donderdag 29 december 2016

Alma Mahler -- 30 december 1901

Alma Mahler was in het begin van de twintigste eeuw de it-girl van Wenen. Haar dagboeken over die tijd zijn verschenen als Het is een vloek een meisje te zijn (vertaald door Peter Claessens).

Maandag 30 december 1901
We zijn vandaag quasi man en vrouw geworden. Ik mocht zijn [Mahlers] mannelijkheid, zijn zwellende kracht, strelen – en dat gaf me zo'n zuiver, sacraal gevoel, dat had ik nooit verwacht. Hij moet vreselijk lijden. Ik kan zijn pijn afmeten aan de mijne. Niemand heeft een idee hoe ontzagwekkend ik naar hem verlang. En toch – ik kan me niet voorstellen dat ik me vóór het vastgestelde tijdstip al aan hem geef. Een gevoel van illegitimiteit en schaamte zou de volle glorie van het heilige mysterie omlaaghalen. Mijn in God-geliefde.
Als ik alleen ben voel ik een leegte – de ontbrekende helft. We konden nauwelijks afscheid van elkaar nemen. Wat is de reden van deze vreselijke conventie? Waarom kan ik niet gewoon bij hem intrekken? Zonder kerkelijke zegen. Nu worden we verschroeid door ons verlangen, we verbruiken onze grootste vurigheid. Hij ontblootte zijn borst, en ik liet mijn hand op zijn hart rusten. Ik heb het gevoel dat zijn lichaam het mijne is – Hij is ik. Met des te grotere intensiteit bemin ik elk stukje van hem – buiten hem bestaat er niemand. Geen enkele andere gedachte!
Ik draag mijn haren los – daar houdt hij van – en onze lichamen klemmen zich met een moordende intensiteit tegen elkaar aan. Ik wil een kind van hem! Met zijn innerlijk. En mijn uiterlijk.
Was ik maar al de zijne! Nog negentig nachten!



Nog voor haar huwelijken met Gustav Mahler, Walter Gropius en Franz Werfel, en haar verhouding met Oskar Kokoschka, had it-girl Alma Mahler (1897-1964) al verhoudingen met Gustav Klimt en Alexander von Zemlinsky. Ze schrijft erover in haar dagboeken uit de periode rond 1900.

Elisabeth Bentinck -- 29 december 1919

Gravin Elisabeth Bentinck (1892-1971) was de dochter van graaf Godard van Aldenburg Bentinck, die de Duitse keizer en keizerin na hun verbanning uit Duitsland enkele jaren onderdak biedt in zijn kasteel in Amerongen. Elisabeth trouwt in 1920 met de adjudant van de keizer, Sigurd von Ilsemann. Zijn dagboeken zijn onlangs in het Nederlands vertaald. In het boek zijn ook dagboekfragmenten van Elisabeth Bentinck opgenomen.

27 december. De kroonprins is vertrokken. De keizer heeft de lichtjes in de kerstboom nog een keer aangestoken. Prins August Wilhelm wordt met bezorgdheid verwacht, hij komt mededeling doen van de scheiding van zijn vrouw. Toen hij laatst hier was, toonde hij nog met trots foto's van haar. Toen hij daarna terugkeerde naar huis, had zij hem verlaten.

28 december. Gontard haalde gisteravond de prins af en verzocht de majesteiten niet te wachten, omdat hij pas laat zou komen. De keizerin wachtte niettemin. Pas om 12.30 uur kwam haar zoon. Tot 2 uur 's nachts spraken zij met elkaar.

29 december. De keizerin was zeer opgewonden vanmorgen. De prins zag er slecht uit. Hij reed weg, zonder papa te zeggen waarheen. Een bediende zei dat hij naar de koningin was gereden. Papa haalde prins Eitel Friedrich af. Een grote, dikke persoon, een volstrekt ander type dan zijn broers.

30 december. De keizer heeft last van zijn maag en ligt in bed. Prins Eitel vertelde Ilsemann dat zijn vader hem zo koel had begroet dat zijn moeder in tranen was uitgebarsten. Hij is gekomen om afscheid te nemen van zijn ouders, daar hij op de uitleveringslijst staat.

31 december. Ik kreeg van Ilsemann een wonderschone azalea, prachtig in bloei. De weilanden staan onder water; het stijgt gevaarlijk. Zou het tot in het huis komen, dan zouden de majesteiten het moeten ontruimen, omdat de keuken dan niet meer gebruikt kan worden. Papa stelt Zuylestein ter beschikking en besprak met gravin Keller de eventuele huisvesting van de majesteiten aldaar. De gravin rekende precies uit hoeveel kamers de majesteiten nodig hadden en kwam tot de conclusie dat alles in orde was, alleen was er een kamer te weinig. Een kleedkamer was te weinig, de majesteiten moesten er twee hebben. Ik vond dat zo belachelijk dat ik niet kon nalaten op te merken dat in zulke uitzondenngsgevallen - waarbij men blij mag zijn überhaupt onderdak te hebben - het toch mogelijk moet zijn dat, hoewel keizer en keizerin elk een eigen bed hebben, hun kleren in plaats van in twee kamers in één kamer komen te hangen. Tante Ke antwoordde woedend dat ik van dergelijke dingen niets begreep, majesteiten zijn nu eenmaal geen gewone stervelingen.
Ik roeide naar de Rijn, die nog steeds stijgt. Daar de wind steeds meer aanwakkert en het water van de Rijn reeds over de zomerdijk loopt, wordt de toestand voortdurend ernstiger.
Na het eten roeiden wij er nogmaals heen, maar de golven waren zo hoog dat wij snel omdraaiden en slechts met moeite konden aanleggen. Papa zond auto's naar Overberg om arbeiders te laten komen. Korte tijd later werkten veertig man aan de ophoging van de dijk. Ilsemann werd zo nat dat hij zich moest verkleden. Overal werden verhogingen gemaakt van
zandzakken, planken en aarde. Het meest kritiek was de toestand aan de zuidwestelijke punt van de kasteeldijk. Daar ontstond een hardnekkige strijd tegen de elementen, de golven sloegen heftig tegen de hoek hij de Veerweg. Daar het de laatste dag van het jaar was, ging ik naar de kerk en vroeg gravin Keller of zij meeging. Zij sloeg dat af uit angst dat het water intussen tot in het kasteel zou kunnen komen en dan moest zij de keizerin beschermen. Ze pakte inderdaad reeds haar eigen spullen in. Het is om te lachen.
Tegen de nacht ging de wind wat liggen, papa zag geen gevaar meer voor de nacht. De arbeiders moesten echter doorwerken.

dinsdag 27 december 2016

Richard Tregaskis -- 28 december 1962

Richard Tregaskis (1916-1973) was een Amerikaanse oorlogscorrespondent die een aantal oorlogsdagboeken publiceerde, waaronder Vietnam Diary (1963), over de Vietnam-oorlog (1955-1975).

Friday, December 28
This morning, I arranged a flight with a T-28 mission to napalm, racket, and strafe some VC [Viet Cong] positions. While waiting for final word about this, I talked to Maj. Aldrich about his company's fund-raising efforts in behalf of WO [Warrant Officer] Holloway's wife, Grace, and family. The company had collected $385 for the family and Aldrich said the widow would have $10,000 in GI insurance, and just over $400 a month in widow's payment, including Social Security. He had carefully figured it out: $254.10 a month in social security, and $160 a month in service-connected death payments.
[...]

I rode with Lt. St. Col. King who was to have flown a third bird in our formation, but his T-28 washed out at the last minute with a mechanical malfunction. A jovial, blue-eyed tall son of the corn who was a B-17 and fighter pilot in World War II, King normally flies the T-28 missions "just about every other day." He told me that he makes the missions with his boys mainly for the sake of morale. "I want the pilots in this outfit to have a high morale, and everything that it takes to make a high morale. I want them to have uniform devices, like scarves and jungle hats, and star patches with tigers in them, everything they need to make them feel they mustn't let the outfit down. And it's the same with having American advisers around. They try harder if the American adviser is along."
When Lts. Si, Tham and I took off with our highly explosive loads, I was just as glad that Col. King didn't come along: His presence might have inspired the two Vietnamese hotshots to even more violent maneuvering in the course of dumping ordnance on the VC.

At any rate, we had a full load of rockets, .50-caliber machine gun ammo, and 500 pounds of napalm each.
We took off at 10:07, sizzling in the clear heat of the canopy while trapped by the usual mountain of gear, and headed north over what ap-peared to be scattered farms beyond Pleiku. Abruptly we climbed over a steep green ridge, more than 5,000 feet high. Then we were diving in a breathless pass toward high-ribbed mountains covered with almost solid jungle.
We made nine neck-snapping passes into two separate collections of huts designated as VC villages. It was, as Col. King had said, a solidly VC area: "An interdiction target: No friendlies."

We whirled at maximum speed around the green-ribbed mountains for a good 15 minutes, while the guns stuttered or the rockets arced — two passes during which there was no sound, only the sharp pull-up, and behind us, the boiling orange flames of napalm devouring the groups of houses. The steepest pass was a machine-gunning dive into a jungly mountainside marked as a VC strongpoint. Lt. Si seemed to have momentarily forgotten his wife and three children in Nhatrang: he held our nose down until far beyond what seemed the last moment. When he finally hauled back and skimmed us over the ridge top, there was a very unpleasant "graying-out" effect whereby our vision grew suddenly black, and our body parts seemed to be weighted with outriggers.

We saw no signs of anti aircraft on all these passes, and the raid was a success: Si and Tham filled out the report of 20 structures burned in enemy territory. After the aerial gymnastics — upside-down peel-offs, wing-overs, violent pull-ups — I was still teetering on the edge of nausea. Si, who seemed a mild man when not obliged to be a tiger at the controls of a T-28, asked me solicitously (with gestures) if I was sick. I was glad to be able to say no, even if it wasn't completely true.

I went to the local Air Force headquarters at the II Corps Citadel while the Vietnamese T-28 pilots filed their reports. Col. King, having effected a repair of his own T-28 so that it would be workable this afternoon, was saying to Capt. Glen Hellenga (of Alderwood Manor, Wash.), the reconnaissance duty officer, "Now we've got to get some more targets for this afternoon." He would be going this time. Later in the afternoon, I hitched a ride into Saigon with a Special Forces "Sneaky Pete" aircraft, a C-47 heading for The Ville just in time for the beginning of the New Year's Eve holiday.

maandag 26 december 2016

Harry Graf Kessler -- 27 december 1928

Harry Graf Kessler (1868-1937) was een Duitse kunstverzamelaar, museumdirecteur, schrijver, publicist, politicus, diplomaat en pacifist. Hij hield 57 jaar lang een dagboek bij. Een selectie daaruit is (door Peter Claessens)  in het Nederlands vertaald als Dans op de vulkaan.

Parijs, 27 december 1928
's Avonds voorstelling van Diaghilevs ballet in de opera. Stravinsky's Vuurvogel en Petroesjka. Na afloop in de gangen achter het podium, waar ik op Diaghilev wachtte, komt deze met een kleine, schriele jongen in een versleten jas op me af en zegt: 'Kent u hem niet?' Ik zeg: 'Nee, echt, niet dat ik me kan herinneren.' Diaghilev: 'Maar het is Nijinski, ziet u dat niet!' Nijinski! Ik was als door de bliksem getroffen. Dat gezicht dat zo vaak als dat van een god had gestraald, bij duizenden een onvergetelijke indruk heeft achtergelaten, grauw, slap, leeg, alleen nog vluchtig door een wezenloze glimlach, een kortstondig flauw schijnsel als door een voor het laatst opflakkerende vlam verlicht. Geen woord kwam over zijn lippen. Diaghilev hield hem onder een arm vast; om de trap, drie verdiepingen, af te gaan vroeg deze mij hem onder zijn andere arm vast te pakken omdat hij, die vroeger over huizen scheen te kunnen springen, nu onzeker, angstig treetje voor treetje aftastend de trap af loopt. Ik pakte hem vast, nam zijn magere vingers in mijn hand, probeerde hem met vriendelijke woorden op te monteren; wezenloos maar verschrikkelijk aangrijpend keek hij me met grote ogen als een ziek dier aan. […] Dit weerzien met Nijinski, het liet me maar niet los. Een mens die totaal opgebrand is... Niet te bevatten!


Harry graaf Kessler (1868-1937) was een gedreven, liberaal denkende aristocraat die zich inzette voor een verenigd Europa, het pacifisme, de Volkenbond en het Nietzsche-archief. Als diplomaat in dienst van de regering, maar ook als onafhankelijk kosmopoliet en kunstpromotor stond hij in contact met de grote politici, industriëlen, denkers en kunstenaars van zijn tijd.
Sergej Diaghilev was de oprichter van het indertijd zeer beroemde balletgezelschap Ballets Russes. Vaslav Nijinski was een van zijn sterdansers.

Maarten 't Hart -- 26 december 1999

Maarten 't Hart (1944) is een Nederlandse schrijver. In de Privé Domein-reeks publiceerde hij Een deerne in lokkend postuur. Persoonlijke kroniek 1999.

26 december 1999
Dolweer – Zolang ik hier woon, nu zeventien jaar, heb ik steevast op tweede kerstdag rond het middaguur in de koesterende zon op het keukenterras kunnen zitten. Dolweer! De winterjasmijn bloeit uitbundig. Overal flonkeren zijn knalgele muurbloemen. In de tuin zag ik in een slootrand al een bleekgeel speenkruidbloempje. En stiekem bloeit overal met piepkleine blauwwitte bloemetjes mijn lievelingsplantje: akker-ereprijs. Het voorjaar lijkt in aantocht. Het is net of op tweede kerstdag de natuur zich ieder jaar weer in zinsbegoocheling stort. Ook ditmaal scheen de zon rond het middaguur gul op de graniettegels van het terras. Overmoedig floot een roodborst zijn liedje. Er zat zelfs al een mees te pruttelen.

Georg Michael Lill -- 25 december 1915

Georg Michael Lill (1884-1952) was soldaat in WO 1. Zijn oorlogsdagboek is hier te lezen.

Weihnachten 1915, 25. Dez. 15
Der Tag begann mit einer furchtbaren Kanonade unter strömenden Regen. Auch hier musste ich die Erfahrung machen, dass die Einwohner des Städtchens Carvin dieses schöne Fest nicht zuwürdigen wussten. Mit Staunen stehen sie vor den Liebespäckchen, die man von zu Hausebekommt. Die Großen sind nicht zu bedauern, umso mehr die Kleinen derselben. Ich teilte meine kleine Gabe mit meinen Hausbewohnern und gab auch für die Kinder der armen Frau, die die Arbeit bei der reichen Frau im Hause verrichtet. Im Allgemeinen verbrachte ich den ersten Feiertag sehr einseitig, verkürzte dies durch Schlafen legen. Mein Herr ist in Stellung, kommt heute zurück.

Epinoy, den 26. Dez. 15
Der begann mit heftiger Kanonade und heftigen Regen, der zur Zeit noch anhält in den 8 Wochen unseres Hier seins. Zur Zeit herrscht hier lebhaftes Artilleriefeuer. Die Weihnachtsgaben,Liebesgaben haben eine merkliche Schwächung erfahren durch die Aufklärung der beurlaubten Soldaten, da am verflossenen Jahr die Verteilung eine starke Einseitigkeit aufwies.

Epinoy, den 27. Dez.
Zeitweise Niederschläge, heftiger Sturm. Die Kanonade hält heute noch an. Die Stimmung unter den Truppen ist eine sehr gedrückte. Es folgt z.Z. Bestrafung auf Bestrafung, sogar 10 und 15 Jahre Gefängnis. Dasselbe ist meiner Ansicht nur auf die Länge des Krieges zurückzuführen.

Carvin-Epinoy, den 28. Dez. 15
Gelindes Wetter, keine Niederschläge. Heftiges Artilleriefeuer. Die Lage ist im Allgemeinen sehr ruhig und es scheinen sich sehr wichtige Dinge vorbereiten zu wollen. Die Nähe zum Frieden ist noch sehr gering. Trotz einem 17-monatlichen Ringen und trotz den ersichtlichten Vorteilen, die wir auf allen Kriegsschauplätzen zu verzeichnen haben. Bis jetzt betragen die Zinsen der verpulverten Kriegssummen, Zinsfuß 5%, 1½Milliarden Mark. Das gesamte Nationalvermögen des Reichesschätzt man auf 350Milliarden Mark. Das Gesamteinkommen des deutschen Volkes betrug 1908 42/43Milliarden Mark. Die Summen der Kriegsausgaben sind so horrend, dass man sich kaum einen Begriff von den gewaltigen Zahlen machen kann.

Carvin-Epinoy, 29. Dez. 15
Mildes Dezember-Wetter bei bewölktem Himmel, ohne Regen. Heftiges Artilleriefeuer, es folgen z.Z. häufige Bestrafungen wegen Trunkenheit und unerlaubter Entfernung vom Quartier statt. Jetzt scheint meiner Ansicht der Krieg mit den Nerven zu beginnen, vor dem man gerade vor einem Jahr gesprochen hat. Ich möchte voraussetzen, dass derselbe Krieg bei den Herren Offizieren an den Nerven schon über ein Jahr dauert und dass in unserem 5.R.J.R. sage und schreibe zweiOffiziere sind, die den ganzen Feldzug an der Front bis jetzt mitgemacht haben. Die Herren sind alle beide Btl.-Adjutanten. Ferner sind der Reg. Kommandeur und sein Adjutant auch noch anwesend, den übrigen ist die Hölle schon lange zu heiß gewesen.

Carvin-Epinoy, den 30. Dez.
Gelindes Herbstwetter bei bewölktem Himmel ohne Regen. Den ganzen Tag heftige Kanonade, scheinbar bei unserer 3.Division. Die Kämpfe scheinen schärfere Formen anzunehmen. Jedenfalls steht irgendwas bevor. Heute besichtigte ich die Schießstände, die für unser Reg. angefertigt werden. Dieselben sind mir in Anlage wie Ausführung als mustergültig anzusehen. Die -46-Ausführungen fanden unter der bewährten Leitung eines Landsmannes Herrn Lt. Meyer aus Landau statt, dem alle Anerkennung gebührt. Das II.b.A.K. ist überhaupt als ein mustergültigestechnisches Korps anzusehen, dessen Arbeiten und Leistungen erst nach dem Krieg werden gewürdigt werden von Freund und Feind.

Carvin-Epinoy, 31. Dez. 15
Das alte leidensreiche Jahr neigt sein Haupt teils unter stürmischen Regen und heftigemKanonendonner zum Ende. Die gegenseitige lebhafte Tätigkeit hält schon seit Weihnachten an. Die Truppen erwarten im Allgemeinen vondem neuen Jahr den kommenden ersehnten Frieden.Hoffentlich geht der berechtigte Wunsch so vieler, sei es bei Freund oder Feind, in Erfüllung und stellt das auf der Türschwelle stehende neue Jahr nicht wieder neue Enttäuschung an die abermals Millionen hoffenden Herzen.Darum Lenker des großen Sonnenschein lass Friedenslicht in die Schädel der verstockten Minister hinein. Enttäuscht und hoffnungslos lass nicht alle nach Haus, damit nicht Neue im neuen Jahr weiter anstehen an dem schrecklichen Schmaus.

Carvin-Epinoy, den 1. Jan. 1916
Der erste Tag des neuen Jahres verlief für mich verhältnismäßig rasch. Den ganzen Tag über herrschte trübes regnerisches Wetter, das bis zum Abend zu einem furchtbaren Sturm wurde. Auch wurde feste vom alten in das neue Jahr hinüber gedonnert. Doch ließ die Kanonade den Tag über etwas nach. Die Schießerei in der Neujahrsnacht war auch wieder stark trotz des Verbotes, aber bei weitem nicht so als am verflossenen Jahr. Ich fertigte am heutigen eine kleine Skizze für neue Sanitäts-Unterstände. Abends hatte ich Besuch, meinen Bruder und Schneider Adam. Mit vier Maß Bier und Kartenspiel vertrieben wir uns den Abend und so verlief der erste Tag des neuen Jahres ganz gut. Will hoffen, dass sich die Geschichte zu Ende neigt.

Vasili Rozanov -- 24 december 1912

• De autobiografische publicaties van de Russische schrijver Vasili Rozanov (1856-1919) zijn “een uiterst boeiende en vooral tegendraadse collectie literaire fragmenten, aforismen en persoonlijke notities van iemand die rustig een van de meest opzienbarende fenomenen van de Russische letteren genoemd kan worden”. Een selectie uit zijn werk (vertaald door Yolanda Bloemen) is verschenen on der de titel Roem is een slang.

24 december 1912, bij mama in de kliniek
God is de wereld zeer toegedaan. En de wereld is God zeer toegedaan. Vandaar religie en gebeden. De wereld «verzorgt haar kapsel» in het aangezicht van God, en God zegt (Genesis, 1): «Het is goed.» Elk ding, elke dag.
De wereld «betovert» God ook een beetje: en hij heeft zijn Eniggeboren Zoon gegeven voor de wereld:
Dat is het geheim.
Ach, de wereld wordt nog niet koud. Dat lijkt maar zo. Warmte is haar wezen, liefde is haar wezen.
En donker van kleur. Blozende wangen. En de boezem van de wereld. En de geheimen van haar schoot.
En de kleine Rozanov, weggescholen tegen haar boezem. Waar hij eeuwig melk uit zuigt. En ik houd van deze tepel van de wereld, donker van kleur en welriekend, met een enkel haartje eromheen. En mijn handpalmen houden deze veerkrachtige borsten vast, en de Gebieder van de wereld heeft in de verten van zijn kennis weet van mij en behoedt mij.
Hij geeft mij melk en daarmee wijsheid en vuur.
Dat is de reden dat ik God liefheb.

vrijdag 23 december 2016

Rayda Jacobs -- 23 december 2004

Rayda Jacobs (1947) is een Zuid-Afrikaanse schrijfster. In 2004/2005 maakte ze een pelgrimstocht naar Mekka, waarvan ze verslag deed in haar boek The Mecca Diaries (Door Roland Fagel in het Nederlands vertaald als Mekkadagboek).

Dag 10 - donderdag 23 december 2004
De dag begint met grote verwachtingen. We gaan naar Mekka. Medina was ter voorbereiding, om de spanning op te bouwen. Medina heeft met de hadj eigenlijk niets te maken, maar Mekka en Medina zijn verbonden door de openbaring. De een is de geboortestad van de Profeet (vzmh), in de ander is hij gestorven. Het is zinnig voor pelgrims om eerst naar Medina te gaan en daarna naar Mekka. Mekka is waar we nu heen gaan. Onze bedevaart is nu officieel begonnen. Zoals gewoonlijk staan we voor de dageraad op om naar de moskee te gaan, daarna ontbijt, en om halfnegen verzamelen we voor het hotel. Vandaar gaan we met de hele groep, onder leiding van sjeik Gabriels, voor de laatste keer afscheid nemen van de Heilige Profeet (vzmh) met gebed.
Aangezien het een gemengde groep is, mannen en vrouwen, gaan we de moskee niet in, we gaan naar de manneningang waar we op de eerste dag zijn geweest. We staan op een afstand van zo'n meter of dertig om nog een glimp op te vangen van de kab'r van de Nabi (vzmh) en zijn twee kaliefen.
Sjeik Gabriels gaat voor in een kort gebed en daarna nemen we afscheid. We huilen en we omhelzen elkaar. Als we in de bus de stad uit rijden en de moskee van de Profeet achter ons laten, voelen we ons allemaal bedroefd. Of we de moskee ooit terug zullen zien, en zo ja wanneer, dat weten we niet. Het enige wat ons rest zijn onze herinneringen aan de plek waar Gods laatste Profeet (vzmh) zijn laatste jaren doorbracht en kwam te overlijden.
We zijn nu in ihram om Mekka voor het eerst binnen te gaan, de vrouwen in witte gewaden, onderrokken en lange witte broeken, de mannen in twee ongenaaide lappen, een voor over de schouder en een om het middel geslagen. We hebben onze ghus'l al achter de rug, een speciale rituele wassing na de douche, en we zullen stoppen bij Bir Ali, onze niqat waar we het gebed zullen zeggen dat hoort hij het aantrekken van de ihram. We mogen ons nu niet meer krabben, we mogen geen insect wegslaan, we moeten ons nu zeer gedisciplineerd gedragen. We zijn in ihram, want zodra we Mekka binnen gaan doen we onze oemra, en dat is een onderdeel van de hadj.

[...]

Nu zijn we eindelijk in Mekka. We zijn gekomen voor de hadj. Hadj betekent letterlijk 'reizen naar God'. Het veronderstelt ook oefening in het beheersen van het ik. Aan de hadj zijn specifieke verplichtingen verbonden en die hebben evenveel te maken met Abraham, Hagar en Ismail als met de Heilige Profeet Mohammed (vzmh), die in Mekka werd geboren en in Medina overleed.
We komen aan bij hotel al-Kareem. De bus stopt en vier jonge mannen stappen in. De een deelt flessen koel zamzam-water uit, een ander geeft ons een dadelkoekje, de volgende biedt ons een schaal met dadels aan. We stappen uit en staan opeens midden in een smal straatje dat wemelt van de mensen: venters, pelgrims, handelaren, vrouwen die op dekens zitten en noten verkopen of gebedsmatjes of gewaden - en dat allemaal op zo'n honderd meter van de Grote Moskee.
We gaan naar onze kamer op de tiende verdieping. Over een halfuur moeten we alweer opgefrist en wel terug zijn in de lobby van het hotel om ons bij de rest van de groep te voegen. Het eerste wat we moeten doen nu we Mekka hebben betreden, in ihram, is het verrichten van de oemra en de sa'i.
Onze kamer op de tiende verdieping blijkt veel kleiner dan die in Medina: vier bedden in een piepkleine ruimte, met een minuscuul raampje dat uitkomt op een muur. Of het dag of nacht is valt niet te zeggen. Het is te klein om een kat in de rondte te zwiepen. Aan de andere kant is het wel schoon en de badkamer beschikt over een normaal toilet. Maar hoe moeten we vijf weken lang met vier vrouwen in dit kamertje leven? Nu hebben we geen tijd die vraag te beantwoorden. We zetten onze koffers neer en doen onze rituele wassing. We zijn moe. Het is na elf uur 's avonds. Wat ons nu nog te doen staat kost minimaal drie uur, dat hangt af van de omvang van de mensenmassa die ons bij de Grote Moskee te wachten staat.
We gaan naar beneden. Sjeik Gabriels, nu blootshoofds, met een lange doek om zijn middel gedrapeerd en een andere over zijn schouders geslagen, begeleidt de groep naar de moskee. Ik ben gespannen, ik vraag me af wat mijn reactie zal zijn als ik de Kaäba voor het eerst zie. Zal het nog heftiger zijn dan mijn reactie toen ik voor het eerst de Moskee van de Profeet aanschouwde?
Vanaf het hotel wandelen we naar de Haram. De eerste honderd meter zijn hobbelig en zanderig: vlak naast ons hotel is een bouwplaats. Auto's zijn er niet, behalve een grote gele bulldozer. Op straat is het enorm druk, zelfs op dit nachtelijk uur. De kraampjes zijn open. De verkopers hebben hun waren uitgestald. Achter onze leidsman lopen we naar de moskee. We zingen een hymne: 'Labaik, lasharika kalaka labaik...' (O Heer, hier zijn we...)
We maken een halve rondgang om de Haram, dalen dan een trap af en gaan de moskee binnen. We lopen de binnenplaats op, en daar staat hij dan, de enorme, met zwarte zijde behangen kubus. Ik kan niet geloven dat ik nu voor de Kaäba sta. Hoeveel foto's heb ik niet gezien, hoeveel heb ik er niet over gehoord en gelezen? Elke dag heb ik mijn gebedsmatje in deze richting gelegd. En daar sta ik dan.
Sjeik Gabriels doet een doe'ah. Ik huil nu, probeer ervoor te zorgen dat niemand me hoort. We lopen naar voren om ons aan te sluiten bij de pelgrims die de rondgang om het Heilige Huis maken. We beginnen bij de Zwarte Steen, we blijven dicht bij elkaar, en we zingen. Wij maken een eerste rondgang en dan nog een tweede, tot we uiteindelijk zeven keer rond zijn gegaan. Er zijn heel erg veel mensen: de menigte is een draaiend wiel van mensen. We slagen erin om dicht bij de muur te komen, maar nooit in de buurt van de Zwarte Steen. Er schuift een kluwen mensen omheen en er is geen doorkomen aan, zeker niet voor een vrouw. We weten dat we misschien wel nooit de kans krijgen de steen aan te raken. De tawaaf heeft vijftig minuten geduurd. We bewegen ons naar de zijkant en doen salaah. Nu hebben we oemra gedaan.
Daarna is het tijd voor het ritueel rond Abraham, Hagar en Ismail. Toen Abraham met Hagar de woestijn in trok en haar daar achterliet met Ismail, kreeg Hagar al snel gebrek aan water. Ze rende heen en weer tussen de heuvels van Safa en Marwah om water te zoeken voor haar babyzoon. Op dat moment ontsprong opeens een waterbron, de Zamzam. Dit terrein tussen de twee heuvels, waar Hagar heen en weer rende op zoek naar water, wordt sa'i genoemd en de pelgrim moet er zeven keer omheen lopen. De sa'i en de tawaaf moeten door elke pelgrim worden uitgevoerd bij aankomst in Mekka.
Achter sjeik Gabriels aan gaan we opnieuw de moskee in, naar een erg lange brede gang, waar mensen langs de ene zijde omhoog lopen en langs de andere weer naar beneden gaan. In het midden is een afscheiding. De gang is propvol met in het wit gehulde lijven. We beginnen te lopen en reciteren onafgebroken. Aan het eind van de gang staan we op een heuvel. Nu wandelen we de andere kant op en aan het einde van de gang staan we opnieuw op een heuvel. Zeven keren wandelen we tussen deze heuvels op en neer. Tegen de tijd dat we daarmee klaar zijn is het twee uur 's nachts. Nu is het achter de rug. We hebben oemra en sa'i gedaan. We lopen naar de rij zamzam-vaatjes om daaruit te drinken. Overal in de Haram staan deze watervaatjes, zelfs in de Moskee van de Profeet in Medina. Dit water is niet te koop, het wordt in flessen gedaan en gratis uitgedeeld.
Zamzam beschikt naar men zegt over bijzondere eigenschappen. Vele mensen bezweren dat ze erdoor genezen zijn. Het water wordt opgepompt uit de bron en daarna behandeld met een reeks zandfilters en microfilters, en daarna wordt het ook nog eens gedesinfecteerd met ultraviolette stralen. Vervolgens wordt het opgeslagen in onderaardse bassins. Iemand zamzam te drinken aanbieden geldt als een bijzondere geste.

woensdag 21 december 2016

Susann -- 22 december 1986

• In 1986 was de Duitse Susann 16 jaar en was vooral met jongens bezig.

22. Dezember 1986
Puh, dieses Weihnachtsgetue! Warum mag ich Weihnachten bloß nicht? Entweder positiv, ich mag das gekünstelte Gefühl dabei nicht, das Verkennen des wahren Sinns des Weihnachtsfests oder negativ, ich habe Angst vor den Familiengefühlen oder überhaupt den Gefühlen, die dabei "hochkommen".
Ich hoffe doch das Positive! Doch ich weiß es nicht.
Jetzt ist es im Altersheim schon so weit, dass ich ein Mädchen einlerne. Sie ist 17, heißt Andrea, Dauerwelle, die liebsten braunen Augen, die ich je gesehen hab, keinen Hauptschulabschluss und lebt mit ihrem Freund zusammen. Sie ist süß und nett und nicht so verprollt, wie ich es denken würde, wenn ich nur die vorhergegangenen Kurzinformationen vernehmen würde - Ich weiß, ich bin von Vorteilen (Freudscher Verschreiber) belastet!. Es ist ganz gut, einen Tag guckt sie mir zu und zwei Tage steh ich dann daneben und pass auf, dass sie alles richtig macht!
Maren hab ich schon lange nicht mehr gesehen und auch nicht gesprochen. Sie ist ständig auf Feten mit Christine und ihrem neuen Freund Xaver. Xaver kenn ich sogar, er ist klein und dünn, um nicht zu sagen: schmächtig. Er ist 20, Abiturient, macht gerade seinen Verweigerungsdienst (Pluspunkte!!!) und hat ein Auto (Pluspunkte!!!). Sein Gesicht sieht schön aus.
Wolfgang Radke aus meiner Schule mag ich wirklich, er hat tolle Ansichten und wir denken oft in derselben Richtung. Es ist mir peinlich, dass ich in den beiden LK-Arbeiten so schlecht abgeschnitten hab. Wolfgang ist total gut.
Warum ist er nur so hässlich? So derbe hässlich? Zuerst dachte ich noch, er hätte eine gute Figur, aber er hat ein Hohlkreuz und einen Entenarsch. Unreine Haut, hässliche Zähne, die Lippen immer spröde, schiefe Augen und (da stark kurzsichtig) eine dicke Brille. Seine Hände gehen noch. Mehr kann fast gar nicht sein. Und das kann ich nicht, ich muss auch das Aussehen mögen, lieben. Ich fänd's witzig, wenn er mich auch hässlich findet.

dinsdag 20 december 2016

Hans Keilson -- 21 december 1944

Hans Keilson (1909–2011) was een Duits-Nederlandse schrijver, arts en psychiater. In 1944 zat hij ondergedoken en hield toen een dagboek bij (vertaald door Hans Driessen). "'Een schlemiel met vrouw en kind’ noemt Hans Keilson zichzelf in zijn dagboeken. Ondergedoken in Delft raakt hij in een diepe crisis. Hij twijfelt over zijn toekomst. Moet hij schrijver worden of arts? Hij heeft een intense relatie met de ook ondergedoken Hanna, die zijn creativiteit doet opbloeien. Maar in Bussum is Gertrud met hun dochtertje Barbara."

Donderdag 21-12
Er is iets gebeurd. Maar wat? Sonnet 46 heb ik meer voor Gertrud geschreven dan voor Hanna. Of je kunt zeggen: de aanleiding voor het gedicht is steeds meer achter het gedicht verdwenen. De noodzakelijke ontwikkeling van elke kunstzinnige arbeid. Zich losmaken van het levende object. L'art pour Part. Maar tegelijk is het nog meer dan dit, het blijft niet alleen een esthetisch probleem: het wordt binnengezogen in de hele levenskring. Maar het loslaten van het meisje is waarschijnlijk noodzakelijk en werd begunstigd door de tijd. Of nu in haar de snaar knapt waarover ze ooit schreef dat ze dat op zich nam als het maar een oplossing voor haar opleverde. Haar wezen spreekt anders tot mij, met meer liefde, zelfs in zijn wezenloze beperkingen. Er blijft zoiets als plicht in mij achter. Maar Gertrud en het kind zijn opeens veel dichterbij dan ooit. Ze verkeerden in gevaar, en het gevaar heeft ons altijd verenigd. De mensen om me heen komen me ook milder voor dan vroeger. Er is iets gebeurd. Schil voor schil baan je je langzaam een weg naar je middelpunt. Ik ben bezig als een mol. Maar helaas nog veel geheimen en valstrikken van het bedrieglijke, diefachtige wezen. Daar lijd ik onder. En overwin het niet. Het snoepen van tafels is een zaak van de onvrijen. Ik wist niet dat ik dat in deze mate was. Diepe schaamte.
Shakespeares sonnetten hebben het beide: het bittere en het zoete, kracht en tederheid, muziek en gestalte, klank en kleur. En het onbetwistbare getuigenis van een eminent leven erachter. Merkwaardig dat we niet weten aan wie ze zijn gericht. Dat verhoogt bijna hun mystieke betekenis voor ons. En geeft het afzonderlijke sonnet zijn eindeloze perspectief.
Diepe bewondering voor Stefan George, wiens taal alleen kan worden vergeleken met die van Luther. Je weet niet wie je meer moet bewonderen: Shakespeare of George. 'En niemand zal victorie kraaien' - steeds meer wordt deze spreuk bewaarheid. We zullen het de komende dagen zien. Of Churchill valt? Zijn schaduw valt steeds platter op de grond.
Van Oyen heeft mijn 'Traumende' gelezen, en hij vond het heel zuiver en geconcentreerd. Ik heb niet gezegd dat ik het ben. Heel grote verleiding.

Frederik van Eeden -- 20 december 1912

Frederik van Eeden (1860-1932) was schrijver en psychiater. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

vrijdag 20 december
Ik had een goeden nacht met gunstige droomen. Het waren voorgevoelens van een zeereis naar Indië. De groote stoomer, Egypte, de warmte. En het was het einde van die soort droomen waarin ik mezelven voel als iemand zonder positie in de maatschappij, als ik droom van die huur-kamers in Amsterdam en dat eeuwige laatste examen. Nu was ik onder studenten, maar met voldoening en succes. ▫ Maar een kleinigheid slaat mij dan weer geheel neer. Er is een stijgend gevoel van ontevreedenheid in me, eeven als in 1893 toen ik uit Amsterdam me losmaakte, en in 1899 toen ik naar Walden ging. Ik voel dat ik een wending moet neemen, een nieuw leeven beginnen. Ik ben voortduurend droef en onvoldaan. Ik wil doen, en ik wil het groote en universeele doen. Daarin is hoegenaamd geen eerzucht meer, maar onontwijkbare aandrang. Ik verlang succes, om te kunnen handelen. Want een bepaalde mate van erkenning is noodig om kracht tot daden te hebben. Of ik nu daden van zelfopoffering doe, daarmee bereik ik niets. Eerst moet ik een zeekere macht hebben. En die is nog niet voldoende. Ik wil die macht weer niet om de macht, maar om de grooter uitwerking van mijn daden. Op 't moment ben ik onrustig en ongelukkig. Alleen Sirius bevreedigt. Een ander rustpunt hebben mijn gedachten niet.

maandag 23 december
Ik sprak eergisteren in Rotterdam, en vond veel vereering en bijval. Ik herhaalde mijn réde van den Haag, wat precieser en scherper. Op sommige momenten voelde ik mij werkelijk welsprekend, had ik het instrument geheel in mijn macht. ▫ Maar ik had een weerzin teegen mijn persoon, mijn lichamelijk, persoonlijk wézen. Ik zag mijzelf in een paar groote spiegels en ik haatte mij, als mijn gevangenis. Het kleine persoontje waarin mijn groote Zelf gevangen is.

zondag 18 december 2016

Achilles Cools -- 19 december 2004

• Achilles Cools (1949) is een Belgische kunstenaar die zijn inspiratie vindt in de biologie. Uitgebroed. Dagboek van een beeldenmaker.

18 december
De jaren snellen voorbij, mijn lief, in allerijl voorbij, en weldra zal niemand weten wat jij en ik weten. Hoe meer alles in de mist van het verleden verdwijnt, hoe tederder en verrukkelijker wij onze liefde en haar tragische erotiek in verhalen van een volmaakt geluk laten stollen. Het onafwendbare sterven van onze hartstocht bezinkt in beelden, die schemeren als bomen in de mist; ze wijken in de tijd, maar blijven onmiskenbaar bewaard. En ook al is er door de mist niet veel te zien, ergens is er dat gelukzalige gevoel dat je de goede kant op kijkt.

19 december
Waarom beweren sommigen dat wetenschap van meetlat tot meetlint 'kil' is, geen poëzie bevat en dat elke betovering erdoor vervliegt? Wat is er zo bedreigend aan verstand? Mysteries verliezen hun poëzie niet als ze zijn opgelost. Integendeel, de oplossing blijkt vaak mooier dan het raadsel, en hoe dan ook: door het oplossen van het ene mysterie, breng je andere mysteries aan het licht. Misschien zelfs als inspiratiebron voor andere poëzie.
Natuurlijk mag ik door een bloem te bestuderen de schoonheid ervan niet uit het oog verliezen. Ik moet nog een diepere schoonheid zien, die niet zo gemakkelijk is waar te nemen. Ik zie de ingewikkelde wisselwerkingen van de bloem. Een kleur die de bloem ontwikkeld heeft om insecten aan te trekken. Door het bestuderen van de bloem wordt de schoonheid steeds groter.

20 december
Waarom vliegen motten in de vlam van een kaars? Zelfmoord - neen. Voor de mens een kaars en lamp had uitgevonden, waren hemellichamen de enige nachtelijke lichtbronnen. Die fungeren als kompas voor motten, een ingebouwde vuistregel om hun weg te vinden. Zodra de mens een kaars introduceert, zal die regel ertoe leiden dat de motten in de vlam van de kaars vliegen en verbranden.
Ook ons brein is geëvolueerd om te overleven in het stenen tijdperk. Zo hebben kinderen een ingebouwde vuistregel die zegt: Geloof alles wat je ouders of de ouderen van de stam vertellen. Erg nuttig: iemand moet ze voor de gevaren verwittigen. De gelovers zullen langer leven. Maar behalve waarheden kunnen we evengoed geneigd zijn onwaarheden te geloven. Dat maakt ons kwetsbaar.

Carry Ulreich -- 18 december 1944

• Het Joodse meisje Carry Ulreich (1926) zat in de oorlog ondergedoken in Rotterdam. Ze hield van 1941-1945 een dagboek bij, dat onlangs is gepubliceerd als 's Nachts droom ik van vrede.

Maandag 18 Dec
Ik heb weer eens op een fiets gezeten! En het ging, alleen heb ik nog een paar pijnlijke plekken over! Vrijdag moest ik naar de tandarts. Nu stond in Hillegersberg Mies d'r fiets. Als ik hem zou halen, mocht ik erop terug. Ik heb me weer doodgehaast naar de dokter (niemand ontmoet), hij heeft al mijn tanden geplombeerd, heel zorgvuldig en pijnloos, niet eens geboord. Eigenlijk was ik klaar nu, maar heb afgesproken om te trekken. 'k Ben doodsbang voor complicaties. Doorgelopen naar Hillegersberg, onderweg geprobeerd boodschappen te doen (te krijgen), maar haast overal tevergeefs. Kom ik eindelijk doodmoe aan, dan hoor ik dat mijnheer nog even een boodschapje is gaan doen op de fiets. Geen manier van doen, want ze wisten hoe laat ik komen zou. Maar enfin, met de vrouw des huizes heb ik een half uurtje gekletst. Er hing een heel mooi schilderij van haar door Bob geschilderd. Heel gezellig, maar veel te vol, de kamer. Een paar mensen ontmoet, o.a. een wijsgeer, dichter. Hij kwam binnen met een grote flambard, eerst dacht ik een schilder. Mevrouw liet mij het huis beneden zien. Prachtkamer aan het water gelegen. Zou verrukkelijk zijn om te studeren, zo rustig. Een schattig huisje is het. Maar intussen was het erg laat geworden en ik wilde voor mijzelf een bh kopen. 4 uur zaken dicht. Heb geraced, maar de zaak was toch gesloten.
Toen fietste ik maar op mijn gemak voor mijn plezier een beetje door Blijdorp. 't Was lekker koud. Vrieskoud. Ik hoop maar dat het niet gaat vriezen dit jaar, want er heerst toch al zo'n nood. Wij zijn bevoorrecht dat we nog kolen hebben en eten hebben om op die kolen te bereiden. Maar mensen die van het rantsoen leven: 1 kilo aardappelen en brood, half ons kaas, 1 ons vlees per week (meer niet), die hongeren. Gelukkig is witte kool genoeg te krijgen, maar daar kun je je tenslotte niet vol van eten en je wordt er na 2 weken misselijk van. Ik eet ongeveer hier het minste middageten (stamppot witte of rode kool), maar dit zijn drie porties van de gaarkeuken: de familie Zijlmans zag laatst iemand met een pannetje lopen, er was weinig, maar goede vette jus bij. 1 kilo aardappelen en 2x per dag warm eten! Honger!
Wij krijgen gelukkig wel eens wat erbij, zodat wij, in vergelijk met anderen, het rijkelijk hebben, 's Ochtends 3 boterhammen, voor de lunch 3 met koolsoep, 's avonds een goed vol bord stamppot en soep voor! Nu krijgen we de Kerstdagen. Volgende week al. Wat is dit jaar gevlogen! Dit komt waarschijnlijk in afwachting op de vrede, want we leven van maand op maand, hoop op hoop. De dagen zijn de laatste maanden zo kort, dat ze omgaan voordat je iets anders gedaan hebt dan afwassen, eten zorgen, afwassen, enz. maar dit jaar kerst wil Ton hier een feestje maken: heren avondkledij en dames avondtoilet. Wij hebben het niet, jammer, anders zou de sfeer nog volmaakter kunnen zijn. Maar misschien ga ik pa z'n smoking wel halen. Dansé, burp, na. Toch prettig, even de sleur doorbroken.

C. Buddingh' -- 17 december 1968

C. Buddingh' (1918-1985) was schrijver en dichter. Hij publiceerde vijf boeken met dagboeknotities.

13-12
[...] Wat ik nog wel eens zou willen maken (in navolging van Dirk Coster), is 'De Nederlandse poëzie in honderd verzen'. Het zou wel een iets andere bloemlezing worden, vermoed ik.

17-12
Ik ben geen liefhebber van practical jokes. (Scott Fitzgerald, was het, vreemd genoeg, wel.)

In de etalage van de dierenwinkel tegenover Pictura een prachtig bordje: 'Er zijn weer reptielen'. Erg mooi vind ik trouwens ook altijd - in een winkel aan de andere kant waar zeo.a. hengelartikelen verkopen -: 'Heden maden'.

18-12
Twee gedichten die ik zeker in mijn 'Nederlandse poëzie in honderd verzen zou zetten: Narrenwijsheid van Van Schagen en De bollenkweker, van Noordstar. (Waarschijnlijk ook: Weerspiegeling, van Winkler Prins. En: 'Wilder dan wild, wie kan mij temmen' en 'Het waait een windeken koel uiten oosten' natuurlijk.)

In de kunst wordt nog heel wat meer discipline vereist dan in het leger.

Wat ook heel plezierig en ontspannend kan zijn: vijf minuten denken aan alle boeken die je nooit zult lezen.

Onze gedachten worden ons door onze gevoelens ingegeven.

donderdag 15 december 2016

Simone de Beauvoir -- 16 december 1940

Simone de Beauvoir (1908-1986) was een Franse filosofe en schrijfster. Fragment komt uit haar Oorlogsdagboek. september 1939 - januari 1941.

Zaterdag 16 december
School. Gewerkt in brasserie 'Lumina' tegenover mijn ouders; het is er sinister en ijskoud met die rode tegelvloer en er zit niemand; de eigenares kwebbelt onvermoeibaar met een stamgast, ik krijg geen koffie, daar begint serieus gebrek aan te ontstaan. Buiten is het om te rillen - bij mijn ouders, waar ik lunch, ook — ik werk nog wat in de 'Versailles' - geen brieven. Gisteren heb ik bij Kos. een brief van maandag van Bost gezien: 'Mijn liefste, je moet me schrijven,' nog steeds vage jaloezie en vaag plezier dat ze hem niet correct behandelt, maar dat is wel behoorlijk getemperd, ik ben er vrij onverschillig onder. Ik ga even bij Kos. langs - dan correspondentie - en ik ga naar de 'Vikings' om Sorokine haar les te geven; ze zit in een hoekje achterin met haar leerling, die meteen weggaat - haar onfortuinlijke vriendin ziet haar meubels in beslag genomen door deurwaarders, ze worden uitgewezen. We werken aan Descartes; ze begrijpt het goed, ze is heel braaf. Ondertussen zien we naast ons Laporte [filosofiedocent] in een hartstochtelijke omhelzing met een blond mens in een groene jurk. Sorokine vraagt me gegeneerd of ik haar een passage wil uitleggen van Mac Orlan, die volgens haar heel obsceen is, iets over koperdraad, maar het gaat om een zeer lyrische vergelijking van een vrouw met een accu, in een overigens afgrijselijk slechte stijl. Ze bekent me dat de kolonel haar twee keer op haar mond heeft gezoend, en dat hij daarna met haar gebroken heeft. Ik laat haar alleen en neem een taxi naar de rue Malebranche; Védrine ontvangt me hartstochtelijk - we eten bij 'Knam' [Pools restaurant], slechte muziek - ik sloof me voor haar uit en over het geheel genomen ben ik in een goeie bui, een beetje gemaakt vrolijk misschien. We gaan vroeg weer terug, we gaan op bed liggen, praten wat, knuffelen een beetje en gaan slapen, 's Nachts haat ik haar een beetje omdat ze ligt te draaien en te blazen, wat me niet verbaast. Maar ze is best aardig.

Zondag 17 december
Gezellige zondag die me herinnert aan andere, poëtische zondagen; maar wat er ontbreekt is dat ik van Védrine houd, en daardoor blijft het als een poëtisch abstract schilderij - die zondagochtenden in het Quartier Latin of op Montmartre met Bost, wat waren die heerlijk. We blijven tot 9 uur liggen dommelen, je kunt het bijna uitslapen noemen, dat was me al lang niet meer overkomen; ik lijk wel een lompe verzadigde vent, zoals ik haar liefkozingen ontwijk, ik denk alleen aan mijn ontbijt en mijn werk. Ken wat ontheemd gevoel als ik uit het raam kijk, sneeuwachtige ochtend: dat is het, dat speciale licht in de straat, dat de ochtenden met Bost bij me oproept, maar er zit geen warmte bij, het grift zich niet in mijn hart. We gaan naar het postkantoor, twee brieven van Sartre waar ik heel blij mee ben vrijetijdsgevoel, bijna vakantie, met een heleboel tijd om te werken in het vooruitzicht. Het doet me ook denken aan bepaalde ochtenden met Sartre in Rouen. We gaan naast elkaar zitten in de 'Mahieu', we ontbijten en we gaan aan het werk. Heel gezellig. Védrine heeft haar kozakkenmuis op en draagt een overhemd met een stropdas, ze zou op een leuk joch lijken als ze niet zo opgemaakt was. [...]

Adriaan van Dis -- 15 december 1996

Adriaan van Dis (1946) is een Nederlandse schrijver. In 1996 hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Zondag
Geest is mogelijk wilde kat. [zie 9 december] Maar hoe verklaar ik de sporen van de klap? Aan het werk. Naar de Puncak, het gebergte buiten de stad, een echte oud-Indischgast ontmoeten, de heer Rudy van Blommestein, nazaat van een plantersfamilie, in '57 vertrokken en in '64 alweer terug als vertegenwoordiger van een bank? Hij praat over Jakarta met een vooroorlogs stratenplan in zijn hoofd. Bisschopsplein, Oranjeboulevard, Van Heutzboulevard.Hoor hier andere geluiden: “Groot respect voor Soeharto”... “democratie niks voor Indonesië”.... “berichten over schending mensenrechten sterk overdreven”.... “ethisch was bij ons thuis een vies woord”. Van Blommestein jent mij. Toch zeer betrokken bij het wel en wee van de Indonesiërs: “Vroeger stond ik boven de bevolking, nu sta ik er tussen. Er is de afgelopen 20 jaar enorm veel gepresteerd.” Gezellig rechts zullen we maar zeggen. Alsof ik mijn vader hoor. We eten onze geschillen weg. Als een verrassingstoetje: zuurzak. Maar ook die smaak kende ik al van vroeger. Terug naar de stad, onderweg naar de Chinese partij in Koto (oud-Batavia) zie ik de verworvenheden van het moderne Indonesië in de autoruiten spiegelen: wolkenkrabbers, banken en shoppingmalls en files, files. Weer eten. Waar laat ik het. En dan thuis de verrassing: een complete verjaarspartij met 20 man, bekenden en onbekenden. En taart van Lina, Erik's Chinese verloofde. Pink droge tranen weg. Uit Nederland gevlucht voor mijn 50ste verjaardag, word ik hier in het Bahasa toegezongen. Dank je wel Erik. Aminah en Atti, de kokkinnen, hebben Oost-Javaans gekookt. Als voorbereiding op de reis, morgenochtend, naar Malang. 2.10 uur duik in het zwembad. Mooie manier om de tweede eeuwhelft in te gaan. Hoewel, nog maar 21 jaar te gaan.

Maandag
5.30 uur op, 5.45 uur taxi. Eerste keer alleen op reis. Praat Italiaans tegen taxichauffeur. Voel me al 71. Moe naar Malang. Lees in de Jakarta Post dat Pram “bij verrassing” de Unesco Madanjeed Singh-prijs op de mat vond. “For promoting peace, tolerance and non-violence”. Schrijver, familie en Unesco-woordvoerder wisten van niets. “De prijs ging eerder naar een Russische en Cubaanse schrijver” merkt de krant fijntjes op. Het eerste wat ik na aankomst doe: een wandeling door Bromostraat waar twee van mijn zusters zijn geboren. Ik sta lang tegenover hun geboortehuis en blader in gedachten door het vergeelde familie-album. De veranda, de tuin met wasbeer, de boom met de koeliantak... het ziet er allemaal nog net zo uit. Voor het eerst sta ik in hun foto.

Dinsdag 17, woensdag 18 december
Te grote avonturen voor een te klein dagboek. Een oude Chinese buurman uit de Bromostraat belooft een tijgertand voor me op te sporen. Hij praat goed Hollands en zit boordevol verhalen. In Malang borrelt een boek waar ik eens aan zal moeten geloven.

dinsdag 13 december 2016

Flora Groult -- 14 december 1944

Flora Groult (1924-2001) was een Franse schrijfster en journaliste. In 1963 publiceerde ze samen met haar zus Benoîte een oorlogsdagboek: Journal à quatre mains, in het Nederlands door Nini Wielink vertaald als Dagboek voor vier handen.

14 december 1944
Onze Benoîte nam baar mooie spiegelkast [haar vriend, een Amerikaanse soldaat] mee voor de lunch. Hij valt bij ons thuis zo uit de toon dat het lachwekkend is; en hij lacht ook, met zijn mooie open smoel, zijn superwitte tanden en zijn blik zonder geheimen. Onze ouders en hij spreken niet dezelfde taal, maar dan ook helemaal niet, en ze denken dat die barrières aan de taal zijn te wijten; en ik lach in mijn vuistje, want de haag zou hun nog hoger lijken als ze elkaar begrepen.
Kurt is niet geschikt voor onze huizen. Hij past niet in de fauteuils, zijn voeten nemen op het tapijt een enorme plaats in; zijn lach klinkt als onweer; en tegelijkertijd is hij verbijsterend aardig; het scheelt niet veel of hij opent zijn armen voor de Mum en Dad van zijn mooie Frenchie. Hij vond alles fine, good en wonderful maar ik geloof dat zelfs Benoîte, die echt is ingenomen met haar mooie reus, besefte hoe groot de afgrond, de cultuur en de werelddelen zijn die ons, in weerwil van onszelf, scheiden van die glimlachende atleten. Hij heeft zo'n natuurlijke, doeltreffende charme dat we geen moment in verlegenheid worden gebracht door die oceanen tussen ons. Bovendien wordt het natuurlijk nog gemakkelijker gemaakt door het feit dat hij van niks weet en geen verschil ziet tussen deze Mum en Dad en dezelfde exemplaren in Pennsylvania. Hij overlaadde ons met levensmiddelen en ik heb hem de bijnaam Say it with cans gegeven. Het ziet er mooi uit, dat Amerikaanse voedsel. Je zou het willen opeten. Maar het is niet lekker.
Benoîte heeft me de Cantate van de XIVde zondag na Pasen van Bach gegeven; ik zet de plaat steeds weer op tot die een eentonige dreun wordt, 'die zijn licht en gratie in mijn hart uitstort', tweemaal... driemaal.
'O! Jezus, lieve Heer die hoop geeft!' De stemmen rijgen zich aaneen, komen vlak na elkaar, terwijl ze verschillende dingen zeggen; die stemmen zijn goddelijk en geven een indruk van eeuwigheid, van hemelse stilte welhaast. Ik zet haar steeds weer op, die muziek van mijn willekeur, die me in haar macht heeft en me obsedeert. Dat is zo prachtig: zozeer door iets geobsedeerd worden dat je gaat geloven dat er niets anders bestaat; arabesken in de ruimte, kringels van stemmen, jullie fascineren me en ik behoor jullie toe.

15 december 1944 Het lange wachten op dingen en de korte, schitterende, indrukwekkende manier waarop ze verdwijnen in het heden.
Ik ben dagenlang bezig geweest met het illustreren van een heel slecht verhaaltje voor een kinderkrantje waar een vriend van mijn peetmoeder zich mee bezighoudt. Ik heb zitten knoeien, ik heb lijnen getrokken en met mijn tong uit mijn mond zitten werken om mijn vervelende opdracht precies op tijd af te leveren. De vriend in kwestie keek nauwelijks naar 'mijn werkstuk' zei: 'Goed, prima' en stopte het in een map. Hij overhandigde me een belachelijk laag bedrag en zei even neerbuigend als onverschillig 'tot ziens juffrouw'.
Nou ja, ik heb ergens in mijn zak een heel klein bedrag dat ik helemaal aan mezelf te danken heb, en dat is aangenaam; en ik heb ook een opdracht om illustraties te maken voor een kinderboek, en om borden te ontwerpen voor Christofle.

maandag 12 december 2016

Benoîte Groult -- 13 december 1944

Benoîte Groult (1920) is een Franse schrijfster. In 1963 publiceerde ze een oorlogsdagboek, dat ze samen met haar zus Flora geschreven heeft: Journal à quatre mains, in het Nederlands door Nini Wielink vertaald als Dagboek voor vier handen.

13 december 1944
Si possum!* Ik word niet goed van je sums! Si dives sim, nona avarus sim**, dat is algemeen bekend.
Wat een dagen! Ik eet één op de twee maaltijden in het Saint-James en buiten mijn radio-uren om profiteer ik van de aanwezigheid van Ian. Hij heeft, omdat hij uit Winnipeg komt, de indruk dat in die hoofdstad van de liefde die Parijs is, alle vrouwen speciale aanleg voor wellust hebben. Hij denkt dat ik danseuse in Tabarin ben en ook nog kan koken en Xenophon vertalen. Kortom, een volmaakte vrouw! Ik laat hem maar in die waan.
Maar Canadezen bedrinken zich als zwijnen. Ik zie hem en zijn buddie om twaalf uur 's middags weer en dan zijn ze helemaal bezopen van de Cointreau, de Capucines en de 75. Ze blijven er wonderlijk genoeg waardig en stijf uitzien. Vanavond was Ian doodmoe en ben ik met Eve op de Club gebleven om te dineren met twee lange Zuid-Afrikanen, een blonde en een donkere, slank, gedistingeerd, in het bezit van auto's en chauffeurs, en dodelijk saai. 'De chauffeur is een prachtexemplaar,' fluistert Eve tegen me, 'heel wat interessanter dan de majoors.' Jammer genoeg zijn we er voor de majoors. De mijne is de donkere; hij heeft een purperkleurige mond zoals sommige donkere mensen hebben, maar hij opent die alleen om te eten. Ik vraag me af waarom hij de moeite heeft genomen ons uit te nodigen. Maar wie zie ik, als ik weer beneden in de danszaal kom, met zijn hoofd in zijn handen aan de bar staan? Ian, volledig plastered. Ik heb de majoors van de Kaap schaamteloos in de steek gelaten en heb de hele avond met Ian gedanst, me comfortabel tegen zijn borst gevlijd als in een eersteklas rijtuig. Hij weet niet meer wat hij doet. Laat zijn portefeuille bij de bar liggen; gaat een Capucine voor me halen en brengt die aan een ander... herhaalt aan één stuk door dezelfde zinnen: 'Oh! I'm just a guy'.
Ian wekt een soort moederlijk gevoel bij me op.
Hij heeft nog maar drie dagen verlof; ik zou die graag met hem willen doorbrengen. Ik begrijp de Mums wel die trots zijn op die grote aanhankelijke dieren. Maar Kurt is morgen maar een paar uur in Parijs. Ik zal Ian pas overmorgen weer zien.

14 december 1944
Ik voel me een snol en dat hindert me een beetje. Maar het zou onfatsoenlijk zijn om m'n beer teleur te stellen en het is ook ondenkbaar dat ik Ian zou laten vertrekken zonder hem weer te zien, want hij zal nooit meer op mijn weg komen.
Ik voel dat deze periode uniek is; ontstolen aan een leven van eerbaarheid! Het is een onverwacht intermezzo en je zou het lot beledigen als je er niet van profiteerde. Al was het alleen maar om, als ik veertig ben en jaren van trouw achter de rug heb, tegen mezelf te kunnen zeggen: 'O, mannen, daar weet ik alles van.'
Het meervoud begint niet bij twee wanneer het om ervaring gaat. Ik heb Kurt vandaag gezien, mijn lieve Amerikaanse weldoener, en ik heb een heerlijke dag gehad. Maar mijn blonde Ian vertrekt overmorgen voorgoed...


* Als het kan
** Als ik rijk was, zou ik geen vrek zijn

zondag 11 december 2016

J.M.A. Biesheuvel -- 12 december 1981

• J.M.A. Biesheuvel (1939) is een Nederlandse schrijver. In 1981 hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij (onder het pseudoniem 'God zelf').

Zaterdag [12 december]
Hele dag in bed gebleven. Ik hou alleen de maan en de zon en Sirius en Vernis op hun plaats. Voor de rest zoeken ze het maar uit. In bed krijg ik een angstbui. Ik denk dat ik alleen een oog ben dat absurditeit waarneemt. Het is nu een mengelmoes van een betrekkingswaan en paranoia. Achteraf valt het mee. Het bed staat scheef in dit oude huis en daardoor glijdt er steeds een kreukel in het elektrische dekentje waar ik met mijn billen op lig. Als de kreukel weg is lig ik lekker en is ook de bui over. Hele dag in bed, dieren zijn ook niet gek/vele houden winterslaap. Mag God dan achterblijven? In bed hoor ik hoe de buurvrouw kaas komt brengen. Eva is de hele dag aan het bellen en praten met mensen. Buurman Arnoldussen komt oud brood, kaas en schillen voor de geit en de konijnen brengen. Zijn vrouw is ziek. Die komt anders altijd de spullen brengen. Een heel lief vrouwtje. Ze zorgt goed voor mijn kleintjes. Moet beslist naar de hemel.
Dan komt Loek Post aan mijn bed zitten. Hij handelt in Swarma vlees en Swarma broodjes. Hij vertelt hoe hij twintig broodjes-winkels in Den Haag, Amsterdam en Utrecht heeft. 'Heel leuk 's nachts,' zegt hij. 'Je ziet er iedereen door elkaar in zo'n zaak... Hoeren, ambtenaren, morgensterren en pooiers. Het gaat de hele nacht door. En vreten en zuipen maar. Waarom lig jij zo vaak in je nest?' 'Weltschmerz,' zeg ik, 'het is zuivere Romantiek. Ik kan niet anders.' Loek heeft iets voor me meegebracht. Een oud en versleten pijpenrek. 'Echt iets voor jou,' zegt hij, 'want jij bent toch zo'n ouderwetse klootzak. Dat is ook romantisch. Moet je op je kamer hangen en dan al je lege pijpen erin. Dat staat jofel.' Ik vraag hem of hij er iets op wil schrijven dat het een soort van offer wordt. Hij schrijft op het blanke, geschuurde hout aan de achterkant van het pijpenrek: 'Pijpenrek des Gods' en als ik het hem vraag timmert hij het op een handige plek tegen de muur.
Eva is maar in de weer met eten klaarmaken. Ik hoor de lappen gewoon in de pan sudderen in bed, ja hoe zeg je dat? Vanuit bed hoor ik ze in de pan. Ineens begrijp ik waarom Eva zo druk aan het koken is. Wat ben ik toch een slappe zak om de hele dag op bed te liggen, dag in dag uit, loop eens mee in een demonstratie, schrijf nu eindelijk eens die nota waar de directie van het ziekenhuis waar ik werk al een jaar op zit te wachten! Als Donny, Alice en Albert arriveren kom ik uit bed. Het is acht uur in de avond. Ik weet een briljant verhaal te houden over Ruysdael, Rembrandt en Vermeer, overeenkomsten en verschillen. In twee uur heb ik drie flessen Australische wijn gezopen. Ik was hartstikke dronken. Maar één sudderlapje gegeten en die vind ik juist zo lekker. Dan maar weer naar bed. In'bed bedenk ik dat ik ook een nieuw hok voor de konijnen moet maken en de wormen, hebben die het niet koud met die vorst en de sneeuw?
Ik maak me daar beslist zorgen over. Hebben de pissebedden wel een goed onderkomen in onze tuin? Aan het tuinhekje moet ook wat worden gedaan, er zit een veel te gammel sluitinkje op. Ik vind dat er een klink op moet komen. Dat zal ik zelf doen, maar alleen als het lekker weer is. Voorlopig blijf ik in bed.

zaterdag 10 december 2016

Marilyn Monroe -- 11 december 19??

Marilyn Monroe (1926-1962) was een Amerikaanse actrice. Ze schreef gedachten en gedichten op in schriften en op losse blaadjes papier. Wat er overgebleven is, is verzameld in Fragments: poems, intimate notes, letters

11 Dec.
Always admired men who had many women.
It must be that to a child of a dissatisfied woman the idea of monogamy is hollow.

Origineel.

Galeazzo Ciano -- 10 december 1939

Galeazzo Ciano (1903-1944) was een Italiaans fascistisch staatsman. Hij was de schoonzoon van Benito Mussolini en een van de personen die hem ten val brachten. Zijn dagboek over 1939-1943 is vertaald (door A. van Dorp) als Ciano's dagboek 1939-1943.

10 December 1939
Mussolini wordt meer en meer verbitterd door de blokkade van de Engelsen. Hij dreigt met tegenmaatregelen en wraaknemingen. Ik geloof echter, dat wij er heel erg weinig aan kunnen doen. Als wij in staat zijn om op te treden, betekent dat oorlog en anders moeten wij onze mond houden en trachten de moeilijkheden op vriendschappelijke manier op te lossen. De Duce wordt steeds zenuwachtiger, maar hij verklaart fier, dat hij kalm is. Zijn positie als neutrale in een Europa, dat aan het vechten is of zich gereed maakt om te vechten, vernedert hem, maar ik zie geen andere oplossing. Het feit, dat wij in militair opzicht volkomen onvoorbereid zijn, ons gebrek aan geldmiddelen en onze economische afhankelijkheid zullen ons er toe dwingen om deze rol nog lang te blijven spelen en daar heb ik niet het minste bezwaar tegen. Er zal een dag aanbreken, waarop iedereen in zal zien hoe voordelig deze houding van afzijdigheid voor Italië is geweest.

11 December 1939
Geen nieuws.

12 December 1939
Toen de Duitsers er achter kwamen, dat wij de mijn in Lokris exploiteren, de enige plaats waar wij nikkel kunnen vinden, vroegen zij ons er om. Ik had gedacht, dat de Duce er sterk tegen in opstand zou komen, maar er gebeurde niets van dien aard. Al is hij dan niet bereid om aan hun verzoek te voldoen, hij heeft er geen bezwaar tegen om tenminste een gedeelte van de productie af te staan. Alles goed en wel, maar we kunnen er in ieder geval uit leren dat deze heren optreden als een bende dieven en struikrovers. Hoelang zullen we dit nog verdragen?

