maandag 29 april 2019

Augustus Henry Irby • 30 april 1860

• Augustus Henry Irby (1808-1861) was een Britse legerofficier. Hij schreef The Diary of a Hunter from the Punjab to the Karakorum Mountains, over een tocht die hij maakte.

30th April.
From Possianah to Dupchin. The road from Possianah descends to the torrent roaring at a considerable depth below, from which the ascent recommences, so that you have to descend from a considerable elevation, perhaps a quarter of the height of the Pir, and then again ascend on the other side; which loss of way is provoking. From Possianah to the foot of the Pir is, I imagine, two miles, the latter part of the road very rough and stony.
I started on this occasion without any refreshment, such as tea, thinking I should better husband my breath, and work my lungs more easily: and I think the idea a success, as I ascended with much more ease and comfort than on the former occasion, when I primed myself with tea, hard eggs, &c. It is, undoubtedly, a tremendous pull; and one meets with a provoking deception as to distance. For when about a quarter of the height has been ascended, the first flight, as it were, up to the snow drift, the traveller looking above him, puffing and panting with his violent efforts, sees above him what appears to be the summit close at hand, which is but the top of the lower ridge, from which runs a somewhat level path on the slope to the snow drift—an enormous mass of snow, some half-mile long, and, I suppose, from one to two hundred yards broad, and, I fancy, from fifty to a hundred feet deep, filling a gorge of the mountain which commences quite at the summit. Over this mass we struggled, a violent icy blast in our faces, to a point where the path turns off to the left, and climbs upwards by zigzags to the more gradual slope under the summit. Here I overtook a woman carrying a boy of, perhaps, five years old, who, poor little creature, was crying bitterly from cold, his teeth chattering, and presenting a forlorn appearance. The woman was sitting down disconsolate, unable to proceed. I tried to persuade her to put the lad down, and lead him, to restore circulation, but she did not adopt my suggestion; so, leaving a man to help them on, I continued my ascent, and finally reached the top.
The height is, I believe, some 10,000 feet above the sea. The view, looking back, is magnificent—an endless succession of wave-like lines of hills terminating, as they gradually recede, in the hot vapours of the Punjab.
[...]

zondag 28 april 2019

Albert Helman • 29 april 1955

• Albert Helman (1903-1996) was een Nederlandse schrijver. In 1955 trok hij naar de binnenlanden van Suriname. Zijn reisjournaal van die tocht is gepubliceerd als Het eind van de kaart.


Vrijdag
[...] Kajo, onze kok vandaag, komt mij halen om mij iets interessants te laten zien; ik moet ophouden met schrijven.
Het is een grote vaalgrijze luiaard die ze in het bos zonder veel moeite gevangen hebben. Hij zit nog vastgeklampt aan de tak waaraan ze hem vonden hangen. Maar ze kunnen niets aanvangen met het arme beest; het is oneetbaar, geeft geen kik, verroert zich niet. Het dient alleen maar om naar te kijken: lange bleke haren, iets onuitsprekelijk looms in dat welgedane lichaam, een slaperig kopje dat zich nu en dan moeizaam een paar centimeters opricht en zich daarna met een domme schaapachtige blik van alle toeschouwers afwendt. Een symbool van troosteloze overgave, van wanhoop; meelijwekkend. En zoiets teelt zich nog voort, door alle eeuwen heen. Moet ook deze schijnbaar weerloze gast de ‘survival of the fittest’ van Darwin helpen bevestigen? Wonderlijke moeder Natuur ...

zaterdag 27 april 2019

Eugène Delacroix • 28 april 1853

• Eugène Delacroix (1798-1863) was een Franse schilder. Dagboekfragmenten en brieven van zijn hand zijn verzameld in Ik heb het niet over middelmatige mensen (vertaling: Joop van Helmond).

Donderdagochtend 28 april. [1853] – Er moet een hoop worden opgeofferd om een schilderij volledig tot zijn recht te laten komen en ik geloof dat ik dat vaak doe, maar ik kan het nu eenmaal niet uitstaan wanneer de kunstenaar op de voorgrond treedt. Toch zijn er een hoop erg mooie dingen ontstaan door overdrijving in effectbejag; zoals onder meer het werk van Rembrandt en in ons land dat van Decamps. Die overdrijving ligt in hun aard en stoort in hun werk niet. Deze overweging komt bij me op als ik kijk naar mijn portret van M. Bruyas; Rembrandt zou alleen het hoofd hebben laten zien; de handen zouden net als de kleren amper zijn weergegeven. Zonder te willen beweren dat ik de voorkeur geef aan de methode om alle voorwerpen al naargelang hun belang weer te geven, want ik heb grote bewondering voor Rembrandt, denk ik dat ik me onbeholpen zou voelen als ik dat soort effecten zou uitproberen. Ik sta in dat opzicht meer aan de kant van de Italianen. Veronese is het nec plus ultra in de getrouwe weergave van alle onderdelen in het schilderij; datzelfde geldt voor Rubens, en hij heeft in de pathetische onderwerpen misschien op de roemrijke Paolo voor dat hij, door middel van een zekere overdrijving, de aandacht op het hoofdonderwerp weet te vestigen en zo de zeggingskracht weet te vergroten. In die aanpak schuilt daarentegen iets gekunstelds dat net zo sterk of misschien wel beter voelbaar is dan de dingen die Rembrandt opoffert, en dan de vaagheid die hij zo opvallend laat overheersen in minder belangrijke onderdelen. Wat mijn eigen werk aangaat, vind ik het een noch het ander bevredigend. Ik wil eigenlijk het liefst – en ik geloof dat vaak te hebben bereikt – dat kunstgrepen nergens zichtbaar worden, maar niettemin de aandacht naar de plek wordt getrokken waar die moet liggen; hetgeen, nogmaals, alleen te bereiken is door dingen op te offeren; maar dat moet met oneindig veel meer verfijning gebeuren dan in de stijl van Rembrandt, wil het tegemoetkomen aan mijn streven. [...]

vrijdag 26 april 2019

Gérard de Nerval • 27 april 1841

• De Fransman Gérard de Nerval (1808-1855) was schrijver, toneelcriticus en reisjournalist.In deze brief aan Émile de Girardin refereert hij aan zijn verblijf in de inrichting van het artsenechtpaar Blanche, waar hij vanwege een psychose was opgenomen. De ‘dichter Antony’ die hij noemt was Antony Deschamps. Uit: Het treurige beroep van schrijver (vertaald door Edu Borger).

Montmartre, 27 april 1841
Mevrouw, Ik betreur het zeer dat ik u niet na mijn eerste opsluiting heb ontmoet. Ik heb vier dagen onafhankelijkheid genoten, die mij al heel snel weer onder het tamelijk hardvochtige juk van dokter Blanche hebben gebracht Gelukkig is mijn kwaal vandaag bijna helemaal geweken; dat wil zeggen de overspannenheid van een veel te romantische geest, naar het schijnt; want ik heb het ongeluk dat ik me altijd goed bij mijn verstand heb gevoeld. Ik ben bang dat ik in een huis vol wijzen ben en dat de gekken buiten zitten. Als er vaker schone dames zouden komen, zou ik me er niet in het minst over beklagen. We hebben er hier drie à vier die denken dat ze ziek zijn omdat ze in een verpleeginrichting zitten; de rest bestaat uit woeste hidalgo’s, een Schotse koningin, een prins van Granada, enige Italiaanse en Oostenrijkse edellieden en twee dichters, te weten Antony en ik. U ziet hoe respectabel het hier is. Zou het hier niet het rijk van de maan zijn? En zou mijn verstand niet sluimeren in een van de met water gevulde flessen van dokter Blanche of mevrouw Blanche, die hemellichamen die erg veel op de maan en de zon lijken?

donderdag 25 april 2019

Bert Voeten • 26 april 1945

• Bert Voeten (1918-1992) was een Nederlandse schrijver en vertaler. Zijn oorlogsdagboek werd in 1946 gepubliceerd onder de titel Doortocht. Op de foto ook zijn echtgenote Marga Minco.

26 April
Ik weet niet waarom ik nog steeds schrijf. Ik voel me als een boekhouder, die in stompzinnige plichtsbetrachting het journaal van een uitgebrande zaak blijft bijhouden tot hij kindsch geworden is.
De gebeurtenissen kunnen mij niet meer bewegen. Berlijn verpulvert. Italië onder den voet. Het water wast in Holland. De Duitschers hebben de dijken doorgestoken. Zij willen hier standhouden. Wat komt het er op aan? Niets is belangrijk meer. De geallieerden willen pakken levensmiddelen uitwerpen. Onzin. Ze zullen elkaar vermoorden om een half brood. Vanmorgen heb ik drie kilo aardappelen gehaald op een bon van de hulporganisatie. In de Uilenburgerstraat speelden kinderen voor een school. Er kwam een meisje naar me toe. Ze vroeg om één aardappel. Ik gaf hem. Toen kwamen ze allemaal. Ik heb ze maar uitgedeeld. Het is niet goed, dacht ik, dat zij ze zoo opeten. Ik moest lachen. In de Jodenbreestraat was weer een huis ingestort. Drie jongens lagen onder het puin. ‘Ze sloopen ook zoo onverantwoordelijk’, zei iemand. Ik had het woord in lang niet vernomen.

woensdag 24 april 2019

Theodor Fontane • 25 april 1870

• De Duitse schrijver Theodor Fontane (1819-1898) was een oorspronkelijk briefschrijver. Hij maakte van elke brief – hier aan zijn echtgenote Emilie – een gebeurtenis, door de geadresseerde zo veel mogelijk op een persoonlijke manier trachtte aan te spreken, vrij van elk cliché of formalisme. Uit: Brieven (vertaald door Tinke Davids).

Berlijn, 25 april 1870
Vanochtend kwam je brief van vrijdag. Het was mij een grote vreugde. Goddank dat jullie heelhuids over het water zijn gekomen, dat geen ongeluk en geen ergernis jullie reis heeft gestoord, dat jullie niet bedrogen zijn, maar in blijdschap de schone wereld Gods, de lente en de oude cultuurplaatsen hebben bereikt. De rekening is uiteindelijk bovendien één pond goedkoper uitgekomen dan ik dacht. Dat mijn Mete zich zo dapper heeft geweerd, doet me veel deugd; ik had overigens niet anders verwacht; geef haar een kus van me.
Je opmerkingen over land en mensen heb ik met volle instemming gelezen; toch (en daar wijs je ook zelf al op) zijn ze eenzijdig. Men kan alle reizigers in twee karakterklassen indelen, in vriendelijke sanguinici, die overal zien en ook willen zien op welke punten het buitenland zich gunstig van hun vaderland onderscheidt, en in kankeraars met een leverkwaal, die thuis een voortreffelijkheidssjabloon hebben voorbereid en ontstemd zijn over alles wat daarvan afwijkt. Wij behoren tot de eerste klasse, waarvoor we God mogen danken; maar die blijft toch erg aan de oppervlakte hangen en is achteraf eens zo ontstemd wanneer blijkt dat niet alles goud is wat er blinkt. Bovendien speelt het geluk ook hier een rol. Bij de vele soorten van geluk hoort ook een heel duidelijk reisgeluk, sommigen hebben het nooit, anderen altijd.

dinsdag 23 april 2019

Dana Constandse • 24 april 1993


• Dana Constandse (1930-2018) was neerlandica en schrijfster. Uit: Hollands Maandblad.

• deel 1

24/4: De doffer is grijs met zwart, aan de hals een plek groenrose, olievlek op kanaalwater. Als hij opvliegt, zie ik een witte stuit, zoals van zijn voorvader de rotsduif. Het wijfje heeft zwarte spikkels. Op straat herken ik ze niet. Alle stadsduiven lijken op elkaar en ze zijn allemaal anders.

25/4: Vanmiddag belde een aannemer. Of hij zolang wat balken in de tuin mocht leggen, want hij kreeg geen gehoor bij de bovenburen. Ze moeten er morgen mee naar boven. Wat zal hij gedacht hebben toen ik hem vroeg voorzichtig te takelen, vanwege een duif.

5/5: ‘Wat balken in de tuin leggen.’ Slimme vos. Ten slotte lagen er drie ijzeren balken van een meter of vijf en een waanzinnige hoeveelheid aluminium palen. De volgende dag was er in onze afwezigheid een steiger gebouwd, vier verdiepingen hoog. Dagelijks zijn er balken en gereedschap omhooggetakeld. Lawaai van bikken en boren. Ze kregen daarboven nieuwe balken onder de balkons en er werd allerlei houtwerk vernieuwd. Ten slotte stond er ook nog een dag of wat een stellage op ons balkon, maar ik was al murw gebikt. Want wat betekent in Amsterdam nou een stadsduivennest. Eergisteren zijn ze vertrokken. Het is gek stil zonder werklui én zonder duiven.
Het zit mijn vogels dit jaar niet mee. De merel door de buurkat verjaagd, de koolmezen hebben het bij één eitje gelaten. En dan al die dobberende meerkoetennesten, na de roeiwedstrijden in de Amstel.