zaterdag 1 december 2018

Maurits Wagenvoort -- 1 december 1903

Maurits Wagenvoort (1856-1944) was een nederlandse schrijver, die in 1903 op zoek ging naar wat er nog over was van de Nederlandse kolonie in het Turkse Smyrna.

Smyrna, 1 December, 1903.
Smyrna maakt eerst geen aangenamen indruk: een rumoerige, vuile, lange kade, en daarachter de tegen de bergen in het rond opklimmende stad. Van de aanzienlijke Hollandsche kolonie, welke hier sinds eeuwen is gevestigd, kwam het eerste Smyrniootsch specimen-landgenoot op Samos tot mijn kennis: een goedige, élégante jonge man Raoul Domino, zoon van een moeder van Hollandsche afkomst. Hij sprak gemakkelijk Hollandsch, maar met hoorbaar vreemd accent. Zijn vader was een Griek. De tweede, hièr, droeg den echt-Hollandschen naam Van der Zee. Ofschoon hij onze taal zeide te verstaan, sprak hij er geen woord van: een rijke cargadoor, welgedaan, grijs, blozend van gezicht met kleine grijze bakkebaardjes, witte das en in zijn rond gezicht levendige vriendelijke oogen. Naar zijn spreken was hij vol belangstelling voor het oude land en een oudere broêr van hem heeft zich zelfs voor goed met zijn vrouw in Den Haag gevestigd. Hij stelde mij zijn zonen voor, van wie de jongste Hollandsch bestudeert onder leiding van een Nederlandschen pater, vader Katz.

donderdag 29 november 2018

J. Slauerhoff -- 30 november 1926

Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) was een Nederlandse dichter en schrijver (en scheepsarts). Een klein aantal dagboekaantekeningen van hem is gepubliceerd in Dagboek.

Z. 28 Nov. Lees bij v. Leent brief u. Nederland.
"Medici met ruime beurs kunnen natuurlijk meer doen dan die met minder. Het C.fonds is zakelijk, en geeft geen philantrop. uitkeering. Toch kunnen we ons voorstellen dat U (v. L.) door ons schrijven op die gedachte (toelage ƒ 25 daags) kwam." Sic.
Salaris ƒ 150. Ziekenbroeder die uitgespaard wordt dito. Waar blijft de vriendelijkheid t.o. jonge medici? over U. Deterding doet het beter.
De W. vertrekt, nog een paar moppen. Twee huilebalken: hoe komt dat ijzer nou stuk? 'k Weet het niet! De eene potatoe (uit Californië).


30 Nov. Branchut (le moraliste)
Vit d'un petit pain et boit aux bornes-fontaines,
Écrit des choses sublimes dans les jardins publics
Ou, s'ilpleut, sous lesportes cochères.
11 s'acheta deux chemises et connut le cervelas.
Ilpinga la taille de mlle Fédora.
II eüt epousé son êlève, le moraliste.
On le jeta à la porte.
C'est la faute de Rousseau. Ou St-Preux ou Julie.

Mais, vive Branchut, le moraliste.

                                                       (Le Chat maigre)

Ik herdenk de eerste dagen op deze vage doodsche kust, waar bloei en vulkanen even onbewogen boven verrijzen. De langzame, met te weinig roeiers bemande sloep, de zwijgende, pas nuchtere kapitein. De eerste dagen van het winchgeratel dat mij sindsdien zoo vaak de aandacht verstoorde. S'baja, Lawang, Polanan.
De Oostkust ('t vertrek v. de Vondel laatste schakel). En toch de rust in de kale hut, de verzen waarin ik mij terugtrok, waarop ik leefde. Dat kon ik tóen.

woensdag 28 november 2018

Anthonie Duyck -- 29 november 1596

Antonie Duyck (1560-1629) was vanaf 1621 raadpensionaris van Holland. In 1596 was hij advocaat-fiscaal van de Raad van State en hield in die functie een journaal bij waarin hij verslag deed van de militaire campagnes van prins Maurits.

Den 29en Novembris regende het seer. Ontrent dese tijt continueerden de tijdingen seer dat den Turck Agria in Over Ungeren bij appoinctement verovert ende allen den soldaten daer binnen geweest contrarie sijn beloften qualijcken getracteert hadde, ende corts daernaer tvolck vanden Ertshertoge in een onvoorsichtig schermutsel hadde getrocken ende daernaer daerop so seer was gevallen, dat hij desselven Ertshertogen leger ingedruckt ende tgeschut ende de bagagie genomen hadde, wesende de ruyteren met groote desordre gevlucht ende ontreden; met welck verlies naer alle apparentie scheen, dat gansch Over Ungeren ende Sevenburgen souden pericliteren, indien men geen ordre en stelde om tvolck te rallieren tot een verdrietigen inbreuck vande gansche Cristenheyt ende slavernie van so veel Christenmenschen, daertoe anders eenige teyckenen schenen te inclineren. Want op den dach vande nederlaeg vanden voors. Ertshertoge verbrande een groot deel van thof van Keyser tot Prague, ende de verblintheyt vanden Keyser was so groot, dat hij volgende den Raet van eenige Jesuiten om hem wesende, alsnoch sijn onderdanen in tstuck vande religie geen vrijdom en wilde geven, daerdoor dselve sulcken afkeer van hem hadden, dat se scheenen alles meer naer den Turck als naer hem te inclineren, so seer, dat den boerencrijch in Oistenrijck om de religie wille aengevangen noch met groote vehementie was duyrende, in welcke overgroote gevaren ende periculen den Keyser alleen so weynich gevoelen hadde, dat sulcx hem scheen niet ter harten te gaen, ende dat hij al willens desen grooten inbrueck de Cristenheyt, oick met verlies van sijn eygen landen ende rijcken wilde doen. Wesende anders oick een seer beclagelijcke sake, dat de Cristenen so seer op malcanderen verbitteren, dat se niet en gevoelen nochte aen en nemen de groote desolatien, die den Turck huer doet.

zondag 25 november 2018

Multatuli -- 27 november 1845

Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker, 1820-1887) schreef zijn liefdesbrieven in twee lichtingen – in 1845-1846 aan zijn eerste vrouw, Everdine van Wijnbergen, en in 1862-1863 aan zijn (op dat moment nog toekomstige) tweede vrouw, Mimi Hamminck Schepel. Uit: Liefdesbrieven (bezorgd door Paul van ’t Veer).

Poerwakarta 27 november 1845
Toen ik namelijk voor zijne aankomst op P.[arakan] S.[alak] was, sprak W. v. d. H.[ucht] er dikwijls over dat hij van plan was mij aan zijnen broeder aan te bevelen wanneer deze in Indië landelijke ondernemingen aanving. Het zoude er dan natuurlijk van afhangen of de conditiën mij voordeelig genoeg toeschenen om van het gouvernement af te zien. Er zijn vele redenen voor en tegen. Bij het gouvernement heb ik bijna zeven jaren dienst en aanspraak op een redelijke betrekking; als ik kwam te sterven zoudt gij pensioen genieten, dat wel niet veel is, maar toch altijd genoeg om u in Holland onafhankelijk te doen zijn. […] Hier staat echter weder tegenover dat ik het land niet gaarne dien, omdat ik niet hollandsch gezind ben, en dat vele principes die voorgeschreven zijn mij zeer tegen de borst stuiten. Het is mij menigmaal gebeurd (op Sumatra) dat ik in verzoeking kwam om met opoffering van alles tegen het gouvernement de partij van Inlanders te kiezen. Daarbij hangt men zoo geheel van de willekeur af die ons dikwijls plaatst onder menschen die geheel en al boven hunne eigenlijke aanspraken geplaatst zijn. Ik behoef mij op het oogenblik nog niet te vermoeien met het berekenen der voor of nadeelen die uit eene verandering van carrière zouden voortvloeien daar het mij nog niet gepresenteerd is, en gij begrijpt wel dat ik mij niet zal aanbieden. Laat u ook nooit een woord ontvallen alsof ik daar idee op had.

Nico Rost -- 26 november 1944

Nico Rost (1896–1967) was een Nederlands schrijver, vertaler en journalist. Door zijn verzetswerk in de oorlog kwam hij in Dachau terecht. Het (beroemde) dagboek dat hij daar bijhield is gepubliceerd als Goethe in Dachau.

26 November
Miesen gaf me vandaag enkele namen van jongeren, die hij ‘Schriftsteller der inneren Emigration’ noemde - essayisten, die dus geen Nazi's zijn en zich in hun geschriften zooveel mogelijk verzetten.
De meesten van hen groepeeren zich om Ernst Jünger - wiens laatste publicaties ook verboden schijnen te zijn.
Ik geef graag toe, dat Jünger een schrijver van formaat is, geen walgelijke lakei zooals Blunck, Johst, Steguweit en dergelijke heeren - maar dat hij ten slotte een anti-fascist zal blijken te zijn, betwijfel ik toch. Een frondeur van het nationaal-socialisme - zeker - maar is dat voldoende?
Ik heb de namen die M. me gaf, genoteerd, en zal me deze publicaties later aanschaffen - als dat mogelijk is.
We zullen met deze jongeren dan contact moeten zoeken en hen helpen zich van alle eventueele overblijfselen der fascistische ideologie te bevrijden. Hij noemde me o.a. de volgende namen en titels: Friedrich Georg Jünger (een broer van Ernst Jünger), wiens werk in Nikisch's Widerstands-Verlag verschenen is; een essay-bundel ‘Gestalten und Probleme’ van een zekere Eugen Gottlob Winkler (Rauch-Verlag, Dessau 1936) waarin - volgens M. - een belangrijk essay over kolonel Lawrence schijnt te staan.
Winkler heeft - vertelde M. me later - nauwelijks 24 jaar oud, zelfmoord gepleegd.
Verder: Max Bense en Gustav René Höcke; van hem o.a. een werkje ‘Das geistige Paris’ dat ook bij Rauch in Dessau verscheen.
Op Reinhold Schneider's werk had A. me reeds onlangs gewezen, en nu raadt Miesen me opnieuw aan diens boeken te gaan lezen, evenals ‘Das Lob der Einsamkeit’ van Herbert Werner Rüssel, dat in de gevangenis geschreven werd en tijdens den oorlog in Amsterdam verscheen (bij Veen's Uitg. Mij.). Waarschijnlijk is de keuze van Miesen eenzijdig - hij is katholiek - doch misschien kunnen andere vrienden ze later completeeren.

zaterdag 24 november 2018

Hans Dütting -- 25 november 2006

Hans Dütting (1937) is schrijver en vertaler. Uit: Wijn, vrouwen en plezier. Een openhartig dagboek. 24 november
Heb met Juweeltje een zeer erotische belevenis achter de rug. Zaj wilde iets terug doen voor het weekeinde in Normandië. Z^e nam mij mee naar een restaurant waar ik het bestaan niet van wist, waar je een aparte kamer krijgt boven het gewone restaurant en dus ongestoord kunt eten, en de pinguïn alleen komt opdraven als je op een elektrische bel drukt. Ik ken niets erotischer dan eten en seks, en dat ineengevloeid. "Wat een spel, onder tafel, op tafel, op een stoel. Wat een middag. 2Le had haar fooienpot van oktober ertegenaan gegooid, de prijzen waren geen kattenpis. Ik was smulpaap en geilaard tegelijk, we hebben zeer genoten. Ik ben vandaag wat je noemt een bevredigd man.
Ik weet nu zeker dat ik van mijn Juweeltje ben gaan houden, echte liefde, niet alleen de dekhengst heeft bij mij de overhand, al blijf ik bij Popje. Het moet maar een huwelijk met z'n drieën worden.
Ik ga nu een douche nemen, wat eten, ik heb mijn huiswerk al af, daarna naar Parijs. Ik heb pas om vijf uur een afspraak, wil dus eerst wat gaan kijken in de boekhandels en antiquariaten. Ergens iets lichts eten want ik zit nog vol van gisteren: twee Kir Royal, een fles bourgogne, champagne na, twee voorgerechten, een hoofdgerecht (haan in wijnsaus) en heerlijk gebak na. En elkaar lieten we ook niet met rust.

Ik ben zo vreselijk verliefd op Juweeltje geworden. Wat eens geile gymnastiek was, is overgegaan in verliefdheid. Als ik alleen ben en niet hoef te schrijven of te lezen, te studeren, overvalt mij een vreemde gevoel dat ze verliefdheid en melancholie noemen.
Waterlanders en maagpijn, tot braken toe. Je kunt beter liefdesverdriet hebben, dat gaat sneller over. Juweeltje is zo lief, zo ontzettend aardig, verdomme, waarom moet ik dat nog op mijn bijna zestigste erbij krijgen. Ik heb het gisteren laat op de avond aan Popje durven vertellen. Eerst een paar glazen wijn gedronken, dan gaat het wat gemakkelijker. Popje is veel verstandiger dan ik. Volgens Popje zijn wij (Popje en ik) op een leeftijd dat je niet veel meer te verliezen hebt. En ik moest geen moordenaar zijn van mijn gevoelens. Als het mis gaat, hebben Popje en ik elkaar nog. Ik moest maar profiteren van wat met gymnastiek buiten de deur was begonnen, als mijn Juweeltje tenminste eerlijk is. Er viel veel van me af. Bovendien begreep Popje dat zij na dertig jaar als vrouw van bijna zestig mij niet kon bieden wat een vrouw van veertig mij te bieden heeft. Terwijl Popje ging slapen, bleef ik beneden nog wijn drinken.
Ik voel me een stuk beter en bevrijd, voel telkens vlinders in mijn buik.

