woensdag 7 december 2022

William Minor Lile • 8 december 1885

• William Minor Lile (1859-1935) was rector en professor aan de University of Virginia. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

8 December, 1885 - Tuesday
Did not go to the office tonight. Am getting to be a giant "non-suiter!" Threw another plaintiff out of court today, the fourth within the past ten days.

Reasons why I should turn out a mustache:
I am old enough.
My associates all have them.
It would give me more the appearance of maturity than I now have.
It is a good thing to toy with when one is embarrasssed and his hands are in the way. Might add to my appearance. It is customary.
It would save time devoted to shaving.
It would afford my friends so much pleasure, they would never be in want for a subject for teasing me.

Reasons why I shouId not turn out a mustache:
I would then be deprived of one of my most agreeable pastimes, shaving.
Somebody might say "shoot the dude".
A mustache insists on bathing in one's tea at table. It requires months to bring it to that degree of perfection to permit the owner to appear in polite circles. It is a source of continual petty surprise and annoyance, to one not accustomed to it. It is not an essential and never an accompaniment of beauty, else women would have them. How would the statues of Jupiter or Apollo look with mustaches?

Reasons why I am not going to turn out a mustache:
I can't (id est nondurn)

I think I am getting fat, though I don't know why I should, for I have been smoking to excess for some time. I think I smoked 25 or 30 cigarettes yesterday. Today I brought the number down to 12, but it required a good deal of will. I do not intend to smoke more than 12 hereafter. and I shall try to gradually cease the pernicious habit altogether. I used to chew most voraciously (I blush to confess), but by the persuasive influence of some good spirit I have entirely overcome the vile, disgusting, unnatural hatix. I have taken not more than a half dozen chews since about August 1st. And thereby hangs one of the best humors of the season. I occasionally smoke a pipe, just before bedtime. Pipe smoking encourages a good impression; (something very like "that pipe of yours has a very pleasant odor, Lile," ejaculates Charley Wierman, who is sitting at the opposite side of the table screwing a stem into the smaller orifice of a real Virginia Powhatan Clay. I assent with a grunt of satisfaction, and proceed).

I have been sleeping too late recently. I rarely get to the office before nine. On Sunday morning I have my breakfast sent to my room and get downtown just in time for church. I rarely go visiting, say once a week. Of course this does not include my goings in and comings out at Miss Alice's; she lives next door and I frequently drop in there on my way from the office at night, and stay an hour or so. And not infrequently the hour or so keeps her out of bed until after 12:00; for it is no unusual thing for me to make my appearance there after 11:00.

Dear Maud, my girl, I am thinking about you tonight and wondering if you are happy. lsn't it a hard fate that keeps us from seeing each other as often as we please? What a time we could have together these long winter evenings. Don't you remember a long time ago when everything seemed bright, that you said you longed for winter to come and gave a reason for which I kissed you? Do you remember it? If I only felt assured that your past or your present relations toward me were not a burden to you, that you had no regrets from that cause, and that you were as happy in your home as before you knew me, it would add very much to my peace of mind. I am sometimes inclined to reproach myself for the part I have taken in breaking in upon the repose and the peace of the little household of which you are the idol. You know as well as I do how it all came about. If there is any fault to be imputed to anybody, it is yours; the fault of being the woman that you are. Neither of us imagined that anything would come of our innocent "flirtation" as we thought it. I certainly did not, but before I knew it you had so grown up In my heart that when they said you must be taken away from me I felt that more than half of my life would go with you. Well, little woman, keep a stout heart, and have a care for mine which Is in your keeping, and all may come out right in the end.

Goodnight! The curtains have long since been drawn over your dear eyes, and you are sleeping the sleep of the innocent. Oh Sleep-God, in whose arms she rests, let me tell you what to whisper in her ear and what shall be the subject of her dreams! Goodnight again, sweet sleeper; God keep you safe, sweetheart.

Bertolt Brecht • 7 december 1921

Bertolt Brecht (1898-1956) was een Duitse schrijver. Uit: Dagboeken 1920-1922 (vertaald door Hans Hom).

7
Als wij doden ontwaken [toneelstuk van Ibsen], een melodrama over de impotentie, twintig jaar later, expressionisme van een grijsaard, geneuzel — met Durieux, een heel groot actrice.

8
lk loop 's avonds de bioscoop binnen, zie niet wat er draait, of toch: een vrouw koeioneert een zwijn. Maar ik moest opeens denken aan het lot van het dienstmeisje dat bij Warschauer in een hok huist en werkt, dat tering heeft, geen thuis, geen man, dat dagenlang geen woord zegt, en het is donker in haar kamer. En ik zie niet meer waar het grote onderscheid is, ik sta ver af van medelijden, ik bedoel alleen maar te zeggen hoe arm wij zijn, hoe aap-achtig en te misbruiken, jammerlijk, hongerig, geduldig.

9
Steeds weer breekt het uit: de anarchie van binnen, de kramp. De walging en de wanhoop. Dat is de kilte die je in je hart vindt. Je lacht, je veracht het, maar het zit in het lachen zelf, en het voedt de verachting.

maandag 5 december 2022

Anne Frank -- 6 december 1943

Anne Frank (1929-1945) was een Joods meisje dat bekend is geworden door het dagboek dat ze schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen ze ondergedoken zat in Amsterdam.

Maandag, 6 December 1943
Lieve Kitty,
Toen Sinterklaas naderde, dachten we allemaal onwillekeurig aan de leuk opgemaakte mand van verleden jaar en vooral mij leek het vervelend om dit jaar alles over te slaan. Ik dacht lang na, totdat ik iets gevonden had, iets grappigs.
Pim werd geraadpleegd en een week geleden gingen we aan het werk om voor alle acht een versje te maken.
Zondagavond om kwart over acht verschenen we boven met de grote wasmand tussen ons in, die versierd was met figuurtjes en strikken van rose en blauw doorslagpapier. Over de mand lag een groot stuk pakpapier heen, waarop een briefje was bevestigd. Allen waren enigszins verbaasd over de omvang van de verrassing.

Ik nam het briefje van het papier en las:

Proloog
Sinterklaas is ook dit jaar weder gekomen,
Zelfs het Achterhuis heeft het vernomen
Helaas, kunnen we het niet zo leuk begaan
Als het verleden jaar was gedaan.
Toen waren we hoopvol en dachten beslist
Dat zegevieren zou de optimist
En meenden dat dit jaar vrij
Sint Nicolaas te vieren zij.
Toch willen wij deez' dag gedenken,
Maar daar nu niets meer is te schenken,
Zo moeten wij iets anders doen:
Een ieder kijke in zijn schoen!

(terwijl vader en ik het pakpapier oplichtten).

Een daverend gelach volgde, toen iedere eigenaar zijn schoen uit de mand haalde. In elke schoen zat een klein pakje in papier gewikkeld met het adres van den schoeneigenaar.

Je Anne.

zondag 4 december 2022

Paul Léautaud • 5 december 1919

Paul Léautaud (1872-1956) was een Franse schrijver. Onderstaand fragment komt uit Particulier dagboek 1917-1924.

Vrijdag 5 december 1919. - De Panter wordt met de dag onaardiger en vervelender: ze heeft 't alleen nog maar over geld, de prijs van dit, de prijs van dat, voordelige koopjes, wat zij geeft, wat haar niet gegeven wordt, wat een bepaald ding kost dat ze in huis heeft, een ander dat ze pas gekocht heeft, de prijs waarvoor ze het weer zou kunnen verkopen, wat de maaltijd kost die ze voor mij maakt, hoe duur bepaalde dingen zijn die ze mij in het begin van onze verhouding heeft gegeven. Twee jaar geleden heeft ze me twee droogdoeken gegeven; die heeft ze teruggevraagd omdat die nu zo duur zijn. Ze begon ook over de drie overgordijnen die ze me heeft gegeven voor mijn ramen. Ik was haar echter vóór, door gul lachend te verklaren dat ik eraan gehecht was als aan mijn eigen oogappels, dat ze voor mij een herinnering waren aan de lieve vrouw die ze eens was geweest.
Verleden week zaterdag is ze op een vergadering bij Madame Simons geweest. Daarover vertelde ze 't volgende: 'Madame Simons heeft me gevraagd: is die Léautaud eigenlijk intelligent, ik bedoel buiten de dingen die met dieren te maken hebben? Daar heb ik maar geen antwoord op willen geven, om je niet te vernederen.' Heerlijk is dat! En dat heb ik haar ook gezegd: 'Als je eens wist hoe komisch dat is; twee kleinburgerlijke vrouwtjes, die met elkaar een babbeltje maken over de intelligentie of de stompzinnigheid van deze of gene. Dus jij weet zonder meer wat intelligentie eigenlijk is? Ben je daar wel zo zeker van? Dan bof je wel hoor! Ik ken mensen, die heel wat knapper zijn dan jij, en die weten nog steeds niet met zekerheid wat intelligentie nou precies is.'
Dat neemt niet weg dat het allemaal erg triest is. Wanneer ik er aan denk, dan word ik er bedroefd van. Dat we nu zo slecht met elkaar kunnen opschieten, dat we zo weinig gemeen hebben, dat ze me steeds op de meest agressieve toon aan het afkraken is, terwijl we vroeger (en ook nu nog, als ze een goede bui heeft) toch zoveel plezier aan elkaar hebben beleefd. Waarom heeft ze ook alles van een perfecte maîtresse, maar tegelijkertijd ook alles van een afschuwelijke vrouw! Ik ben natuurlijk weer de gelukkige geweest, die daar in moest trappen.


Alexander Ver Huell • 4 december 1863

Alexander Ver Huell (1822-1897) was een Nederlandse tekenaar en schrijver. Uit: Het dagboek van Alexander Ver Huell 1860-1865.

4 dec.
Gisteren dineerde ik bij de Familie Van Kattendijcke, en hield daar tegen de Dames mijne overtuiging staande dat ik eerst voor mijn Godsdienstig gevoel rust en geluk had gevonden, van den tyd af dat ik de Christelijke leer (het essentiële) en historie streng had leeren af te scheiden. - De leer, even vertroostend voor den eenvoudigsten mensch als voor den grootsten geleerde, is mij voldoende. - In zaken van godsdienst vooral moet men geheel opregt zijn. - en hierom verwondert het mij dat men Rénan in zijn Leven van Cr.s niet krachtiger bestrijdt wegens de onopregte, immoreele tendenz van zijn boek, waarin passages voorkomen die doen denken aan het Jesuïtisch ‘het doel wettigt de middelen’, aan het bekende ‘Mundus vult decipi decipiatur ergo’ en aan de ‘petits accomodements’ van Tartuffe. -

- Zend een surprise aan het kindje van van Lelyveld te Hoorn. - en een tientje aan Louisetje van Aberson.

- Daareven verhaalt M.w van Outeren mij iets wat haar zoon van een hond overkwam, dat mij frappeert. Die hond was met de Kermis te Leiden denkelyk gestolen, want alle zoeken en informeren en omroepen was vruchteloos gebleven. - Bij de drie jaren daarna, hoort een nieuwe meid die de H.r van Outeren in dien tyd in dienst had genomen, een hevig hondengehuil aan de deur, jaagt den lastigen schreeuwer weg, slaat zelfs naar hem zoodat hij dien nacht niet terug kwam. - Maar den volgenden morgen, vroeg bij het openen van de voordeur, zat dezelfde hond daar weder, nat van den regen en bewees haar zooveel vriendelykheid dat zij aan Mynh.r V.O. ging vertellen hoe een viervoetigen sollicitant niet van het huis te jagen was. - hij had juist zijn been bezeerd en lag te bed - doch liet de hond boven komen, die terstond tegen hem opsprong, zijn vrouw en kind begon te likken, en door allen voor den ouden verloren lieveling erkend werd. - De lieveling moest echter dadelyk in de kuip zoo smeerig en verwaarloosd zag hij er uit.

Freerk Pieters • 3 december 176?

Freerk Pieters (?-?) raakte als commandeur van een walvisvaarder ergens voor 1770 vast in het ijs. Zijn journaal is gepubliceerd als Aan-teekening, gehouden op het schip de Vrouw Maria.

Saturdag, 2 December, de wind n.w. De Cours als vooren. Aaten toen onze laatste Gort. Kort daar na zaagen wy een Hoeker; Daar wy op aan hielden, toonende onze Nood-vlag: Dog, hy kwam niet na ons toe, denkende dat wy een Kaaper waaren. Naderhand merkende dat ons Schip een Groenlands-Vaarder was, kwam hy na ons toe en Praayden ons, vraagende Hoe het met onze Victualie was? Waar op den Commandeur antwoorden, Dat wy onze laatste Gort dien Dag hadden Gegeeten en dat wy den volgenden Dag onze laatste Erwten zouden moeten Eeten. Hier op riep de Captein, Zet een Sloep uit: Ik zal u by zetten wat ik miszen kan. Dit deeden wy en kreegen een half vat Gort, een half vat Zoute Vis, vier half vaaten hard Brood en vier half vaaten Waater. Naamen toen Afscheid van malkander en hy zeide ons Dat wy Oost op moesten Zeilen. Des Avonds gingen wy ten Anker.

Zondag, 3 dito, des Morgens mooije Koelte uyt het w.+ Voor de Middag kreegen wy een Loots aan Boord en Aaten des Middags onze laatste Erwten. Des Avonds gingen wy ten Anker.

Maandag, 4 dito, in de Dag-wagt, Ligten wy ons Anker en gingen onder Zeyl. Kwaamen des Voor-middags, God zy geloofd, het Oude Gat van Texel binnen; Daar wy schielyk Ververszing kreegen.
Nooit heeft een Schip in Groenland tot zoo Laat in het Jaar Bezet gezeeten. Wat wy uit-gestaan hebben is niet wel te melden. De Ongemakken zyn groot: maar, nog grooter de Voor-Uyt-Gedagten wat met ons worden moest, indien God ons niet zoo Barmhartig als met zyne Handen uit het Ys had gerukt. Die Gedagten alleen konnen my nog doen t'zidderen.
God, den Almagtigen Bewaarder, zy alle Eere en Heerlykheid tot in Eeuwigheid, Amen.

vrijdag 2 december 2022

Johanna van Woude • 2 december 1895

Johanna van Woude (1853-1904) was een bekende Nederlandse schrijfster. In 1895 werd ze door haar echtgenoot beschuldigd van een poging tot vergiftiging, en werd ze in voorlopige hechtenis genomen en verhoord. Ze hield in die dagen een dagboek bij.

2 December.
Er zijn mij lekkernijen toegezonden, maar ik mag ze niet hebben. Zeer goed! Al die andere arme drommels mogen heelemaal niets hebben, en de hemel weet of ze niet even onschuldig zijn als ik.
Toen ik gisteren een van mijne bouquetten aan mijn onzichtbaar buurvrouwtje wilde zenden, zei de juffrouw me dat zij geen bloemen mocht hebben.
‘Ik kom nou wel niet buiten,’ had ze gezegd, toen ze mijne kamer deed, ‘maar bloemen zie ik toch,’ en zij had ze liefkoozend bewonderd. Arme ziel! - Wie weet hoe oneindig veel goed deze zwijgende en toch zoo welsprekende boden van God zouden doen in iedere cel van de tallooze gevangenissen in ons land. Hoeveel herinneringen zouden ze wakker roepen, hoeveel sluimerende krachten weder uit den doode opwekken!
Geen bloemen mogen ze hebben!.... Waarom niet? Zou wellicht niet de aanblik van een enkele bloem meer goed doen dan het bezoek van den predikant, of de preek in de kerk?