• Uit: Vladimir Pogačić (1919-1999): Dagboekaantekeningen over Filip Latinovicz — waarin filmregisseur Pogačić de gesprekken beschrijft die hij had met de Kroatische schrijver Miroslaw Krleža, over de verfilming van diens boek Filip Latinovicz. De vertaling is van Guido Snel.
6 januari 1983
Onze gesprekken, voorzover ze betrekking hadden op een mogelijk scenario voor een verfilming van Filip Latinovicz, gingen, nadat hij welwillend aan mij het initiatief had gelaten, vooral over de compositie. Mijn eerste idee was dat ik bij het einde zou beginnen: Joža Podravec, koetsier, rijdt op een met hooi beladen boerenkar de doodskist met Bobočka naar de stad. Naast hem zit Filip en denkt na. In kortere en langere flash-backs komen we alles te weten wat in zijn leven tot op dat moment van belang is geweest. Voor die scène, waarmee de film opende en die de hele ‘titels’ door duurde, had ik ook al de muziek: Mozarts Lacrimosa. Hem leek dat in het begin een goed idee, later veranderde hij van mening, van de ene op de andere dag, zoals hij wel vaker van mening veranderde. Hij vond dat je moest beginnen zoals in de roman (en de roman was getiteld De terugkeer van Filip Latinovicz), dus met Filips terugkeer, terwijl hij mijn scène wel geschikt vond, maar dan voor het einde.
Toen ik deze variant schetste lukte het me niet de flash-backs in te passen die, daar waren we het over eens, onmisbaar waren. Ik had vijf personages van wie elk zijn eigen voorgeschiedenis had, en er was niet één personage dat geen ontwikkeling had doorgemaakt. Om hun tragedie aannemelijk te maken, moest je hun verleden kennen. Hoe kon ik dat inpassen?
‘Je moet loskomen van de roman!’ herhaalde hij telkens als we op een dood spoor zaten. Maar zodra hij merkte dat ik iets had veranderd (of weggelaten), protesteerde hij: ‘Je gaat me toch niet verbeteren waar
ik zelf bij ben, mag ik hopen!’ Waarna plotseling datgene wat was weggelaten van het grootste belang bleek.
Toen dergelijke situaties zich bleven herhalen, verzocht ik hem, zelf het scenario te schrijven waarna ik het dan filmisch zou bewerken. Ik wist vanaf het allereerste begin dat ik wel een nieuwe literaire tekst, maar geen filmscenario kon verwachten. Film was een tak van kunst waaraan hij het grootste deel van zijn leven geen enkele aandacht had besteed. Als zijn oordelen over één onderwerp, één kunstgebied volkomen incompetent waren, dan was dat wel op het gebied van de film.
(...) Ik stelde hem toen een andere oplossing voor: dat hij mij Filip zonder zijn hulp en medewerking (aan het scenario natuurlijk) zou laten realiseren, en dan uiteraard uitsluitend voor mijn rekening. Hij wilde daar niets van weten, en zijn argumenten waren die van een beschermheer, ze getuigden, zo leek mij, van een vaderlijke bezorgdheid: hij zei dat hij dat juist wilde voorkomen. Hij kon niet toestaan ‘dat ze me aan stukken zouden scheuren’.
En vervolgens ging het gesprek in de regel van Filip naar een thema dat hem in die tijd steeds meer was gaan obsederen: schrijven - waarom, om, voor wie? Je stem verheffen spreken, waarschuwen, discussiëren? Met wie, als niemand naar je luistert, niemand je leest, niemand je begrijpt of men doet alsof men niet begrijpt waar je het over hebt en waarom je dit eigenlijk allemaal vertelt... In een dergelijke stemming vertelde hij me eens glimlachend, maar ook geresigneerd, dat hij ‘een oud geworden hond was die aan het eind van het dorp ligt, die kijkt en die ziet wat er gebeurt, maar niet zal blaffen, hij ziet geen enkele reden om te blaffen...’
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten