste geschiedenissen, de wreedste voorvallen, de grootste onzin, het is ook een beetje een geil boek. Dat is een roman van tweeduizend bladzijden! Laat ik dan verder maar korte verhalen schrijven.

Klaus Mann • 10 december 1948

Klaus Mann (1906-1949) was een Duitse schrijver. Zijn dagboeken uit de periode 1933-1949 zijn vertaald als Opgejaagd, gedoemd, verloren.

[Pacific Palisades] 10 december 1948
Vanochtend naar de tandarts, Pruden (Santa Monica): kroon verloren. Gewerkt: Der Vulkan, 2 bladzijden, waarvan ik er een moet herschrijven en de ander heb weggegooid... De Faustus-memoires uitgelezen (met voorstellen voor wat inkortingen, enz.), een beetje Rilke, een paar bladzijden uit The Young Lions. Vanavond alleen met Moni. Radiomuziek. Mucha herzien. Eindeloze treurigheid. Voortdurend verlangen naar de dood.

donderdag 8 december 2022

Roger Martin du Gard • 9 december 1949

Roger Martin du Gard (1881-1958) was een Franse schrijver (en Nobelprijswinnaar). Uit: Kijken door een sleutelgat. Dagboeken en herinneringen, vertaald door Anneke Alderlieste.

Du Gards echtgenote was eind november zeer plotseling overleden.

HET DAGELIJKSE WACHTEN
December 1949
In feite gaat het leven voorbij met wachten, nu eens snel, dan weer langzaam, in een onafgebroken afwachting. En op ieder graf zou je hetzelfde epitaaf kunnen graveren: Expectans expectavi ... [wachtend heb ik gewacht (op de komst van de Heer)]

ZELFBESCHERMING VAN DE GEEST
December 1949
lk constateer dat de geest beschikt over een doeltreffende functie, die zich duidelijk manifesteert maar waarover weinig bekend is, die op mysterieuze wijze feilloos in werking treedt en op die momenten dat het nodig is, dwars door het bewustzijn een scherm optrekt om bepaalde al te wrede waarheden te verhullen en de veerkracht van het gemoed te sparen.
Dit beschermingssysteem werkt met automatische precisie. Zodra de gedachten afdwalen en plotseling het besef doordringt van bepaalde gruwelijke feiten die het gevoel dusdanig dreigen te ontwrichten dat we ons evenwicht - om niet te zeggen ons verstand - verliezen, treedt prompt de veiligheidspal in werking, wordt het afweerscherm opgetrokken, en ontsnapt de geest aan de gedachte of aan het specifieke beeld dat een marteling zou betekenen.
Zo zal het gaan bij mensen die weten dat ze veroordeeld zijn tot een pijnlijke dood en die toch een normaal leven blijven leiden. Zo gaat het ook bij mensen die met hun scherpe blik een onafwendbare ramp zien aankomen en doorleven alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Zo gaat het bij hen die door het ongeluk zijn getroffen, die een dierbare hebben verloren (die toch gekweld moeten worden door de herinnering aan het verleden, door het beeld van de ontbinding van het geliefde lichaam in het graf etc, etc.) en die dankzij deze onbewuste controle aan de niet-aflatende obsessie ontsnappen en juist op het moment dat het heldere besef onverdraaglijk zou worden, door het scherm worden behoed.
In hoeverre wordt dit weldadige fenomeen bewerkstelligd door een min of meer bewuste wil? Dat de wil hier een rol in speelt is zeker. En des te doeltreffender naarmate de vrees om te lijden (een soort wegvluchten voor verdriet) sterker is.
Ik denk dat we op deze tragische momenten moeten vechten tegen de macht van de verbeelding. En ook tegen de al te verlokkende bitterheid van de wanhoop. Niet zwichten voor de verleiding om weg te zinken in dat verdriet; en vanaf het begin pogingen doen ons uit die bodemloze put te hijsen waarin het verdriet ons heeft gestort; ons voor het te laat is in de concrete wereld begeven, die tijdloze, onbegrensde mensenwereld, waarvan wij een moment deel uitmaken. Dan beseffen we dat niets zo troostrijk, of liever nog zo geruststellend is als het gevoel niets te zijn, een korte vonk in een eindeloze nacht: er bestaat een soort verlossing, denk ik, voor degenen die tot dit heroïsch besef van het niets komen.