woensdag 2 november 2016

Paul Verlaine -- 3 november 1892

• Op uitnodiging van een aantal Nederlandse bewonderaars bracht de Franse dichter Paul Verlaine (1844-1896) van 2 tot 14 november 1892 een bezoek aan Nederland. Hij hield lezingen in Den Haag (waar Henriette van der Schalk haar toekomstige echtgenoot Richard Roland Holst leerde kennen) en in Amsterdam. Toen hij weer terug was in Frankrijk schreef hij Quinze jours en Hollande, een soort van (ongedateerd) dagboek, dat door Karel Jonckheere in het Nederlands is vertaald als Twee weken Holland.

[3 november]
Ik kom niet op de naam van het station, waar de Belgische doeane optreedt. Een kwartier oponthoud voor het nazicht van de bagage. Reizigers, die alleen een koffertje bij zich hebben, zoals in mijn geval, dienen niet uit te stappen. Een oude, geschoren doeanier in donkere uniform komt mijn coupé binnen en vraagt:
-Hebt ge niets nieuws mee?
-?...
Op mijn ietwat laattijdig, ontkennend of liever bevestigend antwoord, krast de waardige man met krijt een van die kabbalistische tekens, wat in dit kortschrift wil zeggen nagezien of doorlaten, of iets in die aard natuurlijk. O geheime, internationale administratie!
En ik profiteer van de tijd die me rest om voor mij in het buffet een klaargemaakt mee te nemen noenmaal te bestellen. Als elk ander buffet ook dit, met als enige oorspronkelijke noot een zeer hoog geplaatst borstbeeld van koning Leopold III, lange, trieste en voorname paardekop, die oprijst uit de kraag van een goudgeborduurde uniformjas, tussen epauletten van divisiegeneraal,-en gemaakt uit iets dat evengoed chocolade zou kunnen zijn als te hard gebakken aarde, en als het ware gefruit.
Bij de vele gesproken onderhandelingen, die me opgedrongen worden met het oog op het bestellen en betalen van mijn mee te dragen noenmaal, evenals dat met de gladgeschoren doeanier, hoor ik na zeventien jaar opnieuw het Belgisch, ik bedoel daarmee het in België gesproken vreemdsoortig Frans, door ons, Parijzenaars, alleen onder de Fransen, veel te veel bespot, onder ons gezegd.
Waar komen, heren taalkundigen, legt ons dit eens uit, bijvoorbeeld al die gekke ellipsen vandaan, zoals viens tu avec, die stopwoorden als in pour une fois, sais-tu? Die sprongen in persoon bij de werkwoorden, Tournez-vous un peu, mon capitaine, que je te brosse dans le dos, waarvandaan al die wendingen, waarmee ik me wel wacht te lachen? Want zoals (Waals België) in mijn ogen slechts een groep departementen is, ons ontnomen door een noodlottig verdrag, misschien onvermijdelijk voor Europa's evenwicht - wat voor evenwicht, zeg eens? - sedert dat rampzalig jaar 1870 en later, zou de Belg, alweer in mijn ogen, die, meen ik, hier volslagen gelijk hebben, niet simpelweg een streek-Fransman zijn, niet zonder partikuliere smaak en wendingen, die zeer dikwijls, om niet méér te zeggen, lieflijk naïef of aardig leep zijn?
Word ik echter niet alweer op heterdaad betrapt op nog meer afwijkingen? Ach, gij verontschuldigt me wel, niet waar?
Gaat het nu eenmaal niet om een ongedwongen, per losse missieven geschreven, al dan niet beter of slechter reisverhaal, wat het eigenlijk zou kunnen zijn, - anders is er geen samenspraak -, wat ik zoëven al magistraal liet opmerken, evenmin is het een droog brok uit een of andere Baedeker, tenzij de duivel er zich mee ging moeien. Welnu, waarde vriend, mocht gij, maar het zal niet gebeuren durf ik wedden, verwensen telkens af te wijken, waar de gelegenheid me dit zou gebieden, of zich zo maar voordoet: uitweiden is tenslotte de anjer in het knoopsgat, de ring aan de vinger, mede en misschien nog meer de vlag, de wimpel die de lading dekt.
Hier zit ik dan in mijn speciale wagen (in spoorwegtermen heet dat een toilet-wagen, charmant woord, nietwaar? Men zou het Belgisch kunnen noemen, en goed Belgisch) en precies als de plateform-bel luidt en, als van een herder, het signaal van de stationschef schuifelt, brengt een buffetjongen me een langwerpige rosse tenen korf, afgesloten door een open hangslot met de sleutel erop, waarin mijn noenmaal, werkelijk ‘verdraagbaar’, zoals ge ziet. Amper de tijd voor een fooi en... vooruit!
Ik klap de mahoniehouten tablet voor me op, hecht ze vast aan twee standers, die ik uit het benedenpaneel loswerk, en op dit zaktafeltje, om het zo te zeggen, zet ik twee schotels vlees, die zich in een soort van reusachtige schaal schijnen te koesteren, twee schotels met groenten, verspreid over andere uitzonderlijke schalen, een taart, een halve-fles macon en een kwart-fles champagne! Alles voor vier frank, vijftig centime.
De naam van de leverende maatschappij herinner ik me niet meer.
Gedaan met eten, laten we een beetje België aanschouwen. Ik ken ze, deze arme bijnaeenzaamheden van het Henegouwse, hoe dikwijls heb ik ze doorlopen en opnieuw doorzworven. Enkele dorpen, pannen en kalk, voorlopers van de Vlaamse landouwen even na Brussel. Maar de trein ijlt, ijlt maar, door steeds zwarter wordende partijen. Niet van zo ver, we lopen er langs dit keer, ziet ge de Mijn, de wegen worden donker van slakken, het moet nu ongeveer na enen zijn.
Mons! Bergen!
Mons! Een stad, waar ik lang heb gewoond en niet eens ken, zeg. Toch, in mijn prille jeugd heb ik er eens in een hotel geslapen. Daarentegen heb ik meer dan een dag en een nacht doorgebracht, elders dan in een hotel, toen ik wat minder jong was, en, ook niet ziek, helemaal niet, evenmin in het hospitaal. En nochtans ken ik Mons niet. Zoek maar uit!
Het is dus voor de eerste maal dat ik werkelijk de hoofdstad bekijk van deze provincie Henegouwen. Ze ziet er me eerder rood uit, met een zeer hoge toren, overvloedig versierd zo van ver gezien, de toren eerder in blauwachtige steen, met belfort en klokketoren, die ik voor het binnenrijden in het station opvang, met aan de linkerkant enorme, bijna fantastische hopen koolgruis. Men zou zeggen zwarte bergen, heuvels liever, waar aardmannetjes en berggeesten verblijven, het soort dat te lachen of te grijnzen zit in schouwroosters, of met gesloten vuistje te snurken ligt in winterse kachelpijpen.
De kondukteur van de Franse trein verlaat ons in zijn matzwarte uniform, met kentekens, kraag, strepen, paarse galons. In zijn plaats treedt een mooie blonde jongen op, eveneens in zwarte uniformjas geprangd, maar met platte koperen glanzender knopen in plaats van die trieste ronde in Frans zilver, gekapt met een stijve pet en roodkoperen boord aan de klep, klaar om ons lot in handen te nemen. Werkelijk charmant deze jonge kerel, die mijn konfidenties beantwoordt in verband met enige onzekerheden, eens over de grens met België richting Holland, gebied waar geen Frans meer bloeit.
-Maak u maar geen zorgen, meneer, ik zal u aanbevelen bij de treingeleider ginds.
