zaterdag 9 juni 2012

Robert Byron -- 9 juni 1934

9 juni
Ik zou niet lang in Bamian willen blijven. De kunst is niet meer vers. Toen Huan Tsang hier kwam, waren de Boeddha's verguld, zodat ze van brons leken, en in de labyrinten eromheen huisden vijfduizend monniken. Dat was in 632; Mohammed is in datzelfde jaar gestorven, en nog voor het einde van die eeuw hadden de Arabieren Bamian bereikt. Maar het zou nog honderdvijftig jaar duren tot de monniken volledig warden verdreven. Men kan zich voorstellen wat de Arabieren dachten van hen en hun afgodsbeelden in deze bloedrode vallei. Nadir Sjah moet iets dergelijks gevoeld hebben toen hij duizend jaar later de benen van de grootste Boeddha aan stukken sloeg.
Die Boeddha is tweeënvijftig meter hoog, de kleinere vierendertig; ze staan ongeveer vierhonderd meter van elkaar vandaan. De grootste vertoont sporen van een laag pleisterwerk die roodgeverfd was, vermoedelijk als ondergrond voor het verguldsel. Geen van beide hebben ze enige artistieke waarde, maar daar is nog overheen te komen; het is die ontkenning van zin, dat gebrek aan enige trots op hun monsterlijke, weke massa dat je doet walgen. Zelfs het materiaal waaruit ze vervaardigd zijn is niet mooi, want de klif bestaat niet uit natuursteen, maar uit samengeperst grind.
Men heeft een stel monastieke grondwerkers houwelen in de hand gedrukt, waarmee ze een of ander monsterlijk half-hellenistisch beeld uit India of China moesten kopiëren. Het resultaat heeft niet eens de waardigheid van de arbeid.

[lees verder (in het Engels)]

Robert Byron (1905-1941) was een Britse kunsthistoricus. Bovenstaand fragment gaat over de Afghaanse boeddhabeelden die in maart 2001 door de Taliban werden opgeblazen; het staat in zijn reisdagboek The Road to Oxiana.

woensdag 6 juni 2012

Max Nohl -- 7 juni 1859

Rom, 7. Juni. Gestern kam die Nachricht von einer grossen, durch die Franzosen gewonnenen Schlacht und der Einnahme Mailands und heute ist die ganze Stadt bis in die kleinsten Winkel hinein beleuchtet und unzähliges Volk wandelt durch die Strassen, aber still, ohne viele laute Demonstrationen. Wie traurig ist mir zu Muthe; wenn nur Preussen jetzt endlich losschlüge! Den Italienern kann man es kaum verdenken, dass sie die Bewegung in ihrem Vaterlande mit solchem Jubel aufnehmen, aber sie sind wie mit Blindheit geschlagen, dass sie auf N. ihr Heil setzen; mir scheint, die Sache mag auslauten wie sie will, sie sind immer die Betrogenen. Die Gebildeter n unter ihnen scheinen das auch einzusehen.

Maximilian Nohl (1830-1863) was een Duitse architect. In zijn Tagebuch einer italienischen Reise doet hij verslag van een studiereis naar Italië.

dinsdag 5 juni 2012

Moses and Judith Montefiore -- 6 juni 1839

Thursday, June 6th.--We were on horseback at half-past four in the morning. The day was cool and pleasant. Our road lay between the mountains, in a narrow pass, formed by the dry bed of a torrent, with gardens on each side. The mountains were cultivated in terraces, and planted to the summit with vines and olives--"a lovely scene," Sir Moses observed. Indeed it would have been impossible to travel through a richer or more beautiful country. We stopped to rest and take some refreshments, and started again, ascending an extremely barren mountain, and at two o'clock reached Shabia, or Gibeah, the commencement of the scene of destruction. We dismounted, and read some of the Lamentations of Jeremiah, then continued our journey till three o'clock, when we had the first view of Jerusalem. Dismounting once again, we recited the usual prayers. Hearing that the plague was yet in the city, Sir Moses deemed it prudent not to enter. We therefore passed the walls and went up the Mount of Olives, where we pitched our tents on a spot commanding a magnificent view of the Holy City and Mosque of Omar, near the tomb of "Huldah" the prophetess. For two hours before reaching Jerusalem, the road by which we travelled was stoney and deserted. Not a blade of grass or a tree was visible. "Most fervently do I pray," Sir Moses remarked, "that the wilderness of Zion may again be like Eden, and her desert like the garden of the Lord."


Moses Haim Montefiore (1784-1885) was een Brits bankier en filantroop. Hij en zijn vrouw Judith Cohen (1784-1862) hielden een dagboek bij.

maandag 4 juni 2012

John Wesley -- 5 juni 1742

Saturday, June 5.-- It being many years since I had been in Epworth before, I went to an inn in the middle of the town, not knowing whether there were any left in it now who would not be ashamed of my acquaintance. But an old servant of my father's, with two or three poor women, presently found me out. I asked her, "Do you know any in Epworth who are in earnest to be saved?" She answered, "I am, by the grace of God; and I know I am saved through faith." I asked, "Have you then the peace of God? Do you know that He has forgiven your sins?" She replied, " I thank God I know it well. And many here can say the same thing."


