Zondag
Op verzoek van het vogeltijdschrift De scharrelaar schrijf ik
vogelgedichten. Ik weet in ornithologische zin bedroevend
weinig over vogels – en dus worden mijn papieren vogels mythisch, om te beginnen de uil, die al eeuwen in gedichten heeft
doorgebracht. Er is ook een uit het nest gevallen mereljong,
een ‘Ongerijmd vogeltje’:
Buiten de keukendeur ligt iets:een (zodra je je hebt gebukt)uit Darwin gedonderdvan cellen gemaakt onvoltooid ding…
Zo’n mereltje bestaat uit een paar miljoen geprogrammeerde cellen, tot het doodvalt en de cellen zinloos worden. Je
moet dat soort zaken als een klein kind bekijken: eerst kon
het vliegen, toen nooit meer. Maar wat is er dan met dat
vliegvermogen gebeurd? Dat was de ziel, anachronistisch
uitgedrukt.
Het vliegvermogen is universeel onder merels. Dat is de
idee ‘vliegvermogen’. De ziel is de individuele uitwerking daarvan (net als de zang, enzovoorts). De idee splitst zich dus
op; maar zodra dat gebeurt, zodra er een vogeltje ontstaat,
is het vliegen, zingen enzovoorts geen idee meer; en als het
geen idee meer is, is het dus een werkelijkheid. Het doodvallen
doet daar niets aan af: een herinnerde werkelijkheid is nog steeds een werkelijkheid. Sterker nog, het doodvallen zelf is
een werkelijkheid.
Het is onbegrijpelijk, maar niet erg moeilijk.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten