zaterdag 10 november 2018

Sigurd von Ilsemann -- 10 november 1918

Sigurd von Ilsemann (1884-1952) was vleugeladjudant van de Duitse keizer Wilhelm II. Hij schreef Der Kaiser in Holland. Aufzeichnungen des letzten Flügeladjutanten Kaiser Wilhelms II.

Zondag, 10 november 1918
Om drie uur 's morgens vertelde 'vader Schulz', de kamerdienaar, mij, dat de keizer nog tot twee uur 's nachts had geschreven en toen was gaan slapen. Gontard en Niedener zaten samen in de coupé, de anderen sliepen of lagen wat te dommelen. Om vier uur kwam de keizer in de restauratiewagen. Ik ging naast hem zitten om hem de wapenstilstandsvoorwaarden mede te delen.

Zwijgend hoorde de keizer aan welke oneindig zware voorwaarden het vaderland waren opgelegd. Slechts hier en daar stelde hij een vraag.

Plotseling zei Z.M.: 'Ik kan mij nog altijd niet verenigen met het besluit naar Holland te gaan! Indien nu ook daar het bolsjewisme uitbreekt?' Plessen en Grünau stelden hem gerust: 'Daar zal het niet komen en indien toch, dan in een veel mildere vorm.'

Om vijf uur zette de trein zich in beweging. In het gangpad hadden 25 man postgevat onder een officier van het stormbataljon Rohr; de mannen waren gewapend met mitrailleurs, handgranaten en geweren. Tien minuten later stonden wij stil. Z.M. drukte de achterblijvende heren zwijgend de hand, de anderen stapten met hem uit. Daar gevreesd werd, dat de trein het door de bolsjewisten bezette Luik niet zou kunnen passeren, zou Z.M. de weg naar de grens per auto afleggen. Kapitein Zeyss, die de keizerlijke auto's onder zijn beheer had, was op bevel van Plessen in de namiddag reeds langs het uitgestippelde traject gereden.

De stationschef met rode pet lichtte de keizer met een lantaarn bij door het donkere station, door de duistere nacht naar de grote weg, waar de auto's zouden staan. Zij waren er niet. Zeyss had ze in de opwinding naar een verkeerd punt gezonden. Zo stond de vluchtende keizer op de duistere straatweg, boven ons de hemel met heldere sterren. De hoftrein vertrok van het station in de richting Luik. De nacht was koud. Een voorbijrazende motorrijder werd aangehouden en met diens hulp werden de auto's opgezocht, die na ongeveer tien minuten verschenen.

In de eerste namen excellentie Frankenberg, Zeyss, Niedener en Grünau plaats. In de tweede de keizer met Plessen achterin, Hirschfeld en ik voorin. De keizer vroeg direct naar de wapens. Hirschfeld en ik haalden uit andere auto's vier karabijnen, die wij op uitdrukkelijk bevel van Z.M. moesten laden en ieder van ons nam er een met omgelegde veiligheidspal tussen de benen. Voorin zaten twee chauffeurs van de keizer. Zo reden wij door de donkere nacht. De keizer was buitengewoon opgewonden, wat bleek uit de verschillende orders, die hij gaf: 'Rijd naar de eerste wagen en zeg, dat hij niet zo snel moet rijden, anders kunnen wij het tempo niet bijhouden, verliezen hem uit het oog en raken de weg kwijt.' Nauwelijks was deze wens vervuld of Z.M. riep: 'Ja, als die daar vooraan zo langzaam rijden, kunnen wij onmogelijk voor het licht de grens nog bereiken. Rijd snel naar voren en zeg dat ze het tempo verhogen.'

Uit veiligheidsoverwegingen bleef de eerste wagen bij enige wegwijzers even stilstaan. De keizer: 'Zeyss vergist zich telkens in de weg, hij had die toch moeten verkennen.' Ik wees op de links van ons zichtbare zee van licht in de verte, Luik, en stelde hem gerust, zeggende, dat wij ten oosten van de vesting moesten passeren en dus op de goede weg waren. Geleidelijk werd de keizer rustiger. Niemand van ons sprak meer een woord. Langs kronkelende wegen, over bruggen en spoorbanen raasden de auto's er vandoor. Een keer reed de hoftrein ons voorbij. Nauwelijks een mens was te zien.

Alleen in de dorpen ontwaakte langzaam het leven; melkkarren en mensen, die naar hun werk gingen, doken in het schelle licht van onze lantarens hier en daar op.

Plotseling zag ik op een brug een dubbele wachtpost met een grote rode vlag zwaaien. De auto's stopten. 'Arbeiders- en soldatenraad? of nog oude discipline?' ging mij door het hoofd. Goddank het laatste! Een normale controle. Na een kort gesprek met Frankenberg en het controleren van de chauffeurs, zetten wij ons weer in beweging. De morgen begon aan te breken. Bomen en velden werden zichtbaar. Nu en dan doken steeds weer de lichten van Luik op. Na ongeveer anderhalf uur rijden wederom een wachtpost. Vóór ons een grote prikkeldraadversperring. De grens! Nu kwam het er op aan. Beierse landweermannen besnuffelden de auto's. Een van hen keek verwonderd naar de weggekraste keizerskroon en riep anderen er bij. Mijn hand sloot zich vaster om de kolf van de karabijn. Wilden de mensen ons niet vrijwillig doorlaten, dan bleef ons alleen geweld over. Wij in de auto van de keizer bleven zitten om niet onnodig de opmerkzaamheid op ons te vestigen.

Frankenberg en Zeyss stapten uit, en spraken de soldaten, van wie er nog een paar slaperig uit het grenskantoor kwamen, vriendelijk toe. 'Generaal Von Frankenberg met enige officieren moet voor een belangrijke aangelegenheid naar Holland!' Dat was duidelijk. De wapenstilstand was immers ophanden. De poort naar de vrede werd geopend, een soldaat sprong op de treeplank, en kort daarna was de Duitse keizer op neutrale bodem. In de handen van eigen muitende troepen kon de Duitse opperbevelhebber niet meer vallen. Nu kwam een nieuwe zorg. Zou Holland de keizer opnemen, of wat zal het land met hem doen? Hier begon de diplomaat Grünau met zijn bezigheden.

Hij verdween in het Hollandse grenskantoor. Bijna geen mens was te zien. Maar weldra werd het levendig. Uit alle huizen kwamen soldaten en burgers gelopen, nieuwsgierig om de Duitse auto's heenlopend. Enkelen staken hun hoofd in onze auto.

De keizer stak een sigaret op. 'Kinderen, steek er ook een op, jullie hebben het verdiend,' was het eerste wat hij sinds ongeveer een uur zei. Toen de sigaret opgerookt was, stelde hij voor uit te stappen.

Langzaam kwam de zon te voorschijn boven de heuvels van het land, dat voor deze verschrikkelijke oorlog was gespaard gebleven. Kerkklokken luidden de zondagmorgen in. Ik zei zacht tegen Hirschfeld: 'Hoort u, dat zijn nu werkelijk vredesklokken.' De keizer trad naderbij, legde zijn hand op mijn schouder: 'Ilsemann, waar zijn uw ouders nu, en welke berichten hebt u van hen?' 'In Darmstadt, uwe Majesteit, ik geloof echter niet, dat zij daar zullen blijven, omdat de Fransen de stad willen bezetten!' Al pratend liep de keizer met ons de dorpsstraat op en af. Het was koud, ja bijna ijzig, maar geleidelijk aan kreeg de zon warmte. Tegen acht uur in de morgen verscheen de plaatselijke districtscommandant, de majoor der politie met zijn adjudanten en een Nederlandse diplomaat, Verbrugge van 's Gravendeel, die 's nachts om elf uur uit Brussel was vertrokken om de commandant over de aankomst van de keizer in te lichten. Daar wij echter eerder hier waren dan hij, kwamen wij voor de grenswacht als een verrassing. De heren meldden zich zeer stram bij Z.M. en stelden voor, naar het station Eysden te gaan, om daar de hoftrein af te wachten. Gersdorff arriveerde ook weldra per auto en een uur later was de speciale trein op neutrale bodem. Tot zolang liep de keizer met de Hollandse majoor en ons het perron op en af. Van alle kanten kwamen mensen toegelopen, en steeds weer hoorde men de uitroepen: 'Ah, Kamerad Kaputt!' of 'Vive la France!' Men zag dreigende vuisten en andere weerzinwekkende blijken van afkeer. Men hoorde foei-geroep en er klonk schel gefluit. Het deed mij pijn tot in de ziel voor de arme keizer. Hij liep echter rustig verder op en neer, alsof hij niets zag of hoorde. Fotografen maakten kiekjes. Het was een verlossing, toen de trein binnenliep, die de keizer voor verdere vernederingen beschermde. In de restauratiewagen namen wij een klein ontbijt, maar de gordijnen moesten neergelaten worden, daar de fabrieksarbeiders (meest Belgen) hun geschimp voortzetten. Soms vreesden wij, dat de arbeiders met stenen zouden gooien. Eerst toen in de loop van de voormiddag soldaten en politie op fietsen aankwamen, het station afzetten en orde schiepen, waren wij tegen verdere overlast beveiligd.

