• William Tecumseh Sherman (1820-1891) was een Amerikaanse zakenman, schrijver en generaal gedurende de Amerikaanse Burgeroorlog. Hij is het bekendst om zijn inname van de stad Atlanta in die oorlog. Fragmenten uit zijn dagboeken staan hier.
December 12, 1864
My plan to connect with the Union fleet is coming together nicely. In order for us to be able to connect with the Union fleet, we will have to first go through Fort McAllister (Strong). There is only one slight problem, the fort is currently occupied with enemy forces. From what I have been able to see, their forces are prepared for an attack and have entrenched themselves. Over the past few days, “many of the horses belonging to the Right Wing were sadly reduced”. We are quickly running out of time before my army would be too weak for a siege. Sadly, a siege will have to take place in order to be able to receive the necessary materials to keep my men alive. Hopefully our recourses will be able to hold us over until we can make contact with the fleet.
However, on a different topic, today I was able to order a telegraph to President Abraham Lincoln (Marszalek 102). Im sure he was rather happy to have heard word of my successful journey to the Atlantic. It made me rather grateful that my own commander in chief was not even aware of my army’s position. I’m sure if my position was somehow released, my own president would have been one of the first ones to know.
December 13, 1864
What a successful day! Everything was able to fall right into place for my army. Today my forces were able to overtake Fort McAllister. To be honest, the Confederate forces did not have a chance of stopping my army from overtaking the fort. Our numbers heavily outnumbered theres. The siege made me a very proud general of these very brave men. As all were very driven to capture that fort as soon as they possibly could. Even as men were dying and torpedos were being blown up, retreat was never even considered. From watching from a far, it was quite exciting to watch as each cannon in the fort began to stop firing one at a time. The battle, for the fort, only lasted a short fifteen minutes, where my army suffered very little causalities. The total death toll was only “twenty four killed and one hundred wounded”. After the dust had cleared, and the enemy was subdued, I was able to make my way out to the awaiting Union gunboat. From there, we were able to set up a stable supply line. Now that Fort McAllister had fallen, the battle for Savannah could now commence.
donderdag 11 december 2014
woensdag 10 december 2014
Albigence Waldo -- 11 december 1777
Albigence Waldo (the Surgeon General of George Washington's Army). From the diary of a Surgeon at Valley Forge 1777.
December 11
At four o'clock the Whole Army were Order'd to March to Swedes Ford on the River Schuylkill, about 9 miles N.W. of Chestnut Hill, and 6 from White Marsh our present Encampment. At sun an hour high the whole were mov'd from the Lines and on their march with baggage. This Night encamped in a Semi circle nigh the Ford. The enemy had march'd up the West side of Schuylkill - Potter's Brigade if Pennsylvania Militia were already there, and had several skirmishes with them with some loss on this side and considerable on the Enemies....
I am prodigious Sick and cannot get anything comfortable - what in the name of Providence am I to do with a fit of Sickness in this place where nothing appears pleasing to the Sicken'd Eye and nausiating Stomach. But I doubt not Providence will find out a way for my relief. But I cannot eat Beef if I starve, for my stomach positively refuses to entertain such Company, and how can I help that?
December 12
A Bridge of Waggons made accross the Schuylkill last Night consisting of 36 waggons, with a bridge of Rails between them each. Some skirmishing over the River. Militia and dragoons brought into Camp several Prisoners. Sun Set - We were order'd to march over the River - It snows - I'm Sick - eat nothing - No Whiskey - No Forage - Lord - Lord - Lord. The Army were 'till Sun Rise crossing the River - some at the Waggon Bridge and some at the Raft Bridge below. Cold and uncomfortable.
December 11
At four o'clock the Whole Army were Order'd to March to Swedes Ford on the River Schuylkill, about 9 miles N.W. of Chestnut Hill, and 6 from White Marsh our present Encampment. At sun an hour high the whole were mov'd from the Lines and on their march with baggage. This Night encamped in a Semi circle nigh the Ford. The enemy had march'd up the West side of Schuylkill - Potter's Brigade if Pennsylvania Militia were already there, and had several skirmishes with them with some loss on this side and considerable on the Enemies....
I am prodigious Sick and cannot get anything comfortable - what in the name of Providence am I to do with a fit of Sickness in this place where nothing appears pleasing to the Sicken'd Eye and nausiating Stomach. But I doubt not Providence will find out a way for my relief. But I cannot eat Beef if I starve, for my stomach positively refuses to entertain such Company, and how can I help that?
December 12
A Bridge of Waggons made accross the Schuylkill last Night consisting of 36 waggons, with a bridge of Rails between them each. Some skirmishing over the River. Militia and dragoons brought into Camp several Prisoners. Sun Set - We were order'd to march over the River - It snows - I'm Sick - eat nothing - No Whiskey - No Forage - Lord - Lord - Lord. The Army were 'till Sun Rise crossing the River - some at the Waggon Bridge and some at the Raft Bridge below. Cold and uncomfortable.
maandag 8 december 2014
Adriaan van Dis -- 9 december 1996
• Adriaan van Dis (1946) is een Nederlandse schrijver. In 1996 hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.
Maandag 9, dinsdag 10 december
De dagen en nachten klonteren door elkaar. Een paar uur terug uit Milaan (voor de lancering van Le Dune delle Indie) en meteen slordig gepakt naar Jakarta. Voor de eerste keer naar het land van mijn ontvangenis. De gezagvoerder nodigt me uit de landing in de cockpit mee te maken. In de buik van mijn moeder de kolonie verlatend, als een vogel de vrije republiek binnengevlogen.
We vliegen boven Straat Soenda. De haven van Jakarta in zicht, waar de gezagvoerder als kind nog met zijn vader heeft gezeild en mijn vader als krijgsgevangene naar de Pakan Baroe spoorweg op Sumatra is weggevoerd. Onder ons krioelen honderden vissersbootjes.
Heden en verleden zullen de komende weken om het beste plaatsje vechten: de foto's uit het Indische familiealbum tegen de beelden van vandaag, de smaken van de rijsttafel naast de etentjes die wachten. Morgenavond zal ik een lezing houden voor het Willem Walraven Genootschap. Onderwerp: land van horen zeggen. Duizenden zinnen schieten door mijn hoofd maar ik zet er niet een op papier. Het moet direct van het hart uit de mond - ik heb er al jaren van gedroomd dit verhaal in Indonesië te vertellen. Marcus en Edwin, de Nieuwzeelandse neven van mijn gastheer Erik Hammerstein, wachten mij bij het vliegveld op. In de auto leren ze mij de eerste zinnetjes Indonesisch.
Op de veranda eten (makanannya énak sekali) en Bintangbier. Ik overhandig de banden van Bernie IJdis' documentaire over De Grote Postweg, met de Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer in de hoofdrol. Erik zal binnenkort een avond organiseren om deze mooie film ook aan een groep Indonesiërs te tonen.
Op het nachtkastje in het bijgebouw ligt Bahasa Indonesia, praktisch leerboek voor beginners. Stille hint. Ik val meteen in slaap, vijf minuten later schrik ik wakker van een klap in mijn gezicht. Enorme dreun. Vijf roodwitte vingers tintelen op mijn wang. Ik was de pijn weg. Daarna diepe slaap.
Woensdag
Erik wil me naar Bogor ('s lands plantentuin) rijden. Daar ben ik veel te zenuwachtig voor. Ik wil me geestelijk voorbereiden op de lezing van vanavond. Hij zegt: “Als je een dagboek moet schrijven, moet je wel iets meemaken.” “Maar er gebeurt al zoveel in mijn slaap”, zeg ik. Ik vertel over de klap met de vlakke hand precies zoals mijn vader ze uitdeelde. “Oh”, zegt Erik, “dat is de geest uit het bijgebouw. De bedienden durven er in het donker niet binnen.” Ik ben weer klein. Stille kracht.
Lezing in het Erasmushuis. Zo nerveus was ik nog nooit. Volle zaal. Half Indonesiërs, half Nederlanders. Praat 70 minuten; niemand loopt weg. Veel vragen van Indonesische kant. Vooral van jongeren die in hun familie nog een druppel Hollands bloed hebben. “Waar hoor ik bij?” Ze hebben behoefte aan duidelijkheid. Getuigenissen van Indonesische (oud)studenten over hun pijnlijke ervaringen in Nederland. Ik roep op tot totale vermenging. Allemaal met elkaar naar bed. Zelf doe ik er natuurlijk niet aan mee. Te moe. Drankjes tot kwart over twee.
Maandag 9, dinsdag 10 december
De dagen en nachten klonteren door elkaar. Een paar uur terug uit Milaan (voor de lancering van Le Dune delle Indie) en meteen slordig gepakt naar Jakarta. Voor de eerste keer naar het land van mijn ontvangenis. De gezagvoerder nodigt me uit de landing in de cockpit mee te maken. In de buik van mijn moeder de kolonie verlatend, als een vogel de vrije republiek binnengevlogen.
We vliegen boven Straat Soenda. De haven van Jakarta in zicht, waar de gezagvoerder als kind nog met zijn vader heeft gezeild en mijn vader als krijgsgevangene naar de Pakan Baroe spoorweg op Sumatra is weggevoerd. Onder ons krioelen honderden vissersbootjes.
Heden en verleden zullen de komende weken om het beste plaatsje vechten: de foto's uit het Indische familiealbum tegen de beelden van vandaag, de smaken van de rijsttafel naast de etentjes die wachten. Morgenavond zal ik een lezing houden voor het Willem Walraven Genootschap. Onderwerp: land van horen zeggen. Duizenden zinnen schieten door mijn hoofd maar ik zet er niet een op papier. Het moet direct van het hart uit de mond - ik heb er al jaren van gedroomd dit verhaal in Indonesië te vertellen. Marcus en Edwin, de Nieuwzeelandse neven van mijn gastheer Erik Hammerstein, wachten mij bij het vliegveld op. In de auto leren ze mij de eerste zinnetjes Indonesisch.
Op de veranda eten (makanannya énak sekali) en Bintangbier. Ik overhandig de banden van Bernie IJdis' documentaire over De Grote Postweg, met de Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer in de hoofdrol. Erik zal binnenkort een avond organiseren om deze mooie film ook aan een groep Indonesiërs te tonen.
Op het nachtkastje in het bijgebouw ligt Bahasa Indonesia, praktisch leerboek voor beginners. Stille hint. Ik val meteen in slaap, vijf minuten later schrik ik wakker van een klap in mijn gezicht. Enorme dreun. Vijf roodwitte vingers tintelen op mijn wang. Ik was de pijn weg. Daarna diepe slaap.
Woensdag
Erik wil me naar Bogor ('s lands plantentuin) rijden. Daar ben ik veel te zenuwachtig voor. Ik wil me geestelijk voorbereiden op de lezing van vanavond. Hij zegt: “Als je een dagboek moet schrijven, moet je wel iets meemaken.” “Maar er gebeurt al zoveel in mijn slaap”, zeg ik. Ik vertel over de klap met de vlakke hand precies zoals mijn vader ze uitdeelde. “Oh”, zegt Erik, “dat is de geest uit het bijgebouw. De bedienden durven er in het donker niet binnen.” Ik ben weer klein. Stille kracht.
Lezing in het Erasmushuis. Zo nerveus was ik nog nooit. Volle zaal. Half Indonesiërs, half Nederlanders. Praat 70 minuten; niemand loopt weg. Veel vragen van Indonesische kant. Vooral van jongeren die in hun familie nog een druppel Hollands bloed hebben. “Waar hoor ik bij?” Ze hebben behoefte aan duidelijkheid. Getuigenissen van Indonesische (oud)studenten over hun pijnlijke ervaringen in Nederland. Ik roep op tot totale vermenging. Allemaal met elkaar naar bed. Zelf doe ik er natuurlijk niet aan mee. Te moe. Drankjes tot kwart over twee.
zondag 7 december 2014
J.J. Peereboom -- 7 december 1960
•
J.J. Peereboom (1924-2010) was schrijver en journalist. Dagboeknotities van zijn hand verschenen in onder meer Ik ben niets veranderd.
December 1960. - Portret van de winter. Op de achtergrond het café The Shuckburgh Arms, een naam die op zich zelf al aan sneeuw en ijs in Noord-Amerika doet denken; het is bovendien een doods gesloten huis, van de soort die op stadsfoto's van 1900 staat met één zwart mannetje ervoor, en het ligt geheel alleen, zonder buren, op de spits van een driehoekig blok, in het verlengde van een winderige straat. De rest van het blok is eerst een opslagterrein van de gemeente Chelsea, waar rijen buizen en zakken cement bewaard worden achter een houten schutting; en vervolgens een machtig pakhuis van een van de grote winkels, met uitgestrekte vlakken blinde muur.
Voor de Shuckburgh Arms langs komt dan een klein dik schoolmeisje hollen; bolvormig hoofd, geel piekhaar, gezicht en knieën rood geschuurd door de wind. Onder het hollen, met de handen in de zakken van een groene blazer gepropt, hoest zij telkens krassend, zonder iets los te maken; die hoest kan altijd doorgaan, tot aan de noordpool. Voor het café blijft zij staan en gaat leunen tegen een lantarenpaal, op een stramme consequente manier waarbij de buitenste voetzool een eindje van de grond komt. Zij buigt het hoofd voorover en zet haar mond open, een stijve spleet die van links tot rechts overal even breed lijkt. Er komen slierten slijm uit die verend bhjven hangen in de wind voordat zij op straat vallen. Zij doet niets om de ontlasting te verhaasten. Zij wacht tot alles gevallen is, zonder haar handen uit de zakken te nemen, klapt dan haar mond dicht en holt verder, met dadelijk weer zo'n krassende hoest die klinkt alsof hij de enige ware uitdrukking van haar levensbesef is.
J.J. Peereboom (1924-2010) was schrijver en journalist. Dagboeknotities van zijn hand verschenen in onder meer Ik ben niets veranderd.
December 1960. - Portret van de winter. Op de achtergrond het café The Shuckburgh Arms, een naam die op zich zelf al aan sneeuw en ijs in Noord-Amerika doet denken; het is bovendien een doods gesloten huis, van de soort die op stadsfoto's van 1900 staat met één zwart mannetje ervoor, en het ligt geheel alleen, zonder buren, op de spits van een driehoekig blok, in het verlengde van een winderige straat. De rest van het blok is eerst een opslagterrein van de gemeente Chelsea, waar rijen buizen en zakken cement bewaard worden achter een houten schutting; en vervolgens een machtig pakhuis van een van de grote winkels, met uitgestrekte vlakken blinde muur.
Voor de Shuckburgh Arms langs komt dan een klein dik schoolmeisje hollen; bolvormig hoofd, geel piekhaar, gezicht en knieën rood geschuurd door de wind. Onder het hollen, met de handen in de zakken van een groene blazer gepropt, hoest zij telkens krassend, zonder iets los te maken; die hoest kan altijd doorgaan, tot aan de noordpool. Voor het café blijft zij staan en gaat leunen tegen een lantarenpaal, op een stramme consequente manier waarbij de buitenste voetzool een eindje van de grond komt. Zij buigt het hoofd voorover en zet haar mond open, een stijve spleet die van links tot rechts overal even breed lijkt. Er komen slierten slijm uit die verend bhjven hangen in de wind voordat zij op straat vallen. Zij doet niets om de ontlasting te verhaasten. Zij wacht tot alles gevallen is, zonder haar handen uit de zakken te nemen, klapt dan haar mond dicht en holt verder, met dadelijk weer zo'n krassende hoest die klinkt alsof hij de enige ware uitdrukking van haar levensbesef is.
vrijdag 5 december 2014
Peter Matthiessen -- 5 december 1959
• Peter Matthiessen (1927-2014) was een Amerikaanse schrijver. Hij maakte een lange reis door Zuid-Amerika, waarvan hij verslag deed in The Cloud Forest (1961).
December 5-7. Barbados.
The island of Barbados, where the ship called for three days after our departure from Saint Lucia and before proceed-ing to Saint Vincent, lies one hundred miles or so out to the eastward of the Windward ïslands. Like Bermuda—and unlike the Windwards, which are peaks of a submerged mountain range—it is a true oceanic island, surrounded by a fringing reef of coral, and more or less unrelated, geologically, to the mainland. ïts countryside, patched by canefields, is low and rolling for the most part, with small spare farm communities and pretty churches and roadside trees bent permanently by the trades. When the sea drops out of sight, the landscape brings to mind certain areas in our Plains States, the sugarcane muls standing up out of dry distances like grain elevators in North Dakota, say, on a long, blue aftemoon of summer.
December 10. Trinidad.
Arrived in Port-of-Spain last night, coming south from Grenada through the cut between Trinidad and the Paria Penin-sula of Venezuela, known as the Dragon's Mouth. A gray day, the first in a long time, and rather welcome. The anchorage is wide, with boats in black sühouette littered out across the dull sheen of it as far as the eye can see. This is not very far today. Laughing gulls, winging up and down.
lts name, Port-of-Spain, is the prettiest aspect of this great dirty town which, according to the port pilot, sees more shipping tonnage come and go than Liverpool. It has a kind of tarnished modernity about it, a fly-by-night air, like an abandoned fair invaded by a pack of gypsies, and it has that terrible sweet smell eommon to all towns in these latitudes, one which I've found impossible to track down. The smell has now invaded the ship itself, like some sort of pervasive melancholia; it loiters in the vicinity of the galley. Fm told that the island of Trinidad is beautiful and am quite ready to believe it, but I have a very poor impression of its capital. It seems appropriate that, throughout this long listless day, a squadron of vultures swept up and down on the city's damp, stagnant airs.
The name of the place, as I recall from the days when I collected stamps, is actually Trinidad-and-Tobago. The latter is a much smaller island off to the northeast, and, having rounded the cape to the north again, we left it astem at eight a.m. the following morning, headed southeast for Georgetown, British Guiana. We are ofï the many mouths of the Orinoco, and the water is discolored. A frigate bird, a distant booby, and two black-backed, white-bellied shearwaters, unidentifiable—conceivably the lost diablotin, but in all probability Audubon's shearwater.
December 5-7. Barbados.
The island of Barbados, where the ship called for three days after our departure from Saint Lucia and before proceed-ing to Saint Vincent, lies one hundred miles or so out to the eastward of the Windward ïslands. Like Bermuda—and unlike the Windwards, which are peaks of a submerged mountain range—it is a true oceanic island, surrounded by a fringing reef of coral, and more or less unrelated, geologically, to the mainland. ïts countryside, patched by canefields, is low and rolling for the most part, with small spare farm communities and pretty churches and roadside trees bent permanently by the trades. When the sea drops out of sight, the landscape brings to mind certain areas in our Plains States, the sugarcane muls standing up out of dry distances like grain elevators in North Dakota, say, on a long, blue aftemoon of summer.
December 10. Trinidad.
Arrived in Port-of-Spain last night, coming south from Grenada through the cut between Trinidad and the Paria Penin-sula of Venezuela, known as the Dragon's Mouth. A gray day, the first in a long time, and rather welcome. The anchorage is wide, with boats in black sühouette littered out across the dull sheen of it as far as the eye can see. This is not very far today. Laughing gulls, winging up and down.
lts name, Port-of-Spain, is the prettiest aspect of this great dirty town which, according to the port pilot, sees more shipping tonnage come and go than Liverpool. It has a kind of tarnished modernity about it, a fly-by-night air, like an abandoned fair invaded by a pack of gypsies, and it has that terrible sweet smell eommon to all towns in these latitudes, one which I've found impossible to track down. The smell has now invaded the ship itself, like some sort of pervasive melancholia; it loiters in the vicinity of the galley. Fm told that the island of Trinidad is beautiful and am quite ready to believe it, but I have a very poor impression of its capital. It seems appropriate that, throughout this long listless day, a squadron of vultures swept up and down on the city's damp, stagnant airs.
The name of the place, as I recall from the days when I collected stamps, is actually Trinidad-and-Tobago. The latter is a much smaller island off to the northeast, and, having rounded the cape to the north again, we left it astem at eight a.m. the following morning, headed southeast for Georgetown, British Guiana. We are ofï the many mouths of the Orinoco, and the water is discolored. A frigate bird, a distant booby, and two black-backed, white-bellied shearwaters, unidentifiable—conceivably the lost diablotin, but in all probability Audubon's shearwater.
woensdag 3 december 2014
Hans Warren -- 4 december 1953
• Hans Warren (1921-2001) was een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken zijn in vele delen gepubliceerd als 'Geheim dagboek'.
2 dec. — 18.15. — Indiscretie, hoe verwerpelijk ook, verschaft soms nuttige informatie.
Mabel en Habib zijn tegen drie uur naar Parijs vertrokken. Mabel naar school, Habib om te gaan kijken of er post en geld voor hem is. Hij heeft zijn portefeuille op een kastje laten liggen. Die geste van vertrouwen maakte hem eerst taboe, maar mijn nieuwsgierigheid won. Ik kan het motiveren: 'Wie heb je in je huis gehaald?' - ik heb ook geen spijt dat ik keek.
In de eerste plaats ontdekte ik dat zijn geboortedatum op zijn identiteitskaart veranderd is en dat hij zich altijd voor een paar jaar ouder uitgeeft dan hij is. Deze toch al zo mannelijke jongen is nog maar achttien jaar, hij is in 1935 en niet in 1932 geboren. En voorts zag ik dat hij behandeld wordt voor een venerische ziekte.
Het verklaart mogelijk waarom er in de nachten dat we het bed deelden nooit iets tussen ons gebeurde, al heb ik verlangd, en meende ik ook bij hem een verlangen te merken. Ernstig kan het overigens niet zijn: hij ziet er gezond uit, en gaaf.
Hoe snijd ik het onderwerp aan. Ook Mabel dient het te weten.
4 dec. — 14.20. — Het lijkt een onteigeningsproces, waarbij ik win, rijker word. Ik schakel mezelf uit, zonder Habibs slaaf te worden. Is het liefde? Zijn mooi-zijn brengt me soms een brok in de keel. 's Avonds, voor ik inslaap, zie ik de curve van zijn nek, schouders en armen, ruik ik de narcisgeur van zijn luisterrijk haar. 's Nachts voel ik de koele stevigte van zijn armen, de warme ruigte van zijn benen. Bij het ontwaken ligt zijn meestal wat droevige hoofd naast me op de traversin: een trotse, fijne mond met smalle lippen; bruine wangen met twee zwarte zwaluwvleugels van wimpers; een neus, glanzend aan de basis. Ik aanbid hem van vlakbij met mijn bijziende ogen. Soms slaat hij dan de zijne op, we glimlachen maar spreken nooit. Een woord van tederheid, een gebaar van toenadering is er nog niet tussen ons geweest. Ik denk aan dat kaartje van het consultatiebureau voor geslachtsziekten. Ik heb het Mabel verteld, al schaamde ik me te bekennen dat ik had gesnuffeld. We letten op, dat is al. Habib past zich aan, maakt zich nuttig. Hij repareert het electra, bakt vis, leest een boek, en hij is zuinig met ons geld merken we. Hij draagt enkele van mijn kleren die hem passen, ziet er fris en uitgerust uit.
Hij spoort me zelfs aan om te werken, op een prettige manier. Hij heeft een natuurlijke intelligentie. Toch denk ik telkens aan een verdwaalde, leeggevlogen postduif die een paar dagen doet of hij een nieuw hok gevonden heeft en die dan opeens verdwenen blijkt, of aan een zwerfkat die als zijn pels weer gaat glanzen op een avond niet meer in zijn mandje ligt.
Ik weet ook niet wat dit worden moet: wanneer het met zijn tweeën al fout gaat, gaat het gedrieën onverbiddelijk fout. Maar ook hier weer: er is een band ontstaan, er is iets in beweging gekomen en schuldeloos-schuldig leef je verder.
2 dec. — 18.15. — Indiscretie, hoe verwerpelijk ook, verschaft soms nuttige informatie.
Mabel en Habib zijn tegen drie uur naar Parijs vertrokken. Mabel naar school, Habib om te gaan kijken of er post en geld voor hem is. Hij heeft zijn portefeuille op een kastje laten liggen. Die geste van vertrouwen maakte hem eerst taboe, maar mijn nieuwsgierigheid won. Ik kan het motiveren: 'Wie heb je in je huis gehaald?' - ik heb ook geen spijt dat ik keek.
In de eerste plaats ontdekte ik dat zijn geboortedatum op zijn identiteitskaart veranderd is en dat hij zich altijd voor een paar jaar ouder uitgeeft dan hij is. Deze toch al zo mannelijke jongen is nog maar achttien jaar, hij is in 1935 en niet in 1932 geboren. En voorts zag ik dat hij behandeld wordt voor een venerische ziekte.
Het verklaart mogelijk waarom er in de nachten dat we het bed deelden nooit iets tussen ons gebeurde, al heb ik verlangd, en meende ik ook bij hem een verlangen te merken. Ernstig kan het overigens niet zijn: hij ziet er gezond uit, en gaaf.
Hoe snijd ik het onderwerp aan. Ook Mabel dient het te weten.
4 dec. — 14.20. — Het lijkt een onteigeningsproces, waarbij ik win, rijker word. Ik schakel mezelf uit, zonder Habibs slaaf te worden. Is het liefde? Zijn mooi-zijn brengt me soms een brok in de keel. 's Avonds, voor ik inslaap, zie ik de curve van zijn nek, schouders en armen, ruik ik de narcisgeur van zijn luisterrijk haar. 's Nachts voel ik de koele stevigte van zijn armen, de warme ruigte van zijn benen. Bij het ontwaken ligt zijn meestal wat droevige hoofd naast me op de traversin: een trotse, fijne mond met smalle lippen; bruine wangen met twee zwarte zwaluwvleugels van wimpers; een neus, glanzend aan de basis. Ik aanbid hem van vlakbij met mijn bijziende ogen. Soms slaat hij dan de zijne op, we glimlachen maar spreken nooit. Een woord van tederheid, een gebaar van toenadering is er nog niet tussen ons geweest. Ik denk aan dat kaartje van het consultatiebureau voor geslachtsziekten. Ik heb het Mabel verteld, al schaamde ik me te bekennen dat ik had gesnuffeld. We letten op, dat is al. Habib past zich aan, maakt zich nuttig. Hij repareert het electra, bakt vis, leest een boek, en hij is zuinig met ons geld merken we. Hij draagt enkele van mijn kleren die hem passen, ziet er fris en uitgerust uit.
Hij spoort me zelfs aan om te werken, op een prettige manier. Hij heeft een natuurlijke intelligentie. Toch denk ik telkens aan een verdwaalde, leeggevlogen postduif die een paar dagen doet of hij een nieuw hok gevonden heeft en die dan opeens verdwenen blijkt, of aan een zwerfkat die als zijn pels weer gaat glanzen op een avond niet meer in zijn mandje ligt.
Ik weet ook niet wat dit worden moet: wanneer het met zijn tweeën al fout gaat, gaat het gedrieën onverbiddelijk fout. Maar ook hier weer: er is een band ontstaan, er is iets in beweging gekomen en schuldeloos-schuldig leef je verder.
dinsdag 2 december 2014
Susan Sontag -- 3 december 1961
• Reborn bevat (dagboek)notities van schrijfster Susan Sontag (1933-2004) uit de periode 1947-1963.
12/3/63
The writer must be four people:
1. The nut, the obsédé
2. The moron
3. The stylist
4. The critic
1 supplies the material; 2 lets it come out; 3 is taste; 4 is intelligence.
A great writer has all 4 — but you can still be a good writer with only 1 and 2; they’re most important.
12/3/63
The writer must be four people:
1. The nut, the obsédé
2. The moron
3. The stylist
4. The critic
1 supplies the material; 2 lets it come out; 3 is taste; 4 is intelligence.
A great writer has all 4 — but you can still be a good writer with only 1 and 2; they’re most important.
Abonneren op:
Posts (Atom)







