zondag 12 april 2026

Boekhouder, 26 jaar - Texel • 13 april 1945

• Boekhouder, 26 jaar - Texel. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945, geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening

Vrijdag 13 April 1945
- Vanmiddag om 4 uur begon de strijd weer in den Polder. De hele morgen was het rustig geweest. Den Helder en de Z.Batterij kwamen weer puur in actie. De ‘Korenschoof’ ging vanmiddag in vlammen op. Daar het vandaag nogal donker weer was, kon men alles niet zo goed bekijken. Vanmorgen kwam er 'n Mof op 'n motor om spek. Hij moest spek hebben, zei hij. Vader zou hem 'n stukje brengen maar hij liep achter hem aan naar de schoorsteen en zei: ‘Alles moet ik hebben voor m'n zieke kameraden.’ Twee hammen deed hij in de zak en was toen vol. De rest liet hij hangen

Zaterdag, 14 April 1945
- De hele dag rustig geweest tot s'avonds 8 uur. Toen schoot de Z. Batterij een paar malen in de richting van Cocksdorp. Verder vandaag niets geen bijzonders.

Zondag, 15 April 1945
- 't Is vandaag ook tamelijk rustig geweest. Zo af en toe hoort men eens een paar geweerschoten maar anders niets. Vanavond om 'n uur of zes kwamen hier 'n drie tal gewapende Duitsers aan, vragend om wat brood, spek of andere levensmiddelen. Deze lui waren nogal tamelijk fatsoenlijk. Zij waren vanmorgen hier op Texel aangekomen uit den Haag vandaan. Nog een paar dagen vechten, zeiden ze en dan zijn de Russen verslagen. Ze waren vol goeie moed. Het zou hen nog wel even opbreken, denk ik. Ze kregen deze keer voor hun drieën een brood en zes eieren.
Terzelfdertijd, dat hier deze 3 jonge moffen waren ging hier ook nog 'n moffenwagen voorbij met een stuk of zes soldaten. Zij gingen ook om eten uit maar op 'n brutale manier, op z'n mofs. Eerst gingen ze naar J. Hin. Ze liepen de boerderij binnen en dreven Jaap onder bedreiging te zullen schieten met de revolver in 'n hoek van de kamer. Ook de andere gezinsleden hielden ze met de revolver in bedwang. Daarna gooiden ze alles omver en doorzochten het huis. Ze namen al z'n spek en boter, wat ze konden vinden mee. Ook de voorhanden staande inmaakpotten. Daarna gingen zij naar Gerrit Witten. Daar konden ze niet veel bijzonders vinden. Gerrit had alles al verstopt. Ze liepen daarom kwaad weg en schoten aan de weg nog een paar schapen van hem dood. Zij waren met 'n vrachtauto. Ze konden daarom 'n boel laden. Ze reden Spang weer verder in en hielden stil bij Jaap de Wit. Daar gingen ze precies zo te werk als bij Jaap Hin. De gezinsleden dreigden zij met hun revolver en haalden dan de hele spekkuip leeg. Ook namen ze 'n emmer met vet, wat suiker, jam en likeuren mee zelfs pakjes pudding. Van Jaap de Wit gingen ze naar P. Hin. Deze man kreeg ook de revolver op zijn borst gedrukt en zijn vrouw moest hen alles wijzen. Daar werden ook weer spek en andere levensmiddelen opgeladen. Ook schoten ze nog een van z'n twee ganzen dood. Zo trokken de vandalen over 't eiland. Wij stonden machteloos tegenover die gewapende horden, beroepsplunderaars.

Leo Vroman • 12 april 1969

• Dichter-wetenschapper Leo Vroman (1915-2014) schreef in de jaren zestig veel Brieven uit Brooklyn.

Beste Allen,
[12 april 1969]
Nu is het al afgelopen met maart, en ik had begin maart willen schrijven. Hier heb ik nog een kladje dat begint met: 11maart. De sneeuw die over de vuile sneeuw gevallen was ligt hier en daar nog in hoopjes, met sneeuw bedekt, waaronder de dooi een fijne franje wereld van oude verse sneeuw te voorschijn smelt. Vergeet dat nou maar, er is nergens meer sneeuw te vinden, sedert een week.
Ik begrijp de tijd nooit goed, nu lees je dit alweer later dan ik het schrijf, maar in ieder geval maak ik geen kladjes meer. Wel denk ik soms, dat moet ik opschrijven voor later.
Vanochtend bijvoorbeeld had ik het met Gena, mijn assistente, over de slaafsheid van vrouwen in sommige landen en ik zei: In Japan duwen wel veel vrouwen overvolle mestwagens voort, maar er zijn er ook die trekken. Geestig, hè?
Gena, de schoft, zei gisteren tegen haar man (ach ach ze zijn zo jong) dat het toch wel heerlijk moest zijn waar zijn zuster was, in de Virgin Islands. Nou, zei hij, waren we er maar. Nou, zei zij, vooruit. Daag me niet uit zei hij, ja zei zij, - nou, ze zitten al in het vliegtuig en komen zondag terug, straatarm.
Maar ik leef ook wel hoor, soms een hele dag bijna. En nu het lente wordt, heb ik al weer een heel jaar vrij veel geleefd. Hier en daar sta ik terecht aangegeven met (1915-) achter mij. Vul maar in, betekent dat, het doet er niet toe. Ja hoor, dat betekent het, geen flauwe kul.
Als ik uit betrouwbare bron (b.v. in de lucht) zou horen dat ik nog maar een minuut te leven had, dan keek ik eerst op mijn horloge, ging dan wat veiliger zitten om niet al te pijnlijk dood te vallen en tikte verder. Twee weken geleden besloot onze goeie vriendin Ethel, dan ook een biologe, (haar man een fotograaf met een woeste gevoeligheid voor alles wat onoprecht is, Charlie geheten) dat het tijd werd om eens met Tineke te praten, want die kan eigenlijk zoveel met haar hoofd en moest toch eens denken wat te doen als ik eenmaal gestorven en het huis uit ben, goed dus. Tineke naar Manhattan en de twee vrouwen maar praten. Twee dagen later belde Ethel op. Tineke nam de telefoon op, was eerst even stil, zei toen zachtjes ‘o Ethel’ - tja, Charlie dood. Een uur later waren we al, ach dat hoeft hier niet allemaal bij.
Twee dagen later, die dienst, de kinderen hadden al zo gehuild en wilden er toch heen. Misschien is de dood wel goed voor ze, ze zijn toch geen kinderen meer. Een verstrooide jonge dierpsycholoog haalde Tineke en mij op binnen zijn autootje, en naar Peggy's school, een honderd jaar oud donkerrood stenen gebouw met wat withouten vestibule bijna, en een huistuintje min of meer eromheen, alles dungetralied van een hek om de rest van downtown Brooklyn tegen te gaan: de gerechtshoven, de gevangenis, de opschriften Bail Bonded, Bar Ba., B.r., Certified Bonds, een kroeg die The Verdict heet, lachende advocaten, kwade politiebureaus.
In school werd juist een ‘white elephant sale’ gehouden, dat is een liefdadige uitverkoop van bijna nog bruikbare en ook zelfgemaakte leuke dingen, Peggy's ringen van bonte telefoondraadjes lagen daar ook, in de lage kamer, en daar stond ze zelf, bleek als een porseleinen vuurtoren bij dag, de ogen door levende zwarte wereldrampen verlicht.
We reden boven de havens van Manhattan naar het noorden. Schepen lieten zich languit onder ons ledigen. Soms wordt het lichaam tentoongesteld, zei Tineke tegen Peggy, je hoeft nooit te kijken. Maar later, in dat zorgvuldig zielloos gehouden ontvangstportaal, onontkoombaar bekleed, waren de zaaltjes zonder toneel, trilde ze toch, waren de eetzaaltjes zonder eten, de treurenden zonder stemmen.
Ik bleef beneden op Geri wachten terwijl een beroepsheer zei: which service please? Upstairs; or: elevator to your right. Which service please? Straight ahead, which service please?
Geri dan, 18 (Peggy is nu 17), had een lange vakantie want haar college is in Vermont en heeft 's winters te zware sneeuw om in na te denken. En ze moet dan werken, had in het telefoonboek onder Animals gekeken en daar ‘Animal Talent Scouts’ gevonden wat een aardige dame met een huis vol optredende dieren bleek te zijn waar wel een schoonmaakster bij kon met lang haar.
Maar deze dag was Geri gaan werken toen het nog donker was; de Amazonereiger in de hanebalken, de schuwe Wallaby die nooit voor iets speelde, de Deense doggen en de hazewinden voor de Rosenkavalier, de kikkers die de rol van prinses hadden vertolkt, de eekhoorn van de potato-chipsreclame, de donzige katten moesten tot hun verbazing alle elkaar voor dag en dauw verschoond en gevoerd zien worden door een vandaag zo ernstige Geri.
Ik wachtte. ‘Where is that darned Jeffrey,’ brulde iemand gedempt in een kantoortje. De straatdeur ging open. Een late heer keek mij vragend aan, hij kwam me bekend voor, ‘upstairs or elevator to your right’ zei ik dus. Weer de straatdeur, ditmaal Geri goddank.
We liepen de trap op, ik kuste haar koude kruin. Er was een volle zaal, tweehonderd mensen, en vooraan een lessenaartje, maar zelfs daar leek iedereen, van achteren gezien ten minste, levend. Een magere man vertelde hoe Charlie schoolbuschauffeur was, en het vereiste bekertje naast zich moest ophangen voor fooien, tegen zijn zin, en daar dus op schreef: Help me, I am blind.
De man ging weer zitten, en daar stond ineens Charlie zelf nog eens, alleen wat ingevallen en wat wilderrood haar en praatte over zich zelf, maar nee, hij had immers een broer.
‘Het is zijn broer,’ zei een dame achter mij. Wanneer mompel mompel, mompelde ze toen. De crematie, antwoordde een vrouw naast haar, maar die is vanochtend al geweest, de crematie, die is al voorbij.
De doden springen vaak zo vreemd en haastig achteruit het verleden in, dat is toch niet nodig, wie doet ze wat. Later droomde ik van grote zwarte vogels, hun groen en rood gezoomde ogen wimperden, ze daalden ook aan de verkeerde kant van het hek, de onderste onder hen konden niet langer en riepen orrr orrr maar het werd more, more en menselijk alles. Ach Charlie.
Alles zal wel anders zijn, we zijn het bangst voor niets.
Hartelijke groeten, Leo Vroman

Wim Hazeu • 11 april 2006

• Wim Hazeu (1940-2024) was een Nederlandse schrijver en biograaf. In het tijdschrift Liter publiceerde hij Een jaar voorafgaande aan de Lucebertbiografie Fragmenten uit een dagboek.

11 april 2006
- In de trein op weg naar het atelier van Lucebert vertel ik uitgeefster Suzanne Holtzer over mijn twijfels. Er is al zoveel bekend... Zij raadt mij aan een biografie van Marten Toonder te overwegen. In het atelier tref ik een aardig gezelschap aan, in verband met de overdracht van tweehonderd werken van Lucebert aan de Nederlandse Staat. Staatssecretaris Medy van der Laan neemt het geschenk symbolisch (één schilderij) in ontvangst van weduwe Tony. Ik spreek met Tony, met haar zoon Brecht, twee dochters en een schoonzoon van Lucebert en met de zoon van de overleden verzamelaar Groenendijk (die zijn collectie aan het Stedelijk Museum schonk. Degene die voor mij deze collectie in het Museum toegankelijk zal maken, Suzanna Héman, spreek ik ook). De middag wordt almaar geanimeerder. Anja de Feijter, die op Lucebert promoveerde, stelt zich voor en geeft aan dat er zeker nog ruimte is voor een echte biografie. Een mening die de kinderen en Tony delen. Ik blijf voorzichtig, houd afstand, maar toon mij nieuwsgierig. In de boekenkast snuffel ik in de boeken van Bert Schierbeek, allemaal voorzien van een mooie, uitgebreide opdracht. Ik mag met alle genoemden komen praten, ook met schilder-collega David Kouwenaar. Op de terugweg vertel ik Suzanne dat ik nu vier mogelijkheden zie: Lucebert, Jan de Hartog, Marten Toonder en Co Westerik en een onmogelijkheid: Nijhoff. In elk geval zal ik een afspraak maken met David Kouwenaar, omdat ik nu eenmaal graag met schilders praat.

donderdag 9 april 2026

Jan Terlouw • 10 april 1981

• Voormalig politicus Jan Terlouw (1931) hield in 1981/1982 (hij was toen minister van Economische Zaken en vicepremier) een politiek dagboek bij dat is gepubliceerd als Naar zeventien zetels en terug.

Vrijdag 10 april
's Avonds in Helmond de laatste voorstelling van Le silence de la mer van Vercors door ‘le Tretaut de Paris’.
Goede voorstelling. Vierhonderd jonge mensen zagen het aan. Wonderlijk, wat 36 jaar na de oorlog een Duits uniform nog teweeg brengt op het toneel. Het stuk doet het nu beter dan 30 jaar geleden, toen Vercors (nu 79 jaar) zijn beroemde boekje dramatiseerde. Misschien was het zo kort na de oorlog te subtiel.
Na afloop met het gezelschap gegeten in De Vest in Eindhoven. Met de Fransen hebben we (bij Wikor) altijd de aardigste contacten, beter dan met de Engelsen en Duitsers. Typisch, als fysicus kon ik beter met de Engelsen opschieten. Ik lees in VN dat Kistenmaker de eigenschappen van volkeren via een enquête aan het onderzoeken is. Beetje griezelig, omdat men gauw geneigd is aan het resultaat absolute waarde toe te kennen. Ik doe dat al door na een vrij kleine steekproef te concluderen dat bij de Fransen de acteurs en bij de Britten de natuurkundigen het aardigst zijn.

woensdag 8 april 2026

Boekhouder, 26 jaar - Texel • 9 april 1945

• Boekhouder, 26 jaar - Texel. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945, geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening

Maandag, 9 April 1945
- Vannacht werd er hevig gevuurd op den Koog en op Vlijt vanuit den Helder en stelling Ongeren. Velen zijn vannacht op geweest. Vanmorgen was 't weer rustig en ben ik nog aan 't koren zaaien geweest op 't Schoenmakertje. Tegen de middag begon de oorlog weer. De Zuid-Batterij en den Helder lieten zich weer eens duchtig horen. De aanval was nu op Vlijt gericht. Met de middag was 't weer even rustig, maar de rust duurde niet lang. De kanonnen bulderden weer over 't eiland. Branden braken uit. Boerderijen, schuren, of hangars en zaadklampen staan in brand: Op zeven plaatsen ziet men grote rookzuilen omhoogstijgen. De hele Polder staat in brand. Tegen vieren was geheel Texel in rook gehuld. De zon werd door 't rookwaas verduisterd: De zonnestralen werden gebroken. 't Was gewoonweg verschrikkelijk. Texel in brand. Een dag om nooit meer te vergeten.
Cocksdorp werd vandaag ook onder vuur genomen. Beide kerken, (de R.K. en Pr.kerk) kregen opnieuw enige voltreffers. Ook vielen nu hier slachtoffers onder de burgerbevolking.

Dinsdag, 10 April 1945
- De nacht is weer rustig verlopen en de dag deze keer ook. Zo af en toe hoort men nog wel een mitrailleur ratelen, maar anders toch ook niet. De rust is weer even teruggekeerd. Beide partijen moeten even uitblazen.
Vanmiddag trokken de Waalders de Waal weer uit omdat zij bang waren, dat de Duitsers sommigen zouden oproepen om tegen de Russen te vechten. Vanmiddag hebben we 3 sketters [jonge koeien] en de enterlingen ["ooi die op den leeftijd van één jaar voor het eerst lammert"] naar de Gouden bollen gebracht. 't Was prachtig weer.

dinsdag 7 april 2026

Matthieu Galey • 8 april 1979

Matthieu Galey (1934-1986) was een Franse schrijver. Zijn na zijn dood (hij overleed aan ALS) verschenen Dagboek 1953-1986 (vertaald door Joop van Helmond) wordt als een literair meesterwerk beschouwd.

8 april 1979
Jouhandeau op zijn sterfbed. Zo bleek als ik nog nooit een mens heb gezien. Eerder nog ivoorkleurig, als een crucifix, en zijn bleekheid wordt nog onderstreept door een soort beige boernoes die ze hem hebben aangetrokken. Hij is geheel ton-sur-ton met zijn gezicht omlijst door de capuchon van het gewaad. Ik moet denken aan de heilige Bruno van Zurbaran. Naast hem op zijn linkerschouder de foto van Elise* en die van zijn moeder, in kleine lijstjes, en een opgerold vel ruitjespapier met een lintje eromheen, beschreven in een kinderlijk handschrift. Marc? Mysterie.*
Aan zijn handen, die van marmer zijn geworden, lijkt de opaal van zijn ring ingelegd.
Sinds enkele dagen wilde hij niet meer eten. Zeer verzwakt. Toch is hij gisteravond tegen vijf uur naar beneden gegaan. Hij is niet meer boven gekomen. Ze hebben hem geïnstalleerd in dat grafkelderachtige cementen vertrek, kil en sinister, dat Elise heeft laten bouwen. Overal mensen, Jean Danet, jonge mensen die ik niet ken – onder wie een donker type dat zeer is aangedaan – de nicht, de kleine Marc die in andere sferen lijkt te vertoeven, onwaarschijnlijke personages, ongetwijfeld familie van Céline, die geloof ik een zuster had, en natuurlijk de dienstbode, de enige die huilt.


• Elise is de overleden vrouw van de homoseksuele Jouhandeau, waarmee hij jarenlang in onmin leefde. Marc is zijn kleinzoon – de zoon van zijn overleden adoptiedochter Céline.

maandag 6 april 2026

George Gissing • 7 april 1902

George Gissing (1857-1903) was een Britse schrijver. Zijn treurige leven wordt uit de doeken gedaan door Geerten Meijsing in Tirade, aan de hand van dagboekfragmenten van Gissing.

Arcachon, 7 april [1902].
Gisteren bij toeval het eerste deel van mijn Dagboek opengeslagen, en vond dat zulke vreemde en ontroerende lektuur dat ik urenlang ben blijven lezen. — Wie weet of ik niet nog een paar jaar te leven heb; en als dat zo is, zou ik er spijt van hebben niet een doorlopend verslag van mijn leven te hebben. Dus besluit ik om weer mijn dagboek bij te gaan houden, na bijna een jaar onderbreking. (...)’

28 december 1903 stierf Gissing in St. Jean de Luz. (Zijn laatste dagboekaantekening dateert van 8 november 1902, en beschrijft een uitstapje over de grens in Spanje.)
Ik ben mij ten volle bewust dat ik de schrijver Gissing weinig recht doe met een keuze uit deze dagboeken - hoe futiel!, zal menig lezer zeggen. Maar het leven van een groot schrijver bestaat uit dergelijke ongelukkige futiliteiten, en zo heeft Gissing ze willen optekenen. Zijn verbale, bijtende kracht, zijn ideeën, de schoonheid van zijn taalgebruik, zijn maatschappelijke en filosofische stellingname, kortom, zijn hele kunstenaarschap en ambachtelijkheid zijn terechtgekomen in zijn voor publikatie bestemde werken - waarvan minstens een handvol tot de meesterwerken van de wereldliteratuur gerekend kunnen worden. Maar het moet mij van het hart: ook in deze zwakke alledaagsheden is George Gissing mij zeer dierbaar, steun en troost voor wie zelf in dit vak terecht is gekomen - ‘a trade of the damned’, zoals Gissing het noemde tegenover Austin Harrison.

• Geerten Meijsing

zondag 5 april 2026

Jean Cocteau • 6 april 1945

Jean Cocteau (1889–1963) was een Frans dichter, romanschrijver, toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. Een selectie uit de dagboeken die hij tussen 1942 en 1954 bijhield zijn in het Nederlands verschenen onder de titel Dagboek van een duizendkunstenaar. 6 april 1945
Jacques Fano is net terug uit Duitsland. Hij zegt: 'Er zijn geen Duitsers meer. Er zijn hengelaars, huisvaders, enz.' Het Duitsland onder hypnose van Hitler is verdwenen, uiteraard. Tgenover dat 'Duitse' idee stelt de gevangene, degene die wordt bezet, zijn eigen menselijke persoonlijkheid. Ze laten foto's van hun vrouw, hun kinderen, hun vaders zien. Ze proberen op die manier te ontsnappen aan de ideologische anonimiteit van de partij.

Als in Frankrijk een individu zich wil verbergen probeert hij op te gaan in de massa. De massa die zich in Duitsland wil verbergen probeert op te gaan in het individu.

The Great Dictator gezien. Het is moeilijk om deze film, waarin Charlie Chaplin zich niet op zijn gemak kan hebben gevoeld, te beoordelen. Het komische en het tragische gaan er moeizaam in samen en de grappen (er zitten erin die verrassend zijn) dragen niet bij tot het algehele ritme. Wat zeer geslaagd is, is de karikatuur (voor de massa te verfijnd) van het opgejaagde, holle privé-leven van de dicatator. Chaplin-Hitler die bij de gloed van kaarsen piano speelt is fantastisch. Alles is te afgrijselijk geweest sinds deze film uitkwam [1940] om er nu nog naar van te worden. Ik betwijfel of de lauwe reactie van de zaal uit hetzelfde voortkomt als bij mij. Deze zaal wilde lachen om een grove karikatuur die Chaplin juist uit de weg gaat. In de scène van de wereldbol, een ballon waarmee hij jongleert - die een uitgelezen mimescène oplevert - komt de zaal, die niet in staat is de schoonheid ervan te zien, pas uit de plooi als hij de wereldbol de lucht in stoot met zijn billen.

Belle van Zuylen • 5 april 1792

• Schrijfster Belle van Zuylen (1740-1805) correspondeerde vijftien jaar lang met de zeventien jaar oudere militair en rokkenjager Constant d’Hermenches, aan wie (het fragment uit) onderstaande brief gericht was. Uit: Rebels en beminnelijk. Brieven van Belle van Zuylen – madame de Charrière (vertaald door Simone Dubois).

5 april 1792
Sinds een tijd raad ik alle vrouwen die ik tegenkom de studie van de logica aan. Vooral emigranten hebben mij doen inzien dat men moet leren wennen met een strikte nauwkeurigheid te redeneren om geen grove onzin te praten, zodra het verdriet of het verlangen of de wrok ons daartoe uitnodigen en de omstandigheden ons in een nieuwe situatie plaatsen, die met onze vroegere gewoonten in strijd is... Mej. Moula heeft zich mijn vermaning ter harte genomen en volgens mij doet haar dat geweldig veel goed. In de zes weken dat ze bij me is heb ik haast geen verbaasde uitroepen meer gehoord zonder dat daar een geldige reden voor was […]. Op het ogenblik is ze Locke gaan lezen. Kon het gezonde verstand maar in de mode komen! Dat zou de gelukkigste mode zijn die ooit bij de mensen ingevoerd werd. En jij, als je, naar het mij lijkt, voldoende logica van jezelf bezit om het buiten Wolf te kunnen stellen, buiten Dumarsais en de schrijvers van Port-Royal, laat dan toch niet na je geest te oefenen en hem te dwingen tot alles wat hij zal moeten doen; weldra zul je zien dat hij volgzaam en ijverig is zonder er minder levendig en minder vrolijk om te zijn. Ik geef je de verzekering dat je er blij over zult zijn, zoals je dat bent over een mooi en goed gedresseerd paard, dat even gehoorzaam is als sterk en lenig.


• Omdat ze in het Frans schreef, is Belle van Zuylen (1740-1805) in Nederland lang onbekend gebleven. Ze schreef brieven over de meest uiteenlopende onderwerpen, waarin zij als tegendraads, rebels, speels en ironisch naar voren komt.

Elias Ashmole • 4 april 1686

Elias Ashmole (1617-1692) was een Engelse verzamelaar en grondlegger van het Ashmolean Museum in Oxford. Hij hield ook een dagboek bij.
Ashmole's verzameling van artefacten en rariteiten kwam voor een groot deel uit de nalatenschap van verzamelaar John Tredescant. Toen na Tredescants dood diens vrouw tussen Ashmole en zijn 'erfenis' in stond, werd de weduwe op zeker moment dood in haar vijver aangetroffen.

Apr. 4. 11 Hor. 30 minutes ante merid. my wife told me, that Mrs. Tredescant was found drowned in her pond. She was drowned the day before about noon, as appeared by some circumstance.

6. 8 Hor. post merid. She was buried in a vault in Lambeth Churchyard, where her husband and his son John had been formerly laid.

22. I removed the pictures from Mrs. Tredescant's house to mine.

donderdag 2 april 2026

José Saramago • 3 april 1996

• De Portugese schrijver (en Nobelprijswinnaar) José Saramago (1922-2010) hield vijf jaar lang, van 1993 tot en met 1997, een dagboek bij dat gepubliceerd werd onder de titel Cadernos de Lanzarote. Een keuze daaruit werd (vertaald door Harrie Lemmens) gepubliceerd in Bzzletin.

11 augustus 1993
We hebben een hond in huis, god weet waarvandaan. Ineens was hij er, uit het niets, alsof hij op zoek was naar een baasje en dat ten slotte had gevonden. Hij gedraagt zich niet als een zwerfhond, is piepjong en je kunt zien dat hij goed is afgericht. Hij doemde op bij de keukendeur toen we zaten te lunchen. Op de drempel bleef hij zitten kijken, langzaam zijn kop heen en weer bewegend, zoals alleen honden dat kunnen: een ware verhandeling over de als nederigheid vermomde verleiding. Ik ben geen hondenkenner, zeker niet als het gaat om minder gangbare rassen, maar dit lijkt me een kruising tussen een poedel en een foxterriër. Als zijn eigenaar niet komt opdagen (het kan ook dat hij moedwillig achtergelaten is, dat gebeurt zo vaak in de vakantietijd), moeten we met hem naar de dierenarts om hem te laten onderzoeken, inenten en registreren. En hij moet een naam krijgen: Pepe heb ik al geopperd, het Spaanse verkleinwoord voor José... Morgen wordt hij gewassen en ontluisd. Hij blaft, voorlopig tenminste, zachtjes, alsof hij niet wil storen, maar hij lijkt duidelijke ideeën te hebben omtrent zijn bedoelingen: dit is mijn huis, ik ga hier niet meer weg.

7 november 1995
Gisteravond, toen ik aan de telefoon de gelukwensen van een vriend in ontvangst nam [voor de toekenning van de Prémio Camões, de hoogste literaire onderscheiding in de Portugeestalige wereld - HL], hoorde ik een vrouw op het braakliggend veld naast het huis gillen: ‘Een dolle hond, een dolle hond!...’ Zo gauw ik vrij was haastte ik me naar de tuin, maar Pilar was me al voor. Aan haar voeten zag ik een donkere vlek die verdacht veel op een hond leek... Dat was het ook, maar van hondsdolheid vertoonde het arme beestje geen kenmerken. De gillende vrouw was gewoon geschrokken, meer niet. De hond kwispelde langzaam met zijn staart en hief zijn kop op, smekend om hulp. Hongerig, dorstig, vuil, zoals iedere zwerfhond. We namen hem mee naar binnen en zetten hem water en eten voor, maar zoals altijd in dat soort gevallen verlamde de angst hem. Pepe gromde, niks blij met de indringer. De vacht van de nieuwkomer, dik en wollig, had grijstinten, een tikkeltje zwart, grauw en bruin, hier en daar wat vaal geel en, als onverwacht sierlijk toefje, een witte vlek op de borst, als een stropdas. Op het eerste gezicht zou je zeggen een poedel, vanwege de vacht, maar zijn stevige kop, zijn brede kaken, zijn scheve ogen en ook de lengte van zijn poten deden eerder denken aan een Canarische jachthond. Pilar stelde de vraag die voor de hand lag: ‘Houden we hem?’ Het was duidelijk van wel, dat we hem zouden houden, en ze voegde eraan toe: ‘Hij is opgedoken op de dag van je prijs, laten we hem Camões noemen.’ Op het moment dat ik dit schrijf lijkt Camões al een ander: hij is naar de dierenarts geweest, gewassen, getrimd, vrijgemaakt van parasieten. Ongetwijfeld wordt dit het huis waar de naam van de dichter dagelijks het vaakst wordt uitgesproken. Dat zou gebrek aan respect zijn als we niet wisten dat hij vele malen slechter is behandeld dan een hond...

3 april 1996
Camões is gegroeid, hij is volwassen geworden. Zijn tanden, die toen hij hier vijf maanden geleden kwam aanwaaien niet meer waren dan een fijne zaag, zijn veranderd in machtige wapens, en zijn hoge stelten, die eerder niet allemaal tegelijk dezelfde kant op leken te kunnen lopen, hebben geleerd hard en trefzeker uit te halen, in staat om welke tegenstander ook te verslaan. Hij kruipt niet meer onder het bed wanneer Pepe last krijgt van zijn Oteliaanse* jaloezie. Nu bijt hij van zich af en hun ruzies zijn vreselijk. Pepe wil zijn gezag van primus occupans niet verliezen en naar het zich laat aanzien wil Camões dat gezag opeisen, hoewel hij er als laatste bijgekomen is. Camões is groter, Pepe is robuuster. Alleen heeft Pepe de gewoonte zijn kop wat scheef te houden onder het vechten en dat is slecht voor hem. Bovendien betekent het, als het handboek gelijk heeft, een eerste teken van zwakte: als een karateka met zwarte band deelt Camões bliksemende trappen uit die Pepe al meer dan eens hebben verwond aan zijn rechteroog. Het is moeilijk ze uit elkaar te halen wanneer ze vechten, het lijkt alsof ze alle woede van de wereld in zich hebben verenigd. Ik word bijna wanhopig van de pogingen ze aan het verstand te brengen dat er voor iedereen plaats is in dit huis.


* Othelliaans? Of misschien verwijst dit naar Otelo Saraiva de Carvalho.

woensdag 1 april 2026

Jean Cocteau • 2 april 1952

Jean Cocteau (1889–1963) was een Frans dichter, romanschrijver, toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. Een selectie uit de dagboeken die hij tussen 1942 en 1954 bijhield zijn in hte Nederlands verschenen onder de titel Dagboek van een duizendkunstenaar.

2 april
Lunch met de Pagnols en de Simenons. Je kunt je niet drie meer van elkaar verschillende mannen voorstellen dan wij drie ten aanzien van het werk, van wat ons bezighoudt, en van onze gewoonten. Maar we hebben één eigenschap gemeen, dat we ons nooit bemoeien met andermans zaken en nergens jaloers op zijn. Dat is de basis van onze verstandhouding, die altijd volmaakt is en zich koestert in een vriendschappelijke warmte die verre uitstijgt boven belangen.
Simenon zegt: 'Het is wonderlijk dat wij hier met zijn drieën de enigen zijn aan wie Amerika zou bieden wat we vragen. Ik pieker me suf, maar ik kan geen anderen bedenken.'
Waarop ik heb geantwoord dat ik er weinig van merkte en dat mijn financiën er bar slecht voor stonden. Pagnol weet me te vertellen dat de Société des Auteurs me al drie jaar een jaarlijkse toelage van zeshonderdduizend frank schuldig is. Dat hoor ik voor het eerst.


dinsdag 31 maart 2026

Sonja Paardekooper • 1 april 1945

• Sonja Paardekooper (1930-2009) hield als jong meisje een dagboek bij van haar tijd in het interneringskamp Ambarawa. Dat dagboek is gepubliceerd als Achter het gedek.

1 April Paaschzondag.
Pasen met heerlijk weer. Met lekker eten ( droge rijst met bruine bonen en een stukje vlees van ongeveer 40 gram, met koekjes, drie de persoon). Iedereen is blij en tevreden. Ik had de hele ochtend vrij, omdat ik van 1 tot 4 dienst had. Toen heb ik gebaad en mijn haren gewassen met een hele teil. Vandaag werkt alles mee, het weer, het water, het hout. Vanochtend was er poppekast voor de kinderen en om 1 uur kregen ze van 2 tot 12 een stukje kwetalem. 't Was zoo leuk bedacht en toch gaf zelfs dit aanleiding tot kankeren. Mevrouw van Ham vond, dat haar dochter van 14 ook wel wat mocht hebben. Flauw he? Maar 't is een echt fijne dag, want ik vergat nog, dat we ieder een eendenei krijgen, dat volgens de leiding 40 ct kost, maar dat je kunt gedekken* voor 25 ct.

3 April (Dit stuk is door mijn moeder geschreven).
Voor de vierde keer hebben we nu vorige maand mijn verjaardag en voor de vierde keer pappie's verjaardag "gevierd" zonder elkaar en verlangen naar ons gewone leven, ons huis en alle gezellige dingen wordt hoe langer hoe grooter. Ik heb eindeloos recepten overgeschreven en stel me dan voor hoe we al die heerlijkheden weer samen zullen verorberen aan een goed gedekte tafel met een smaakvol servies, tafelzilver en glazen en geen etensbakken, geen blikjes om uit te drinken en voer, dat je toebedeeld wordt, zooals 't de nip en de leiding goeddunkt. Je vraagt je dagelijks af, of 't nog weer goed kan komen en hoe alles geregeld moet worden, 't duurt zoo eindeloos lang. Maar eerst pappie weer bij ons, dan komt alles wel goed.

* het gedek was de bamboe schutting rond het kamp, waar je dingen kon ruilen met de buitenwereld.

maandag 30 maart 2026

Louis Tas (Loden Vogel) • 31 maart 1945

Louis Tas (1920-2011) publiceerde onder het pseudoniem Loden Vogel Dagboek uit een kamp, over zijn ervaringen in Bergen-Belsen. Na de oorlog werd hij een bekende Amsterdamse psychoanalyticus, die veel kunstenaars en acteurs onder zijn clientèle had. Interview.

31 maart.
Gisteren zilveren bruiloft ouders. Ik was naar Hanke geweest en had — ongelooflijk fraaie buit — een hele kuch [brood] gekregen. Het was een trieste regendag, en ondanks de kuch, en alle verzekeringen van het tegendeel, hadden we honger. Er komt nu alleen brood op dagen zonder soep, dus twee of drie keer per week. Het kwam er dus op neer dat we niet, als anderen, tekortkwamen. Hoe men daarop kan blijven werken? Gisteren viel het eerste slachtoffer van de epidemie, die daarmee officieel begonnen is. Krankzinnige prikkeldraadversperringen maken een doolhof van ons kampje. Alleen tegen de luizen (het Altersheim met name is totaal verluisd) wordt niets gedaan. (Men kan niets verlangen van mensen die zo slecht gevoed worden.) Ik was bang, nu twee collega's hier zijn komen wonen, dat het met mijn lange uitslapen afgelopen zou zijn. Gelukkig begint één van hen ook al lui te worden. De ander wordt wel ziek.
Als ik Hemingway lees meen ik onder mijn vrienden terug te zijn. Gesteld dat ik een dagboek kon schrijven, zo overwegend uit dialoog bestaande als Farewell to Arms... maar dat zou ook Hemingway, die later aan zijn eigen techniek te gronde is gegaan, niet gekund hebben.
Ik ontdekte vier weken geleden in het hemd van een verluisde patiënt, dat ik van zijn lijf geknipt en weggegooid had, een gouden speld met briljanten, een week geleden herinnerde ik mij dat, en vroeg de patiënt of hij de speld verkopen wilde. De laatste dagen was ik verwikkeld in onderhandelingen over tientallen kuchen, zonder zelf een boterham te hebben. Doordat het kamp in quarantaine is, gaat de zaak niet door, zoals ik wel gedacht had.
Luza heeft de zogenaamde Dauerliste klein gekregen, met als resultaat dat het personeel van het ziekenhuis voortaan vaak melk zal krijgen.
Ik had de urine niet kunnen ophouden, en toen ik met natte broek langs het prikkeldraad van de Häftlingen strompelde, waarachter ellendige gedaanten nog rondhobbelden of al dood neerlagen, voelde ik mij een van hen. Zo zal het ook ons gaan, misschien is exanthematicus dan nog beter.

zondag 29 maart 2026

Max de Jong • 30 maart 1948

Max de Jong (1917-1951) was een Nederlandse dichter. Zijn dagboek is in 2015 door Van Oorschot gepubliceerd.

Di 23 maart.
Marijke groette me niet en vertrok. Jaap Hijmans was nukkig en zwijgzaam, krijgt zeker een beetje tabak van me. En dan Gonnie, wou dat kamertje in dit huis eventueel wel hebben, voor korte tijd, tja, dat is nou ook een vraag. Ik heb haar naar de hospita verwezen, maar ze heeft het adres niet eens goed in zich opgenomen. En zo besteden we de tijd, die ons rest, tot Hilletje terug komt om ons hoofdpijn te bezorgen.

Vrij 26 maart.
Kwitanties Vereniging van Letterkundigen onbetaald terug gestuurd.

Za 27 maart.
Om een uur of twee wakker en gek geworden van het nieuwste: gesnurk naast me, de vader van dat flikkertje slaapt er. Zo heb ik nog nooit horen snurken. Het is of er een olifant met een psychische afwijking woont. Hij schijnt een maand te blijven. Hun huis wordt verbouwd. Zien te bereiken dat de moeder er komt te liggen, die ijlt, maar dat is altijd minder erg dan dit.

Di 30 maart.
Die snurkende vent naast me volkomen onverwacht weer afgereisd. God bestaat dus toch!

J.H. Leopold • 29 maart 1890

• De dichter J.H. Leopold (1865-1925) hield een reisdagboek bij toen hij in 1890 in Italië was.

29 Maart.
[...]
's Middags zijn we naar Buffalo Bill geweest en zijn Cowboy's en Roodhuiden. Dit maakte een sterken indruk op mij. En het zien der Roodhuiden, laatste telgen van een stam die uitstierf, maar ook de personen der veroveraars, de gespierde lichamen, de onverschillige gezichten, de krasse stukjes in het rijden, de mensch in een nauwere betrekking met bedreigende natuurmachten, met een zwaar, bedreigd leven, dat geen tijd geeft voor verfijnd genoten verweekelijking. Minder trof Buffalo Bill, op en top een romanheld, een ‘mooie man’, een gezicht geschikt om zich het leven in het verre westen zoo opgesmukt voor te stellen als in de boeken, in werkelijkheid docht het mij een reeks van eentonige dagen van zware arbeid, en nu en dan een oogenblik van doodsgevaar, niet lang, verheffend, treffend, maar kort, brutaal en beestachtig en bitter ernstig.

Simon Vinkenoog • 28 maart 1964

Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter en schrijver. In 1963/'64 hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte.

zaterdag 28 maart 1964
[de tweeëndertigste dag]
[...]
‘Ik geloof niet in God,’ Huub vanmiddag, ‘wel in 'n duivel: de zwaartekracht. Als ik op m'n hoofd ga staan, tart ik de duivel, hef ik 'm op, raak ik in 'n toestand die high genoemd wordt, dat mag je voor mijn part God noemen.’