In het restaurant zaten we vier uur aan tafel, niet eerder zo lang met plezier aan tafel gezeten. Juweeltje gaf me een enveloppe met geld, want ze wilde dat ik afrekende. De pinguïn gebeld en netjes afgerekend. Binnen een minuut was hij weer terug, ik mocht uit een enorme kist een sigaar uitzoeken, hij had ze in alle maten. Juweeltje kreeg een rode roos cadeau. Ik hou niet van die stinkstokken. Geef mij maar een sigaar, zei Juweeltje. En zo rookte ze in mijn bijzijn een klein sigaartje.

25 november
Van een echte wip kwam het niet in het restaurant, wel zat op een gegeven moment de sering van Juweeltje in mijn broekzak. Ik wilde tijdens het afrekenen het zwarte vlinderbroekje aan die pinguïn laten zien en vragen waarom ze in dit restaurant toch van die vreemde servetjes hadden. Kon mijn grap beheersen! De wip hebben we thuis wel ingehaald. In de taxi naar huis werd er wel veel gevraagd van onze zelfbeheersing, want als je achterin in zo'n taxi begint te rommelen met elkaar, is de kans groot dat zo'n chauffeur tegen de vangrails rijdt. Niet de bedoeling. Goed, thuis stonden we niet onder stroom, nee, onder hoogspanning.
Overigens hadden we in het restaurant best een snelle wip kunnen maken. We wilden het nu juist heel spannend houden: je mag wel, je weet het nooit, toch lekker eigenlijk en spannend.
Buitensporigheden of niet, ik ga toch iedere dag achter mijn werktafel zitten want het werk gaat voor de liefde en de kut.
Juweeltje en ik zijn decadent, zit in ons bloed. Ik zal nog vaak aan dit samenzijn in het restaurant denken.

Luuk Gruwez -- 24 november 1996

Luuk Gruwez (1953) is een Vlaamse schrijver. In Het land van de wangen kijkt hij terug op episodes uit zijn leven. Het hart van het boek vormen de dagboeknotities die hij enige jaren bijhield naar aanleiding van zijn bezoeken aan zijn steeds verder aftakelende grootouders.

Deerlijk, 24 november 1996
Een van Knors grootste angsten is dat hij vlak voor zijn laatste zucht nog aids zal krijgen. Zoveel nieuwe benamingen zijn hem vreemd, maar ‘aids’ is een naam die hij kent, natuurlijk onder de Franse benaming: la sida. Wat angst inboezemt blijft in het geheugen het best behouden. Het is weinig aannemelijk dat hij de gevreesde ziekte zal opdoen via zijn ‘leutemakerke’. Dus ziet hij de dreiging elders. Dat een dokter voor elke injectie een nieuwe naald gebruikt, kan hij namelijk niet rijmen met zijn eigen schraapzucht.
Bijna was ik het vergeten, maar vandaag heeft hij het er zelf over: tot tien jaar geleden heeft Knor konijnen gekweekt, een bezigheid die geduld en toewijding vergt, twee kwaliteiten waarvan ik altijd heb gedacht dat zij hem vreemd zijn. Bovendien bevonden de hokken zich achter de fabriek, op bijna vijf minuten loopafstand van het woonhuis. Omstreeks zijn vijfendertigste heeft Knor de enige ‘verre’ reis van zijn leven ondernomen: met het hele gezin per chevrolet décapotable naar Zwitserland. Een evenement. Meteen na zijn thuiskomst ging hij languit voor zijn achterdeur liggen en kuste hij de grond, geruime tijd voor zulks het handelsmerk van paus Wojtyla werd. En alsof hij het gevoel had zojuist door het oog van een naald te zijn gekropen, verzuchtte hij: ‘Ça, plus jamais! Dat nooit meer!’ Vele jaren later, telkens als hij zijn beesten ging voederen, zei hij tegen mijn grootmoeder: ‘Alice, ’k ga ne keer naar Zwitserland.’ Nooit was mijn opa vrolijker gestemd dan wanneer hij van zijn konijnen terugkwam.