maandag 28 juni 2021

Simon Vinkenoog • 29 juni 1964

Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter en schrijver. In 1963/'64 hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte.

maandagmorgen 29 juni 1964
[en nog de eerste dag]
‘We hebben ons niets te verwijten.’
Er is niets veranderd, alles is veranderd in mijn vriendschap met Huub. Voor hem ben ik, zijn wij - zijn vrienden - afvalligen; hij wilde ons een ultimatum stellen, strafwerk laten maken (een chirurg vinden, zijn tekst opnieuw lezen) maar hij heeft zélf de operatie uitgesteld tot september.
Wie dan leeft, dan ook zorgt. Elke dag telt, de doodongelukkige Zusje (‘ik weet dat ik als vrouw een grote mislukking ben’) zal het opnieuw moeten maken, en wij zullen zijn vrienden blijven. De nodige geestelijke inspanningen hebben wij dit geladen, koortsachtige weekend wel gehad. Uit Geleen terug gistermiddag Zusje en het kindje, naderhand in de avond Huub zelf met de scooter. Wij gingen Matthias terugbrengen na een middag op de kermis en de vooravond thuis met z'n drieën, Huub vroeg: kom je nog even terug? Ik heb een belangrijke mededeling...
Elize, alleen met Tri-Peter (hij heeft het stuff nog wel 's aangeraakt, in Oostenrijk, maar het is daar niet zo goed als in Amsterdam); en Hans St., die ik wegjoeg met m'n verwijten - wat heeft hij tenslotte niet aangericht in de geest van Olivier; aan de andere kant, ook hém is niets te verwijten, ook hij kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor zijn gedragingen - vertelde wat Huub van zins was: ons een maand te geven, àchter hem te gaan staan.
We gingen terug, ik om nee te zeggen.
Ik heb nee tegen hem gezegd.
Ik heb gekozen. Ik weet wat er gebeurt.
Ik heb een tijdlang niet geweten. Het is een verschrikkelijke wetenschap.
Ik geloof in het verruimd bewustzijn. Het is een feit.
Ik màg niet geloven in de theorie, de praktijk zelf is de leerschool.
Ik zal opnieuw kunnen beginnen: een schone lei.
Niet langer andermans gerucht, maar de eigen werkelijkheid.
Ik kan niet langer argumenten zoeken, ik kan niets dan spreken-uit-mijzelf.
Er is genoeg te zeggen. De wereld ligt open. Er is geen gat om uit te ontsnappen in een ‘ruimer’ werkelijkheid.
Dit is de werkelijkheid. Dit is het leven. Dit is Godgegeven.
Het recht van de persoonlijke vrijheid.
Hoever?
Tel de slachtoffers van de menselijke geest (er zijn geen grenzen, al bega je àlle paden) en handel uit liefde. Vriend en vijand één: je kunt niet oordelen. Wij hebben geoordeeld. Ik heb een vriend beoordeeld. Ik kan niet veroordelen. Mijn weten onvolmaakt, mijn ogen nauwelijks open. Mezelf nabij gekomen. Nader nog.

*

‘Het zou nou vervelend zijn als te veel van die beatniks van die gekke kuren uithalen,’ zei Huub, nadat ik hem het verhaal had verteld van de zesentwintigjarige Amerikaanse dichter (gehoord van Fred K.) die zich glimlachend, zeggend ‘This is too much’ van de trein liet vallen, waarop hij met twee andere jongens reisde dwars door de ipomoea-bergen. Drie weken hospitaal. Dood - een epitaaf in de City Lights Bookshop in San Francisco. Al zijn gedichten verdwenen. Een moderne mythe.

*

Het is niet altijd geheimtaal; taal is te doorgronden wanneer de taalgebruikers elkaars ervaringen kennen. Dit is de taal van meerdere ervaringen.

*

Aldous Huxley nam een maand voor zijn dood LSD (de geruchten, de verhalen, de ooggetuigeverslagen): de eerste angst-kick van zijn leven. Verlichte dode, schreef ik. De angst hebben wij allen gekend; Huxley ging terug tot zijn vierde, zat innig tevreden met blokjes op de grond te spelen. Daaraan voorbij ben ik geweest, voor mij heeft de uterus geen geheimen meer (noch de blokjes, hoop ik).
Als ik met Matthias speel, ben ik drie jaar oud. Hij weet het, ik zie wat hij ziet, ik versta hem, hij verstaat mij. Wij zijn aandacht. Ogen wijdopen. Zoveel te zien: het leeft. Het kind heeft een veelomvattend begripsniveau.

*

Huub over zijn tekst op de rol: ‘Wat ik hier schrijf is het belangrijkste dat ooit ter wereld geschreven is - niet hóe ik het beschrijf, maar wat er beschreven staat. Dat is de enige reden waarom ik het heb opgeschreven, anders had ik niks geschreven.’
‘Het is een woordkonstruktie,’ waarschuwt hij ook Geert, die op de opening van Cremer's objets d'artiste een eksemplaar van zo'n rol koopt: ‘je moet niet letten op de taal.’

*

Dromen zijn bedrog, als je ze onthoudt. Leer je dromen onthouden en vergeten. Wensdromen. De dromende droom is een ander mens. Droom een wens en je wens zal vervuld worden.

*

‘Ik ben maar op één punt geniaal. Dat ik voor geen één taboe te vangen ben.’ (Al deze uitlatingen tussen ‘... en...’ genoteerd uit Huubs mond.)

*

‘De Yogi's die doen het verkeerd. Die denken dat het de ziel is, of zoiets, ja ze noemen het ziel.’

*

‘Maak 's een keertje een vergissing. Kom 's een keertje down.’

*

IFIF is the experiencing individual. The appearance of each issue of the Psychedelic Review is a proof of IFIF's existence in its truest form: communication.

*

‘Ik ben door het oog van de naald gekropen; de holle naald in de hersenholte. Ik schep de homo sapiens correctus, de korrektie van de erektus: de rechtopgaande mens, die weet.’
The Art of Living Inc. heeft na langdurig overleg besloten Jan Vrijman geheel vrij te geven, en Jan Cremer te redden.

*
Namens het bestuur: elke medewerker.
Ik neem het manuskript weer op, waar ik het had gelaten; de eenenzestigste dag. Wat ik te zeggen heb, geldt ook jou, al komt het plotseling. Maar zie, hoe zuiver het volgt op het voorafgaande (de zondagavond in april) & (de vrijdag-zaterdagzondag in juni): twee maanden terzelfder tijd op dezelfde plaats: in mijn hart, of elders, waar de emoties niet kunnen verkoelen, al sta ik, even schizofreen, daarbuiten. Ik ben socialer aangepast. Ik weet te heersen. Ik beheers.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten