maandag 2 maart 2026

Adriaan Roland Holst • 2 maart 1910

• Uit de correspondentie die Adriaan Roland Holst (1888-1976), een van de drie Nederlanders die de eretitel ‘prins der dichters’ is toegekend, in de periode 1908-1913 voerde met Marius Brinkgreve, toen nog student klassieke letteren en veelbelovend. Later ging hij het bedrijfsleven in en sloot zich aan bij verschillende fascistische organisaties. Brieven aan Marcus Brinkgreve 1908-1914 (bezorgd door Margaretha H. Schenkeveld).

Oxford, 2 maart 1910
Denk verder nóóit dat ik jouw vriendschap verkeerd voor hem [Jaap van Gelder, een gemeenschappelijke vriend] vind. Integendeel, ik weet dat je hem een groote steun bent, hoewel ik ook vind dat jullie twee levens niet bepaald gunstig op elkaar kunnen wisselwerken—maar dat ligt voornamelijk in jullie omgeving, die aan jouw ontwikkeling niet veel schade kan doen, maar aan J.’s heel veel. – Jij bent in je beschouwing van iemand dien je een dichter vindt te veel... … een 80-er! Al dat sentimenteele gezanik van ‘als een dichter maar één vers heeft gemaakt dat mooi is, dan... etc.’ – heeft mij altijd kotserig gemaakt door zijn kwijlerige burgerlijkheid, en juist daarom deed een waarachtig kunstenaarsmilieu als ‘Laren’ mij zoo goed, waar wij ons dikwijls slap lachten om diverse ‘schoonheids’-veréérders, die er wel eens over de vloer kwamen, en waar al dergelijk gekwezel altijd heel hartelijk en prozaïsch wordt de deur gewezen. Ik zeg ’t je zoo ronduit omdat ik weet dat jij er au fond te goed voor bent, en ook omdat je mij toch niet zult beschouwen als een mensch die alleen naar hoeveelheid kijkt.

J.H. Leopold • 1 maart 1890

• De dichter J.H. Leopold hield een reisdagboek bij toen hij in 1890 in Italië was.


1 Maart.
Van middag hebben wij een grootere wandeling gemaakt. Eerst den ouden weg, door de stad omhoog naar de Madonna della Costa, de witte kerk op het hoogste punt, waar ik eergisteren ook al was geweest. Deze kerk staat op een groote open plek, langs een hospitaal leidt een glooiende weg, waarvan de keien in mozaiekfiguren zijn geplaveid, er heen. De kerk zelf heeft noch van binnen noch van buiten veel bijzonders. Maar het uitzicht, dat men van het terras er om heen heeft is ver reikend, men overziet er den geheelen ring bergen, die de stad insluit en wegvloeit in de zee. Van hier ziet men meer dan gewoonlijk boven op de zee en heeft het water een licht blauwe kleur.
Terug ging de weg zacht neerwaarts hellend door een dal, eerst aan de zonzijde, dan met een korten draai aan de overzijde terug in de schaduw. Hier was men dadelijk buiten, op het land, een ander land dan het onze, maar hoe vreemd ook, toch overweldigde de schoonheid van het landschap mij en op een oogenblik werd de borst mij beklemd door al het genot, dat ik niet op kon. Want welk een vredige liefelijkheid is er in zulk een dal, dat ik te Nice wel eerder had gezien, maar welks schoon mij van middag sterker trof door den zonneschijn. Er groeien links en rechts olijven berg op, berg af, op kleine terrassen, binnen ruwe steenen muren opgehoogd, en daartusschen citroenboomen vol gele vrucht en achter in omspant een hooge berg met pijnboomen begroeid het dal. Onder de olijven is het donker op het welige gras, waar de vogels slaan, en in de diepte dwaalt over de breede dorre bedding van grijze steenen een karige stroom. Aan de oever staan hier en daar woningen en waterleidingen ter besproeiing der hoven. Vrouwen komen langs den weg met groote takkenbosschen of bundels pijnappels op het hoofd en langs de smalle paden waarover de olijven hangen, klinkt op de steenen het geklikklak van den ezel, op wiens pakzadel vaatjes met wijn zijn vastgesjord.