Voorzien van deze waarborg, kruip ik opnieuw in mijn eenzame wagen, en, des te beter, het duurt geen uur bij de lichte verveling naar het kijken van min of meer banale, maar lieflijker wordende uitzichten, (na al die kolen!) of we zijn in Brussel-Zuid, voor een paar minuten, waarna we bijna de komplete toer van de plezante Brabantse hoofdstad maken om Brussel-Noord te bereiken.
Hieraan dank ik trouwens de gelegenheid om Brussel in vogelvlucht te overzien, want in zijn geheel ligt de stad trouwens in een delling, Brussel, waar ik destijds duchtig, zij het luttel maanden, maar welke dan!, heb geleefd. Welnu, Brussel ligt lief in zijn omrit.
Pannen, pleister en kalk voor de voorsteden; Spaanse en ietwat gotische fragmenten, verloren in nieuwigheden - meer dan één ouder wonder, het stadhuis met zijn oneindig hoog belfort, beklommen door een Sint Michiel, die als een zwaard een dikke bundel donderschermen heft (in België is het de gewoonte donderschermen als zwaarden te bundelen), rechtover het stadhuis, op een uiterst mooie marktplaats, louter sierlijk bewerkte en vergulde puntgevel, het prachtige Broodhuis of Maison du Roy, (niet te verwarren met het koninklijk paleis, lelijk bouwsel), momenteel aan een intelligente restauratie toe. Men deed er wel aan van voor dit prachtstuk het bronzen standbeeld van Egmont en Hoorn, die het belemmerde, te verplaatsen naar de Zavel; Sinter Goedele, kollegiale kerk van zuivere gotiek, een beetje log weliswaar, maar indrukwekkend al was het maar daardoor... Wat de moderne gebouwen betreft, sta me toe er niet op in te gaan. Ze zijn wat ze als al hun soortgenoten overal waard zijn, maar onbehouwen en als het ware verstoken van kunst. Ik maak een uitzondering voor het Justitiepaleis, dat ik enkele weken later bij een tocht door België zou terugzien, een Babels monument, eveneens op een hoogte, en waarvan de volgens mij te kleine en niet genoeg vergulde koepel de hele stad beheerst en de ganse omgeving, een gek maar geniaal gewrocht, rara avis in deze dagen van algemene mediokratie.
Jawel, Brussel is een bekoorlijke stad, zelfs zo bekeken, kursief als het ware, en ik begrijp dat de dichter van Isaac Laquedem zijn held er liet verwijlen, zich onderhouden met ‘tamelijk lamme burgers’ en in dit goed gezelschap een of meer pinten faro drinken: het moet hem een oase geweest zijn van te korte verpozing in de duizelingwekkende woestijn van zijn vervloekte zwerven.
En we vlieden naar Antwerpen, - velden, grote vlakten, bijna of allemaal weiden, vol koeien en schapen, bezet met heldere dorpen en zwierige ‘kastelen’, weliswaar ietwat grillig van trant maar toch aangenaam om te bekijken. Dan verandert het landschap en het wordt de Kempen: soberheid in halve onvruchtbaarheid, die bijna maritiem aandoet, maar dicht bij Antwerpen herpakt zich het groen, dat ik geneigd ben militair te noemen, want daar krijgen we, bijna gelijk met de grond, de forten met hun Belgische stenen leeuwen bij de ingang. We scheren langs de stad, waarvan we, met haar hoge toren en de oud-Russische koepel van de ‘katedraal’, dit tussen haakjes, want hiërarchisch gesproken is ze geen katedraal, niets zien dan wiegende masten, met ra's of zeilen, op de Schelde achter de huizen.
Dit keer, nadat de trein wat snelheid heeft gehaald, wordt het ernstig met Holland, en iets meer dan een uur later komt de Hollandse doeane in hoogsteigen persoon op de proppen. Zacht en mild is ze. Spijtig dat ze geen mond Frans spreekt.
De trein zet zich opnieuw in beweging en voorgoed rijden we het rijk binnen van Hare jonge Majesteit koningin Wilhelmina, eerste van die naam.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen