woensdag 28 augustus 2013

J. Beijer -- 29 augustus 1861

29 Aug. Onbestendig weêr, bij afwisseling regenbuijen, — de avond echter prachtvol. Het onmetelijk firmament, 't welk voor ons oog aan alle zijden schittert, en door niets wordt belemmerd, trok 's avonds, tot in den nacht, mijne bewondering. Nieuwe sterrebeelden aanschouwt men in dit zuider-halfrond, aan den hemel; — andere, zooals de Noordster, de Wagen, Job. 38: 32, enz., welke uw oog aanschouwt, ziet het mijne misschien nimmer weder en — moet in verwondering, vanwege Gods grootheid en grenzelooze wijsheid, en — mijne nietigheid bekennen:

Sla ik naar 'truim der held're hemelbogen,
Dat heerlijk werk van Uwe ving'rcn, d'oogen;
Zie ik bedaard den glans der zilv're maan,
En 'tstarrenheir, door U geschapen aan:

Mijn God! wat is de mensen dan op deez' aarde!
De brooze mensch! hoe klimt hij tot die waarde,
Dat Gij aan hem in zoo veel gunst gedeukt,
En 'smenschen zoon Uw teerste liefde schenkt!

Ps. 8:3,4.

Ook ziet men hier, ten zuiden van de Linie, 's avonds of in heldere nachten, nog een verschijnsel, dat bij u niet waargenomen wordt, en bij de zeelieden, onder den naam van Kaapsche Wolken, bekend is, nl. twee kleine ronde witte vlekken, digt bij den Melkweg en ééne kleine blaauwe, midden in denzelve, doch de laatste is niet zoo duidelijk als de eersten; zij hebben de gedaante van wolken, en hebben, even als de sterren, een' regelmatigen op- en ondergang, en zijn zeer waarschijnlijk, zegt men, sterren. Deze, en alle de overige ontelbare, heeft God eene orde gegeven, die geen van dezelve zal overtreden.


J. Beijer was een Nederlandse predikant die naar Zuid-Afrika emigreerde. Journaal, gehouden van Nederland naar Zuid-Afrika, in het jaar 1861.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen