• Reinier Lucassen (1939-2015) was een Nederlandse kunstschilder. Hij publiceerde in 1975 enige dagboekbladen in De Revisor.
1 Mei
Vanavond rond half tien uitgeput thuisgekomen. Heb ook de laatste dagen weer veel last van mijn hoofd. Ik zal de laatste tijd te veel en te lang hebben gewerkt; uit ellende de televisie aangezet (wat verstrooiing), een programma over vrouwenemancipatie. Op het moment dat het beeld doorkwam, viel ik als het ware met mijn neus in de boter: een keurige wat oudere en zeurderige dame met een kuisheidsgordel in de handen geklemd vertelde welk een ellende een dergelijk ding kan veroorzaken en had veroorzaakt. Ik had nooit eerder een kuisheidsgordel gezien, ik moet eerlijkheidshalve bekennen dat ik zeer gefascineerd heb zitten kijken. Heel lang heb ik gedacht dat de kuisheidsgordel nooit heeft bestaan, dat het een literair bedenksel was, romantische dichters en zo, of het produkt van de fantasie van wat overspannen oude vrijsters. Waar ik na afloop van dit programma aan moest denken, was dat die vrouwen (in ieder geval op dit moment), die zich met de gelijkheid van de vrouw bezighouden bijna altijd van die engerds zijn, niet om aan te zien. Vaak ook zijn het ongewassen puistekoppen types met vuile nagels, heb ik goed kunnen controleren in die hippe artiestencafé's, waar nogal wat van die dolle mina's rondscharrelen. Wat een afschuwelijk en tragisch misverstand om te denken: als je er maar goor uitziet, in een voddenzak gehuld, dat je gelijk bent aan de man. Trouwens dit verschijnsel vind je niet alleen bij die dolle mina's, is erg in bij veel progressieven en andere linkse wereldverbeteraars; hoe viezer hoe mooier. Ik ga daarom toch maar liever naar mijn favoriete dancing, waar vaak beeldschone meisjes rondlopen. Als ik daar wat rondloer is het mij duidelijk dat zulke meisjes helemaal niet geïnteresseerd en bezig zijn met wat voor soort van emancipatie dan ook, zij hebben wel wat anders aan hun hoofd.
444-2019>
donderdag 30 april 2026
woensdag 29 april 2026
Arthur Japin • 30 april 2009
• Arthur Japin (1956) is een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken 2008-2018 zijn gepubliceerd als Geluk, een geheimtaal.
April 2009
[Noord-Frankrijk]
Boven de Maas hangt mist waar de zon doorheen breekt. Bens vader, naar Europa gekomen voor de promotie van zijn zoon, staat in de bocht bij het chateau in de buurt van Verdun uit te kijken over de rivier. Hij denkt aan zijn vader, die hier gevochten heeft. Even later lopen wij met hem over het kraterlandschap van de slagvelden. In elk gat dat door het mortiervuur werd geslagen moesten zich drie soldaten opstellen. Werden zij bij een volgende inslag bedolven, dan stapten drie verse jongens in het nieuwe kratergat, wachtend op hetzelfde lot. De aarde is weer begroeid, maar nooit geheeld. Onder de dennen is het desolate maanlandschap nog goed te zien.
Wij staan gebogen onder de koude, natte gangen van fort Douaumont als Lex belt om te zeggen dat er een aanslag is gepleegd op de koninklijke familie. Het past naadloos in de naargeestigheid van deze dag. Ingrid, onze gids, heeft ons een ogenblik tevoren de plek aangewezen, hier, precies achter mijn hoofd, waar na een mortierinslag de ingewanden van de soldaten van de muur moesten worden geschraapt. Genoeg, wij willen naar het leven!
Buiten vliegen de zwaluwen. Zij nestelen in de kieren van het fort, precies op ooghoogte zodat we ze goed kunnen zien.
`Maak een foto voor Lex,' zegt Ben. 'Hij is zo gek op zwaluwen!'
'Ik heb thuis ook zwaluwen,' gromt Ingrid. 'Als hun kinderen niet snel genoeg uitvliegen breken zij ze met hun snavels de nek.
April 2009
[Noord-Frankrijk]
Boven de Maas hangt mist waar de zon doorheen breekt. Bens vader, naar Europa gekomen voor de promotie van zijn zoon, staat in de bocht bij het chateau in de buurt van Verdun uit te kijken over de rivier. Hij denkt aan zijn vader, die hier gevochten heeft. Even later lopen wij met hem over het kraterlandschap van de slagvelden. In elk gat dat door het mortiervuur werd geslagen moesten zich drie soldaten opstellen. Werden zij bij een volgende inslag bedolven, dan stapten drie verse jongens in het nieuwe kratergat, wachtend op hetzelfde lot. De aarde is weer begroeid, maar nooit geheeld. Onder de dennen is het desolate maanlandschap nog goed te zien.
Wij staan gebogen onder de koude, natte gangen van fort Douaumont als Lex belt om te zeggen dat er een aanslag is gepleegd op de koninklijke familie. Het past naadloos in de naargeestigheid van deze dag. Ingrid, onze gids, heeft ons een ogenblik tevoren de plek aangewezen, hier, precies achter mijn hoofd, waar na een mortierinslag de ingewanden van de soldaten van de muur moesten worden geschraapt. Genoeg, wij willen naar het leven!
Buiten vliegen de zwaluwen. Zij nestelen in de kieren van het fort, precies op ooghoogte zodat we ze goed kunnen zien.
`Maak een foto voor Lex,' zegt Ben. 'Hij is zo gek op zwaluwen!'
'Ik heb thuis ook zwaluwen,' gromt Ingrid. 'Als hun kinderen niet snel genoeg uitvliegen breken zij ze met hun snavels de nek.
dinsdag 28 april 2026
Sonja Paardekooper • 29 april 1945
• Sonja Paardekooper (1930-2009) hield als jong meisje een dagboek bij van haar tijd in het interneringskamp Ambarawa. Dat dagboek is gepubliceerd als Achter het gedek (Het gedek was de bamboe schutting rond het kamp, waar je dingen kon ruilen met de buitenwereld.)
29 April
't Is vandaag de verjaardag van zijne keizerlijke hoogheid "Tenno Heiko". Erg scheutig is hij niet voor zijn geïnterneerde gasten. Voor ons 1300 (?) heeft hij een halve koe gestuurd en zelfs de pakketten zijn nog niet uitgedeeld. Wel heeft hij meedegedeeld, dat we van "hotel" moeten verhuizen. Als een bom kwam het bericht gisteren in ons midden; wel liepen er allang zulke geruchten, maar daar hechtten we geen waarde aan. Nu zie je dat er geen koe (zo) bont is, of er is een vlekje aan. Juffrouw Ongerboer zei ons, dat de Nip wel elk ogenblik andere orders gaf, maar dat we waarschijnlijk tussen de 4e en de 8e gaan, dat we verdeeld worden over kamp 6 hier in Ambarawa en kamp 10 en 11 in Banjoebiro wat hier vlakbij is. Als reden wordt de slechte watersituatie opgegeven, maar dat zal wel een smoesje zijn, want daar heeft de Nip zich nog nooit iets van aangetrokken, waarom nu opeens wel? We hebben al overal nummers opgenaaid en mammie heeft mijn koffer al overgepakt. 't Erge is, dat de djagoeng en de kedele op is en dat die vent voor die paar dagen wel geen nieuwe voorraad zal sturen. Dus hongeren, terwijl het nu juist weer zoo goed ging met een beetje boter en twee eieren. Ik vind het erg naar, dat we weg moeten. Als we nu (eens) naar huis mochten! Maar wie weet, gaat het wel niet door. Nippon's wegen zijn wonderbaar.
1 Mei
De vierde gaan de Bandoengers naar een kamp in Banjoebiro, de vroegere gevangenis. Wij gaan naar kamp 11, maar wanneer is nog niet bekend. Onze pakketten zullen meegestuurd worden, die zien we dus niet. Nu, we zijn al bijna gepakt. Het spijt me alleen van mijn werk in de keuken en waarschijnlijk komen we daar in gedekloodsen. Dit moet ik [tekening hieronder] verbeelden, als ik naar stookdienst ga. Alleen is 't niet zo goed gelukt. Een klein shortje, dat een onbestemde kleur heeft gekregen waaronder een paar lange blote spillebenen uitsteken. Daarboven een blouse met honderd en een stopjes en lappen, voor het werk nog blauw en later zwart. Op mijn hoofd een gele doek, die vroeger een padvindersdas geweest is en die mijn haar tegen het al te vuil worden moet beveiligen. Als mijn tegles niet kapot zijn, loop ik daarop en anders op blote voeten.
29 April
't Is vandaag de verjaardag van zijne keizerlijke hoogheid "Tenno Heiko". Erg scheutig is hij niet voor zijn geïnterneerde gasten. Voor ons 1300 (?) heeft hij een halve koe gestuurd en zelfs de pakketten zijn nog niet uitgedeeld. Wel heeft hij meedegedeeld, dat we van "hotel" moeten verhuizen. Als een bom kwam het bericht gisteren in ons midden; wel liepen er allang zulke geruchten, maar daar hechtten we geen waarde aan. Nu zie je dat er geen koe (zo) bont is, of er is een vlekje aan. Juffrouw Ongerboer zei ons, dat de Nip wel elk ogenblik andere orders gaf, maar dat we waarschijnlijk tussen de 4e en de 8e gaan, dat we verdeeld worden over kamp 6 hier in Ambarawa en kamp 10 en 11 in Banjoebiro wat hier vlakbij is. Als reden wordt de slechte watersituatie opgegeven, maar dat zal wel een smoesje zijn, want daar heeft de Nip zich nog nooit iets van aangetrokken, waarom nu opeens wel? We hebben al overal nummers opgenaaid en mammie heeft mijn koffer al overgepakt. 't Erge is, dat de djagoeng en de kedele op is en dat die vent voor die paar dagen wel geen nieuwe voorraad zal sturen. Dus hongeren, terwijl het nu juist weer zoo goed ging met een beetje boter en twee eieren. Ik vind het erg naar, dat we weg moeten. Als we nu (eens) naar huis mochten! Maar wie weet, gaat het wel niet door. Nippon's wegen zijn wonderbaar.
1 Mei
De vierde gaan de Bandoengers naar een kamp in Banjoebiro, de vroegere gevangenis. Wij gaan naar kamp 11, maar wanneer is nog niet bekend. Onze pakketten zullen meegestuurd worden, die zien we dus niet. Nu, we zijn al bijna gepakt. Het spijt me alleen van mijn werk in de keuken en waarschijnlijk komen we daar in gedekloodsen. Dit moet ik [tekening hieronder] verbeelden, als ik naar stookdienst ga. Alleen is 't niet zo goed gelukt. Een klein shortje, dat een onbestemde kleur heeft gekregen waaronder een paar lange blote spillebenen uitsteken. Daarboven een blouse met honderd en een stopjes en lappen, voor het werk nog blauw en later zwart. Op mijn hoofd een gele doek, die vroeger een padvindersdas geweest is en die mijn haar tegen het al te vuil worden moet beveiligen. Als mijn tegles niet kapot zijn, loop ik daarop en anders op blote voeten.
maandag 27 april 2026
M.B. van der Jagt • 28 april 1909
• M.B. van der Jagt (1873-1960) was gouverneur van Soerakarta. Onderstaand verslag van onenigheid tussen Chinezen en Arabieren komt uit zijn dagboek, opgenomen in zijn Memoires.
Tegal, 28 April 1909.
Gisternacht om twee uur nog een gewonde Arabier in zijn huis laten oppakken en preventief gezet. Heeft een wond aan zijn rechterhand en beweert die acht dagen geleden te hebben opgelopen bij het splijten van een bamboe, bestemd voor vlaggestok, bij de Oranjefeesten (niet slecht bedacht), maar de dokter verklaarde, dat die wond aan de onderkant van de pink niet van een eigen kapslag op een bamboe kon ontstaan zijn. Gisteravond geheim onderhoud gehad met Baheloel, eervol ontslagen Arabisch wijkmeester. Hielp al meermalen de politie voor het ophelderen van diefstallen. Beweert nu ook te willen meehelpen, omdat ik hem vergunde met een stok te blijven lopen. Hij is mank. Overhandigde hem een persoonlijk schrijven als introductie bij B.B. en politie in andere gewesten.
Gisternacht om twee uur nog een gewonde Arabier in zijn huis laten oppakken en preventief gezet. Heeft een wond aan zijn rechterhand en beweert die acht dagen geleden te hebben opgelopen bij het splijten van een bamboe, bestemd voor vlaggestok, bij de Oranjefeesten (niet slecht bedacht), maar de dokter verklaarde, dat die wond aan de onderkant van de pink niet van een eigen kapslag op een bamboe kon ontstaan zijn. Gisteravond geheim onderhoud gehad met Baheloel, eervol ontslagen Arabisch wijkmeester. Hielp al meermalen de politie voor het ophelderen van diefstallen. Beweert nu ook te willen meehelpen, omdat ik hem vergunde met een stok te blijven lopen. Hij is mank. Overhandigde hem een persoonlijk schrijven als introductie bij B.B. en politie in andere gewesten.
zondag 26 april 2026
Eugène Delacroix • 27 april 1850
• Eugène Delacroix (1798-1863) was een Franse schilder. Dagboekfragmenten en brieven van zijn hand zijn verzameld in Ik heb het niet over middelmatige mensen (vertaling: Joop van Helmond).
Champrosay, vrijdag 26 april. [1850] – Om halftwaalf naar Champrosay vertrokken. Dolgelukkig om weer hier te zijn. Het verrukkelijkst is het gevoel van de volledige vrijheid die ik hier geniet. Hier kunnen vervelende mensen me niet komen opzoeken, zij het dat me dat wel is overkomen, zo moeilijk is het om hun te ontlopen. De tuin was prima op orde en alles is goed gegaan.
Zaterdag 27 april. [1850] – ’s Avonds slaap ik buitensporig veel, en soms zelfs overdag. Het nadeel van het platteland, voor een man die ertegen opziet om veel te lezen, is de verveling en een zekere droevigheid die de aanblik van de natuur oproept. Dat voel ik allemaal niet als ik aan het werk ben; maar dit keer heb ik besloten om absoluut niets te doen, om rust te nemen van het wat abstracte werk aan de compositie van mijn plafond. [Delacroix had de opdracht gekregen voor een plafondschildering in de Apollozaal van het Louvre.]
Dinsdag 30 april. [1850] – Om negen uur de deur uit gegaan. Het steegje van de Markies genomen en tot aan de Hermitage gelopen. Tegenover de Hermitage is een groot stuk bos weggekapt. Ieder jaar zie ik weer met hartzeer een deel van het bos tegen de grond gaan, en altijd weer het mooiste, dat wil zeggen het dichtste en oudste deel. Er liep daar een lieflijk, lommerrijk pad. Rechts afgeslagen tot aan de eik die de Prior heet. Daar zag ik langs het pad een stoet mieren, waarover ik van natuurkenners wel eens de nodige uitleg zou willen horen. De hele stam leek in het gareel voorbij te trekken alsof ze emigreerden; een klein aantal werkmieren liep in tegenovergestelde richting tegen de stroom in. Waar gingen die naartoe? We zitten allemaal, rijp en groen, dieren, mensen, planten, opgesloten in deze immense doos die we het universum noemen.We pretenderen te kunnen lezen wat er in de sterren staat, gissen over de toekomst en het verleden die buiten ons blikveld liggen, en we begrijpen geen jota van wat zich onder onze ogen afspeelt. Al deze levende wezens, voor altijd van elkaar gescheiden en voor elkaar ondoorgrondelijk. [...]269-2018>
Champrosay, vrijdag 26 april. [1850] – Om halftwaalf naar Champrosay vertrokken. Dolgelukkig om weer hier te zijn. Het verrukkelijkst is het gevoel van de volledige vrijheid die ik hier geniet. Hier kunnen vervelende mensen me niet komen opzoeken, zij het dat me dat wel is overkomen, zo moeilijk is het om hun te ontlopen. De tuin was prima op orde en alles is goed gegaan.
Zaterdag 27 april. [1850] – ’s Avonds slaap ik buitensporig veel, en soms zelfs overdag. Het nadeel van het platteland, voor een man die ertegen opziet om veel te lezen, is de verveling en een zekere droevigheid die de aanblik van de natuur oproept. Dat voel ik allemaal niet als ik aan het werk ben; maar dit keer heb ik besloten om absoluut niets te doen, om rust te nemen van het wat abstracte werk aan de compositie van mijn plafond. [Delacroix had de opdracht gekregen voor een plafondschildering in de Apollozaal van het Louvre.]
Dinsdag 30 april. [1850] – Om negen uur de deur uit gegaan. Het steegje van de Markies genomen en tot aan de Hermitage gelopen. Tegenover de Hermitage is een groot stuk bos weggekapt. Ieder jaar zie ik weer met hartzeer een deel van het bos tegen de grond gaan, en altijd weer het mooiste, dat wil zeggen het dichtste en oudste deel. Er liep daar een lieflijk, lommerrijk pad. Rechts afgeslagen tot aan de eik die de Prior heet. Daar zag ik langs het pad een stoet mieren, waarover ik van natuurkenners wel eens de nodige uitleg zou willen horen. De hele stam leek in het gareel voorbij te trekken alsof ze emigreerden; een klein aantal werkmieren liep in tegenovergestelde richting tegen de stroom in. Waar gingen die naartoe? We zitten allemaal, rijp en groen, dieren, mensen, planten, opgesloten in deze immense doos die we het universum noemen.We pretenderen te kunnen lezen wat er in de sterren staat, gissen over de toekomst en het verleden die buiten ons blikveld liggen, en we begrijpen geen jota van wat zich onder onze ogen afspeelt. Al deze levende wezens, voor altijd van elkaar gescheiden en voor elkaar ondoorgrondelijk. [...]269-2018>
Doeschka Meijsing • 26 april 1975
• Doeschka Meijsing (1947-2012) was een Nederlandse schrijfster. Deel 1 van haar dagboeken is onlangs verschenen in de Privé Domein-reeks, onder de titel En liefde in mindere mate.
Badhoevedorp, zaterdag 26 april 1975
Ik kan heel weinig. Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Welja! Maar ik kan niet schrijven, geen letter krijg ik op papier. Ik kan niet neuken zoals blijkbaar de hele wereld het gewoon vindt (ik zal wel bang zijn voor seks, dat ik het alleen maar wil doen onder de vlag van 'liefde', liefde, jawel!). En ik kan niet in een gezin wonen. Marleen is een alleraardigst kind, maar waar komt dan die ergernis vandaan, dat warme hoofd dat ik krijg, die opgekropte woede? Waarom ben ik zo lelijk vanbinnen, zo haatdragend, zo alleen? Ik heb Gerda lief, god ja, zoveel, zoveel, en ik maak alles kapot door mijn zuurheid. Bij het minste geringste ben ik gekwetst, ben ik woedend, sla ik dicht met een warm hoofd. Lieve heer, ik heb geen kinderen gewild en moet mijn leven met een kind doorbrengen dat puber worden zal met alle moeilijkheden van dien, een kind dat heel aardig is maar waar ik niet mee kan leven. Wat is er toch gebeurd, vroeger, dat ik blijkbaar geen liefde geven kan? Als ik vrolijk ben, ben ik een kind, als ik treurig ben een monster.
En ik ben natuurlijk alleen, in dit huis waar niets van mij is behalve mijn liefde, die ik niet kan hanteren. De kasten, de bedden, de ramen en de deuren zijn niet van mij, hebben niets met mij te maken. de vraag is of dat in Langbroek anders zal zijn.
Ik ben heel anders dan ik vroeger dacht, ik ben veel bozer. Toen ik alleen was, kwamen alle gebreken nauwelijks boven. Mijn eiland waar ik niet over schrijven kan, mijn naamloos Antiterra. Mijn dromen, mijn kamer op de Plantage waar ik nauwelijks over te denken durf. Mijn huilen, dat hier stiekem moet. Is trouwen langzaam sterven?
Ik dacht een roman over mijn jeugd te schrijven, over Robinson, maar hij werd slecht en Gerda zei dat het slecht was en als zij het niet gezegd had was het nog slecht geweest, maar hoewel ik dat weet, geef ik Gerda de schuld.
Ik ben zo alleen. Geen thuis meer in Haarlem. Geen eiland meer op de Plantage. Alleen een dorp. Badhoevedorp of Langbroek, dat me niets zegt, waar ik nooit van gedroomd heb zoals van Amsterdam.
Daarbij houd ik zoveel van Gerda. Stel dat zij niet meer van me gaat houden; omdat ze mijn fouten ziet of omdat ik onmogelijk ben om mee samen te leven. Ik weet dat zij niet zo zal denken, dat liefde meer moet zijn. Maar ben ik wel geschikt om mee te leven? Ik ben niet volgroeid. Ik ben het kind gebleven dat door zijn moeder gekwetst is toen het heel klein was en daarna in dat opzicht nooit meer gegroeid is. Robinson, stil zijn en tegen de dingen aankijken. Geen betrokkenheid dan die van observeerder. Maar ik kan er niet over schrijven. Bovendien bestaat er al een Anton Wachter.
Lieve God, waar is alles gebleven? Heel stil zijn en kijken, het is niet eens mogelijk als je in een gezin leeft en zeventien uur Nederlandse les geeft. Ik kan dat schrijven wel vergeten. Maar waarom moet ik zo huilen? Robinson. Ik ben een kind, ben een kind, ben een kind.325-2016>
Badhoevedorp, zaterdag 26 april 1975
Ik kan heel weinig. Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Welja! Maar ik kan niet schrijven, geen letter krijg ik op papier. Ik kan niet neuken zoals blijkbaar de hele wereld het gewoon vindt (ik zal wel bang zijn voor seks, dat ik het alleen maar wil doen onder de vlag van 'liefde', liefde, jawel!). En ik kan niet in een gezin wonen. Marleen is een alleraardigst kind, maar waar komt dan die ergernis vandaan, dat warme hoofd dat ik krijg, die opgekropte woede? Waarom ben ik zo lelijk vanbinnen, zo haatdragend, zo alleen? Ik heb Gerda lief, god ja, zoveel, zoveel, en ik maak alles kapot door mijn zuurheid. Bij het minste geringste ben ik gekwetst, ben ik woedend, sla ik dicht met een warm hoofd. Lieve heer, ik heb geen kinderen gewild en moet mijn leven met een kind doorbrengen dat puber worden zal met alle moeilijkheden van dien, een kind dat heel aardig is maar waar ik niet mee kan leven. Wat is er toch gebeurd, vroeger, dat ik blijkbaar geen liefde geven kan? Als ik vrolijk ben, ben ik een kind, als ik treurig ben een monster.
En ik ben natuurlijk alleen, in dit huis waar niets van mij is behalve mijn liefde, die ik niet kan hanteren. De kasten, de bedden, de ramen en de deuren zijn niet van mij, hebben niets met mij te maken. de vraag is of dat in Langbroek anders zal zijn.
Ik ben heel anders dan ik vroeger dacht, ik ben veel bozer. Toen ik alleen was, kwamen alle gebreken nauwelijks boven. Mijn eiland waar ik niet over schrijven kan, mijn naamloos Antiterra. Mijn dromen, mijn kamer op de Plantage waar ik nauwelijks over te denken durf. Mijn huilen, dat hier stiekem moet. Is trouwen langzaam sterven?
Ik dacht een roman over mijn jeugd te schrijven, over Robinson, maar hij werd slecht en Gerda zei dat het slecht was en als zij het niet gezegd had was het nog slecht geweest, maar hoewel ik dat weet, geef ik Gerda de schuld.
Ik ben zo alleen. Geen thuis meer in Haarlem. Geen eiland meer op de Plantage. Alleen een dorp. Badhoevedorp of Langbroek, dat me niets zegt, waar ik nooit van gedroomd heb zoals van Amsterdam.
Daarbij houd ik zoveel van Gerda. Stel dat zij niet meer van me gaat houden; omdat ze mijn fouten ziet of omdat ik onmogelijk ben om mee samen te leven. Ik weet dat zij niet zo zal denken, dat liefde meer moet zijn. Maar ben ik wel geschikt om mee te leven? Ik ben niet volgroeid. Ik ben het kind gebleven dat door zijn moeder gekwetst is toen het heel klein was en daarna in dat opzicht nooit meer gegroeid is. Robinson, stil zijn en tegen de dingen aankijken. Geen betrokkenheid dan die van observeerder. Maar ik kan er niet over schrijven. Bovendien bestaat er al een Anton Wachter.
Lieve God, waar is alles gebleven? Heel stil zijn en kijken, het is niet eens mogelijk als je in een gezin leeft en zeventien uur Nederlandse les geeft. Ik kan dat schrijven wel vergeten. Maar waarom moet ik zo huilen? Robinson. Ik ben een kind, ben een kind, ben een kind.325-2016>
M.B. van der Jagt • 25 april 1909
• M.B. van der Jagt (1873-1960) was gouverneur van Soerakarta. Onderstaand verslag van onenigheid tussen Chinezen en Arabieren komt uit zijn dagboek, opgenomen in zijn Memoires.
Tegal, 25 April 1909. Er zouden nog meer Arabieren gewond uit de raid zijn teruggekeerd, maar ik sta voor een diep, solidair zwijgen in het Arabische kamp. Geen verraadt den ander. Ook de luitenant schijnt machteloos, hoewel hij van begin af aan gewillig heeft medegewerkt en zeer ontstemd is over de raid.
Er heerst een zwoele stilte in de twee kampen en ik verneem allerlei ongunstige plannen. Raadpleegde daarom de oude pangaran, de afgetreden Regent, of het raadzaam is de volksfeesten te laten doorgaan, die op til zijn vanwege de a.s. geboorte van een Oranjetelg. De oude heer ziet er geen gevaar in. Ga accoord.
Verbood het lopen met stokken en paraplu's aan de Arabieren, zoals hun gewoonte is, om niet te spreken van wapenen. Twee heren uit de handel zijn driemaal bij me geweest om de preventief zittende Arabieren voorlopig los te laten. Ze beweren, dat de opgeslotene Salman, de zoon van de oud-Luitenant der Arabieren, hoewel ook een vechtersbaas, ditmaal onmogelijk kan hebben medegedaan, daar hij tijdens de raid nog bij hen is geweest. Ik weifel. De oud-Luitenant verscheen zelf bij mij. Hij is nog een statige verschijning, ofschoon reeds 92 jaar oud, maar zich uitgevend voor 65.
Ontving eergisteren een telegram, antwoord betaald, van de redactie van het Chinees-Maleise blad Warna Warta, uit Semarang: „Opstootje, 14 Chinezen vermoord, velen gewond, verzoeke beleefd inlichting". Nogal een vrijmoedig verzoek, dat mijn kantoor maar moet beantwoorden. Het is de tweede keer, dat het blad zich bemoeit met onze zaken. De eerste keer — was toen toevallig ook waarnemend Ass-. Resident — gold het een aanklacht tegen onze civiele geneesheer.
Chinese gemeente liet mij polsen of Regering niet permanent hier militairen zou willen plaatsen. Ze willen daarvoor een request indienen. Ze voelen zich blijkbaar niet op hun gemak. Ook te Cheribon en Soerabaia zijn onlangs gevechten tussen Arabieren en Chinezen voorgekomen. Er zijn hier onder de Arabieren nog vers aangekomenen uit Hadramaut, mensen met woestijninstincten, die nog niet thuis behoren in een Westers geordende maatschappij.
Er heerst een zwoele stilte in de twee kampen en ik verneem allerlei ongunstige plannen. Raadpleegde daarom de oude pangaran, de afgetreden Regent, of het raadzaam is de volksfeesten te laten doorgaan, die op til zijn vanwege de a.s. geboorte van een Oranjetelg. De oude heer ziet er geen gevaar in. Ga accoord.
Verbood het lopen met stokken en paraplu's aan de Arabieren, zoals hun gewoonte is, om niet te spreken van wapenen. Twee heren uit de handel zijn driemaal bij me geweest om de preventief zittende Arabieren voorlopig los te laten. Ze beweren, dat de opgeslotene Salman, de zoon van de oud-Luitenant der Arabieren, hoewel ook een vechtersbaas, ditmaal onmogelijk kan hebben medegedaan, daar hij tijdens de raid nog bij hen is geweest. Ik weifel. De oud-Luitenant verscheen zelf bij mij. Hij is nog een statige verschijning, ofschoon reeds 92 jaar oud, maar zich uitgevend voor 65.
Ontving eergisteren een telegram, antwoord betaald, van de redactie van het Chinees-Maleise blad Warna Warta, uit Semarang: „Opstootje, 14 Chinezen vermoord, velen gewond, verzoeke beleefd inlichting". Nogal een vrijmoedig verzoek, dat mijn kantoor maar moet beantwoorden. Het is de tweede keer, dat het blad zich bemoeit met onze zaken. De eerste keer — was toen toevallig ook waarnemend Ass-. Resident — gold het een aanklacht tegen onze civiele geneesheer.
Chinese gemeente liet mij polsen of Regering niet permanent hier militairen zou willen plaatsen. Ze willen daarvoor een request indienen. Ze voelen zich blijkbaar niet op hun gemak. Ook te Cheribon en Soerabaia zijn onlangs gevechten tussen Arabieren en Chinezen voorgekomen. Er zijn hier onder de Arabieren nog vers aangekomenen uit Hadramaut, mensen met woestijninstincten, die nog niet thuis behoren in een Westers geordende maatschappij.
Abonneren op:
Posts (Atom)







