woensdag 30 januari 2013

Italo Svevo -- 31 januari 1896

31 januari 1896
Ik ben gisteravond nogal grof geweest maar zojuist zei je me door de telefoon datje er niet over inzit en daarom voel ik er niet zoveel spijt om als ik zou moeten. Integendeel, ik heb er schik in; op deze manier leer je me kennen zoals ik ben, ruw en onbehouwen. Zekere égards zal ik echter moeten leren in acht nemen; in ieder geval die dat ik geen minder eerbiedige dingen tegen je zeg als er mensen bij zijn, ook niet als Schreiber erbij is. Je moet het me maar niet kwalijk nemen; je weet wel dat mijn liefdesbetrekkingen tot op heden niet met erg fijnbesnaarde mensen waren. En bovendien had die stommeling van een Schreiber dezelfde zonde begaan als jij; daarom ging ik tegen jullie als tweespan te keer en dat was een grove fout, want ik zou jou niet naast iemand moeten plaatsen, op geen enkele wijze. Naast mij en naast niemand anders.


Italo Svevo (1861-1928) was een Italiaanse schrijver. In 1896 hield hij enige maanden een dagboek bij, op verzoek van zijn toekomstige echtgenote, Livia Veneziani (1874-1957).

dinsdag 29 januari 2013

Gemeente-ambtenaar - 30 Januari 1943

Gemeente-ambtenaar, 38 jaar - Veenendaal
Zaterdag, 30 Januari 1943
- Te kwart over negen ga ik de deur uit om de trein van kwart voor tien te kunnen halen.
Ruim 20 min. was de trein te laat in A.dam aan. Half twaalf reed ik per tram op het Rokin op weg naar oom Gijsbert. Deze had met Elly op mij zitten wachten met het eten. De jongelui waar ik voor kwam waren er nog niet. Na een paar bordjes erwtensoep te hebben gegeten gingen we naar die heer met huishoudster. Mijnheer was niet thuis. Daar heb ik zitten wachten tot half drie waarop ik m'n jas aantrok en weg wilde gaan, doch daarop kwam betrokkene thuis. Ik stelde hem voor indien ik een schuilplaats voor hem had ik van hem ƒ1000 moest hebben te gebruiken voor 2 stel jongelui die het niet konden betalen. Hij ging hiermede in zooverre accoord dat hij de onkosten voor de betreffende jongelui wilde betalen. Hier vandaan, na eerst een boterham te hebben gegeten, ga ik met lijn 3 naar het Henriëtte R[onner] plein een oom en tante van Jaap en Hannie bezoeken. Te ruim 4 uur ging ik daar weer weg, na eerst een heerlijk kopje thee te hebben gedronken. Tevens krijg ik een pakje mee waarin enkele [vloer] matten, [een] vleesmachine en wat cahiers.
Nu naar de Transvaalstraat met lijn 3. Jaap is alleen thuis. Ook daar doe ik m'n boodschappen en dan te kwart over vijf weer naar de Parnassusweg. Daar aangekomen tref ik de bewuste jongelui aan. Hij een mager tenger ventje, zij nerveus in zeer erge mate, roodblonde haren doch wel bijdehand. Het heeft heel wat voeten in de aarde alvorens de ster er af is en er zoodanig weer op zit dat ze deze onderweg niet verliezen. Doordat de plek waar de ster gezeten had wat verschoten was zou ze waarempel nog een andere jas aan willen trekken. Omdat het bijna donker is, breng ik ze daar weer van af. De jonge Elly helpt haar losjes de ster er weer op te naaien. Zij vraagt me of ze mij een arm mag geven dan loopt het niet zoo in de gaten. Hij mocht van haar niet te dicht bij ons loopen omdat hij Duitsch sprak. Buiten gekomen discht ze van allerlei onsamenhangende verhalen op. Hij loopt als een haas, is regelmatig een meter of tien voor ons uit, rookt de eene sigaret na de ander, z'n vingers zijn zwart van het rooken. Een zielig figuurtje een man van 36 jaar doch doet nog kinderlijker dan onze R.
Telkens moet ik hem naar me toe halen omdat hij te ver vooruit loopt. Aanvankelijk liep hij met een zakje met eieren welke ze kregen van oom Gijsbert, zij durft ze niet in de tasch hebben. Als we op de Stadionkade loopen alwaar het zeer rustig is, adviseer ik de ster af te doen, doch ze zijn er niet toe te bewegen. Nu nog niet, als we onze buurt waar we wonen voorbij zijn. Toch doet ze de eieren in der tasch na veel praten mijnerzijdsch. Zeg, mag ik jij tegen U zeggen, noem mij maar Annie, m'n man heet Jo, wat zullen we tegen hem zeggen?
Ik: zeg maar Henk.
Annie: Henk, Jo, Henk, kom wat hier naar toe. je loopt een heel eind vooruit.
Ik: doe nou die ster af, we loopen in de Jekerstraat.
Henk: straks, op de Amstellaan, en steekt weer een sigaret op.
Annie: m'n man rookt zooveel, hij heeft veel geleden.
Houdt ik me nou goed mijnh[eer] Piet. Ik ben niets bang, maar ze rilt van de zenuwen.
Annie: waren de andere menschen ook zoo als ik, ik ben toch wel flink hè?
Ik: Henk, kom hier naar toe, je kan hem haast niet meer zien zoo ver is hij vooruit. Houd dit pakje eens een poosje vast.
Annie: Joden mogen niet met pakjes loopen.
Ik: Henk, geef maar hier dat pakje. Hij heeft er tien meter mee geloopen en kan al haast niet meer.
Amstellaan.
Ik: en nou die ster af; ja straks, zeggen ze beiden.
Ik tegen Annie: nou doe je niets tegen hoor. Ik grijp haar onder de arm, zit een beetje aan der borst te frommelen en heb de ster te pakken, nu naar Jo, en ook daar is deze er gauw van verdwenen. Ziezoo Jo, en nu jij dit pakje dragen. Maar och stumper, hij kan het niet houden en neem ik 't weer over. Annie stevig aan m'n arm.
Annie: O, daar stopt een auto, ik ga terug, en verdorie hij ook. Ik grijp ze alle twee in der lurven en zeg, vooruit, nou geen onzin langer, loopen, en ze gaan weer mee.
Annie: daar loopt een man achter ons, 't is vast een zwarte.
Ik: we zullen hem laten passeeren, en als de z.g. zwarte voorbij is blijkt het een heer met een lichte regenjas aan te zijn.
Op de Berlagebrug rijdt een tuur. [agent]
Annie: praat niet zoo hard, hij hoort ons.
Ik: doe toch niet zoo angstig en praat niet langer op zoo'n fluistertoon. Maar ja, ze doet het toch.
Jo steekt weer een sigaret op.
Annie: als we het viaduct onder door zijn: hier mogen geen joden komen zegt ze.
Ik: nou je bent toch geen jood, want je hebt geen ster meer.
Zoo naderen we het Amstelstation, de eieren moet ik in de zak stoppen, ze durft ze niet langer bij zich houden. Bij het station staat een ziekenauto met een rood achterlicht.
Annie: zou dat een fiets zijn?
Ik: heb je wel eens een stilstaande fiets gezien met een rood brandend achterlicht?
Antwoord: neen!
Einde 1e tafereel.

Nu moesten we het station in om kaartjes te nemen.
Annie: ik houd je vast Piet, ik ga mee kaartjes nemen. In de hal gekomen, haal ik hem naar me toe, zet ze bij elkaar en duw hem m'n pakje in de handen.
Wanneer ik kaartjes genomen heb staan ze nog net zoo bij elkaar.
Nu naar het perron.
Annie: wat is het hier licht hè? De trap opgaande houdt ze me stevig vast. Jo is al boven als wij halverwege zijn.
Op het perron:
Annie: kijk die twee heeren eens kijken naar ons en dat meisje dat daar loopt kent ons vast.
We loopen een beetje heen en weer. Jo steekt nog eens een sigaret op. De hoeveelste? Ik ben de tel kwijt.
Annie: Jo, in de trein moet jij niets zeggen, ga maar op het balkon staan. Ik ga met Piet in de coupé zitten. Ik houd Piet stevig vast.
De trein kwam aan en van alle voorgenomen plannen komt niets terecht. Weinig volk en we kwamen met z'n drietjes bij elkaar te zitten. En maar zeuren: wat duurt het lang hè voor we er zijn. Moeten we lang in Utrecht wachten enz. enz.
Te ruim half negen zijn we er. Nog even zit Annie in angst toen in Driebergen een marechaussee in de coupé kwam, doch deze verliet 't volgende station de trein al weer.
Bij aankomst bij de uitgang komende zat ik even in m'n rats. Een heer bekeek ze (n.l. Annie en Jo) aandachtig, tikte hun op de schouder en vroeg: is U mijnh. en mevrouw x. Nee gaf ik ten antwoord, dat zijn logé's van mij.
Toen ging ik de fiets halen en bij terugkomst was ik Annie en Jo kwijt. Nergens kon ik ze vinden. Terugloopen naar de uitgang, deksel waar zouden ze zijn, totdat ik een brandende sigaret zie en jawel hoor, dat zijn ze. Zie zoo, en nu maar gearmd naar de plaats van bestemming n.l. Bakker. Nog even zij vermeld dat ik nogal last had van m'n thermogeenwatten want door het transpireeren gingen die branden op m'n rug. Ik probeerde ze er tusschen uit te krijgen doch dat ging niet en toen wou Annie me helpen en zei: och, ik ben toch ook getrouwd.
Ziezoo, dat is ook weer gebeurd, ik ben blij dat ze binnen zijn want zulke menschen zou men zenuwpatient van worden.
Thuisgekomen vertel ik m'n wedervaren en ze zitten om een en ander smakelijk te lachen. 't Is ook werkelijk om te lachen zoo gek stelden ze zich aan. Na een kopje koffie en een bordje soep is het langzamerhand tijd geworden om naar bed te gaan.


