zondag 3 mei 2026

Edmond de Goncourt • 4 mei 1871

Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, criticus en uitgever, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) (en na diens dood alleen) een beroemd geworden dagboek bij.

Donderdag 4 mei [1871]
Vanaf het stadhuis vertrokken om in een van de meer afgelegen wijken Jongkind op te zoeken. Ik ben een van de eersten die de verdiensten van de schilder gezien heeft, maar ik kende de man zelf nog niet.
Stel u voor een blonde reus met blauwe ogen, het blauw van Delfts aardewerk, en een naar beneden getrokken mond, terwijl hij aan het schilderen is in een gebreid vest en met een Hollandse schipperspet op.
Op zijn ezel heeft hij een schilderij van een Parijse voorstad, met een lemige rivieroever van een allerkostelijkste makelij. Hij laat ons schetsen zien van Parijse straten, van de wijk rond de rue Mouffetard, van de omgeving van de Saint-Médard, en het lijkt of daar de apotheose van de grijze en vlekkerige Parijse pleisterkalk, in de glans van de vochtige atmosfeer, door een tovenaar is vastgelegd. Daarna volgen voorstudies, kladjes op papier, fantastische beelden van lucht en water, een vuurwerk van de kleuren van de hemel.
Hij liet het ons allemaal heel goedig zien, terwijl hij een mengeling van Hollands en Frans brabbelde, waarin soms de bitterheid doorklonk van een groot talent dat 3.000 frank per jaar vraagt om te kunnen leven, een bedrag dat hij niet altijd bij elkaar had gekregen, zelfs niet in de tijd dat hij een schilderij van Bonington voor 80.000 frank van de hand had zien gaan. Maar direct daarop bedaarde hij weer en sprak hij met een trieste ondertoon over zijn kunst, zijn strijd en over zijn voortdurende zoeken, waardoor hij, naar zijn zeggen, ‘de ongelukkigste mens was die er rondliep’.
Intussen was er steeds een vrouw in zijn onmiddellijke nabijheid, die zich in woord en gebaar tegenover hem gedroeg zoals een moeder met haar kind omgaat, een vrouw die hem gered had van de honger en de waanzin. Zij was gedrongen en had zilvergrijs haar en een flinke snor; het was een engel van toewijding met het uiterlijk van een bordeelhoudster.
Het bezoek nam geruime tijd in beslag, het bekijken van de portefeuilles duurde verscheidene uren, Jongkind kwam los, hij wond zich op over de politiek van de Commune. Plotseling begon zijn spreken zich te verhollandsen en raakte hij in de war, zijn woorden werden heel vreemd en onsamenhangend. Er was sprake van agenten van Lodewijk XVIII, van afschuwelijke dingen waarvan de schilder getuige zou zijn geweest. Hij sprong ineens op, alsof er een veer in hem losschoot: ‘Daar ging een elektrische stroom vlak langs me heen, zag u wel.’ En met zijn mond deed hij het geluid van een fluitende kogel na. Hij ging weer zitten en begon opnieuw over de geheime politie, over mensen die hem wilden laten verdwijnen, enzovoorts. Het is treurig, het is afschuwelijk om te zien hoe deze talentvolle man, die al een keer uit de afgrond is teruggehaald, wankelend op het punt staat er opnieuw in te vallen bij het eerste het beste gesprek van enige duur, bij de minste prikkeling van zijn zenuwen, bij de minste inspanning van zijn hersenen.

Otto van Lidth de Jeude • 3 mei 1940

Otto van Lidth de Jeude (1881-1952) was een Nederlandse waterbouwkundige en politicus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in Londen. Hij was voorzitter van het Nederlandse Rode Kruis en vanaf 1942 minister van Oorlog. Over de periode 1940-1945 hield hij een dagboek bij.

3 Mei 1940
8 uur aankomst T. Pandang, afgehaald door Ir. van Hasselt. Hij deelt mede, dat Ir. van Capelle is ontslagen, omdat hij, evenals zijn vrouw, verwoed N.S.B. is. Ik acht dit een wijs besluit, mede met het oog op de houding van de N.I. Regeering. Mr. Brons te Batavia, waarover ik op 14 Maart schreef, is in dienst gehouden, omdat hij mededeelde, dat hij den N.S.B. had afgezworen en met de mededeeling, dat indien hij zich daarmede te eeniger tijd zou bemoeien, dan onmiddellijk ontslag zou volgen.
In Nederland werd het standpunt ingenomen, dat N.S.B.-neigingen geen reden voor ontslag waren, zoolang daarvan in den dienst geenerlei hinder of nadeel werd ondervonden. Dit standpunt wordt in Ned. Indië, waar met geheel andere omstandigheden is rekening te houden , niet houdbaar geacht en dient een veel strengere maatstaf te worden aangelegd. Zonder hierop uitvoerig in te gaan, wordt eraan herinnerd, dat het bestuur van Nederlandsch-Indië door de Nederlandsche autoriteit ernstig geschaad zou worden, indien daarbij een diepgaand verschil van politiek inzicht tusschen de Nederlanders aan den dag zou treden, terwijl bovendien toelating en doorvoering van totalitaire beginselen weinig goeds voor de inlandsche bevolking voorspelt hetgeen tot vérgaande consequenties zou kunnen leiden.
[...]
Een als steeds voortreffelijke rijsttafel bij Ir. van Hasselt met Van den Broek, Van Kuyk, mej. Bijl, de secretaresse, die Van den Broek uit Holland heeft medegenomen, een beschaafd, bescheiden meisje, de dochter van den gezagvoerder van de Nieuw Amsterdam, die voor de correspondentie en administratie bijzonder nuttig is. Haar zuster is getrouwd met een zoon van Weiter, die in Batavia gevestigd is. Zij is in Den Haag werkzaam op de Billiton Mij en kent dus alle ins and outs van het kantoor, hetgeen voor Van den Broek een groot gemak is, weshalve hij haar ook medegenomen heeft. Na den rijsttafel keeren wij aan boord van het M.S. Siberg terug om 3 uur, teneinde den reis naar Singkep voort te zetten. Aan boord ten afscheid aanwezig Ir. van Lier en Dr. Leeuwenburgh met echtgenoote. Ir. van Hasselt zal ons op den verderen reis vergezellen.

Bep Vuyk • 2 mei 1945

• De Nederlandse schrijfster Bep Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.

Begin mei 1945
Vandaag was het broodje bijna niet eetbaar, weinig maïs, veel cassave, zuur en onsmakelijk. Ons dagelijks brood, letterlijk in het zweet ons aanschijns verdiend. ik zeg tegen Rudi dat ik op pay-dav ragi [zuurdesem] zal kopen, waarmee we gegiste broodpap kunnen maken. Mijn overbuurvrouw biedt mij een ragi-bollet je aan en ik gebruik mijn laatste schepje suiker om de gisting op gang te brengen.

Het is een ongewone geste in dit milieu, want hoewel we alleen gescheiden door een gangpad van krap drie meter overburen zijn, kennen we zelfs elkaars namen nog niet. We zeggen alleen goedemorgen bij het wakker worden, daar blijft het bij. Tot een gesprek zijn we nog niet gekomen; door mijn tuinwerk ben ik weinig in de hut.

Ze is een wat oudere vrouw, ik schat haar op even in de vijftig, maar daar informeer ik niet naar. Altijd als ik met een van de vele anoniemen praat, stel ik geen persoonlijke vragen. Tenslotte zijn wij net als wrakhout aangespoeld aan een barre kust, met de kans dat een nieuwe golf ons weer uit elkaar drijft.


Deze keer praten we wel nog wat na, terwijl ik de ragi behandel Ze werkt niet want ze heeft een achterlijk dochtertje van een jaar of zestien, een stil introvert kind dat weinig zegt en alleen heel verlegen lacht als ze aangesproken wordt. Ze heeft geen aansluiting bij de meisjes van haar leeftijd, die allemaal werken. De moeder vertelt mij dat zij zelf graag zou willen werken, maar ze durft het kind niet onbeschermd in de hut achter te laten. Ze wandelt veel met haar; beweging hebben ze beiden nodig.

'In de hut praten ze alleen maar over geruchten. De mensen hebben veel te weinig te doen,' klaagt ze. Er zijn een stel oude vrouwen, stakkers, zwak en ziekelijk, en moeders met nog hele kleine kinderen en echte zieken met koorts, maar niet hoog genoeg om naar het hospitaal overgebracht te worden. Geruchten over landingen in alle grote havensteden van Java en Sumatra en over dingen die het kamp onmiddellijk treffen. We zullen nóg minder brood krijgen en kleinere porties rijst. Er is een grote groep nieuwelingen op komst, voor wie we moeten opschuiven. En het allernieuwste: we krijgen Rode-Kruispakketten. Dat is wel het meest onwaarschijnlijk, daar zijn we het over eens. Het vorige jaar hebben wij een keer een Rode-Kruispakket gehad. Dat was in Kareës, toen ik nog tot de kongsi An, Chris, Beb en kinderen behoorde. Dat was in mei dat we ze kregen, precies op Hans' verjaardag, en nu is het weer mei. Hiermee meen ik de oorsprong van het gerucht getraceerd te hebben en ik vertel het mijn buurvrouw. Meimaand, Rode-Kruismaand, zo ontstaat de kampfolklore.

donderdag 30 april 2026

Reinier Lucassen • 1 mei 1975

Reinier Lucassen (1939-2015) was een Nederlandse kunstschilder. Hij publiceerde in 1975 enige dagboekbladen in De Revisor.

1 Mei
Vanavond rond half tien uitgeput thuisgekomen. Heb ook de laatste dagen weer veel last van mijn hoofd. Ik zal de laatste tijd te veel en te lang hebben gewerkt; uit ellende de televisie aangezet (wat verstrooiing), een programma over vrouwenemancipatie. Op het moment dat het beeld doorkwam, viel ik als het ware met mijn neus in de boter: een keurige wat oudere en zeurderige dame met een kuisheidsgordel in de handen geklemd vertelde welk een ellende een dergelijk ding kan veroorzaken en had veroorzaakt. Ik had nooit eerder een kuisheidsgordel gezien, ik moet eerlijkheidshalve bekennen dat ik zeer gefascineerd heb zitten kijken. Heel lang heb ik gedacht dat de kuisheidsgordel nooit heeft bestaan, dat het een literair bedenksel was, romantische dichters en zo, of het produkt van de fantasie van wat overspannen oude vrijsters. Waar ik na afloop van dit programma aan moest denken, was dat die vrouwen (in ieder geval op dit moment), die zich met de gelijkheid van de vrouw bezighouden bijna altijd van die engerds zijn, niet om aan te zien. Vaak ook zijn het ongewassen puistekoppen types met vuile nagels, heb ik goed kunnen controleren in die hippe artiestencafé's, waar nogal wat van die dolle mina's rondscharrelen. Wat een afschuwelijk en tragisch misverstand om te denken: als je er maar goor uitziet, in een voddenzak gehuld, dat je gelijk bent aan de man. Trouwens dit verschijnsel vind je niet alleen bij die dolle mina's, is erg in bij veel progressieven en andere linkse wereldverbeteraars; hoe viezer hoe mooier. Ik ga daarom toch maar liever naar mijn favoriete dancing, waar vaak beeldschone meisjes rondlopen. Als ik daar wat rondloer is het mij duidelijk dat zulke meisjes helemaal niet geïnteresseerd en bezig zijn met wat voor soort van emancipatie dan ook, zij hebben wel wat anders aan hun hoofd.

woensdag 29 april 2026

Arthur Japin • 30 april 2009

Arthur Japin (1956) is een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken 2008-2018 zijn gepubliceerd als Geluk, een geheimtaal.

April 2009
[Noord-Frankrijk]
Boven de Maas hangt mist waar de zon doorheen breekt. Bens vader, naar Europa gekomen voor de promotie van zijn zoon, staat in de bocht bij het chateau in de buurt van Verdun uit te kijken over de rivier. Hij denkt aan zijn vader, die hier gevochten heeft. Even later lopen wij met hem over het kraterlandschap van de slagvelden. In elk gat dat door het mortiervuur werd geslagen moesten zich drie soldaten opstellen. Werden zij bij een volgende inslag bedolven, dan stapten drie verse jongens in het nieuwe kratergat, wachtend op hetzelfde lot. De aarde is weer begroeid, maar nooit geheeld. Onder de dennen is het desolate maanlandschap nog goed te zien.
Wij staan gebogen onder de koude, natte gangen van fort Douaumont als Lex belt om te zeggen dat er een aanslag is gepleegd op de koninklijke familie. Het past naadloos in de naargeestigheid van deze dag. Ingrid, onze gids, heeft ons een ogenblik tevoren de plek aangewezen, hier, precies achter mijn hoofd, waar na een mortierinslag de ingewanden van de soldaten van de muur moesten worden geschraapt. Genoeg, wij willen naar het leven!
Buiten vliegen de zwaluwen. Zij nestelen in de kieren van het fort, precies op ooghoogte zodat we ze goed kunnen zien.
`Maak een foto voor Lex,' zegt Ben. 'Hij is zo gek op zwaluwen!'
'Ik heb thuis ook zwaluwen,' gromt Ingrid. 'Als hun kinderen niet snel genoeg uitvliegen breken zij ze met hun snavels de nek.

dinsdag 28 april 2026

Sonja Paardekooper • 29 april 1945

• Sonja Paardekooper (1930-2009) hield als jong meisje een dagboek bij van haar tijd in het interneringskamp Ambarawa. Dat dagboek is gepubliceerd als Achter het gedek (Het gedek was de bamboe schutting rond het kamp, waar je dingen kon ruilen met de buitenwereld.)

29 April
't Is vandaag de verjaardag van zijne keizerlijke hoogheid "Tenno Heiko". Erg scheutig is hij niet voor zijn geïnterneerde gasten. Voor ons 1300 (?) heeft hij een halve koe gestuurd en zelfs de pakketten zijn nog niet uitgedeeld. Wel heeft hij meedegedeeld, dat we van "hotel" moeten verhuizen. Als een bom kwam het bericht gisteren in ons midden; wel liepen er allang zulke geruchten, maar daar hechtten we geen waarde aan. Nu zie je dat er geen koe (zo) bont is, of er is een vlekje aan. Juffrouw Ongerboer zei ons, dat de Nip wel elk ogenblik andere orders gaf, maar dat we waarschijnlijk tussen de 4e en de 8e gaan, dat we verdeeld worden over kamp 6 hier in Ambarawa en kamp 10 en 11 in Banjoebiro wat hier vlakbij is. Als reden wordt de slechte watersituatie opgegeven, maar dat zal wel een smoesje zijn, want daar heeft de Nip zich nog nooit iets van aangetrokken, waarom nu opeens wel? We hebben al overal nummers opgenaaid en mammie heeft mijn koffer al overgepakt. 't Erge is, dat de djagoeng en de kedele op is en dat die vent voor die paar dagen wel geen nieuwe voorraad zal sturen. Dus hongeren, terwijl het nu juist weer zoo goed ging met een beetje boter en twee eieren. Ik vind het erg naar, dat we weg moeten. Als we nu (eens) naar huis mochten! Maar wie weet, gaat het wel niet door. Nippon's wegen zijn wonderbaar.

1 Mei
De vierde gaan de Bandoengers naar een kamp in Banjoebiro, de vroegere gevangenis. Wij gaan naar kamp 11, maar wanneer is nog niet bekend. Onze pakketten zullen meegestuurd worden, die zien we dus niet. Nu, we zijn al bijna gepakt. Het spijt me alleen van mijn werk in de keuken en waarschijnlijk komen we daar in gedekloodsen. Dit moet ik [tekening hieronder] verbeelden, als ik naar stookdienst ga. Alleen is 't niet zo goed gelukt. Een klein shortje, dat een onbestemde kleur heeft gekregen waaronder een paar lange blote spillebenen uitsteken. Daarboven een blouse met honderd en een stopjes en lappen, voor het werk nog blauw en later zwart. Op mijn hoofd een gele doek, die vroeger een padvindersdas geweest is en die mijn haar tegen het al te vuil worden moet beveiligen. Als mijn tegles niet kapot zijn, loop ik daarop en anders op blote voeten.

maandag 27 april 2026

M.B. van der Jagt • 28 april 1909

M.B. van der Jagt (1873-1960) was gouverneur van Soerakarta. Onderstaand verslag van onenigheid tussen Chinezen en Arabieren komt uit zijn dagboek, opgenomen in zijn Memoires

Tegal, 28 April 1909.
Gisternacht om twee uur nog een gewonde Arabier in zijn huis laten oppakken en preventief gezet. Heeft een wond aan zijn rechterhand en beweert die acht dagen geleden te hebben opgelopen bij het splijten van een bamboe, bestemd voor vlaggestok, bij de Oranjefeesten (niet slecht bedacht), maar de dokter verklaarde, dat die wond aan de onderkant van de pink niet van een eigen kapslag op een bamboe kon ontstaan zijn. Gisteravond geheim onderhoud gehad met Baheloel, eervol ontslagen Arabisch wijkmeester. Hielp al meermalen de politie voor het ophelderen van diefstallen. Beweert nu ook te willen meehelpen, omdat ik hem vergunde met een stok te blijven lopen. Hij is mank. Overhandigde hem een persoonlijk schrijven als introductie bij B.B. en politie in andere gewesten.