zondag 26 april 2026

Eugène Delacroix • 27 april 1850

• Eugène Delacroix (1798-1863) was een Franse schilder. Dagboekfragmenten en brieven van zijn hand zijn verzameld in Ik heb het niet over middelmatige mensen (vertaling: Joop van Helmond).

Champrosay, vrijdag 26 april. [1850] – Om halftwaalf naar Champrosay vertrokken. Dolgelukkig om weer hier te zijn. Het verrukkelijkst is het gevoel van de volledige vrijheid die ik hier geniet. Hier kunnen vervelende mensen me niet komen opzoeken, zij het dat me dat wel is overkomen, zo moeilijk is het om hun te ontlopen. De tuin was prima op orde en alles is goed gegaan.

Zaterdag 27 april. [1850] – ’s Avonds slaap ik buitensporig veel, en soms zelfs overdag. Het nadeel van het platteland, voor een man die ertegen opziet om veel te lezen, is de verveling en een zekere droevigheid die de aanblik van de natuur oproept. Dat voel ik allemaal niet als ik aan het werk ben; maar dit keer heb ik besloten om absoluut niets te doen, om rust te nemen van het wat abstracte werk aan de compositie van mijn plafond. [Delacroix had de opdracht gekregen voor een plafondschildering in de Apollozaal van het Louvre.]

Dinsdag 30 april. [1850] – Om negen uur de deur uit gegaan. Het steegje van de Markies genomen en tot aan de Hermitage gelopen. Tegenover de Hermitage is een groot stuk bos weggekapt. Ieder jaar zie ik weer met hartzeer een deel van het bos tegen de grond gaan, en altijd weer het mooiste, dat wil zeggen het dichtste en oudste deel. Er liep daar een lieflijk, lommerrijk pad. Rechts afgeslagen tot aan de eik die de Prior heet. Daar zag ik langs het pad een stoet mieren, waarover ik van natuurkenners wel eens de nodige uitleg zou willen horen. De hele stam leek in het gareel voorbij te trekken alsof ze emigreerden; een klein aantal werkmieren liep in tegenovergestelde richting tegen de stroom in. Waar gingen die naartoe? We zitten allemaal, rijp en groen, dieren, mensen, planten, opgesloten in deze immense doos die we het universum noemen.We pretenderen te kunnen lezen wat er in de sterren staat, gissen over de toekomst en het verleden die buiten ons blikveld liggen, en we begrijpen geen jota van wat zich onder onze ogen afspeelt. Al deze levende wezens, voor altijd van elkaar gescheiden en voor elkaar ondoorgrondelijk. [...]

Doeschka Meijsing • 26 april 1975

Doeschka Meijsing (1947-2012) was een Nederlandse schrijfster. Deel 1 van haar dagboeken is onlangs verschenen in de Privé Domein-reeks, onder de titel En liefde in mindere mate.

Badhoevedorp, zaterdag 26 april 1975
Ik kan heel weinig. Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Welja! Maar ik kan niet schrijven, geen letter krijg ik op papier. Ik kan niet neuken zoals blijkbaar de hele wereld het gewoon vindt (ik zal wel bang zijn voor seks, dat ik het alleen maar wil doen onder de vlag van 'liefde', liefde, jawel!). En ik kan niet in een gezin wonen. Marleen is een alleraardigst kind, maar waar komt dan die ergernis vandaan, dat warme hoofd dat ik krijg, die opgekropte woede? Waarom ben ik zo lelijk vanbinnen, zo haatdragend, zo alleen? Ik heb Gerda lief, god ja, zoveel, zoveel, en ik maak alles kapot door mijn zuurheid. Bij het minste geringste ben ik gekwetst, ben ik woedend, sla ik dicht met een warm hoofd. Lieve heer, ik heb geen kinderen gewild en moet mijn leven met een kind doorbrengen dat puber worden zal met alle moeilijkheden van dien, een kind dat heel aardig is maar waar ik niet mee kan leven. Wat is er toch gebeurd, vroeger, dat ik blijkbaar geen liefde geven kan? Als ik vrolijk ben, ben ik een kind, als ik treurig ben een monster.
En ik ben natuurlijk alleen, in dit huis waar niets van mij is behalve mijn liefde, die ik niet kan hanteren. De kasten, de bedden, de ramen en de deuren zijn niet van mij, hebben niets met mij te maken. de vraag is of dat in Langbroek anders zal zijn.
Ik ben heel anders dan ik vroeger dacht, ik ben veel bozer. Toen ik alleen was, kwamen alle gebreken nauwelijks boven. Mijn eiland waar ik niet over schrijven kan, mijn naamloos Antiterra. Mijn dromen, mijn kamer op de Plantage waar ik nauwelijks over te denken durf. Mijn huilen, dat hier stiekem moet. Is trouwen langzaam sterven?
Ik dacht een roman over mijn jeugd te schrijven, over Robinson, maar hij werd slecht en Gerda zei dat het slecht was en als zij het niet gezegd had was het nog slecht geweest, maar hoewel ik dat weet, geef ik Gerda de schuld.
Ik ben zo alleen. Geen thuis meer in Haarlem. Geen eiland meer op de Plantage. Alleen een dorp. Badhoevedorp of Langbroek, dat me niets zegt, waar ik nooit van gedroomd heb zoals van Amsterdam.
Daarbij houd ik zoveel van Gerda. Stel dat zij niet meer van me gaat houden; omdat ze mijn fouten ziet of omdat ik onmogelijk ben om mee samen te leven. Ik weet dat zij niet zo zal denken, dat liefde meer moet zijn. Maar ben ik wel geschikt om mee te leven? Ik ben niet volgroeid. Ik ben het kind gebleven dat door zijn moeder gekwetst is toen het heel klein was en daarna in dat opzicht nooit meer gegroeid is. Robinson, stil zijn en tegen de dingen aankijken. Geen betrokkenheid dan die van observeerder. Maar ik kan er niet over schrijven. Bovendien bestaat er al een Anton Wachter.
Lieve God, waar is alles gebleven? Heel stil zijn en kijken, het is niet eens mogelijk als je in een gezin leeft en zeventien uur Nederlandse les geeft. Ik kan dat schrijven wel vergeten. Maar waarom moet ik zo huilen? Robinson. Ik ben een kind, ben een kind, ben een kind.

M.B. van der Jagt • 25 april 1909

M.B. van der Jagt (1873-1960) was gouverneur van Soerakarta. Onderstaand verslag van onenigheid tussen Chinezen en Arabieren komt uit zijn dagboek, opgenomen in zijn Memoires

Tegal, 25 April 1909. Er zouden nog meer Arabieren gewond uit de raid zijn teruggekeerd, maar ik sta voor een diep, solidair zwijgen in het Arabische kamp. Geen verraadt den ander. Ook de luitenant schijnt machteloos, hoewel hij van begin af aan gewillig heeft medegewerkt en zeer ontstemd is over de raid.
Er heerst een zwoele stilte in de twee kampen en ik verneem allerlei ongunstige plannen. Raadpleegde daarom de oude pangaran, de afgetreden Regent, of het raadzaam is de volksfeesten te laten doorgaan, die op til zijn vanwege de a.s. geboorte van een Oranjetelg. De oude heer ziet er geen gevaar in. Ga accoord.
Verbood het lopen met stokken en paraplu's aan de Arabieren, zoals hun gewoonte is, om niet te spreken van wapenen. Twee heren uit de handel zijn driemaal bij me geweest om de preventief zittende Arabieren voorlopig los te laten. Ze beweren, dat de opgeslotene Salman, de zoon van de oud-Luitenant der Arabieren, hoewel ook een vechtersbaas, ditmaal onmogelijk kan hebben medegedaan, daar hij tijdens de raid nog bij hen is geweest. Ik weifel. De oud-Luitenant verscheen zelf bij mij. Hij is nog een statige verschijning, ofschoon reeds 92 jaar oud, maar zich uitgevend voor 65.
Ontving eergisteren een telegram, antwoord betaald, van de redactie van het Chinees-Maleise blad Warna Warta, uit Semarang: „Opstootje, 14 Chinezen vermoord, velen gewond, verzoeke beleefd inlichting". Nogal een vrijmoedig verzoek, dat mijn kantoor maar moet beantwoorden. Het is de tweede keer, dat het blad zich bemoeit met onze zaken. De eerste keer — was toen toevallig ook waarnemend Ass-. Resident — gold het een aanklacht tegen onze civiele geneesheer.
Chinese gemeente liet mij polsen of Regering niet permanent hier militairen zou willen plaatsen. Ze willen daarvoor een request indienen. Ze voelen zich blijkbaar niet op hun gemak. Ook te Cheribon en Soerabaia zijn onlangs gevechten tussen Arabieren en Chinezen voorgekomen. Er zijn hier onder de Arabieren nog vers aangekomenen uit Hadramaut, mensen met woestijninstincten, die nog niet thuis behoren in een Westers geordende maatschappij.

vrijdag 24 april 2026

M.B. van der Jagt • 24 april 1909

M.B. van der Jagt (1873-1960) was gouverneur van Soerakarta. Onderstaand verslag van onenigheid tussen Chinezen en Arabieren komt uit zijn dagboek, opgenomen in zijn Memoires

Tegal, 24 April 1909. 
De politie-soldaten arriveerden gisteren per eerste tram van Pekalongan. Menadonezen, Christenen, jonge, stevige kerels, in militair uniform, gewapend met klewang en karabijn, een martiaal troepje, dat dadelijk aan het patrouilleren is gezet en met gejuich en versnaperingen werd ontvangen in het Chinese kamp. Gaf instructie alleen op mijn persoonlijk bevel van de karabijn gebruik te maken, tenzij aangevallen. Politieposten staan aan de kruiswegen en verdere nasporingen zijn aan de gang. Gisterenochtend keerde ook de Luitenant der Chinezen, Tjoe Hong Tjiouw, van Semarang terug, die mijn vertrouwen heeft en ook dadelijk medewerkte de Chinese gemeente tot kalmte te brengen en de toko's weer te doen openen en ze aanmaande, geen wraakoefening te beramen, aangezien de schuldigen wel zouden worden gevonden en gestraft. Beide nachten vergingen rustig doch overdreven verhalen doen de ronde van aanstaande, wederzijdse samenzweringen en bewapening. De wijkmeester van Wijk I bestelde een nieuwe revolver, die nu in zijn bezit is, een ongewenst voorbeeld. Mijn voorstel tot zijn ontslag gaat nog vandaag in zee, want van Lie Kau Eh vernam ik vertrouwelijk, dat dezelfde wijkmeester de promotor is geweest van de quasi begrafenisstoet, die werd ingelast in de feestoptocht, gehouden tijdens het Tjap Gomehfeest, begin Februari en een demonstratie betekende tegen Tjoe Hong Tjiouw, de genoemde geschikte Luitenant.

woensdag 22 april 2026

Samuel Pepys • 23 april 1661

• De Engelsman Samuel Pepys (1633-1703) hield negen jaar (in geheimschrift) een dagboek bij, waarin hij op ongedwongen toon noteerde wat hij zoal meemaakte, van zijn moeilijkheden met de stoelgang en zijn amoureuze escapades tot allerlei zaken van landsbelang. Een selectie is in vertaling (van Heleen ten Holt) verschenen als Geheim dagboek van een puritein.

23 april 1661
Dag van de kroning [van Karel II]. Ben al om vier uur opgestaan en naar de Abbey gegaan. [...] Daar heb ik van vier tot elf uur geduldig zitten wachten tot de Koning zou komen. [...] Eindelijk kwam de Koning binnen, zijn scepter, zwaard en rijksappel werden voor hem uit gedragen en de kroon ook (my Lord droeg de scepter). […] Van de kroning zelf heb ik van de plaats waar ik zat helaas niets kunnen zien. Toen de kroon op zijn hoofd was gezet, ging er een luid gejuich op. […] Ik ben toen naar Westminster Hall gegaan, waar alles prachtig versierd was met mooie tapijten aan de wanden; en overal tribunes vol met elegante dames. Mijn vrouw zat er ook. [...] Ik ben toen met mijn vrouw naar de Bowyers gegaan, waar we nog tot laat op het dak hebben gezeten in de hoop iets van het vuurwerk te zien, maar er kwam niets. [...] Ik zelf ben met mijnheer Hunt nog bij mijnheer Thornbury van de wijnkelders van de Koning te gast geweest. Daar hebben we eindeloos op de gezondheid van de Koning zitten drinken, totdat een van de heren van ons gezelschap stomdronken onder de tafel rolde. Ik heb zonder ongelukken het huis van my Lord bereikt maar toen ik bij mijnheer Shepley in bed was gekropen begon mijn hoofd te gonzen en moest ik overgeven; als ik ooit dronken ben geweest, dan was het nu wel. [...] En zo eindigde deze dag voor iedereen in vreugde.

En nog een staartje uit het origineel:
Thus did the day end with joy every where; and blessed be God, I have not heard of any mischance to any body through it all, but only to Serjt. Glynne, whose horse fell upon him yesterday, and is like to kill him, which people do please themselves to see how just God is to punish the rogue at such a time as this; he being now one of the King’s Serjeants, and rode in the cavalcade with Maynard, to whom people wish the same fortune.

dinsdag 21 april 2026

Hans Warren • 22 april 1999

Hans Warren (1921-2001) was een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken zijn in vele delen gepubliceerd als 'Geheim dagboek'.

22 april — 22.45 — Sinds ik hier woon, al tweeënveertig jaar dus, haal ik iedere dag melk op de boerderij. Elke avond zette ik de bus, de volgende ochtend werd die gevuld en in de 'keête' gezet. Maar om allerlei redenen gaat Marinus zijn melkkoeien van de hand doen. Toch het einde van een tijdperk.
Gistermiddag maakten we een vogeltocht. M. was toch nog niet helemaal rijp voor het stukje dat hij voor Lampas, een tijdschrift voor classici, over het vertalen van Plato moet maken. Bij de Grevelingendam zagen we de eerste visdiefjes van het jaar en in de Kwade Hoek hoorden we, heel even en ver weg, een nachtegaal. Er waren daar veel fitissen die uitbundig zongen, roodborstjes, zwartkopjes en prachtig jodelende wulpen. We reden ook naar het Quackjeswater, er was een koppel waakzame grauwe ganzen met zes jongen. M. vond dat ik wat beter liep.
Vanmorgen hoorde ik hier de eerste bostortel, kort voor we besloten naar John Tenney te gaan om het Mendé-beeld te halen. In m'n opwinding sloeg ik met een gordijnkoord het Ganeesja-bronsje weer van m'n bureau. M. hoorde iets vallen en reageerde woest, hoewel er niets aan het beeldje is beschadigd. Ik was een vandaal volgens hem. Ik mocht van hem geen kostbaarheden meer op m'n bureau laten staan. We zijn heel ingenomen met de nieuwe aanwinst.

maandag 20 april 2026

Peter Matthiessen • 21 april 1960

Peter Matthiessen (1927-2014) was een Amerikaanse schrijver. Hij maakte een lange reis door Zuid-Amerika, waarvan hij verslag deed in The Cloud Forest (1961).

April 21. Timpia.
The padres are not ready to leave, and so we shall pass another day at Timpia. This will be the first place we have slept in more than one night since leaving Cuzco, and we have chosen the right place: Padre Daniel, with Brothers Ayesta and Ruiz, have been extremely hospitable and agreeable, and Ruiz has given us the first respectable meals we have eaten in twelve days. He has even contrived to make yuca presentable by slicing it very thin and frying the bejesus out of it.

Timpia is a village of about forty Machiguengas, high on a bluff overlooking the encuentro of the Timpia and Urubamba. The Indian huts, built up off the ground on poles, are actually derived from the style of the Piro Indians farther north: the excellent idea of the design is to keep the pigs, chickens, and four cows which roam the central yard from making themselves too much at home. The Indians grow yuca and bananas, and hunt and fish; they are civilized here, and the cushma has been largely replaced by calico and homespun. Our bogas with their cushmas and face marks, long hair, and striking weapons, stand out from the rest like wild flowers in a bed of vegetables.

The three lingered at Timpia for a day, restless and wary. They left this morning, guided upstream as far as the Pongo by Indians from the village. Andrés was happy to see them go. He has been sleeping a good deal and looks much better. Since we left Pangoa, he has told me two very interesting things: first of all, it appears that Ardiles and Julio took a liking to the small machete Andrés carries, and, having used it in the construction of the first balsa, suggested that they would like to keep it. When Andrés made a point of taking this as a joke, Ardiles inquired, not quite pleasantly, what Andrés would do if they kept it against his will. Andrés told them that he still knew how to shoot. Clearly, this statement displeased them, and he hastily explained that, in the jungle, a knife of any sort is a very personal thing, and that either to sell one or to give it away brings very bad luck to both parties. Both Ardiles and Julio were Indian enough to take this superstition seriously, and no more was said about it, but the incident did nothing to increase Andrés's peace of mind. [...]

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT

De paters zijn nog niet klaar om te vertrekken, en daarom zullen we nog een dag in Timpia blijven. Dit is de eerste plek waar we meer dan één nacht hebben geslapen sinds we Cuzco hebben verlaten, en we hebben de juiste plek gekozen: pater Daniel, samen met broeder Ayesta en broeder Ruiz, zijn buitengewoon gastvrij en aangenaam geweest, en Ruiz heeft ons de eerste fatsoenlijke maaltijden gegeven die we in twaalf dagen hebben gegeten. Hij heeft er zelfs iets op gevonden om yuca eetbaar te maken door het heel dun te snijden en het keihard te bakken.

Timpia is een dorp van ongeveer veertig Machiguenga’s, hoog gelegen op een klif met uitzicht op de samenvloeiing van de Timpia en de Urubamba. De indiaanse hutten, die op palen boven de grond zijn gebouwd, zijn eigenlijk afgeleid van de stijl van de Piro-indianen verder naar het noorden: het uitstekende idee van dit ontwerp is dat het de varkens, kippen en vier koeien die op de binnenplaats rondlopen, verhindert zich al te veel thuis te voelen. De indianen verbouwen yuca en bananen, en jagen en vissen; hier zijn ze “beschaafd”, en de cushma is grotendeels vervangen door sits en zelfgesponnen stoffen. Onze bogas, met hun cushma’s en gezichtsmarkeringen, lang haar en opvallende wapens, steken af tegen de rest als wilde bloemen in een groentebed.

De drie bleven nog een dag in Timpia, rusteloos en op hun hoede. Vanmorgen zijn ze vertrokken, stroomopwaarts geleid tot aan de Pongo door indianen uit het dorp. Andrés was blij hen te zien gaan. Hij heeft veel geslapen en ziet er een stuk beter uit. Sinds we Pangoa hebben verlaten, heeft hij me twee zeer interessante dingen verteld: ten eerste blijkt dat Ardiles en Julio een oogje hadden gekregen op de kleine machete die Andrés bij zich draagt, en nadat ze die hadden gebruikt bij de bouw van de eerste balsa, suggereerden dat ze die graag wilden houden. Toen Andrés deed alsof hij dat als een grap opvatte, vroeg Ardiles, niet al te vriendelijk, wat Andrés zou doen als ze hem tegen zijn wil zouden houden. Andrés antwoordde dat hij nog steeds wist hoe hij moest schieten. Dat beviel hun duidelijk niet, en hij legde haastig uit dat in de jungle een mes van welke soort dan ook iets heel persoonlijks is, en dat het verkopen of weggeven ervan voor beide partijen veel ongeluk brengt. Zowel Ardiles als Julio waren indiaans genoeg om dit bijgeloof serieus te nemen, en er werd verder niet meer over gesproken, maar het voorval droeg niet bij aan Andrés’ gemoedsrust.