donderdag 6 april 2017

Ferdinand Gregorovius -- 6 april 1856


Ferdinand Gregorovius (1821-1891) was een Duitse schrijver en historicus, gespecialiseerd in de geschiedenis van Rome. Hij verbleef vaak in die stad; zijn dagboeken zijn gepubliceerd als Römische Tagebücher.

Rome, 6 april
Eergisteren droomde ik dat ik de koning van Napels, die te paard zat en hoog in de lucht vloog, aan een lijn vasthield, en hij trok zo hard dat ik hem niet in bedwang kon houden. Naderhand herinnerde ik me dat ik vele jaren geleden in Koningsbergen eens droomde, dat ik de Middellandse Zee aan een lijn in de lucht hield, en dat ik erg bang was dat de zee naar beneden zou vallen en het land zou overspoelen. Ik heb nog nooit zulke wonderbare dromen gehad. Op een avond zat ik in het theater: in plaats van de acteurs betraden de muren van Rome het toneel, waar ze een imposante dans uitvoerden. Aan het eind verscheen Iphigenia en stak een rede af waarvan ik de enige toeschouwer in het theater was.
Ik herinner me dat ik als jonge man eens een echt profetische droom had. Voor het eindexamen van het gymnasium van Gumbinnen droomde ik dat de leraar me de ode Justum ac tenacem propositi virum ter verklaring gaf. Meteen daarop bestudeerde ik de ode goed. Toen ik op dag van het examen met mijn klasgenoten de zaal betrad, vertelde ik hen waardoor ik wist wat mijn examenopgave zou zijn. Ze lachten me uit. Mijn leraar Petrany pakte Horatius en zei tegen mij: Slaat u de ode Justum ac tenacem propositi virum op. Mijn mede-examenkandidaten keken me stomverbaasd aan, en ik slaagde met glans.
Toen ik afgelopen zondag over de Via Appia liep, luidden alle klokken van Rome, vanwege het einde van de Krimoorlog, die zojuist per telegraaf verkondigd was.
Prinses Torlonia is gek geworden. Ze is een mooie vrouw uit het oude huis van Colonna. Toen een bankier haar hand won, zei hij: ze is een antiek standbeeld, en ik heb het gouden voetstuk om het op te zetten.
Multum esset scribendum, quod dimitto in Calamo: slotzin van een kroniekschrijver. ('Er valt nog veel te schrijven, dat ik [echter] in de pen laat'.)


Rom, 6. April
Vorgestern träumte mir, daß ich den König von Neapel zu Roß hoch am Himmel fliegend an einem Stricke festhielt, und er zog so stark, daß ich ihn nicht anhalten konnte. Ich erinnerte mich nachher, daß ich vor vielen Jahren in Königsberg träumte, ich hielte das mittelländische Meer an einem Strick in der Luft, wobei ich große Angst hatte, es möchte herunterfallen und das Land ersäufen. Ich habe niemals so wunderbare Träume gehabt. Eines Nachts sah ich mich im Theater: statt der Schauspieler traten die Stadtmauern Roms auf die Bühne, wo sie einen großartigen Tanz aufführten. Am Ende erschien Iphigenia und hielt eine Rede an mich, der ich der einzige Zuschauer im Theater war.
Ich erinnere mich, daß ich als junger Mensch einmal einen wirklich prophetischen Traum hatte. Vor dem Abiturientenexamen im Gymnasium zu Gumbinnen träumte mir, daß der Professor die Ode Justum ac tenacem propositi virum mir zu erklären gab. Ich übte sie sofort gut ein. Als ich nun am Tage der Prüfung mit meinen Mitschülern in den Saal ging, sagte ich ihnen, daß und wodurch ich wüßte, welches meine Aufgabe sein werde. Sie lachten mich aus. Der Professor Petrany griff nach dem Horaz und sagte zu mir: Schlagen Sie die Ode auf Justum ac tenacem propositi virum. Die Mitexaminanden sahen mich staunend an, und ich bestand sehr glänzend.
Am vorigen Sonntag, da ich auf der Via Appia ging, läuteten alle Glocken in Rom, und das war der Friede nach dem Krimkriege, welchen die Telegraphen eben verkündigt hatten.
Hier ist die Prinzessin Torlonia wahnsinnig geworden. Sie ist eine schöne Dame vom alten Haus Colonna. Als der Bankier ihre Hand gewann, sagte er: sie ist eine antike Statue, und ich habe das Postament von Gold, sie darauf zu stellen.
Multum esset scribendum, quod dimitto in calamo: Schlußphrase eines Chronisten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen