maandag 3 augustus 2026

Nescio • 4 augustus 1951

Nescio (J.H.F. Grönloh, 1882-1961) was een Nederlandse schrijver. In zijn Natuurdagboek (1946-1955) deed hij verslag van onder meer zijn wandelingen.

3 Augustus
Vrijdag. Bus heen en weer naar Bergen (alleen). Kopje koffie in de ‘Rustende Jager’. Zonnespel op ruïne en in de boomtoppen en op het muurtje (Corot, Renoir, Manet). Uit van ½ 10 tot ½ 12. 's Avonds op het duin geklommen, zon vurig onder in zee. Knaap met bruin en wit geruite bloes, met opgetrokken knieën, handen om z'n knieën zat extatisch naar de zon te staren (14 jaar?), speelde Bavink of Bekker.

4 Augustus
Zaterdag. Dag van nix. Veel geslapen. 's Middags met Os in het dorp een taartje gekocht en later (± 7 uur) bloemen bij Meedendorp.

5 Augustus
Zondag ochtend, te vergeefs naar de Miepen (met bus tot driesprong). 's Middags op het duin, pays de velours met witte wolken, zag er uit of het 1256 was. De 2 zilveren torenspitsen van Schagen op den horizon. 's Avonds weer met bus naar de Miepen, die nu thuis waren. Even daar geweest, toen heeft Miep me naar de driesprong gebracht, waar we 40 minuten op dien hoek hebben gewacht. Ik zat op de ‘stone of chastity’ en keek naar die dichte rij populieren voòr het duin.

6 Augustus
Maandagochtend. Bijna 1½ uur met Os op stoelen op het gras in den tuin van Peek gezeten. Ideale nazomer. Witjes, stippelpaard (grauw met eenig wit) met de lange steeds zwaaiende witte staart en starende kijkkop. Als Erasmus bij Bergen op Zoom.

7 Augustus
Dinsdag. 's Morgens met de bus heen en weer naar Bergen. Weer Rustende Jager. Daarvoor en daarna op het muurtje geleund en over het gras gekeken naar de kerk (met lantaarn bij de deur) en naar de grafsteenen, tusschen de brokken ruïne door. Witjes. Weer Corot enz. 's Avonds even gaan kijken bij den ‘Paardenhemel’ naar dat fantastisch duinlandschap met naar alle kanten hellende boomgroepen en zandplekken en dat oploopende weitje. Zon rechts op zij, alleen door scherp te kijken kon je de teekening in het landschap zien. 40 kameelen wandelden achter elkaar door dat landschap.

zondag 2 augustus 2026

Nanne Tepper • 3 augustus 1997

• In 1997 nodigde het tijdschrift Optima een aantal schrijvers uit tot het bijhouden van een 'Onhollands dagboek' — als reactie op het populaire 'Hollands Dagboek'uit de NRC. Zo ook Nanne Tepper (1962-2012).

3 augustus 1997
Kom bont en blauw thuis van de boekenmarkt in Deventer. Kilometers lang gemolesteerd door de met W.F. Hermans volgepropte rugzakjes van in maanden niet verschoonde bejaarden.

4 augustus 1997
Postmodernisme?
De twee beste essays die ik de laatste jaren heb gelezen (te vinden in Jongstra's Familieportret) handelen - scherpzinnig, hartstochtelijk en liefdevol - over twee klassieken die ik hartgrondig verfoei: Sterne's Sentimentele Reis en Gogols Dode Zielen.

15 augustus 1997
Een schrijfster, met wie ik sinds kort correspondeer, vraagt mij, nadat ik wat collega's op de korrel heb genomen, wat mijn ‘makke’ dan wel is. Dat laat zich snel formuleren: mijn ambachtelijke makke is dat ik mij veel te weinig gelegen laat liggen aan het voldongen feit dat ik geen genie ben.

16 augustus 1997
Miljoenen mensen rouwen vandaag om iemand die zich letterlijk doodgescheten heeft. Ik ook.
En opeens herinner ik me ene Peter te Bos, zanger van het meest overschatte vaderlandse popgroepje aller tijden, Claw Boys Claw, die in een televisieshow op de vraag van de gastvrouw ‘Welk nummer van Elvis zou jij graag willen coveren?’ antwoordde: ‘Suspicious Minds.’
‘O ja?’ zei de gastvrouw, ‘zing 's een stukje dan?’
Peter te Bos: ‘♪♪We called in a tramp, I can't walk out ♪♪’
Gelukkig heb ik altijd een bandje uit de jaren zeventig met de stem van Henk Spaan scherp staan: ‘Vuilnismaaaaan! Kan deze zák ook mee?!’

Beb Vuyk • 2 augustus 1945

• De Nederlandse schrijfster Beb Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.

1 augustus 1945
Het nachtwachtlopen bevalt mij wel. Vier uur werken, in plaats van de zes uur in de tuinen. De betaling is hetzelfde en als extra halverwege de wacht hete thee met suiker. Er is weinig animo voor dit werk, vandaar de gunstige voorwaarden De meesten durven niet. Bang, omdat de nachtwacht direct door de kenpeitai [militaire politie] wordt gecontroleerd, en ook om het alleen zijn in het donker. En dan de spoken, dat moet voor de Indischen vreselijk zijn, er zijn hier al zovelen gestorven. Ieder uur komt de hancho [blokhoofd] langs en vraagt of er iets is te rapporteren. Het is een grappig mens, een Schotse, met een kordaat verweerd oudemannengezicht. Eén keer per nacht komt de kenpeitai. Ik kan de Japanse zin niet onthouden en mompel maar wat. 'Je wordt zo dom van de honger,' klaagde Rudi gisteren, terwijl hij Franse woordjes zat te leren. 'Nou, dat merk ik zelf dan ook.' We hebben de opdracht om te gaan staan en te buigen, en soms schreeuwt de Jap wat terug, maar meestal loopt hij zwijgend voorbij. Nooit aanspreken, een vrouw mag een officier nooit aanspreken! Rapporteren aan de hancho. Er valt nooit wat te rapporteren. Zorgen dat je niet in slaap valt is de voornaamste opdracht. Je mag heen en weer lopen tussen de twee wachttorens of gaan zitten op een centraal punt. In de nacht is het kamp anders. De spanning is weg. Je hoort weer tot de wereld en niet meer alleen tot het kamp. Buiten zijn in de nacht, wat verboden was, geeft een gevoel van vrijheid. In ieder geval herstelt het een stuk van mijn privé-leven, ook overdag. Je valt als nachtwacht buiten het werkschema van de anderen, je slaapt als zij werken, je kunt baden als niemand baadt, alleenzijn in de badkamer en alleenzijn op de w.c.

Carla Bogaards • 1 augustus 1997


Carla Boogaards (schrijfster, 1947): Onhollands dagboek.

1 augustus
Second opinion, reumatoloog heet Ament. O.L.V.G, dus niet meer het Prinsengrachtziekenhuis. Ik ga niet meer terug naar Hattink. Hij zat er naast met zijn bewering over reumatoïde arthritis. Ik had nooit spontaan van de pijn af kunnen zijn met alleen prednison. Later kwam er wel weer wat terug, ik was immers nog ziek en de shock van die hoge dosis werd enigszins geneutraliseerd, voor een deel trouwens werden mijn hevige pijnen veroorzaakt door de veronachtzaamde knieblessures. Plus: spierreuma omvat meer dan spieren of adertjes in spieren, ook de aanhechtingen aan het bot of de weefsels. Een ziekte van het afweermechanisme is moeilijk te doorgronden. De medische wetenschap weet er nog te weinig vanaf. Dat hoorde ik allemaal voor het eerst, voor een deel had de orthopeet me ingelicht. Spierreuma, wat een eenvoudig te begrijpen woord, alles staat in een folder, waarom heb ik die folder nooit gekregen? Dokter Ament zal folder voor me meenemen. Volgens mij wist dokter Hattink er niets van af! Maar waarom ging hij niet bij een collega te rade? Of in de studieboeken? Een scheurtje in de meniscus betekent dat er bij veel beweging (lekker hard fietsen, te veel lopen) weefsel tussen komt, dat kan een soort ontsteking veroorzaken. Dikke en rode knie met uitstralende pijn, van lies tot enkel en zelfs de enkel gezwollen. Polymyalgia reumatica betekent spierreuma. Veroorzaakt door een virus, te genezen zonder of met prednison. Meestal gaat het gewoon over, het komt en gaat. In mijn geval liep ik er veel en veel te lang mee door. Vandaar dat ik bijna niet meer te redden was.

donderdag 30 juli 2026

Lady Dorothy Kennard • 31 juli 1916

• Lady Dorothy Katherine Barclay Kennard verbleef in de jaren 1915-1917 in Roemenië en schreef over die periode een dagboek.

Vertaling onderaan.

July 1916. — A month has passed and we are still here, still neutral, still on tenterhooks. There is no news from Russia, but troops are said to have crossed the Danube.
All the ladies have been requested to report themselves at the Headquarters of the Rou- manian Red Cross. We Englishwomen can go and work where we like, and I have offered myself to one of the big military hospitals. I was asked whether I had ever done any nursing, and was obliged to give a negative reply. But I was told that it "did not matter," my hands would be useful. I work there feverishly every day trying to accumu- late as much knowledge and nursing informa- tion as is possible. Nurses are even more completely non-existent than I had realised. There is not a woman in the place who knows the first principles of hospital training such as we have in England, and I feel just as com- petent as are any of the others to use lavish quantities of disinfectants and to do exactly as I am told. The doctor who is to be my immediate chief is a very clever man; he knows how to teach me my job, and now it is only a question of time.
The days fly past. Each evening the conflagration seems inevitable within the next twenty-four hours, every morning sees us sunk in apathy and summer stupor. And the heat is indescribable. We avoid meeting peo- ple ; where 's the use ? They know now more than we do ourselves, and talking about the situation only aggravates the tension.


Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

Juli 1916. — Er is een maand verstreken en we zijn nog altijd hier: nog steeds neutraal, nog steeds in gespannen afwachting. Uit Rusland komt geen nieuws, maar naar verluidt zijn er troepen de Donau overgestoken.
Alle dames zijn verzocht zich te melden bij het hoofdkwartier van het Roemeense Rode Kruis. Wij, Engelse vrouwen, mogen zelf kiezen waar we willen werken, en ik heb mij aangemeld bij een van de grote militaire ziekenhuizen. Mij werd gevraagd of ik ooit verpleegwerk had gedaan, waarop ik noodgedwongen ontkennend moest antwoorden. Maar men verzekerde mij dat dit „niet uitmaakte”; mijn handen zouden hoe dan ook van nut zijn.
Sindsdien werk ik er elke dag met grote ijver, in een poging zoveel mogelijk kennis en ervaring in de verpleging op te doen. Er blijken nog veel minder verpleegsters te zijn dan ik mij had voorgesteld. Er is geen enkele vrouw in het ziekenhuis die ook maar de eerste beginselen van een verpleegkundige opleiding kent, zoals wij die in Engeland hebben. Ik voel mij dan ook minstens zo bekwaam als ieder ander om overvloedig gebruik te maken van ontsmettingsmiddelen en verder precies te doen wat mij wordt opgedragen.
De arts onder wie ik rechtstreeks zal werken, is een bijzonder bekwaam man. Hij weet mij goed in mijn taak in te wijden; vanaf nu is het eigenlijk alleen nog een kwestie van tijd.
De dagen vliegen voorbij. Elke avond lijkt het onvermijdelijk dat de vlam binnen vierentwintig uur in de pan zal slaan; iedere ochtend verzinken we opnieuw in apathie en de loomheid van de zomer. En de hitte is onbeschrijfelijk. We vermijden het om mensen te ontmoeten; wat heeft het voor zin? Zij weten nu evenveel als wijzelf, en praten over de situatie maakt de spanning alleen maar groter.

Max Frisch • 30 juli 1946

Max Frisch (1911-1991) was een Zwitserse architect en schrijver. Zijn dagboeken zijn vertaald, onder meer als Dagboek 1946-1949. Vertaling: Wouter Donath Tieges

Café de la terasse
In alle kranten zijn de foto's van Bikini te vinden. Enkele uren nadat de atoombom is ontploft, staat de rook overeind als een zwarte bloemkool Met een zekere teleurstelling verneem je dat de kruisen en torpedobootjagers die in de atol voor anker lagen, nog in redelijke staat verkeren, dus niet zo dat je ze op je brood kunt smeren. De geiten, die deze keer de plaats van de mensen innamen, zijn zelfs nog in leven en kauwen hun voer als ware er niets gebeurd; de apen kunnen er al minder goed tegen. Dit verandert allemaal niets aan de fundamentele vreugde die deze gebeurtenis teweegbrengt. Bij Hiroshima, toen honderdduizenden erdoor om het leven kwamen, was zo'n vreugde niet mogelijk. Ditmaal is het slechts een generale repetitie. Ook de palmen staan nog overeind. Maar het is allemaal ongetwijfeld voor verbetering vatbaar, en de vooruitgang, die tot Bikini heeft geleid, zal ook de laatste stap nog zetten: we kunnen de zondvloed tot stand brengen. Dat is het grandioze. We kunnen wat we willen, en het is alleen nog maar de vraag wát we willen; aan het einde van onze vooruitgang staan we daar waar Adam en Eva hebben gestaan; het enige dat we nog moeten zien op te lossen is de morele kwestie. Misschien zou je niet van vreugde mogen spreken: dat klinkt naar een rotsvast vertrouwen of naar cynisme, en eigenlijk is het geen van beide wat we ervaren als we deze foto's zien; het is de verfrissende alertheid van een voetreiziger die plotseling een heldere en duidelijke wegkruising voor zich ziet, het besef dat we nu moeten beslissen, het gevoel dat we nog één keer de keus hebben en misschien wel voor de laatste keer; een gevoel van waardigheid; het ligt in onze handen of er een mensheid bestaat of niet.

woensdag 29 juli 2026

Robin Hannelore • 29 juli 1987

Robin Hannelore (1937) is een Belgische Nederlandstalige schrijver en dichter, vooral bekend in de Belgische Kempen. Uit: Een schild met everzwijnen.

Woensdag 29 juli 1987 • Verleden maandag leende ik een overall van Jan Gerlach en toog ik in de kerk met hamer en breekijzer aan het werk. Ik kon dat doen zonder schroom, want nergens duidde een inskriptie op de begraafplaats van een vroegere pastoor, donateur of donatrice. Een halve dag had ik ervoor nodig om enkele vierkante meter van de arduinstenen vloer op te breken. Onder die vloer zat een andere vloer, van gestampte aarde, leem wellicht. En daaronder stootte ik op een derde vloer... van keramiek... Andennekeramiek. Volgens ‘De Geschiedenis van Ykele’ van Benedikt Coppé werd de kerk gedeeltelijk verwoest tijdens de godsdienstoorlogen én nogmaals tijdens de Franse Revolutie. Mijn graafwerk was een peiling van het verleden, een put in de tijd. 's Namiddags kwam Jan Gerlach mij helpen. Jan is blind, maar met zijn handen kan hij zoveel meer dan ik. En gisteren kreeg ik ook de hulp van Vinus Gils. ‘Een krat trappist per dag is niet te veel betaald,’ zei hij. Na elk geledigd flesje plaatste hij de krat één meter verder, zodat het opbreken behoorlijk opschoot. Alhoewel ik mij voorgenomen had de ondergrond zo weinig mogelijk te beroeren - op historisch en archeologisch vlak ben ik een zero - kon ik op een bepaald ogenblik toch mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen: ik nam een troffel en legde een gedeelte van de derde vloer bloot... Groot was mijn verbazing toen ik een figuur met een mijter, een staf, een boek, een geselroede en een bijenkorf in de keramiek ontwaarde. ‘Is dat Sinterklaas?’ vroeg Vinus Gils naiëf.
‘Dat is de heilige Ambrosius!’ wees ik hem terecht. ‘Hij moet ooit de patroon van deze parochie geweest zijn...’
‘Dat kan kloppen,’ mengde Jan Gerlach zich in het gesprek. ‘De heilige Rita werd pas in 1900 heilig verklaard. Ze werd in het Italiaanse Roccaporena nabij Cascia geboren in 1381 en ze stierf in Cascia in 1457. Toen stond hier waarschijnlijk al geruime tijd een kerk.’
Ik had daar nooit over nagedacht. ‘Wie zou haar dan hier aan de mensen opgedrongen hebben?’ vroeg ik domweg.
‘Iemand die een hopeloze zaak toch nog in het reine wilde krijgen,’ zei Vinus plomp.
‘Dat kan zijn,’ meende Jan. ‘De heilige Rita zat achttien jaar opgescheept met een beest van een man. Voor iemand met aspiraties om heilig te worden was dat de absolute impasse. Toen echter werd haar man vermoord. In 1413 werd ze augustines in Cascia. Ze leefde zo boetvaardig dat ze de stigma's van de doornenkroon ontving.
‘1413 min achttien is 1395?’ zei Vinus, terwijl hij een flesje bier ontkurkte. ‘En ze werd geboren in 1381? Dan was ze hoop en al veertien jaar toen ze huwde met die bruut... Dat kind moet wat meegemaakt hebben!’
‘De persoon die haar hier als patroonheilige kon doen aanvaarden, moet zéér invloedrijk geweest zijn,’ mijmerde ik.
‘Rosanne van Ykele,’ zei Jan, met getuite lippen, en knikkend.
‘Nooit van gehoord,’ gaf ik toe.
‘Een schande!’ meende Jan. ‘Op Akeldam, de plaats waar het Akelbeekje zich afscheidt van de Akelbeek, stond vroeger een waterburcht die Prusdare heette. Daar woonde sinds mensenheugenis de gravenfamilie Van Ykele. Rosanne van Ykele was de laatste van het geslacht. Zij was gehuwd met een Limburgse graaf, doch kreeg geen kinderen. Het is best mogelijk dat zij het in het begin van deze eeuw op een koopje wilde gooien met de heilige Rita...’
‘Waar is Rosanne van Ykele gebleven?’ vroeg ik. ‘En die waterburcht?’
‘Zij en haar man stierven in een koncentratiekamp,’ zei Vinus.
Jan knikte. ‘In Mauthausen. In het begin van de jaren veertig zat Prusdare vol Joden. Wij dachten dat het allemaal familieleden van de graaf waren. Iemand moet de Gestapo op de hoogte gebracht hebben... Het kasteel werd opgeblazen.’
Ik moet toch absoluut ‘De Geschiedenis van Ykele’ eens grondig gaan lezen. Lektuur is een troost voor de eenzamen, heb ik altijd gedacht. Waarom kom ik er niet toe hier ook maar één boek te lezen. Waarom ben ik elke avond ziek van melancholie? En op de zolder van de pastorie heb ik nog geen voet gezet. Het is alsof ik er onderbewust altijd van overtuigd geweest ben dat ik hier maar en passant vertoef... tot God inziet wat voor een bok hij in mijn geval geschoten heeft.