woensdag 8 augustus 2018

Gerrit Kamphuis -- 9 Augustus 1937

Gerrit Kamphuis (1906-1998) was een (religieus) dichter en letterkundige. Dagboekfragmenten van hem zijn gepubliceerd in het tijdschrift Liter.

Köln am Rhein 9 Augustus 1937. Maandagmiddag.
Zaterdagmiddag hier per auto aangekomen met Ella en Bert. 's Avonds aan de overkant van de Rijn gezeten, wijn gedronken en over de rivier gekeken naar de verlichting van Dom en oevergebouwen.

Zondagmorgen in de Dom. 12 uur per boot naar Godesberg. Drukkende hitte. Aldaar gegeten en aan de Rijnoever gezeten met gezicht op Köningswinter. Bij 't wachten op de boot brak een plasregen uit. Boot overvol. Aanhoudende zware regen, die verkletterde op de dekzeilen, wat een oorverdoovend lawaai maakte. Hier en daar lekkages, zoodat menschen vluchten moesten. Lucht vuilgrauw en geel, geweldige donderslagen en bliksem. Kinderen zaten met gevouwen handen of sloegen kruisen. Ella was een beetje bang. In hoekjes zaten paren umschlungen. Toen ik een trap afliep, hoorde Bert die achter mij aankwam mompelen: Jude. Dit is de eerste maal, dat men mij voor Jood uitmaakt.*

Vondeltentoonstelling gezien. Uitstekend gearrangeerd.


*Kamphuis bezat een geprononceerde neus.

Isaac Pool -- 8 augustus 1673

• Het dagboek van de Amsterdamse koopman Isaac Pool (1619-1684) bestrijkt de periode 1663-1678. Het is onlangs in druk verschenen, bezorgd door Laurence Duquesnoy en Jeroen Salman.
In het fragment hieronder beschrijft hij hoe hij (en velen met hem) ging kijken naar de Nederlandse vloot van De Ruijter, die voor de kust voor anker lag. Enige dagen later zou de Slag bij Kijkduin plaatsvinden. Ondertussen neemt hij het er goed van.

8 augustus 1673
1673 Dingsdaghs, synde den 8 augustus, ben ick met mijn huijsvrou inde schuijt van negenen naer Harelem gevaaren. En daar te half twaleven gekommen synde, gingen wij neef Kooningh spreecken die opt stadt huys was, alsoo scheepen is, maar ons night, zyn suster, liet hem haalen. Hy gekommen synde hielt ons met kragt daar ten eeten op een brave soo vis, soo dat wij niet voor de schuijt van tweeën voort kosten racken, daar neef Kooningh ons in broght.

Quamen ten 5 ueren by Noort wyk daar wy uyt traden en gingen door Noort wijk Binnen naer Noort wynk op Zee, dogh half weegen op dien hoogen duyn stande saegen wij ons vloodt onder ons buerman, den Admiraal de Ruijter, in zee seer klaar, dat men de scheepen kost [kon] tellen. Vonde veel volkx op de duijnen en aen strandt. Gingen voort, de scheepen sylden met ons naar Katwijk op Zee daar meede veel volkx was en naer alles wel gesien te hebben gingen wij duynwart in, langhs het malle gadt naer Katwyk op den Rijn, daar wij inde herbergh de Goude Leeu genamdt ons aavondt maal deeden ende dien naght sliepen.

Sanderdagh smurgens omtrent ten 8 ueren op gestaen zynde, gingen wy op ons gemack weederom naer Katwyk op Zee daar wij de scheepen nogh saagen, dogh wat dieper in zee daar zij haar anker hadden vallen laaten. Was zeer mooy weer waar door dat mennighten van pinken, ja al de vissers, soo veel volkx in nam als sy bergen komden en voeren daar mee naer de vloodt om een kykien. Woy [woei] wat styf soo dat vrij nadt wierden alsoo twater dapper oover de pincken heen stoof, dogh al uyt soetighijt en ick geloof dat sy malkander dapper bescheeten en bespoogen dogh al uyt soetighijt. Ende alsoo wy daar wat langh bleeven gingen wy inde Halvemaan inde groote sydelkaamer, daar men op strandt en in zee siet, wat eeten en drinken.

Daar wy een lange wyl alleen in bleeven, tot dat de mensen soo aen groeyden dat haar huys nogh te klyn wiert door de mennighten vande mensen, soo dat wy ons kompetensie hebbende weederom naer strandt gingen om in huys niet gedrongen te sitten en vonden daar oock soo veel mensen dat men oover de hoofden sou gegaan hebben. Oock nennighten van karossen, waagens en karren. Daar sagh men alderhanden gewoel en klughten, soo vrouwen alsmannen, jongh en out, met de bloote billen in zee loopen, domppelden en doopten malkander waker in zee.

Oock quammen der pinken met volk aen die in de vloodt geweest waaren. Syden dat het wel kermis op de scheepen scheen, soo vrolyk wast tvolk, en syde dat de vyants vloodt voor Petten lagh en hoopten haast aen den anderen te zyn, daar zij naer verlanghden.

Ende omtrent 5 ueren zynde rissolveerden wy te rugh naer ons harbergh te gaen. Waer digh by duyn ons Jan neef Hendriksx soon gemoeten, daar wy wat by bleeven staen praaten en voort ganden gingen wij nidden door duyn, waker doort sandt digh verby de hooge duyn, daar honderden van mensen op stonden. Onder anderen oock Willem de Gooier, die savons by ons inde herbergh quam, daar wy saamen een soo vis, soo tongen als schollen en anders aaten en dronken eens toe alsoo daar goede Rinse wyn was. Rookten een pijpien en rakten te kooij.

Des smorgens vrogh, omtrent 6 ueren, op gestaen synde namen de gesondt hyt op. Gingen naer Voor hout daar wy inde schuyt van 9 rakten. Quamen te een uer te Harelem daar wy int Vlies en glas wyn dronken en aaten 3 niewe haringen en quamen in de schuyt van drieien en ten half 6 ueren tAmsterdam. Gingen naer huys, dronken een glas wyn.

zondag 5 augustus 2018

To Hofstra -- 6 augustus 1945

To Hofstra (1924-2011) was een Fries meisje dat in de Tweede Wereldoorlog een uitgebreid dagboek bijhield. Het fragment hieronder gaat over de eerste lokale treinrit sinds de oorlog.

De eerste Trein
Op maandag 6 augustus 1945 om 11.58 uit Sneek reed, sinds de staking, weer de 1e trein van Stavoren naar Leeuwarden. De vlag wappert op het station. Het spoor- weg personeel is weer in actie.
In plaats van kaartjes worden briefjes, die van tevoren ingevuld moeten worden, aan het loket in Sneek afgegeven.
Om 6 minuten voor 12 rolt de trein het perron op.
De locomotief is versierd met een krans van groen en bloemen!
De voorste personenwagens zijn nog Duitse wagons. Veel passagiers zijn er niet, daar het nog niet in de krant heeft gestaan. Met een kalm gangetje gaat 't zonder stoppen naar Leeuwarden.
De boeren op 't land laten hun schep even rusten: iedereen blijft even staan, de melk- boer keert zich af van de klant. Middagdutjes op een bank in het plantsoen worden verstoord. Kinderen wuiven en juichen, jong en oud verdringt zich voor de ramen. Alles voor de eerste trein! Daarna gaat ieder met nog een glimlach op 't gezicht weer aan de dagelijkse taak. Ook 't vee in de weide blijft niet ongestoord. Kalveren, jonge koeien en veulentjes maken malle bokkensprongen en haast struikelend over eigen poten zien ze dat ze uit de weg komen voor 't lange puffende zwarte monster.
Eenden zwemmen haastig naar de kant van de sloot en zoeken bescherming tussen het riet. Alles voor de eerste trein! Het oudere vee blijft staan, maar toch… ze draait de kop om naar de trein alsof ze zeggen wil:"Zo, ben je daar weer? Ïn Leeuwarden aangekomen is de uitgang op 't perron met vlaggetjes versierd.
Het was een historisch ritje!

Nathaniel Hawthorne -- 5 augustus 1842

Nathaniel Hawthorne (1804-1864) was een Amerikaanse schrijver. Na hun huwelijk hielden hij en zijn vrouw Sophia Peabody een gezamenlijk dagboek bij. Hieronder zijn eerste bijdrage daaraan.

1842
August 5th. Friday
A rainy day—a rainy day—and I do verily believe there is no sunshine in this world, except what beams from my wife's eyes. At present, she has laid her strict command on me to take pen in hand; and, to ensure my obedience has banished me to the little ten-foot-square apartment, misnamed my study; but she must not be surprised, if the dismalness of the day, and the dulness of my solitude, should be the prominent characteristics of what I write. And what is there to write about at all? Happiness has no succession of events; because it is a part of eternity, and we have been living in eternity, ever since we came to this old Manse. Like Enoch, we seem to have been translated to the other state of being, without having passed through death. Our spirits must have flitted away, unconsciously, in the deep and quiet rapture of some long embrace; and we can only perceive that we have cast off our mortal part, by the more real and earnest life of our spirits. Externally, our Paradise has very much the aspect of a pleasant old domicile, on earth. The antique house (for it looks antique, though it was created by Providence expressly for our use, and at the precise time when we wanted it) stands behind a noble avenue of Balm of Gilead trees; and when we chance to observe a passing traveller, through the sunshine and the shadow of this long avenue, his figure appears too dim and remote to disturb our sense of blissful seclusion. Few, indeed are the mortals who venture within our sacred precincts. George Prescott—who has not yet grown earthly enough, I suppose, to be debarred from occasional visits to Paradise—comes daily to bring three pints of milk, from some ambrosial cow; —occasionally, also, he makes an offering of mortal flowers, at the shrine of a certain angelic personage. Mr. Emerson comes sometimes, and has been so far favored to be feasted (with a gnome, yclept Ellery Channing) on our nectar and ambrosia. Mr. Thorow has twice listened to the music of the spheres, which, for our private convenience, we have packed into a musical box. Elizabeth Hoar (who is much more at home among spirits than among fleshly bodies) came hither a few times, merely to welcome us to the ethereal world; but latterly she has vanished into some other region of infinite space. One rash mortal, on the second Sunday after our arrival, obtruded himself upon us in a gig. There have since been three or four callers, who preposterously think that the courtesies of the lower world are to be responded to by people whose home is in Paradise.

Janus Korczak -- 4 augustus 1942

Janusz Korczak (1878-1942) was een Poolse kinderarts, pedagoog en schrijver, en vader van een weeshuis voor joodse kinderen. Hij werd samen met zijn weeskinderen om het leven gebracht in Treblinka. Uit: Dagboek in het Ghetto van Warschau.

4 augustus (1942)

1
Ik heb de bloemen water gegeven, de arme planten van het weeshuis, de planten van een joods weeshuis. De verdorde aarde herademde.
Een wachtpost stond bij mijn werk toe te kijken. Zou hem mijn vreedzame bezigheid om zes uur 's morgen ergeren of ontroeren? Hij staat daar en kijkt. De benen gespreid.

2
Alle pogingen om Esterka terug te krijgen waren vergeefs. Ik was er niet zeker van of ik haar, indien het gelukt zou zijn, werkelijk een dienst zou bewijzen of haar zou schaden en kwaad zou doen. "Waar is zij in de val gelopen?", vraagt iemand. Misschien is niet zïj in de val gelopen, maar wij, omdat we blijven.

[...]

9
Onze Vader die in de hemelen zijt ...
Honger en onvrijheid hebben dit gebed gebeiteld.
Ons brood.
Brood.
Dat wat ik doormaak was echt. Was echt.
Ze verkochten huisraad en kledingstukken, voor een liter petroleum, een kilo grutten - een glaasje wodka.
Toen een kranige jonge Pool mij op het commissariaat van politie vriendelijk vroeg hoe ik door de blokkade was gekomen, vroeg ik hem of hij 'iets' kon doen voor Esterka. "Natuurlijk niet." Haastig zei ik: "Bedankt voor de goede woorden."
Deze dank is het bloedeloze kind van ellende en vernedering.

10
Ik geef de bloemen water. Mijn kale hoofd in het raam - zo'n mooi doelwit.
Hij heeft een karabijn. Waarom staat hij daar en kijkt zo rustig hierheen?
Hij heeft geen bevel.
Misschien was hij in het burgerleven onderwijzer in een dorp, misschien notaris, straatveger in Leipzig, kelner in Keulen? Wat zou hij doen als ik hem zou toeknikken?Vriendelijk met mijn hand zou groeten?
Misschien weet hij zelfs niet eens, dat het is zoals het is? Misschien is hij pas gisteren van ver gekomen ...

donderdag 2 augustus 2018

J. Everts -- 3 augustus 1911

• In 1915 publiceerde J. Everts (1882-1954) een fictief dagboek in De Gids.

[wat vooraf ging]

31 Juli
Als zoovelen heeft de dood ook Lientje vermooid. Voor mij althans.
Ze staat nu in mijn herinnering als een waarlijk dramatische figuur tegen dien donkeren, onbestemden achtergrond, die alles omringt.
Vóor alles zie ik in haar de draagster van een daad, een groote en moedige daad; en daardoor krijgt alles, wat ik mij van haar nog te binnen kan brengen, meer beteekenis.
O neen, ik behoor niet tot degenen, die alle zelfmoordenaars laf noemen! Hoeveel misbruik wordt er door de lafhartigen van deze oorspronkelijk wellicht nobele levensvereering gemaakt.... om hun eigen lafheid te verbergen! Iemand, die den verbijsterenden sprong in het toch altijd onbekende duister, in het bodemlooze onherroepelijke waagt, is niet laf en ook niet gemakzuchtig. In ieder geval heeft hij toch eerst zichzelf, of althans zijn krachtigst instinct n.l. dat tot zelfbehoud, moeten overwinnen. Zooiets doet men niet uit pose of gemakzucht. Dit zijn tè lichte elementen: die drijven aan de oppervlakte als olie-kringen op het water, en tasten den levenswortel niet aan.
Het kleinste gevoel, dat ik voor een levenskracht heb, die zoo weinig stuur over zichzelf heeft, dat hij zich vernietigt, is: meelij.
Maar dikwijls heb ik er eerbied voor.
En nooit verachting!
Want meestal is 't toch een overwinning op het leven, zij 't dan ook geen onderwerping ervan.
Ik heb recht van spreken. J'en sais quelque chose.

3 Augustus
Ik heb mijn kamer opgezegd. Morgen vertrek ik.
Ik kan dat wandelhoofd niet zien, of ik moet aan Lientje denken, hoe ze haar daar gevonden hebben: op en neer gewiegd door de golven, het haar los en verward, en de oogen gesloten. Ja, de oogen gesloten... Een moderne Ophelia.
Ik hèb Hamlet-kwaliteiten, in zooverre gaat de vergelijking op. Maar daarvoor ben ik niet hier gekomen, om voortdurend aan Lientje en haar noodlot te denken. En het eerste, wat ik zie, als ik 's morgens op mijn warande stap, is altijd weer dat miserabele ‘Wandelhoofd’. (Er komen dan toch ook combinaties voor in onze taal!....)
Vanmiddag plaagde mij nu weer de gedachte, of ik niet beter gedaan had, mij voor haar op te offeren en haar te trouwen.
Och, waarom ook niet? Er kan nog meer bij!

woensdag 1 augustus 2018

Leonard Nolens -- 2 augustus 1991

• Leonard Nolens (1947) is dichter. Zijn verzamelde dagboeken (1979-2007) zijn verschenen onder de titel Dagboek van een dichter (2009).

Berchem, maandag 2 augustus 1993
Elke nacht, elke, die ik in mijn leven alleen heb doorgebracht, alleen in een door iedereen verlaten huis, ben ik bang geweest, heb ik angst gehad. Vannacht schrijf ik dit rustig op, in het besef dat straks, wanneer ik naar bed ga, de paniek toe kan slaan. Ieder uur van al die nachten heb ik mij beschaamd gevoeld, vernederd, omdat geen enkele redelijke overweging de schrik kon onderdrukken. Alle lichten blijven branden, maar het donker neemt onzichtbaar bezit van de spiegels, de hoeken, de deurgaten, en de spoken komen onhoorbaar gillend en stommelend te voorschijn. Vroeger rende ik de straat op, verstopte mij in overvolle kroegen en bedronk mij om nadien bijna bewusteloos in slaap te kunnen vallen. Sinds ik niet meer drink en de alcohol ook niet meer mis, is alles ietwat rustiger geworden en kan ik dit schrijven, vannacht, in een muisstille straat, in een van leegte gonzend huis, terwijl de volle maan als achter melkglas van wolken naar mij hangt te kijken. Ook om dit opnieuw te beleven, om dit nachtelijk alleenzijn weer mee te maken, weer te testen, ben ik deze week niet met je meegegaan. Ooit toch moet ik in staat zijn om zonder te huiveren alleen de nacht in te gaan en mijn ogen te sluiten.

De dagelijkse stilte van het alleenzijn op Missenburg is niets, vergeleken bij het risico van de Daenenstraat. Deze kamer, deze ruimte is gewond, draagt ergens een geheime scheur waaruit het dreigende op ieder ogenblik te voorschijn kan springen. Door die dreiging, door die angst die ik mij ook op rustige en zelfs gelukkige momenten helder voor de geest kan roepen, heb ik het kind in mij zeer levendig gehouden en ervaar ik naar believen de verlorenheid die mijn keel dichtsnoerde als de ouders 's avonds even het huis verlieten. Die schrik voor de angst heeft mij de voorbije veertig jaar onvrij gemaakt, gevangen als ik ben in de nood aan de fysieke aanwezigheid van een mens, het maakt niet uit van wie. Dit schrijven geeft een vage stem aan de ruimte, een concrete tegenstem, al maak ik haar zelf, en schept de illusie van een gesprek, geeft inhoud aan het inzettende neuriën van het donker.

Vanavond voor het eerst op de maandagavonden van de beiaardconcerten door het centrum van Antwerpen gewandeld. Tienduizenden wandelaars in de straten. Op een bankje, alleen, op het Conscienceplein, zit David. Als hij mij ziet, kijkt hij niet verrast, als had hij mij verwacht. Wij praten vijf minuten. Het is goed, zo samen tussen al dat volk, een echte verwantschap te voelen. Wanneer om tien uur Nathalie opdaagt, met wie hij had afgesproken, neem ik afscheid.