13 December 1939
Een lange conferentie met den Koning over de onderscheiding vanwege Albanië. Daarna praten wij over allerlei dingen. Hij vertelt mij niets nieuws, maar hij maakt me duidelijk, dat hij neutraal is, maar in zijn hart door en door anti-Duits. Van de Fransen moet hij ook niets hebben en hij heeft geen hoge dunk van hun leger. Het lijkt hem wel waarschijnlijk, dat het Duitse offensief grote resultaten zal hebben, hoewel hij dat niet hoopt. De Duce liet mij in mijn rede een verwijzing opnemen naar zijn rede voor de fascistische militie, als bewijs van mijn bewering, dat ons bondgenootschap met Duitsland nog niets van zijn waarde verloren heeft. Wij moeten aan de pers duidelijk maken, dat deze aanhaling alleen van belang is in aansluiting op wat er over de internationale verplichtingen is gezegd en niet naar aanleiding van de beschouwing over Frankrijk, want anders zouden wij ons moeilijkheden op de hals halen, die wel eens ernstig zouden kunnen worden.
Von Mackensen is teruggekomen op het geval van de nikkelmijn. In mijn antwoord heb ik hem duidelijk bewezen, dat wij er maar een gedeelte van kunnen afstaan en dat zal dus neerkomen op een kleine hoeveelheid nikkel. Hij is daar niet voldaan over, maar ik nog minder dan hij.

14 December 1939
In de Kamer wordt de dood van mijn vader herdacht. Grandi** houdt een schitterende rede en de Duce uit woorden, die voor hem heel ongewoon zijn. Ik heb deze zaal nog nooit zonder mijn vader gezien. Vandaag stond er een grote lauwerkrans op zijn zetel, maar hij was me nog nooit zo nabij geweest als vandaag.

15 December 1939
Geen nieuws.

16 December 1939
Ik heb de Kamer toegesproken. Mijn rede had groot succes, ook al merkte niet iedereen op, dat hij geheel doortrokken was van een venijnig anti-Duits gif. Op het eerste gezicht leek hij alleen maar anti-bolsjewistisch, maar in wezen was hij anti-Duits. Men heeft mij verteld, dat de Duitse ambassadeur hem doodstil heeft aangehoord en dat hij zo nu en dan niet in staat was om zijn teleurstelling te verbergen. Zo moet het.
In de avond heb ik Sir Percy Loraine ontvangen, die er bijzonder over te spreken was en mij zijn compliment heeft gemaakt.

** Voorzitter van het parlement

donderdag 8 december 2016

Hans van Straten -- 9 december 1970

De omgevallen boekenkast van journalist, schrijver en boekenliefhebber Hans van Straten (1923-2004) is een verzameling gevarieerde anekdoten, herinneringen, droomverslagen, dagboekfragmenten en aforismen, die vrijwel allemaal op de een of andere manier over boeken gaan.

9 december 1970
Buddingh's dagboek is uit, eindelijk! De laatste dagen ging ik 's middags, als ik van de krant kwam, telkens even bij Broese kijken of het er al was. Eerst in de etalage, waar alle nieuwe uitgaven onmiddellijk worden uitgestald met het kaartje 'nieuw'. Dan, teleurgesteld omdat ik niets zag, toch nog even binnen, want je kunt nooit weten. En vandaag, terwijl ik al weg wou gaan, zag ik het opeens liggen, één exemplaar, weggestopt tussen de poëzie-uitgaven.
Onbegrijpelijk! Je zou denken dat ze er meteen een paar honderd van hadden ingeslagen. Het lag er zó onopvallend dat ik er niet eens zeker van ben dat ik het de vorige dagen niet over het hoofd heb gezien.
Nu lees ik het, liggend op mijn bed, de lectuur telkens onderbrekend voor het naspelen van een partijtje uit het Morphy-boek**, om het plezier maar zo lang mogelijk te laten duren.
Dat Morphy-boek-ik vind voorin nog de datum waarop het in mijn bezit kwam: 13 juni 1944. Ik was er speciaal voor van Leiden naar Amsterdam gereisd, want ik wist dat er nog een exemplaar stond bij Swets & Zeitlinger. In die dagen werden de treinen regelmatig uit de lucht beschoten, maar ik moest en zou dat boek hebben.
Je leven riskeren voor een boek! Zo gek ben ik toch maar geweest. Alleen, ik ben er niet zeker van dat ik het weer zou doen.


** Paul Morphy (1837-1884) was een in zijn tijd zeer beroemde schaker.

woensdag 7 december 2016

William Soutar -- 8 december 1932

• Bij de Schotse dichter William Soutar (1898-1943) werd op jonge leeftijd de ziekte van Bechterew geconstateerd. De laatste veertien jaar van zijn leven was hij aan zijn bed gekluisterd. In die periode hield hij een dagboek bij, waaruit gedeelten zijn gepubliceerd onder de titel Diaries of a dying man (Nederlandse vertaling (van Harry Oltheten): Dagboek van een stervende).

donderdag 8 december
Ik geloof dat het voor het merendeel van de christenen een goede zaak zou zijn als ze hun bijbels eens een aantal jaren opborgen, en daarna naar de woorden van Jezus zouden terugkeren, woorden die dan hopelijk van hun stoffige spinnenwebben ontdaan zouden zijn. Het is jammer dat bijna niemand op natuurlijke wijze tot de bijbel komt, hem ziet als een gave die door de hemel is gezonden, als een bloem. Helaas is hij zo bezoedeld door degenen die hem tot ons brengen dat de frisheid eraf is. De belangrijkste boeken in je leven zijn uiteindelijk degene waartegen je zelf bent aangelopen. Jé krijgt er een band mee die je nooit zult krijgen met 'aanbevolen boeken'.

zaterdag 10 december
In de religieuze mythe die alle andere voorafgaat hield de mens zich het liefst bezig met tuinieren en poëzie, want Adam was een dichter die de dingen een naam gaf. Misschien is deze verwantschap tussen aardgebondenheid en poëzie wel van fundamentele betekenis en is het voor een schepper van woorden niet natuurlijk alleen maar een schepper van woorden te zijn en moet hij daarbij nog een of ander witteboordenbaantje hebben. Dichters moeten dicht bij de aarde blijven, want de verraderlijkste verleiding waaraan zij blootstaan is het luchtruim, waarin zij zichzelf verliezen in een ideale wereld. Wanneer we ervan uitgaan dat iedereen een potentieel dichter is, geldt voor de jeugd hetzelfde als voor de dichter - wanneer je je louter en alleen overgeeft aan intellectueel werk breng je jezelf uit balans. Iedereen zou een handwerk moeten beheersen.

dinsdag 13 december
De dichter behoudt altijd iets van de ontvankelijkheid van een kind - daar is geen ontsnappen aan, zelfs al zou hij willen. Zo kan ik zomaar ineens in een liedje of een lachbui uitbarsten, of me bewust worden van een slecht humeur dat diep in mij voortwoekert als een brokje gist. En nu je de kerstklokken al bijna kunt horen, voel ik in ieder geval een heel klein beetje de onderdrukte opwinding die opborrelt in het kind.

dinsdag 20 december
Nietzsche is een van de zeer weinige filosofen die te midden van al het gefilosofeer dichter blijft; misschien is hij wel de enige. Zijn woorden staan zo dicht bij de actualiteit van het leven als voor woorden maar mogelijk is - ze zijn bijna vlees geworden. Vaak voel je je, als je Nietzsche leest, alsof je op een heldere, winderig dag op een hoge heuvel staat; wij zijn ons altijd bewust van actie, ruimte en een atmosfeer die het best weergegeven kan worden met het woord Verfrissend'. Je kunt Nietzsches filosofie pantomimisch noemen - ieder woord is een fors gebaar, een moment in een indrukwekkende dans.

dinsdag 6 december 2016

Ginger X -- 7 december 1942

This diary entry was written by a 17 year old High School Senior who was living at Hickam Field, Hawaii, at the time of the Japanese bombing on December 7, 1941. Any references to last names have been deleted, except for those well known names of persons noted in historical documents. First names are those actually used by the individuals mentioned. Other than the above mentioned editing, all content is exactly as written in the diary.

Sunday, December 7, 1941
BOMBED! 8:00 in the morning. Unkown attacker so far! Pearl Harbor in flames! Also Hickam hanger line. So far no houses bombed here.

5 of 11:00. We've left the post. It got too hot. The PX is in flames, also the barracks. We made a dash during a lull. Left everything we own there. Found out the attackers are Japs. Rats!!! A couple of non-com's houses demolished. Hope Kay is O.K. We're at M's. It's all so sudden and surprising I can't believe it's really happening. It's awful. School is discontinued until further notice...there goes my graduation.

Shortwave: Direct hit on barracks, 350 killed. Wonder if I knew any of them. Been quiet all afternoon. Left Bill on duty at the U. Blackout all night of course!

The following was typed on a separate piece of paper attached to the diary page:

I was awakened at eight o'clock on the morning of December 7th by an explosion from Pearl Harbor. I got up thinking something exciting was probably going on over there. Little did I know! When I reached the kitchen the whole family, excluding Pop, was looking over at the Navy Yard. It was being consumed by black smoke and more terrific explosions. We didn't know what was going on, but I didn't like it because the first explosion looked as if it was right on top of Marie's house. I went and told Pop that (He in the meantime had gotten dressed and was leaving) and he said, "Who cares about Marie when you and Mom might be killed!". Then I became extremely worried, as did we all. Mom and I went out on the front porch to get a better look and three planes went zooming over our heads so close we could have touched them. They had red circles on their wings. Then we caught on! About that time bombs started dropping all over Hickam. We stayed at the windows, not knowing what else to do, and watched the fire works. It was just like the news reels of Europe, only worse. We saw a bunch of soldiers come running full tilt towards us from the barracks and just then a whole line of bombs fell behind them knocking them all to the ground. We were deluged in a cloud of dust and had to run around closing all the windows. I got back to the front door just in time to see pop calmly walking back to the house through it all. He said we could leave if a lull came. Also that a Mrs. B was coming down to our house and to wait for her. Then he left again. In the meantime a bunch of soldiers had come into our garage to hide. They were entirely taken by surprise and most of them didn't even have a gun or anything. One of them asked for a drink of water saying he was sick. He had just been so close to where a bomb fell that he had been showered with debree. He said he was scared, and I was to, so I couldn't say that I blamed him. I saw an officer out in the front yard, so Mom said to ask him if he thought it would be wise for us to try to leave. He said, "I would hate to say because we don't know whether they are bombing in town or not, and besides this is your home." I no sooner got back into the house then a terrible barrage came down just over by the Post Exchange. That's just a block kitty corner from us, so the noise and concussion was terrific. Mom and I were still standing in the doorway and we saw the PX get hit. I was getting more worried by the minute about this time as they seemed to be closing in the circle they had been making around us. (The Japs were flying around in a circle bombing us, Pearl Harbor, and machine gunning Fort Kam.) A second terrific bunch of explosions followed the first by a few minutes only. I found out later these had landed in the baseball diamond just a second after Dad had walked across it. He ran back to see if the men in a radio truck there had been hit. All but one had and they were carted off in an ambulance. I went dashing into my room to look and saw that the barracks was on fire, also the big depot hanger. I hated to go into my room because the planes kept machine-gunning the street just outside my window and I kept expecting to see a string of bullets come through my roof any minute. We had all gotten dressed in the meantime and had packed a suitcase and were ready to leave any time. Finally, after two and a half hours, the planes went away and we left. I gave the soldiers in the garage two and a half packages of my chewing gum before I left and they nearly died of joy at sight of it. Poor guys!!

As we left the Post, we looked around to see what damage had been done to the place. The barracks was all on fire, the big depot was on fire, the theater was burned to the ground already, the PX was wrecked, the whole hanger line was blown up on the far side of Operations, a couple of the non-coms houses were very badly blown out, there was debris all over everywhere, and Pearl Harbor was just a solid wall of smoke which we found out later was burning oil from the boats that had been hit. Reports are that nothing was hit there except boats.

As we drove into town we found the highway blocked solid in all three lanes coming out to the Post as the radio had been calling for all personel of the Army or Navy to return to their posts at once. We were forced to drive out in the gutter, and every now and then we had to move aside from there to let an ambulance go by. The people in town were standing along the street watching it all with very dazed looks. Of course, they didn't know what was going on as the radio hadn't said a thing about it. (We turned it on at home before we left and there amidst all the concussion and noise all we could get was church music.) We ran into Bill on the way into town and made him come back with us. (He had been at the University practicing shooting and had missed it all.) He was mad because he wanted to go and see the fireworks. Ha! Lowyd was with us so we dumped him at the U. where he had a room. Left Jack with him, and Mom and I went up to the M's in Moana Valley. Decided to stay there until further notice so we went back and got Jack. Bill stayed at the U. on duty in the ROTC.

maandag 5 december 2016

Vic van de Reijt -- 6 december 2001

Vic van de Reijt (1950) was in 2001 uitgever bij Nijgh & Van Ditmar. Hij hield op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij ter gelegenheid van de verschijning van zijn Nederlandstalige Cover Top-100.

Donderdag [6 december]
De hele ochtend overleg met bureauredacteur Marion Hoff en samensteller Kick van der Veer over de liedteksten van Ramses Shaffy in onze mooie Pluche-reeks. Hoe gaan we ordenen, chronologisch per album of toch maar alfabetisch, en moeten de liedteksten die anderen voor hem schreven vervallen? Maar wat doen we dan met zijn lijflied `Laat me', een compositie van Herman Pieter de Boer. De Van den Ende Foundation heeft helaas ons subsidieverzoek per kerende post geretourneerd, en dat betekent voorlopig uitstel van de publicatie.
Karin Spaink komt haar exemplaren afhalen van De dood in doordrukstrip, haar wijze en mooi opgeschreven beschouwingen over dood, euthanasie en zelfmoord. Ze is op weg naar de uitspraak in de zaak Sutorius en ze is er niet gerust op. Ook ik ben gejaagd: in de blauwe koffiekamer van Carré wordt zometeen de Cover Top-100 gepresenteerd.
Het blijkt een perfecte ambiance. Harry Slinger zingt zijn Bob Dylan-bewerking `Ik verveel me zo (in Amsterdam-Noord)', Jan Rot schittert met `La Mamma' en Jacques Herb verslikt zich tot groot vermaak van iedereen in de coupletten van `Manuela'. Friso Wiegersma, de schrijver van `Het dorp', krijgt het eerste exemplaar van boek en box, waarna de aanwezige artiesten volgen: de legendarische Tobi Rix (van de toeteriks), Ria Valk, Conny Vandenbos, Max Woiski jr., Johnny Lion, tweederde van het Cocktail Trio en driekwart van de Fouryo's, de covergroep van `Zeven leuke meisjes' en `Zeg niet nee'. Ik sluit vriendschap voor het leven met zangeres Joyce Schouten en even later zie ik mijn vader (1914) hetzelfde doen. Nagenieten met de hele Brabantse familie. Alle restaurants rondom Carré zijn volgeboekt, maar Da Pasquale in Landsmeer biedt uitkomst. Veel beter eten en volop plek. Tot diep in de nacht ben ik bezig een platenkoffertje voor Barend & Van Dorp samen te stellen, want daar moet ik live gaan draaien.

zondag 4 december 2016

Anneke Bosman -- 5 december 1945

• De Nederlandse Anneke Bosman zat in de oorlog in een interneringskamp in Indonesië. Ze hield in die periode (en daarna) een dagboek bij.

28-11-1945
Vanmiddag dronken we thee met kwee-talem [soort koekjes] op het balkon, toen er opeens geschoten werd. Aansluipende Gurkha’s kwamen voorbij. Auto’s werden beschoten. Een militaire auto met een mitrailleur kwam vanaf de Dagoweg en reed de Ireneboulevard in, maar hij deed verder niets. Vanuit de kampong duurde het schieten voort. 's Avonds kwamen er vluchtende mensen van de buitenste huizen voorbij. Ze zagen de gewapende inlanders aankomen. Toen hebben wij ook onze koffers beneden klaargezet.
Het schieten werd al heviger en heviger. Een hele harde knal dichtbij. We vluchtten naar het Lyceum op de Dagoweg. Onze koffers op en aan een fiets en Bellakroontje in een mandje. De kogels floten om ons heen. Een oranje pak met spullen bleef in de tuin liggen en ook de deur vergaten we op slot te doen. Vlug, vlug weg! Vele anderen vluchtten met ons mee. In het Lyceum werden we in de aula opgevangen en daar kregen we op het toneelpodium een slaapplekje op oude gordijnen en het mandje met de kip op een stoel.

29-11-1945
Vanmorgen vroeg weer terug naar “Beatrix”**. Alles was in orde. Zelfs het oranje pak lag er nog. Daarna konden we met de auto van dr. Stibbe naar het paviljoen van het Ursulinenklooster. Fam. de Ridder verhuisde naar de Bandastraat en fam. Mandersloot naar Tjihapit. Sinds gisteren heb ik weer geelzucht en is mijn eetlust bijna weg.

5-12-1945
Een echte St. Nicolaas en drie Pieten kwamen langs en strooiden uit zakken. Ze deelden zelfs pakjes uit. (Wouter deed helaas net zijn middagslaapje). Onze drie jongens kregen samen een mooie Amerikaanse trein met rails en een leuke veldfles, gemaakt van een klapperdop. Roelie, Heleen en ik ieder een handwerk en een gesp. Mam een handtas met voor ieder een servet. 's Avonds laat kregen we nog twee Australische pakketten met toiletartikelen en andere nuttige dingen. Geen schoenen helaas. Een paar dagen werden er allerlei blikjes uitgedeeld. Mmmm! Spek, boter, haring, melk en pakjes biscuits.



** 10 november: "We namen intrek in huize “Beatrix”, ons eigen huis aan de Beatrixboulevard, dat nog redelijk goed de oorlogstijd had doorstaan."

Nescio -- 4 december 1953

Nescio (J.H.F. Grönloh, 1882-1961) was een Nederlandse schrijver. In zijn Natuurdagboek (1946-1955) deed hij verslag van onder meer zijn wandelingen.

4 December Vrijdagochtend. Wou naar Loenen maar miste de bus, ook betrok het wat. Toen maar even heen en weer naar Muiden over de Mauritskade en langs het Oosterpark. Een gele vlek in de wolken onder de zon (twee maal). Weer even dat gevoel van avontuur! Wat herfst-tristesse, maar goed zicht. Weesp zeer rustig op de horizon, eerst de oude kerk rechts, daarna links van de nieuwe. Betlem wat schraal en nuchter in dit weer. Een teere zee, bijna één met de lucht. Durgerdam zeer wazig. Bij Muiden over het land naar Hilversum gekeken, waar vroeger de beschaving huisde naar ik dacht (40 à ruim 50 jaar geleden). De 2 torens heel klein en ver, in een wazig koperen horizon, zoo leek het nog wat, over die breeë sloot met een knak en opzij van al die kleine populiertjes bij den weg en het verstrengelde wilgenbosschage. Terugrijdende eens achteruit gereden en tusschen de wilgen een mooi lang wit stuk van de Gaasp gezien (even voor de Diem, van Muiden gerekend.) Ruim 11 uur thuis.

Max de Jong -- 3 december 1950

Max de Jong (1917-1951) was een Nederlandse dichter. Zijn dagboeken zijn onlangs gepubliceerd.

Zondag 3 december
De hele dag zitten corrigeren. Resultaat 2 1/2 vel is gelijk een tientje.
Bk.* Evelientje was er! Joost sprak iets met haar af omtrent de pick-up voor Woensdagavond. Ze vertrok om 7 uur.
Geschaakt met Frans, Jaap L. en Siem en Loek P. als toeschouwer. Het schaken was prettig, maar ten aanzien van Evelientje heb ik me weer eens hopeloos blootgegeven. 'Als je vues op een meisje hebt, moet je altijd zorgen, dat ze een even aantal minnaars heeft,' zat ik te beweren, en een zo fraai geciseleerd aphorisme wordt door die ongeletterde hufter van een Frans dan niet eens gewaardeerd.
Om 9 uur op het uitstekende idee gekomen, om naar Evelientje te gaan. Hans en Thea waren er, keken elkaar aan en gingen weg. Ze heeft zich ontloofd!! Klaagde, dat de verkoopsprijs van een ring zoveel lager was dan de inkoopsprijs. Voorts vindt ze Joost vervelend^ maar hij heeft haar dan toch maar vast mogen zoenen. Het ging bij hem zo zonder enige romantiek. Hij heeft met mate op mij afgegeven (ik was indiscreet en roddelde). Ik heb er van 9 tot 2 gezeten. Alleen maar gepraat. Zij is polygaam. Stelt zich voor nu te leven en later pas te trouwen. Maar wel maar met een tegelijk. Ik heb gepoogd, haar mijn combinatie van true love en light love uiteen te zetten. Kon niet goed uit mijn veel te vele woorden komen. Zij wierp tegen, dat je bij iedere nieuwe verhouding toch weer op een absolute liefde hoopt.
Ze vindt Joost vervelend, Frans wat meer, maar toch ook maar matig en W.W. ook.
Tenslotte dan afgesproken, dat ik volgende week Woensdag bij haar kom eten. En dat we dan Donderdag naar tante Mia gaan. Zij kent de schrijver van den Aardweg, is een jaar of veertig. Ik nog even teruggegaan, om haar een rijksdaalder te lenen. Toen keek ze van nou zul je het hebben. Zij komt niet op het Sinterklaasfeest -moet naar haar vader.

Maandag 4 december
Woensdag promoveert Jan.
Gisteren toen ik van Evelientje kwam naar bed gegaan en vandaag uitgeslapen. Vanmiddag maar 1 vel gedaan.
Bk. Tegen Joke een beetje bot gedaan. Ik had met Frieda willen praten, maar kan haar niet alleen krijgen. Geschaakt met Siem. Van het lange wachten een schaakhoofd gekregen en weer naar bed gegaan.
N.B. Het geld uit Wageningen blijft uit.

Dinsdag 5 december, zijnde Sinterklaas
Weer uitgeslapen. Vanmiddag iets voorspoediger gewerkt dan gisteren — weer een vel gedaan.
Bk. Vanwege de Sinterklaas practisch niemand.
's Avonds de krant gelezen en 's nachts nog een vel gedaan.



* De Jong zat vaak in eetcafé De Nieuwe Biekorf, dat vlak na zijn dood is opgeheven. Dat etablissement werd voornamelijk bezocht door studenten, journalisten, halve artiesten en aankomende kunstenaars en schrijvers, onder wie de gebroeders Van het Reve, Corneille, Karel Appel en Hanny Michaelis. De laatste noemde De Jong een aartsquerulant, die ’uit God weet uit welk principe van burgermansverachting nooit anders dan met een lepel at, wát er ook op zijn bord lag’. (Nico de Boer)