De gehele dag zat Z.M. met het gevolg in de restauratiewagen. Hij verliet hem alleen een half uur voor het middag- en avondeten, opdat de tafel kon worden gedekt. Hij kon niet alleen zijn en 's avonds, als wij onder elkaar waren luchtte hij zijn gemoed. Hoe hij gedurende zijn regeringstijd steeds het goede had gewild en op welke moeilijkheden hij daarbij overal was gestuit. Het meest had hij eronder geleden, dat de oudere generatie hem altijd weer had overstemd. Toen hij aan de regering was gekomen, had hij met de ambtenaren van zijn grootvader moeten regeren. Door de vroege dood van zijn vader had hij een gehele generatie overgeslagen. Vandaar de tegenstelling tussen ouderdom en jeugd.

Tussen hem en Bismarck was een verwijdering ontstaan over het arbeidersvraagstuk. In plaats van zich toen in Friedrichsruh rustig te houden, was hij op grote schaal een campagne tegen de jonge keizer begonnen. Ook de verhouding tot zijn vader en grootvader was voor hem als prins niet gemakkelijk geweest, beiden waren er op uit hem overal buiten te laten. Stond de een hem wat toe, dan keurde de ander het weer af. Hier liet de vader, daar de grootvader als opperbevelhebber zijn invloed gelden. Zo was zijn hele leven een strijd geweest. Voortdurend had een grote verantwoordelijkheid op hem gerust. Nooit heeft hij rust gevonden. Nu was hij voor het eerst in zijn leven vrij. Maar niet alleen onder Bismarck waren de verhoudingen zo moeilijk geweest, ook onder de latere kanseliers.

Nu hij de oudere is geworden en zijn ministers de jongeren zijn en hij eindelijk zijn wil eens had kunnen doorzetten, jaagt men hem weg. De keizer sprak opgewonden, maar toch volkomen beheerst. Onbekenden, die in de loop van de dag steeds weer bij hem kwamen, moesten zijn zelfbeheersing bewonderen. Achtereenvolgens dienden zich aan: een Nederlandse overste met adjudant, een politiecommandant, de heren Von Grote en Von Osten-Sacken van het Duitse consulaat in Maastricht. De heer Grünau zocht dadelijk vanuit Eysden telefonisch verbinding met Den Haag. De vraag was nu: zou Holland de keizer opnemen, of zal het dit, uit eigen beweging of onder druk van de Entente, weigeren? Uur na uur verliep, het wachten werd tot een kwelling. Toen het tijd voor het middageten was, vroeg de keizer de aanwezige Hollandse diplomaat, of hij niet wilde mee eten. Aan de manier waarop deze weigerde, meenden wij te bemerken, dat Holland asiel zou weigeren. Met Plessen bespraken wij, wat dan met Z.M. moest worden gedaan. De meest uiteenlopende voorstellen werden gedaan. Aan de juist wat tot rust gekomen zenuwen werden nieuwe eisen gesteld. Met de keizer werd over dit onderwerp niet gesproken.

Eindelijk, tegen de middag, kwam het eerste bericht: de koningin (Wilhelmina) was diep geroerd over de droevige toestand waarin de keizer zich bevond, maar, om te kunnen beslissen wat er met ons moest gebeuren, moest eerst een ministerraad worden bijeengeroepen. De wijze waarop ons dit werd medegedeeld liet zeer goed de mogelijkheid open, dat men ons niet zou opnemen. Frankenberg meende zelfs, dat de Entente misschien de uitlevering van de keizer zou eisen. Dit wachten de hele dag maakte angstig. Eerst kort voor middernacht werden wij van deze spanning verlost. De Duitse gezant, excellentie Rosen, met de heer Koster en een afvaardiging van de Nederlandse regering, bestaande uit drie heren, verschenen om de keizer te melden, dat de Ministerraad eenstemmig had besloten Z.M. op te nemen.

De eerste drie dagen zou de keizer naar Graaf Bentinck in Amerongen gaan, daarna zou een blijvende woonplaats worden aangewezen. Direct greep men naar de 'Gotha' [bedoeld wordt: de Almanach de Gotha – het Europese adelsboek] om vast te stellen, welke Bentinck dit was, en in welke familierelatie hij stond met de Graaf Bentinck, die de majesteiten in 1909 in Middachten als zijn gasten had ontvangen. De heer Koster gaf ons nadere inlichtingen over de familie. Doodmoe ging ik kort na middernacht in mijn coupé slapen.

Dat wij op deze dag uit Den Haag zo laat en zulke spaarzame mededelingen ontvingen, hield verband met het feit, dat in Nederland 's zondags alleen op bepaalde uren kon worden getelefoneerd.

donderdag 8 november 2018

Friedrich Nietzsche -- 9 november 1868

• Fragment uit een dolenthousiaste brief van de jonge Friedrich Nietszsche (1844-1900) aan zijn vriend en collega-wetenschapper Erwin Rohde. Uit: Afgemat als een eendagsvlieg bij avond. Een selectie uit de brieven 1858-1879 (vertaald door Hans Driessen).

 Leipzig, 9 november 1868
[...] Toen ik thuiskwam, lag er een aan mij geadresseerd briefje met daarop deze korte notitie: ‘Als je Richard Wagner wilt leren kennen, kom dan om kwart voor 4 in café Théâtre. Windisch [Ernst Windisch, een studiegenoot].’
Dit nieuwtje bracht me – neem me niet kwalijk! – danig van mijn stuk, zodat ik de gebeurtenissen van zopas helemaal vergat en volkomen van de kook raakte.
Ik ging natuurlijk direct van huis en vond onze brave vriend, die me nieuwe inlichtingen gaf. Wagner was strikt incognito bij zijn familie in Leipzig: de pers had er geen lucht van, en alle bedienden van Brockhaus zwegen als graven in livrei. Nu had de zuster van Wagner, de echtgenote van professor Brockhaus, die verstandige vrouw, ook haar goede vriendin, mevrouw Ritschl, aan haar broer voorgesteld, waarbij ze de eer had – de geluksvogel! – tegenover haar broer met de vriendin en tegenover haar vriendin met de broer te pronken. Wagner speelde in tegenwoordigheid van mevrouw Ritschl het Meisterlied, jou wel bekend, en het goede mens zei hem dat ze dit lied al heel goed kende, mea opera [door mijn toedoen]. Vreugde en verwondering bij Wagner: hij maakt als zijn allerhoogste wil kenbaar, incognito kennis met me te maken. Ik zou voor vrijdagavond uitgenodigd moeten worden: Windisch echter legt hem uit dat ik verhinderd ben door ambt, plicht, afspraak: dus stelt men zaterdagmiddag voor. Windisch en ik gingen dus op weg, troffen het gezin van de professor aan, maar Richard niet; hij was met zijn enorme hoed op zijn grote schedel uit wandelen gaan. Nu maakte ik dus kennis met het genoemde, voortreffelijke gezin en ontving een vriendelijke uitnodiging voor zondagavond.
Mijn stemming in die dagen was beslist enigszins romantisch; je moet toegeven dat deze kennismaking, gezien de grote ongenaakbaarheid van de zonderling, iets sprookjesachtigs had.
In de mening dat er een groot gezelschap uitgenodigd was, besloot ik groot toilet te maken en was blij dat juist voor deze zondag mijn kleermaker mij een kant-en-klaar balkostuum had beloofd. Op die dag regende en sneeuwde het dat het een aard had, men was bang om naar buiten te gaan, en het deed me dan ook deugd dat Roscher op bezoek kwam om me het een en ander te vertellen over de Eleaten en over God in de filosofie [...]. – Het begon al te schemeren en de kleermaker wilde maar niet komen en Roscher ging weg. Ik liep met hem op, bezocht de kleermaker persoonlijk en stelde vast dat zijn slaven naarstig bezig waren met mijn pak: men beloofde het over 3 kwartier te zullen bezorgen. Ik ging vol goede moed weg, liep nog even bij Kintschy binnen, las de Kladderadatsch [politiek-satirisch tijdschrift] en zag tot mijn genoegen het bericht dat Wagner in Zwitserland verbleef en dat men in München een mooi huis voor hem aan het bouwen was: terwijl ik wist dat ik hem die avond zou ontmoeten en dat hij een dag eerder een brief van de kleine koning [Ludwig II] had ontvangen met als adr.: ‘Aan de grote Duitse toondichter Richard Wagner.’
Thuis vond ik weliswaar geen kleermaker, maar las in alle rust het proefschrift over Eudocia [de echtgenote van de twaalfde-eeuwse Byzantijnse keizer Constantijn X] en werd slechts van tijd tot tijd opgeschrikt door schrille belsignalen, die van ver weg leken te komen. Ten slotte drong het tot me door dat er wel eens iemand aan de voorvaderlijke ijzeren poort kon staan wachten: deze was op slot, net als de huisdeur. Ik riep de man door de tuin toe dat hij naar het Naundörfchen moest gaan, maar door het gekletter van de regen lukte het me niet me verstaanbaar te maken. Het huis geraakte in rep en roer, en ten slotte werd er opengedaan en een oud mannetje met een doos diende zich bij me aan. Het liep tegen half 7 en het werd tijd om de boel aan te trekken en toilet te maken omdat ik nogal uit de buurt woon. Enfin, de man heeft mijn spullen, ik probeer ze aan, en ze passen. Maar dan nemen de zaken een dubieuze wending! Hij presenteert mij de rekening. Ik neem die beleefd in ontvangst: hij wil meteen bij ontvangst betaald worden. Ik sta perplex, leg hem uit dat ik met hem als knecht van mijn kleermaker niets te maken heb, maar alleen met de kleermaker zelf, aan wie ik de bestelling heb gedaan. De man dringt aan, de tijd begint te dringen; ik pak mijn plunje en begin me aan te kleden, de man grijpt diezelfde plunje en verhindert me mij aan te kleden: van mijn kant geweld, van zijn kant geweld! Een scène. Ik vecht in mijn hemd, want ik wil de nieuwe broek aantrekken.
Ten slotte vertoon van waardigheid, plechtige dreigementen, verwensing van mijn kleermaker en zijn handlangers, eed om wraak te nemen: ondertussen verwijdert de man zich met mijn plunje. Einde van het tweede bedrijf: ik in mijn hemd op de sofa aan het broeden; ik inspecteer mijn zwarte pak, of het goed genoeg is voor Richard.
– Buiten valt de regen met bakken uit de hemel. –
Kwart over zeven: om half acht, zo heb ik met Windisch afgesproken, zouden we elkaar treffen in het theatercafé. Ik storm naar buiten de donkere, regenachtige nacht in, zelf een zwart mannetje, zonder frak, maar in een verheven romantische stemming: het lot is me gunstig gezind, zelfs de kleermakersscène heeft iets ongehoord-onalledaags.
We betreden de behaaglijke salon van Brockhaus: er is verder niemand dan de meest nabije verwanten, Richard en wij twee. Ik word aan Richard voorgesteld en spreek in het kort mijn waardering voor hem uit: hij wil heel precies weten hoe ik met zijn muziek vertrouwd ben geraakt, scheldt vreselijk op alle uitvoeringen van zijn opera’s, met uitzondering van de beroemde in München en drijft de spot met de dirigenten, die hun orkesten doodgemoedereerd toeroepen: ‘Mijne heren, nu wordt het heel hartstochtelijk’ of ‘Beste vrienden, nog iets hartstochtelijker!’ W. imiteert met veel plezier het Leipzigse dialect. –
Nu wil ik je in het kort vertellen wat deze avond ons te bieden had, werkelijk zulke eigenaardig pikante genoegens dat ik zelfs vandaag nog niet in mijn goede doen ben, maar niets beters kan doen dan met jou, mijn dierbare vriend, te kletsen en kond te doen van een ‘wonderlijke mare’. Voor en na het eten speelde Wagner, en wel alle belangrijke passages uit Die Meistersinger, waarbij hij alle stemmen imiteerde en zeer uitgelaten was. Het is namelijk een wonderbaarlijk levendige en vurige man, die heel snel praat, heel komisch is en een besloten gezelschap als dit heel vrolijk maakt. Ondertussen had ik een lang gesprek met hem over Schopenhauer, en je voelt wel welk een genot het voor me was hem met een onbeschrijflijke warmte over deze te horen praten, wat hij aan hem te danken had, dat hij de enige filosoof was die het wezen van de muziek had begrepen; vervolgens vroeg hij wat de professoren tegenwoordig van hem vinden en hij moest hard lachen om het filosofencongres te Praag en had het over ‘de filosofische dienstkloppers’. Later op de avond las hij een stuk voor uit zijn biografie die hij aan het schrijven is, een heel vermakelijk voorval uit zijn Leipzigse studententijd, waaraan ik zelfs nu nog niet kan denken zonder daarbij in de lach te schieten; hij schrijft trouwens buitengewoon vlot en geestig. – Aan het eind van de avond, toen wij beiden aanstalten maakten om weg te gaan, drukte hij me heel hartelijk de hand en nodigde mij heel vriendelijk uit hem te komen bezoeken om muziek en filosofie te bedrijven en hij droeg me tevens op zijn zuster en zijn familie het een en ander over zijn muziek bij te brengen, hetgeen ik me plechtig heb voorgenomen. – Ik zal je er nog wel meer over vertellen als ik wat objectiever tegen deze avond aankijk en er afstand van kan nemen. Voor nu van harte tot ziens en het beste met je gezondheid.
F.N.

woensdag 7 november 2018

I.S. Toergenjev -- 8 november 1872

• Uit een brief van de Russische schrijver Ivan Sergejevitsj Toergenjev (1818-1883) aan de Franse schrijver Gustave Flaubert. Uit: Brieven (vertaald door Tom Eekman)

Parijs, 8 november 1872
Waarom, ben je zo ongerust over het plebs, zoals je het noemt ? Het plebs beheerst alleen degenen die zich aan zijn juk onderwerpen. Hier is het moment waarop we moeten zeggen: 'etiam si omnes, ego non'. En dan – behoort de heer Alexandre Dumas jr. – dat tot mens geworden 'kreng', om jouw uitdrukking te gebruiken – tot het plebs? En de heren Sardou en Offenbach en Vacquerie en alle anderen? Het is waar, ze stinken... Het plebs stinkt ook – maar op de manier van het woordje Cambronne [= merde]; terwijl die anderen vol rotting en bederf zijn. En zolang er nog iemand bestaat die je liefheeft en met je meevoelt...
Nee, mijn vriend – dat is niet hetgene wat op onze leeftijd zo moeilijk te verduren is – het is de 'taedium vitae' in het algemeen, het is de verveling en walging van alles wat des mensen is; het is niet de politiek, want die is tenslotte maar een spel; het is de droefheid van de vijftigjarigen. En dat is wat ik bewonder in mevrouw Sand: wat een gemoedsrust, wat een eenvoud, wat een belangstelling voor alles, wat een goedheid! Als iemand, om dat allemaal te bezitten, een beetje vergoelijkend, democratisch, misschien zelfs evangelisch moet zijn – mijn hemel, laten we dat op de koop toe nemen.


* Etiam si omnes, ego non is Latijn voor ‘Ook al doet iedereen het, ik niet’.
* Taedium vitae is Latijn voor ‘het verveeld zijn met het leven’.

zondag 4 november 2018

Cosima Wagner -- 5 november 1869

Cosima Wagner (1837-1930) was de echtgenote van de Duitse componist Richard Wagner. De fragmenten uit haar dagboeken die handelen over Friedrich Nietzsche, zijn verzameld in Nietzsche contra Wagner. Wagner en Nietzsche waren aanvankelijk elkaars bewonderaars, maar later bekoelde hun vriendschap.

5 november 1869
Een Parijse krant maakt in zeer correcte bewoordingen melding van ons huwelijk, een zekere heer Beckmann is tegen hatelijke geruchten in het geweer gekomen. R. lacht, omhelst me en zegt: ‘Ja ja, door mij kom je nog in opspraak.’ Dan pakt hij Siegfried op de arm en speelt lange tijd met hem; hij zegt tegen mij, ‘we zullen Siegfried uit huis moeten doen; tegen de tijd dat hij een man wordt, moet hij onder de mensen komen en er op tegenstand stuiten, flink om zich heen slaan en dingen doen die niet door de beugel kunnen, anders wordt hij een fantast of misschien wel een idioot, iets dergelijks als we bij de koning van Beieren [Lodewijk II] kunnen zien.’ ‘Maar waar?’ ‘Bij Nietzsche – daar waar Nietzsche professor zal zijn; wij zullen op een afstand toekijken hoe Wodan zorgt voor de opvoeding van Siegfried. Hij kan dan twee keer in de week voor niks bij Nietzsche gaan eten, en aan het eind van elke week kan deze ons dan verslag uitbrengen.'

Edmond en Jules de Goncourt -- 2 november 1852

Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, criticus en uitgever, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) (en na diens dood alleen) een beroemd geworden dagboek bij.

November
We souperen dit jaar veel buitenshuis: krankzinnige soupers met Léoville als warme wijn en rijstrand met perziken, soupers van 72 frank. We doen dat in het gezelschap van meisjes van plezier die we op goed geluk in Mabille hebben opgepikt, gelegenheidssnolletjes, die aan deze uitgelezen maaltijden beginnen terwijl ze nog een stuk worst van het avondeten tussen hun kiezen hebben. Eentje riep er eens onbevangen: ‘Kijk eens aan, vier uur... Mama is haar worteltjes al aan het schoonmaken!’ We voeren ze dronken en we kleden het beest uit dat in de zijden jurk steekt. Villedeuil, die de volgende dag altijd een rekening moet betalen en door schuldbrieven wordt achtervolgd, probeert bijna iedere avond zijn ellende mét zijn bankbiljetten in een orgie te verdrinken.
Lugubere feesten die altijd ongeluk brengen.
Gisteren, of liever de afgelopen nacht – het was vier uur in de morgen – waren we in kamer 7 van het Maison d’Or, te midden van de muurpanelen met de gouden randjes en de grote, weelderige, breedgebladerde rode en witte bloemen, die door hun reliëf de indruk willen wekken in coromandellak te zijn uitgevoerd. Op de roodfluwelen canapé lag, lui uitgestrekt, een meisje met rood haar, een prostituée die Sabine heette en die iets had van zowel een wolvin, een leeuwin als een koe, zonder korset, zonder jurk, haar boezem ontbloot en haar onderjurk opgetrokken tot boven haar knieën. Op de schoorsteen stond een onaangeroerde fruitmand.
Met rode ogen en koortsige lippen jengelde ze af en toe wat op het kinderlijke toontje van dronken vrouwen. Dan weer vloekte ze, knarste met haar tanden en wilde bijten; ik tilde haar hoofd op toen ze het liet zakken. Vloekend moest ze overgeven.
Tegelijkertijd zat Charles bij Edmond te snikken: ‘Loui­se! ik houd van haar! ik houd zo van haar!’ Hij had het over Louise Rouvroy. Er was op dat moment een niet nader aangeduide verkoeling tussen hen beiden opgetreden. Zij behandelde hem nogal onverschillig in de hoop hem daardoor des te meer te laten dokken. Het meisje richtte zich op om hem te zien huilen en tussen haar gehik door zei ze tegen hem: ‘Huilt u maar eens uit, mijnheer de graaf, huilt u maar eens goed uit, dat is weer eens wat anders. Ze geeft niets om u en ze zal ook nooit wat om u geven. Vooruit, Charles, huil gerust nog maar wat door! En ach, met een briefje van duizend... Of geef haar twee briefjes van duizend!’ En terzelfder tijd was ik bezig de namen van alle minnaars van Louise als koud water over zijn hoofd te gieten.
‘Vooruit,’ zei Edmond, ‘verdomme nog aan toe, vergeet die meid, en laten we naar het bordeel gaan! Die Rouvroy geeft niets om je, dat moet nou maar eens duidelijk gezegd worden. Ze heeft maling aan je. Zo is het toch? Laatst was ik echt behoorlijk boos: je stuurt je rijtuig om haar familie te verslepen, je zoekt haar op in de loge die je voor haar hebt gehuurd, en ze zegt niet meer dan een paar woorden tegen je... In haar theater lachen ze je uit. Ze weten dat je door haar van het kastje naar de muur wordt gestuurd.’
‘Ik heb haar voor twaalfduizend frank aan juwelen gegeven,’ zei Charles, terwijl er langzaam dikke tranen op zijn grote zwarte baard drupten.
‘Nou, verdraaid nog aan toe! Je bent jong, je geeft een tijdschrift uit, je hebt een rijtuig, je hebt een theater en je krijgt de beschikking over een jaarrente van tachtigduizend frank. Wel verdomme, ik zou in jouw geval over een vrouw heen lopen alsof het een stuk straat was!’
Het meisje begon te kotsen. Met zijn handen onder zijn kin scheen Edmond, die tegenover haar zat, in de toekomst van Villedeuil te kijken. Villedeuil met zijn lange haren voor zijn roodbehuilde ogen, kuste snikkend een klein portretje van Louise Rouvroy. Ik goot wat ijswater over het hoofd van het meisje.
En de straatvegers op het trottoir van de boulevard keken naar boven, jaloers op al het plezier dat in het verblekende kaarslicht van ons zaaltje scheen te schitteren.

maandag 29 oktober 2018

Peter R. de Vries -- 30 oktober 2005

• Peter R. de Vries (1956) is een Nederlandse misdaadverslaggever. In 2005, toen hij kortstondig lijsttrekker was van een door hem opgerichte politieke partij, hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij.

Zondag
Normaal duik ik altijd op zondagochtend, maar nu ben ik vroeg uit de veren om Jac en Royce op Schiphol af te halen. Heerlijk dat ze weer thuiskomen. Ik heb in hun afwezigheid hard en lang kunnen werken, maar een week lang krentenbollen en ontbijtkoek gaat vervelen. De vriezer ligt vol met lekker eten, maar als ik alleen ben, kies ik altijd voor de makkelijkste weg, met de minste hoeveelheid afwas. De liefde gaat niet door de maag bij mij. Jac en ik zijn 23 jaar of is het 24? getrouwd en er is nog steeds sprake van een brandend olieplatform in plaats van een waakvlammetje, als ik onze relatie zo mag kenschetsten. Er is niemand die mij beter kent dan zij.
Heel veel tijd om bij te praten is er niet. Met Jan Nagel, Klaas Wilting en de staf hebben we een laatste vergadering, gevolgd door een rollenspelletje waarbij we wat lastige vragen oefenen. Jan verloochent zijn Rooie Haan-afkomst niet met een aantal prikkelende en zuigende vragen.

zondag 28 oktober 2018

Jan Terlouw -- 29 oktober 1982

• Voormalig politicus Jan Terlouw (1931) hield in 1981/1982 een politiek dagboek bij dat is gepubliceerd als Naar zeventien zetels en terug.

Vrijdag 29 october
De laatste vergadering van de ministerraad. Dries [van Agt] eindigt met een toespraakje waarin hij het interimkabinet [Van Agt III], in de rij van kabinetten die hij heeft meegemaakt, kenschetst als ‘een hele goeie’. Zijn slotzin is heel waarderend en hartelijk over mij. Ik word er blij door verrast. Ik zeg een paar aardige dingen terug. De hamer valt, als een guillotine.

Zaterdag 30 october
Als tegen een berg zag ik op tegen ons partijcongres, dat vandaag in de Flint is gehouden. Ik was bang geprezen te worden voor de verkeerde dingen, ik was bang onpasselijk te worden van applaus, ik was bang het congres te zullen verlaten met een definitieve vervreemding van de partij. Maar de mens lijdt dikwijls 't meest door 't lijden dat hij vreest. Ik heb in de wandelgangen veel echte hartelijkheid ontmoet. In de zaal heeft Maarten [Engwirda] me geprezen voor het enige waarvoor ik geprezen wil worden, namelijk voor mijn beleid als minister van Economische Zaken. Er is veel op me aan te merken geweest, vanuit de partij, als partijpoliticus. Er is heel wat te zeggen over het gebrek aan goede communicatie. Maar mijn beleid was goed. Ik ben Maarten dankbaar voor zijn fijngevoeligheid. En het applaus van de zaal, nog één keer, deed me toch wat. Ik geloof dat het echt was. Zoals de tranen aan het graf van iemand die negentig geworden is, echt kunnen zijn.