• Jeroen Krabbé (1944) is een Nederlandse acteur en schilder. In 1984 hield hij vanwege zijn rol in een tv-serie over Willem de Zwijger een week lang een 'Hollands Dagboek' bij voor NRC Handelsblad.
Zondag
Met m'n schouder gaat 't iets beter. Ik besluit om al vroeg het bos in te gaan, met mijn script onder m'n arm, om wat tekst te leren. Terwijl ik met 'Otto Frank' bezig ben, en nogal luid loop te praten, schieten er meerdere hazen en konijnen angstig weg. Zelfs een ree, waarmee ik plotseling oog in oog sta, is niet van me gediend. Het gaat helaas regenen. Jammer. Tekst leren in het bos is één van de prettigste bezigheden die ik ken. Stofzuigers. Soppen, alles met nat afnemen en jammer genoeg terug naar A'dam. Op verjaarsvisite bij mijn schoonmoeder die vandaag 65 wordt. Gezellige familiebijeenkomst. Mijn zwager Ko en zijn vrouw Wilma wekken mijn intense jaloezie op door hun 14-dagen Marokko-kleur. Ik eet dat gevoel met een teveel aan borrelnootjes weg. Met Martijn, Jasper en Jakob naar huis. Herma besluit nog wat te blijven. 'Even niet in 't gesijk van de kinderen zitten.' Thuis Jakob eten geven, in bad doen, in bed doen, katte-bak verschonen, alle machines in- en uitruimen. Bovenbuurvrouw Hanneke G. komt naar beneden rennen om te zeggen dat ze de banden van Willem gedraaid heeft en er geheel kapot van is. Zij en haar zoon Gijs vinden ze schitterend, konden niet meer stoppen met draaien. Ze wilde het tel. nummer van Waker om hem, terecht, te komplimenteren. Zoals elke avond de laatste tijd, lees ik nog een paar pagina's in Anne's Dagboek en stuit tot mijn verbazing op een brief van 20 Mei 1944 waarin ze 't over Karel V en Willem van Oranje heeft... Toeval?
319-2015>
woensdag 7 januari 2026
dinsdag 6 januari 2026
Jeroen Krabbé • 7 januari 1984
• Jeroen Krabbé (1944) is een Nederlandse acteur en schilder. In 1984 hield hij vanwege zijn rol in een tv-serie over Willem de Zwijger een week lang een 'Hollands Dagboek' bij voor NRC Handelsblad.
Zaterdag
De pijn in m'n schouder maakt me wakker Kan me nauwelijks bewegen. Besloten wordt naar de groepspraktijk in D. te gaan De dienstdoende arts noemt mijn leven 'heavy' (wat ik volledig onderschrijf), kneedt een weinig aan rug en schouder en stuurt me met een recept naar de apotheek – zalf, pijnstillers en rustigmakers. Dat heb ik! Mijn weekend! Daarbij regent het aan een stuk en het ziet er niet naar uit dat daar verandering in komt. Kranten gekocht en – op mijn aanraden – vier walnotencarrés. Volkskrant niet écht onaardig over Willem, maar laf-afwachtend. Ik spreek ze nog wel na de delen 4, 5 en 6, die ik zelf als de meest geslaagde ervaar. Ach, misschien spreek ik ze wel helemaal niet, want er zijn maar weinig recensenten die onder Het Grote Cynisme uit durven.
De zon breekt 's middags door, de pijnstillers helpen, en na enig gekrakeel besluiten we met z'n vijven te gaan wandelen. Aangezien deze kombi nogal uniek is, is Herma steeds met de Agfa-klak in de weer. 'Leuk voor later...' Tegen borreltijd naar Hilda en Louis om naar één van mijn Callantsoog-schilderijen te kijken dat Louis schitterend had laten inlijsten. Het vervulde me met enige trots, het leek wel of een ander het had geschilderd. Veel champagne (oi, valt er iets te vieren?) helpt mij over de laatste pijn heen. Eenmaal weer thuis snel in m'n hanepak, een zak mini-snickers en pelpinda's op tafel en tv kijken. Herenstraat 10. Geef mij Dillenburg 5 maar...
226-2014>
Zaterdag
De pijn in m'n schouder maakt me wakker Kan me nauwelijks bewegen. Besloten wordt naar de groepspraktijk in D. te gaan De dienstdoende arts noemt mijn leven 'heavy' (wat ik volledig onderschrijf), kneedt een weinig aan rug en schouder en stuurt me met een recept naar de apotheek – zalf, pijnstillers en rustigmakers. Dat heb ik! Mijn weekend! Daarbij regent het aan een stuk en het ziet er niet naar uit dat daar verandering in komt. Kranten gekocht en – op mijn aanraden – vier walnotencarrés. Volkskrant niet écht onaardig over Willem, maar laf-afwachtend. Ik spreek ze nog wel na de delen 4, 5 en 6, die ik zelf als de meest geslaagde ervaar. Ach, misschien spreek ik ze wel helemaal niet, want er zijn maar weinig recensenten die onder Het Grote Cynisme uit durven.
De zon breekt 's middags door, de pijnstillers helpen, en na enig gekrakeel besluiten we met z'n vijven te gaan wandelen. Aangezien deze kombi nogal uniek is, is Herma steeds met de Agfa-klak in de weer. 'Leuk voor later...' Tegen borreltijd naar Hilda en Louis om naar één van mijn Callantsoog-schilderijen te kijken dat Louis schitterend had laten inlijsten. Het vervulde me met enige trots, het leek wel of een ander het had geschilderd. Veel champagne (oi, valt er iets te vieren?) helpt mij over de laatste pijn heen. Eenmaal weer thuis snel in m'n hanepak, een zak mini-snickers en pelpinda's op tafel en tv kijken. Herenstraat 10. Geef mij Dillenburg 5 maar...
226-2014>
maandag 5 januari 2026
Vladimir Pogačić • 6 januari 1983
• Uit: Vladimir Pogačić (1919-1999): Dagboekaantekeningen over Filip Latinovicz — waarin filmregisseur Pogačić de gesprekken beschrijft die hij had met de Kroatische schrijver Miroslaw Krleža, over de verfilming van diens boek Filip Latinovicz. De vertaling is van Guido Snel.
6 januari 1983
Onze gesprekken, voorzover ze betrekking hadden op een mogelijk scenario voor een verfilming van Filip Latinovicz, gingen, nadat hij welwillend aan mij het initiatief had gelaten, vooral over de compositie. Mijn eerste idee was dat ik bij het einde zou beginnen: Joža Podravec, koetsier, rijdt op een met hooi beladen boerenkar de doodskist met Bobočka naar de stad. Naast hem zit Filip en denkt na. In kortere en langere flash-backs komen we alles te weten wat in zijn leven tot op dat moment van belang is geweest. Voor die scène, waarmee de film opende en die de hele ‘titels’ door duurde, had ik ook al de muziek: Mozarts Lacrimosa. Hem leek dat in het begin een goed idee, later veranderde hij van mening, van de ene op de andere dag, zoals hij wel vaker van mening veranderde. Hij vond dat je moest beginnen zoals in de roman (en de roman was getiteld De terugkeer van Filip Latinovicz), dus met Filips terugkeer, terwijl hij mijn scène wel geschikt vond, maar dan voor het einde.
Toen ik deze variant schetste lukte het me niet de flash-backs in te passen die, daar waren we het over eens, onmisbaar waren. Ik had vijf personages van wie elk zijn eigen voorgeschiedenis had, en er was niet één personage dat geen ontwikkeling had doorgemaakt. Om hun tragedie aannemelijk te maken, moest je hun verleden kennen. Hoe kon ik dat inpassen?
‘Je moet loskomen van de roman!’ herhaalde hij telkens als we op een dood spoor zaten. Maar zodra hij merkte dat ik iets had veranderd (of weggelaten), protesteerde hij: ‘Je gaat me toch niet verbeteren waar ik zelf bij ben, mag ik hopen!’ Waarna plotseling datgene wat was weggelaten van het grootste belang bleek.
Toen dergelijke situaties zich bleven herhalen, verzocht ik hem, zelf het scenario te schrijven waarna ik het dan filmisch zou bewerken. Ik wist vanaf het allereerste begin dat ik wel een nieuwe literaire tekst, maar geen filmscenario kon verwachten. Film was een tak van kunst waaraan hij het grootste deel van zijn leven geen enkele aandacht had besteed. Als zijn oordelen over één onderwerp, één kunstgebied volkomen incompetent waren, dan was dat wel op het gebied van de film.
(...) Ik stelde hem toen een andere oplossing voor: dat hij mij Filip zonder zijn hulp en medewerking (aan het scenario natuurlijk) zou laten realiseren, en dan uiteraard uitsluitend voor mijn rekening. Hij wilde daar niets van weten, en zijn argumenten waren die van een beschermheer, ze getuigden, zo leek mij, van een vaderlijke bezorgdheid: hij zei dat hij dat juist wilde voorkomen. Hij kon niet toestaan ‘dat ze me aan stukken zouden scheuren’.
En vervolgens ging het gesprek in de regel van Filip naar een thema dat hem in die tijd steeds meer was gaan obsederen: schrijven - waarom, om, voor wie? Je stem verheffen spreken, waarschuwen, discussiëren? Met wie, als niemand naar je luistert, niemand je leest, niemand je begrijpt of men doet alsof men niet begrijpt waar je het over hebt en waarom je dit eigenlijk allemaal vertelt... In een dergelijke stemming vertelde hij me eens glimlachend, maar ook geresigneerd, dat hij ‘een oud geworden hond was die aan het eind van het dorp ligt, die kijkt en die ziet wat er gebeurt, maar niet zal blaffen, hij ziet geen enkele reden om te blaffen...’
6 januari 1983
Onze gesprekken, voorzover ze betrekking hadden op een mogelijk scenario voor een verfilming van Filip Latinovicz, gingen, nadat hij welwillend aan mij het initiatief had gelaten, vooral over de compositie. Mijn eerste idee was dat ik bij het einde zou beginnen: Joža Podravec, koetsier, rijdt op een met hooi beladen boerenkar de doodskist met Bobočka naar de stad. Naast hem zit Filip en denkt na. In kortere en langere flash-backs komen we alles te weten wat in zijn leven tot op dat moment van belang is geweest. Voor die scène, waarmee de film opende en die de hele ‘titels’ door duurde, had ik ook al de muziek: Mozarts Lacrimosa. Hem leek dat in het begin een goed idee, later veranderde hij van mening, van de ene op de andere dag, zoals hij wel vaker van mening veranderde. Hij vond dat je moest beginnen zoals in de roman (en de roman was getiteld De terugkeer van Filip Latinovicz), dus met Filips terugkeer, terwijl hij mijn scène wel geschikt vond, maar dan voor het einde.
Toen ik deze variant schetste lukte het me niet de flash-backs in te passen die, daar waren we het over eens, onmisbaar waren. Ik had vijf personages van wie elk zijn eigen voorgeschiedenis had, en er was niet één personage dat geen ontwikkeling had doorgemaakt. Om hun tragedie aannemelijk te maken, moest je hun verleden kennen. Hoe kon ik dat inpassen?
‘Je moet loskomen van de roman!’ herhaalde hij telkens als we op een dood spoor zaten. Maar zodra hij merkte dat ik iets had veranderd (of weggelaten), protesteerde hij: ‘Je gaat me toch niet verbeteren waar ik zelf bij ben, mag ik hopen!’ Waarna plotseling datgene wat was weggelaten van het grootste belang bleek.
Toen dergelijke situaties zich bleven herhalen, verzocht ik hem, zelf het scenario te schrijven waarna ik het dan filmisch zou bewerken. Ik wist vanaf het allereerste begin dat ik wel een nieuwe literaire tekst, maar geen filmscenario kon verwachten. Film was een tak van kunst waaraan hij het grootste deel van zijn leven geen enkele aandacht had besteed. Als zijn oordelen over één onderwerp, één kunstgebied volkomen incompetent waren, dan was dat wel op het gebied van de film.
(...) Ik stelde hem toen een andere oplossing voor: dat hij mij Filip zonder zijn hulp en medewerking (aan het scenario natuurlijk) zou laten realiseren, en dan uiteraard uitsluitend voor mijn rekening. Hij wilde daar niets van weten, en zijn argumenten waren die van een beschermheer, ze getuigden, zo leek mij, van een vaderlijke bezorgdheid: hij zei dat hij dat juist wilde voorkomen. Hij kon niet toestaan ‘dat ze me aan stukken zouden scheuren’.
En vervolgens ging het gesprek in de regel van Filip naar een thema dat hem in die tijd steeds meer was gaan obsederen: schrijven - waarom, om, voor wie? Je stem verheffen spreken, waarschuwen, discussiëren? Met wie, als niemand naar je luistert, niemand je leest, niemand je begrijpt of men doet alsof men niet begrijpt waar je het over hebt en waarom je dit eigenlijk allemaal vertelt... In een dergelijke stemming vertelde hij me eens glimlachend, maar ook geresigneerd, dat hij ‘een oud geworden hond was die aan het eind van het dorp ligt, die kijkt en die ziet wat er gebeurt, maar niet zal blaffen, hij ziet geen enkele reden om te blaffen...’
zondag 4 januari 2026
Constantijn Huygens jr. • 5 januari 1691
• Constantijn Huygens jr. (1628-1697) was een Nederlandse staatsman. Hij was daarnaast bekend om zijn werk aan wetenschappelijke instrumenten en als kroniekschrijver van zijn tijd.
5 Vrijd. Gingh smergens met een hackney naer Kinsinghton.
De Hr Hop seyde mij, hebbende gesproken met de Coningh, dat deselve de volgende vrijdagh meende te vertrecken.
Att smiddaghs met de Grooms, daer de Gn̅ael Major oock was, en̅ Capn van 't jacht.
De Con. ontbood mij naermiddagh, en praete van verscheydene dinghen, van 't weder en̅ de windt en̅ de reys. Ick seyde, dat 4 mael was over en weder gevaren, en telkens maer 24 ueren onder weegh geweest.
Hij vraegde al weder, of nichje van St Annelandt noch niet en trouwde; daerop ick seyde, dat sij geweldigh koel was tegen al de vrijers; dat het scheen dat Sommerdijck wel eenigh dessein op haer hadde, maer dat twijffelde of dat all lucken soude. De Con. seyde, dat Sommerdijck een goedt slagh van een man was. Sprack oock van de jonghe 's Gravemoertjes, en seyde, dat de dochters van moeders, die wat van 't ambacht zijn [uit de (hogere?) middenklasse, niet van adel], dickwils het naeuwste opgepast en̅ beter als andere zijn.
Was daernaer tot joff. Golsteyn, die niet thuys was, maer tot joff. Vijgh, daer ick gingh en̅ sat er tot half achten.
Sprack in̅ Bedchamber savonts met de Marquis de Seissac, paspoorten versoeckende naer Vranckrijck; sprack seer beleeft en presenteerde seer sijn dienst.
Seyde, dat sekerlijck binnen een jaer of anderhalf de vrede weder soude gemaeckt zijn.
6 Saterd.
Smergens was Meester bij mij; seyde, dat hij bij Whitehead, de instrumentmaecker, een zeylsteen [magneet] gesien had, omtrent een duym breedt en 2 duym langh, optreckende een ancker van 3 a 4 pond.
Naermiddagh reed naer̅ Beurs, die om de kersmis gesloten was, daernae naer Hop, daer niemant thuys vond; meende hem te spreken, van met hem in 't schip van Cuyper te gaen. Daernae gingh tot de Hr van̅ Lier, en bleef daer tot acht ueren.
5 Vrijd. Gingh smergens met een hackney naer Kinsinghton.
De Hr Hop seyde mij, hebbende gesproken met de Coningh, dat deselve de volgende vrijdagh meende te vertrecken.
Att smiddaghs met de Grooms, daer de Gn̅ael Major oock was, en̅ Capn van 't jacht.
De Con. ontbood mij naermiddagh, en praete van verscheydene dinghen, van 't weder en̅ de windt en̅ de reys. Ick seyde, dat 4 mael was over en weder gevaren, en telkens maer 24 ueren onder weegh geweest.
Hij vraegde al weder, of nichje van St Annelandt noch niet en trouwde; daerop ick seyde, dat sij geweldigh koel was tegen al de vrijers; dat het scheen dat Sommerdijck wel eenigh dessein op haer hadde, maer dat twijffelde of dat all lucken soude. De Con. seyde, dat Sommerdijck een goedt slagh van een man was. Sprack oock van de jonghe 's Gravemoertjes, en seyde, dat de dochters van moeders, die wat van 't ambacht zijn [uit de (hogere?) middenklasse, niet van adel], dickwils het naeuwste opgepast en̅ beter als andere zijn.
Was daernaer tot joff. Golsteyn, die niet thuys was, maer tot joff. Vijgh, daer ick gingh en̅ sat er tot half achten.
Sprack in̅ Bedchamber savonts met de Marquis de Seissac, paspoorten versoeckende naer Vranckrijck; sprack seer beleeft en presenteerde seer sijn dienst.
Seyde, dat sekerlijck binnen een jaer of anderhalf de vrede weder soude gemaeckt zijn.
6 Saterd.
Smergens was Meester bij mij; seyde, dat hij bij Whitehead, de instrumentmaecker, een zeylsteen [magneet] gesien had, omtrent een duym breedt en 2 duym langh, optreckende een ancker van 3 a 4 pond.
Naermiddagh reed naer̅ Beurs, die om de kersmis gesloten was, daernae naer Hop, daer niemant thuys vond; meende hem te spreken, van met hem in 't schip van Cuyper te gaen. Daernae gingh tot de Hr van̅ Lier, en bleef daer tot acht ueren.
Benedictus van Doninck • 4 januari 1916
• Benedictus van Doninck (1858-1940) was een Belgische priester en abt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.
Dinsdag 4 januari 1916 (dag 520)
In ons bosje is het werkvolk begonnen de struiken uit te roeien der door de Belgische genie afgezaagde bomen in de kruisdreven.
Placidus gaat een bezoek brengen aan madame Cammaert, die al enige dagen ongesteld is. Deze vertelt hem dat Karl uit Engeland weg is en te Hulst verblijft bij Wittock. Item dat de gemeente ons schadeloos zal stellen voor licht en vuur, door de Duitsers bij ons verbruikt. Item dat de burgemeester naar Antwerpen is gaan zien of het hoofdkomiteit niet beter voor Bornem gaat zorgen. De nijverheidsgemeenten krijgen groter rantsoen dan de boerengemeenten, en Bornem wordt onder deze laatsten gerekend dat zich zelve kan helpen. 5.000 mensen die steun nodig hebben!
In het gasthuis was de "Schuit” wegens een operatie aan z’n oog, die waarschijnlijk zal verloren zijn.
De Duitse soldaat, die bij Pol Schuim met nieuwjaar zo erg werd toegetakeld, dat hij te Puurs aan z’n wonden is bezweken, was een Elzasser. Hij had de Vlaamse Leeuw en de Brabançonne gezongen en was daarom door n’en echte Pruis (uit de abdij kazerne) straffeloos "gemanregeld!"
Te Temse heeft een Duitser die op wacht stond zijn geweer en overjas in z’n wachtkotje gezet en is de Schelde ingesprongen en verzopen. Die "gemüner” schijnen het beu te worden. Ook te Antwerpen, uitgenomen parade-mannen die zich vrij kopen van ’t front.
Geen kanon gehoord. 260-2017>
Dinsdag 4 januari 1916 (dag 520)
In ons bosje is het werkvolk begonnen de struiken uit te roeien der door de Belgische genie afgezaagde bomen in de kruisdreven.
Placidus gaat een bezoek brengen aan madame Cammaert, die al enige dagen ongesteld is. Deze vertelt hem dat Karl uit Engeland weg is en te Hulst verblijft bij Wittock. Item dat de gemeente ons schadeloos zal stellen voor licht en vuur, door de Duitsers bij ons verbruikt. Item dat de burgemeester naar Antwerpen is gaan zien of het hoofdkomiteit niet beter voor Bornem gaat zorgen. De nijverheidsgemeenten krijgen groter rantsoen dan de boerengemeenten, en Bornem wordt onder deze laatsten gerekend dat zich zelve kan helpen. 5.000 mensen die steun nodig hebben!
In het gasthuis was de "Schuit” wegens een operatie aan z’n oog, die waarschijnlijk zal verloren zijn.
De Duitse soldaat, die bij Pol Schuim met nieuwjaar zo erg werd toegetakeld, dat hij te Puurs aan z’n wonden is bezweken, was een Elzasser. Hij had de Vlaamse Leeuw en de Brabançonne gezongen en was daarom door n’en echte Pruis (uit de abdij kazerne) straffeloos "gemanregeld!"
Te Temse heeft een Duitser die op wacht stond zijn geweer en overjas in z’n wachtkotje gezet en is de Schelde ingesprongen en verzopen. Die "gemüner” schijnen het beu te worden. Ook te Antwerpen, uitgenomen parade-mannen die zich vrij kopen van ’t front.
Geen kanon gehoord. 260-2017>
Vincent van Gogh • 3 januari 1883
• Vincent van Gogh (1853-1890) was een Nederlandse schilder. Het fragment hieronder komt uit een brief aan zijn broer Theo.
Waarde Theo, (3 Januari).
Waarde Theo, (3 Januari).
[...] In vorig schrijven zeide ik U, ik proeven nam in Black & White met het lithographisch krijt.
Gij zegt te veel goeds van mij in Uw brief, doch dat gij goeds van mij denkt is dubbel reden voor mij, om te trachten ik het niet geheel onwaardig zij. En wat betreft dat ik zeide, ik meende iets gevorderd te zijn door die bewuste proeven, ik weet zelf misschien niet goed mijn eigen werk te zien. Misschien is het een stap vooruit, misschien niet - zeg gij er mij uw opinie eens over naar aanleiding van bijgaande twee studies, welke ik dezer dagen met meer andere maakte.
Terwijl ik zoek naar een krachtiger procédé dan waarmede ik tot hiertoe werkte, tracht ik mij eenigermate te richten naar de Engelsche reproducties met het bewuste procédé dat gij beschreven hebt, gemaakt — naar de zwarte krabbels die Buhot op 't staal papier maakte ook — wat betreft de kracht van zwart. En zijt ge eens in de gelegenheid, spreek er eens met een deskundige over of de reproductie van teekeningen als b.v. deze, mogelijk zou zijn (afgescheiden van de tweede kwestie, of deze of dergelijke naar hun specialen smaak zouden wezen).
Wat betreft het sentiment ervan, daarover wil ik wel eens weten wat gij vindt, omdat zooals ik zeide, ik zelf niet weet te beoordeelen of er meer in is of niet.
Of liever met mijzelf is het zoo gesteld, dat ik voor mijzelf studies als deze o.a., ook al zijn ze niet af en al is er veel in geheel verwaarloosd, liever zie dan teekeningen die een sujet hebben, omdat ik er eene levendige herinnering door krijg van de natuur zelf. Gij zult mijn bedoeling begrijpen: in echte studies is iets van het leven zelf en de persoon die het maakt, zal niet zichzelf doch wel de natuur daarin respecteeren, en dus de studie prefereeren boven wat hij er mogelijk later van maken zal, tenzij er iets geheel anders uit ontsta als eindresultaat van veel studies, n.l. de type geconcentreerd uit veel individu's.
Dat is het hoogste van de kunst, en daar is soms de kunst boven de natuur...als b.v. in Millet's zaaier meer ziel is dan in een gewoon zaaier op 't veld.
Maar wat ik van U weten wil, is of het U voorkomt deze wijze van doen sommige der bezwaren, die gij tegen het potlood hadt, misschien zou wegnemen. Het zijn een paar ‘heads of the people’, en mijn voornemen zou wezen door veel dergelijke dingen te zoeken een soort geheel te vormen, dat den titel ‘heads of the people’ niet geheel onwaardig zou zijn.
Met veel werken kerel hoop ik nog eens wat goeds te maken. Ik heb het nog niet maar ik jaag er naar, en vecht er om, ik wou iets ernstigs, iets frisch - iets waar ziel in mocht wezen! [...]
donderdag 1 januari 2026
Johann Peter Eckermann • 2 januari 1824
• Johann Peter Eckermann (1792-1854) was een Duitse dichter, en daarnaast medewerker en vriend van Johann Wolfgang von Goethe. Eckermann is vooral bekend geworden door zijn opgetekende en uitgegeven gesprekken met Goethe.
Vertaling onderaan
Freitag den 2. Januar 1824.
Bei Goethe zu Tisch in heiteren Gesprächen. Eine junge Schönheit der weimarischen Gesellschaft kam zur Erwähnung, wobei einer der Anwesenden bemerkte, dass er fast auf dem Punkt stehe, sie zu lieben, obgleich ihr Verstand nicht eben glänzend zu nennen.
»Pah! sagte Goethe lachend, als ob die Liebe etwas mit dem Verstande zu tun hätte! Wir lieben an einem jungen Frauenzimmer ganz andere Dinge, als den Verstand. Wir lieben an ihr das Schöne, das Jugendliche, das Neckische, das Zutrauliche, den Charakter, ihre Fehler, ihre Kapricen, und Gott weiß was alles Unaussprechliche sonst; aber wir lieben nicht ihren Verstand. Ihren Verstand achten wir, wenn er glänzend ist, und ein Mädchen kann dadurch in unsern Augen unendlich an Wert gewinnen. Auch mag der Verstand gut sein, uns zu fesseln, wenn wir bereits lieben. Allein der Verstand ist nicht dasjenige, was fähig wäre, uns zu entzünden und eine Leidenschaft zu erwecken.«
Man fand an Goethes Worten viel Wahres und Überzeugendes und war sehr bereit, den Gegenstand ebenfalls von dieser Seite zu betrachten.
Nach Tisch und als die Übrigen gegangen waren, blieb ich bei Goethe sitzen und verhandelte mit ihm noch mancherlei Gutes.
Wir sprachen über die englische Literatur, über die Größe Shakespeares, und welch einen ungünstigen Stand alle englischen dramatischen Schriftsteller gehabt, die nach jenem poetischen Riesen gekommen. [...]
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT
Vrijdag 2 januari 1824.
Bij Goethe aan tafel, in opgewekte gesprekken. Een jonge schoonheid uit de Weimarer samenleving kwam ter sprake, waarbij een van de aanwezigen opmerkte dat hij er bijna toe gekomen was haar te beminnen, hoewel haar verstand niet bepaald als schitterend te bestempelen was.
“Bah!” zei Goethe lachend, “alsof de liefde iets met het verstand te maken zou hebben! Wij beminnen bij een jong meisje heel andere dingen dan het verstand. Wij beminnen het schone, het jeugdige, het speelse, het vertrouwelijke, haar karakter, haar fouten, haar grillen, en God weet wat voor onuitsprekelijke zaken nog meer; maar wij beminnen haar verstand niet. Haar verstand achten wij, wanneer het schitterend is, en daardoor kan een meisje in onze ogen oneindig aan waarde winnen. Ook kan het verstand goed zijn om ons te boeien wanneer wij reeds liefhebben. Maar het verstand is niet datgene wat in staat is ons te ontsteken en een hartstocht te wekken.”
Men vond in Goethes woorden veel waars en overtuigends en was zeer bereid het onderwerp eveneens vanuit dit gezichtspunt te beschouwen.
Na de maaltijd, toen de anderen waren vertrokken, bleef ik bij Goethe zitten en besprak met hem nog menige goede zaak.
Wij spraken over de Engelse literatuur, over de grootsheid van Shakespeare, en over de ongunstige positie waarin alle Engelse toneelschrijvers zich bevonden die na die poëtische reus zijn gekomen. […]224-2014>
Vertaling onderaan
Freitag den 2. Januar 1824.
Bei Goethe zu Tisch in heiteren Gesprächen. Eine junge Schönheit der weimarischen Gesellschaft kam zur Erwähnung, wobei einer der Anwesenden bemerkte, dass er fast auf dem Punkt stehe, sie zu lieben, obgleich ihr Verstand nicht eben glänzend zu nennen.
»Pah! sagte Goethe lachend, als ob die Liebe etwas mit dem Verstande zu tun hätte! Wir lieben an einem jungen Frauenzimmer ganz andere Dinge, als den Verstand. Wir lieben an ihr das Schöne, das Jugendliche, das Neckische, das Zutrauliche, den Charakter, ihre Fehler, ihre Kapricen, und Gott weiß was alles Unaussprechliche sonst; aber wir lieben nicht ihren Verstand. Ihren Verstand achten wir, wenn er glänzend ist, und ein Mädchen kann dadurch in unsern Augen unendlich an Wert gewinnen. Auch mag der Verstand gut sein, uns zu fesseln, wenn wir bereits lieben. Allein der Verstand ist nicht dasjenige, was fähig wäre, uns zu entzünden und eine Leidenschaft zu erwecken.«
Man fand an Goethes Worten viel Wahres und Überzeugendes und war sehr bereit, den Gegenstand ebenfalls von dieser Seite zu betrachten.
Nach Tisch und als die Übrigen gegangen waren, blieb ich bei Goethe sitzen und verhandelte mit ihm noch mancherlei Gutes.
Wir sprachen über die englische Literatur, über die Größe Shakespeares, und welch einen ungünstigen Stand alle englischen dramatischen Schriftsteller gehabt, die nach jenem poetischen Riesen gekommen. [...]
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT
Vrijdag 2 januari 1824.
Bij Goethe aan tafel, in opgewekte gesprekken. Een jonge schoonheid uit de Weimarer samenleving kwam ter sprake, waarbij een van de aanwezigen opmerkte dat hij er bijna toe gekomen was haar te beminnen, hoewel haar verstand niet bepaald als schitterend te bestempelen was.
“Bah!” zei Goethe lachend, “alsof de liefde iets met het verstand te maken zou hebben! Wij beminnen bij een jong meisje heel andere dingen dan het verstand. Wij beminnen het schone, het jeugdige, het speelse, het vertrouwelijke, haar karakter, haar fouten, haar grillen, en God weet wat voor onuitsprekelijke zaken nog meer; maar wij beminnen haar verstand niet. Haar verstand achten wij, wanneer het schitterend is, en daardoor kan een meisje in onze ogen oneindig aan waarde winnen. Ook kan het verstand goed zijn om ons te boeien wanneer wij reeds liefhebben. Maar het verstand is niet datgene wat in staat is ons te ontsteken en een hartstocht te wekken.”
Men vond in Goethes woorden veel waars en overtuigends en was zeer bereid het onderwerp eveneens vanuit dit gezichtspunt te beschouwen.
Na de maaltijd, toen de anderen waren vertrokken, bleef ik bij Goethe zitten en besprak met hem nog menige goede zaak.
Wij spraken over de Engelse literatuur, over de grootsheid van Shakespeare, en over de ongunstige positie waarin alle Engelse toneelschrijvers zich bevonden die na die poëtische reus zijn gekomen. […]224-2014>
Abonneren op:
Reacties (Atom)