John Wesley (1703-1791) was een Britse theoloog en predikant. Hij is de grondlegger van het methodisme. Hij hield zo'n 50 jaar een journaal bij.

zondag 3 juni 2012

John Lauder Fountainhall -- 4 juni 1674

On the 4 of June 1674 Mr. Thomas Murray of Glendoick, advocat, was admitted and receaved, in obedience to the Kings letters, a Lord of the Session, in place of Lee deceissed, as he was ane ordinary Lord, for they say Sir William Lockart the Collonell had his place by way of survivance and reversion of Justice Clerk.

On the same 4 of June Mr. David Balfour of Forret or Glentarkie was, upon the Kings letter, receaved ane ordinar Lord in the place vaikand by the dimission of Sir Androw Ramsay of Abbotshall.

On the 4 of June 1674, in obedience to a new comission for the Secret Councell, sent doune by the King, the Councell was of new modelled, 6 of the former members put out, viz. the Earle of Queinsberry, Earle of Roxbrugh, Earle of ----, Earle of Tuedale, the Lord Yester, and Generall Major Drummond, and 6 new Councelors assumed in their place, viz. the Earle of Mar, Earle of Kinghorne, ----, Lord Rosse, my Lord Colinton, and my Lord Craigie.


Sir John Lauder of Fountainhall (1646–1722) was een Schotse rechtgeleerde. In zijn Journals is ook een Chronicle of events connected with the Court of Session te vinden.

zaterdag 2 juni 2012

Alexander von Siebold -- 2 juni 1910

Donnerstag, 2. Juni 1910
Hetze zum Zahnarzt. Fertig. Dann zu Dr. Kalberloh. Wird jetzt Alex. von einer anderen Seite probiren zu beßern. Schließlich zu Prof. Spiess. Lunge ganz frei giebt Mittel gegen Asthma. Nachmittag mit Hilli u. Edith in den Palmengarten. Sehr schon dort obwohl sonst drückend. Denke über eine Arbeit nach über Deutschlands Zurückgang.


Alexander von Siebold (1846-1911) was een Duitse vertaler en tolk aan het Japanse hof. Zijn dagboeken staan online bij Google Books.

vrijdag 1 juni 2012

Ernest Claes -- 1 juni 1959

1.6.59 : Vandaag komt koning Boudewijn van zijn triomfantelijke rondreis in de Verenigde Staten terug te Brussel. Hij heeft zich ginds getoond als een opgewekte, lachende jonge mens -- wat hij in België nooit deed, of niet kon -- en nu hopen zijn landgenoten, dat hij ook hier voortaan wat meer contact zou nemen met zijn volk. Intussen heeft zijn vader Leopold III met zijn gezin het Paleis van Laken verlaten, onder de druk van de pers en openbare mening, die hem "beschuldigen" zijn zoon te zeer te beïnvloeden.
Ook wordt gemeld, dat het huwelijk van prins Albert met de Italiaanse prinses Paola niet in het Vatikaan door de paus zal ingezegend worden, maar hier te Brussel zal plaatshebben.
Ik heb weer tijd om te denken. Te denken aan alles en dan word ik gewaar dat ik dat altijd gedaan heb, zelfs toen ik nog kind was. Wijn zijn veel minder over wat wij zelf zijn, dan over wat naderen zijn. Wij kennen het minst onszelf. Wij kennen de grond niet waarin wij wortelen. Zelfs dat is ons een groot vraagteken : wortelen wij werkelijk in een grond of is het maar een spel van onze verbeelding, dat wij van ergens, of van iemand, onze eigenheden gekregen hebben? Ik geloof, dat ieder mens een op zichzelf staand absoluut geheel is, een volkomen wezen, dat van niets of niemand afhangt, aan niets of niemand iets te danken heeft voor wat betreft dat "innerlijk leven", dat intieme ons-zelf en van waaruit niet onze handelingen, maar onze gedachten uit gaan. Dat kunnen wij anderen niet mededelen, omdat wijzelf het niet beheersen. Wij laten ons gaan, of meedrijven, en zeggen dan zeer geleerd dat de mens altijd een geheim blijft voor de andere mens. Gelukkig maar. Wat dragen wij toch een ballast met ons mee. En was de ene mens geen geheim voor de andere, dan was het leven een hel! Die ballast op onze schouders, van opvoeding, onderwijs, gebruiken, ervaringen, mensen en dingen. Ach God! Meer en meer geloof ik aan uw bestaan!


Ernest Claes (1885-1968) was een Belgische schrijver. Gedeelten uit zijn dagboeken werden gepubliceerd in Uit de dagboeken van Ernest Claes en Uit de dagboeken van Ernest Claes: het afscheid.