* Dagboekfragmenten 1940-1945

maandag 28 januari 2013

Virginie Loveling -- 29 januari 1915

Vrijdag 29 januari:
De "Kölnische Zeitung" van 27sten dezer maakt van de gelegenheid gebruik om uitbundigen lof toe te zwaaien aan den vredelievenden keizer, het symbolum van 't duitsche vaderland. Onze plaatselijke bladen reppen geen woord van dien geboortedag.
Vriendinnebezoek. Ze vertelt van haren neef, zestien jaar oud, de jongste van vier kinderen, meisjes alle drie. De vader is magistraat. Als eenige zoon was hij de lieveling van 't gezin: braaf, leerzaam, zulk een kranig kereltje! De spreekster heeft tranen in de stem.
Het was in de eerste dagen na de oorlogsverklaring van Duitschland aan België. De opgewondenheid was immers groot onder de jeugd!... Op een voormiddag kwam hij thuis van 't college met den lederen riem over den schouder en de zwarte, blinkende boekentasch op zij, in korte broek en bloote kuiten. Met geestdrift in den blik ging hij voor zijnen vader staan — de wijze van verhalen herinnert aan onze oude vlaamsche liederen — ‘"Vader,"’ sprak hij, ‘"ik ga op als vrijwilliger."’
‘"En ge zegt dat zoo maar eenvoudig weg, ge vraagt zelfs geene toestemming."’
‘"Vader, laat mij gaan,"’ smeekend thans.
De vader aarzelde misschien: ‘"Ik zal er met uw moeder eens over spreken."’
Hij wachtte niet, de kleine. Hij ging bij zijne moeder, weder in dappere stemming en meldde 't haar:
‘"Anderen, kameraden van mij, wagen hun leven. Ten achteren blijf ik niet. Moeder, ik ook wil gaan."’
Maar zij hief groot misbaar aan: ‘"Ge zijt te jong, ge weet nog niet, wat ge wilt. Later zult ge een ambtskeuze kunnen en mogen doen. Ge zult mij dankbaar wezen, dat ik u die daad van onbezonnenheid, van dwaze roekeloosheid verboden heb."’
‘"Indien ge 't mij belet, zal ik het u nooit vergeven."’ Hij sprak stout tegen haar als tegen zijns gelijke in leeftijd en verstand.
De vader trad binnen en kwam er tusschen:
‘"Dat, kan niet, jongen, heel het leven en het geluk liggen open voor u, wees dan wijs, denk aan de toekomst."’
‘"Aan de toekomst heb ik gedacht. In elk geval zijt ge beiden mij kwijt. Lang zal ik hier niet blijven; mijn besluit staat vast van nu af aan:"’
‘"Ik word missionnaris,"’ en hij richtte zijn korte gestalte in de hoogte. Het viel op hen als een hamerslag. Maar na de eerste verrassing, ontwaakten zij als uit een roes: het was alsof een aureool van onschendbaarheid dat fiere, jonge kopje omglansde en, fier hij zelf, zei de vader:
‘"Ga, mijn jongen, en dat God u beware!"’
De moeder schreide hartbrekend. Hij poogde niet haar te troosten: ‘"Stem toe,"’ zei hij enkel, ‘"laat hem doen, wat hij voor zijn plicht acht."’ Maar de stem klonk beslist en als een ontegensprekelijk bevel en zij snikte: ‘"Ja."’
Het kind vertrok vol jeugdig vuur...
Wat of zijn lot nu wezen zal?.


Virginie Loveling (1836-1923), zus van schrijfster Rosalie Loveling en nicht van schrijver Cyriel Buysse, was een Vlaamse schrijfster en dichteres. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield ze een Oorlogsdagboek bij.

zondag 27 januari 2013

Denton Welch -- 28 januari 1943

Iemand ontmoeten die je neemt zoals je bent - wat een genoegen! We liepen eindeloos door de regen, een modderig en naar koeien ruikend pad af. De iepen prikten met hun vogelverschrikkervingers door de vochtige nevel. We wandelden arm in arm, dicht tegen elkaar aan. Het was prettig om in een flink tempo voort te stappen en onderwijl luid en opgewekt over de Blitz te praten. Ik had spannende en gruwelijke verhalen gehoord over het brandende Portsmouth. 'Ik liep toen nog in mijn burgerkloffie', zei mijn nieuwe vriend. 'Op een ochtend was ik net over een berg puin geklommen om bij een winkel te komen, toen achter me een zware explosie klonk. Ik viel plat op mijn gezicht en raakte buiten kennis, maar toen ik bijkwam had ik alleen wat beurse plekken. Het was een tijdbom, pal aan de overkant van de straat. Een andere keer kwam ik van m'n werk en zag ik een hele rij brandweerwagens op de weg langs het vliegveld. Ik telde er driehonderdzesenvijftig. Driehonderdzesenvijftig! Kun je je het voorstellen? Ik kreeg het op mijn heupen en rende naar huis. Net toen ik een slok thee nam was er een geweldige klap en vloog de thee op de vloer. Ik rende naar buiten en zag dat de hemel vuurrood was, zo ver als je kon zien.
'Die nacht vielen er duizenden doden. Eén enkele bom nam er tweeduizend voor zijn rekening in een schuilkelder. Maar denk je dat de regering vooraf waarschuwde dat er een zware luchtaanval werd verwacht? Absoluut niet! Toch wisten ze ervan, anders waren al die brandweerwagens niet uit Londen en andere steden opgetrommeld. Ze durven de bevolking niet te vertellen hoe groot de schade in Portsmouth is. En dan wordt er geschamperd dat de mensen 's nachts de heuvels invluchten. Dat kun je ze toch niet kwalijk nemen? Honderdduizenden zochten in de heuvels bescherming, en dan valt er een bom die zowat iedereen aan flarden blaast. Ongelooflijk toch?'
We liepen door, terwijl we genoeglijk verder praatten over de verschrikkingen. Het was hartverwarmend. We wonden ons op over de oorlog en spuugden vuur. Het ging steeds harder regenen.


Denton Welch (1915-1948) was een Engelse schilder en schrijver. Zijn dagboeken zijn gepubliceerd als The Denton Welch Journals.

zaterdag 26 januari 2013

Virginia Woolf -- 26 januari 1941

A battle against depression, rejection (by Harper's of my story & Ellen Terry) routed today (I hope) by clearing out kitchen; by sending the article (a lame one) to N.S.: & by breaking into PH 2 days, I think, of memoir writing. This trough of despair shall not, I swear, engulf me. The solitude is great. Rodmell life is very small beer. The house is damp. The house is untidy. But there is no alternative. Also days will lengthen. What I need is the old spurt. "Your true life, like mine, is in ideas"Desmond said to me once. But one must remember one cant pump ideas. I begin to dislike introspection. Sleep & slackness; musing; reading; cooking; cycling; oh & a good hard rather rocky book -- viz: Herbert Fisher. This is my prescription. We are going to Cambridge for two days. I find myself totting up my friends lives: Helen at Alciston without water; Adrian & Karin; Oliver at Bedford, & adding up rather a higher total of hapiness. There's a lull in the war. 6 nights wihout raids. But Garvin says the greatest struggle is about to come - say in 3 weeks - & every man, woman dog cat even weevil must girt their arms, their faith - & so on.
Its the cold hour, this, before the lights go up. A few snowdrops in the garden. Yes, I was thinking: we live without a future. Thats whats queer, with our noses pressed to a closed door. Now to write, with a new nib, to Enid Jones.


Virginia Woolf (1882-1941) was een Engelse schrijfster. Ze hield vrijwel haar hele leven een dagboek bij.

donderdag 24 januari 2013

Virginia Woolf -- 25 januari 1912

My birthday, - & let me count up all the things I had. L. had sworn he would give me nothing, & like a good wife, I believed him. But he crept into my bed, with a little parcel, which was a beautiful green purse. And he brought up breakfast, with a paper which announced a naval victory (we have sunk a German battle ship) & a square brown parcel, with The Abbot in it - a lovely first edition- So I had a very merry & pleasing morning - which indeed was only surpassed by the afternoon. I was then taken up to town, free of charge, & given a treat, first at a Picture Palace, & then to Buszards. I don't think I've had a birthday treat for 10 years; & it felt like one too - being a frosty day, everything brisk & cheerful, as it should be, but never is. The Picture Palace was a little disappointing - as we never got to the War pictures, after waiting 1 hour & a half. But to make up, we exactly caught a non-stop train, & I have been very happy reading father on Pope, which is very witty & bright - without a single dead sentence in it. In fact, I don't know when I have enjoyed a birthday so much - not since I was a child anyhow. Sitting at tea, we decided three things: in the first place to take Hogarth, if we can get it; in the second, to buy a Printing press; in the third to buy a Bull dog, probably called John. I am very much excited at the idea of all three - particularly the press. I was also given a packet of sweets to bring home.


Virginia Woolf (1882-1941) was een Engelse schrijfster. Ze hield vrijwel haar hele leven een dagboek bij.

woensdag 23 januari 2013

Joan Georg Dröghoorn -- 24 januari 1792

Jan. 24. Dinsdag ..... de juffers en jonge heeren diverteren zig met een sledevaart op 't ijs na Scholten ter Linde te Volte; Truijtje blijft te huijs.


Joan Georg Dröghoorn (1719-1794) was rentmeester te Ootmarsum. Hij hield vele jaren een dagboek bij, waarvan sommige gedeeltes bewaard zijn gebleven.