*

Ik heb Jan H. jaren geleden gekwetst (vertelt hij me) door op te merken toen iemand 'n toeval kreeg, en languit op de grond lag: ‘Waarom zou 'n mens niet 's mogen gaan liggen?’
Ik heb het, ook toen, niet ‘kwaad’ bedoeld; intuïtief weten dat liggen goed is, vanzelfsprekend leefde ik met het slachtoffer in deze benarde situatie mee. Dat doe ik ook als ik hoor hoe met het meisje M., dat ook bij tijd en wijle afwezig is, gesold werd op 'n feestje. Ze hebben haar aan de haren door de kamers gesleept, haar met het hoofd in de bak van de w.c. gehouden, haar in een auto naar huis gebracht, bonk-bonk-bonk trap af, trap op haar met zich mee voerende.

*

Jetty onder invloed van stramonium. Als alle gewrichten, spieren, fysiologische kommunikatieschakels, ganglions, etc. (wetenschappelijke uiteenzetting binnen handbereik, nu 2) dienstweigeren. Slechts Mel hield zich in stand, een wonder.
Zijn geest wist 'n bovenmenselijke beheersing over het lichaam op te brengen, de taksichauffeur was alleen maar bang dat zij zou gaan overgeven op z'n bekleding. Ze mompelden niet-verstaanbare klanken - ik heb er meer in deze toestand gezien.
Ik durf niet eens m'n eigen stramonium-ervaringen op Ibiza, waar we gevieren het bittere, afschuwelijk bittere, plantenthee-drankje slikten, een verschrikkelijke ervaring, in te zien.

[...]

donderdag 26 maart 2026

Frederik van Eeden • 27 maart 1917

Frederik van Eeden (1860-1932) publiceerde in 1920 een soort aforismedagboek, Gedachten geheten.

dinsdag 27 maart
N.O. wind - maar wat zon. ▫ Gister het ouderwetsche ganzebord gespeeld met de kinderen.
De papoea's interesseeren mij zeer, zooals ook de menschapen mij interesseeren. Hun leeven dat al eeuwen en eeuwen zoo voortgezet is - hun kinderlijkheid, vroolijkheid en blijmoedigheid, hun kracht en handigheid - en dan hun ongevoeligheid, - wat is dat alles leerrijk en merkwaardig. Het zijn eigenlijk weezens van vóór het paradijs, of liever vóór den zondenval, want ook de schaamte kennen ze niet of nauwelijks. ▫ Daarom is ook de weetenschappelijke belangstelling in hen zoo groot.

vrijdag 30 maart
Buyig en koud. ▫ Het ging mij weer bitter slecht. Ik sprak in Rotterdam voor een groote zaal vol menschen. Maar ik had met van Vrieslant gegeeten in een duur restaurant en onder mijn reede voelde ik mij verlaten en verward. Met moeite kwam ik weer op dreef. Ik was zeer ontevreeden op mezelf. En gisteren kwam bericht dat Bertha zich niet meer beschikbaar stelt. Dus zijn we van onze vrienden afgesneeden, nog eer de twijfel geheel is vernietigd. Het is een droeve tijd. Mijn arme lieve vrouw is er zoo bedroefd onder. Ze schreide in den nacht. Het was voor haar zulk een steun. En wij weeten niet hoe we op nieuw contact zullen krijgen. ▫ Van de ‘helpers’ bemerken wij nog niets. Wat is het alles vreemd en raadselig.

woensdag 25 maart 2026

Sir Walter Scott • 26 maart 1826

• Sir Walter Scott (1771-1832) was een Schots dichter en schrijver, vooral bekend door zijn historische romans, zoals Ivanhoe. Van 1825 tot 1832 hield hij een dagboek bij.

Vertaling onderaan.

March 26.— Here is a disagreeable morning, snowing and hailing, with gleams of bright sunshine between, and all the ground white, and all the air frozen. I don't like this jumbling of weather. It is ungenial, and gives chilblains. Besides, with its whiteness, and its coldness, and its glister, and its discomfort, it resembles that most disagreeable of all things, a vain, cold, empty, beautiful woman, who has neither mind nor heart, but only features like a doll. I do not know what is so like this disagreeable day, when the sun is so bright, and yet so uninfluential, that

"One may gaze upon its beams
Till he is starved with cold."

No matter, it will serve as well as another day to finish Woodstock. Walked out to the lake, and coquetted with this disagreeable weather, whereby I catch chilblains in my fingers and cold in my head. Fed the swans.

Finished Woodstock, however, cum tota sequela of title-page, introduction, etc., and so, as Dame Fortune says in Quevedo,

"Go wheel, and may the devil drive thee."




Ongecorrigeerde vertaling doorChatGPT:
26 maart.— Hier is een onaangename ochtend, met sneeuw en hagel, afgewisseld door flitsen van felle zonneschijn, terwijl de hele grond wit is en de lucht ijzig koud. Ik houd niet van deze warboel van weer. Het is onvriendelijk en bezorgt je wintertenen. Bovendien lijkt het, met zijn witheid, zijn kilte, zijn glinstering en zijn ongemak, op het meest onaangename van alles: een ijdele, kille, lege, mooie vrouw, die noch verstand noch hart heeft, maar alleen gelaatstrekken als een pop. Ik weet niet wat zo lijkt op deze onaangename dag, waarop de zon zo fel schijnt en toch zo weinig invloed heeft, dat

"Men kan naar haar stralen staren
Tot men van de kou verhongert."

Maar goed, deze dag zal net zo geschikt zijn als elke andere om Woodstock af te maken. Ik heb een wandeling naar het meer gemaakt en geflirt met dit onaangename weer, waardoor ik wintertenen aan mijn vingers en verkoudheid in mijn hoofd heb opgelopen. De zwanen gevoerd.
Toch Woodstock voltooid, inclusief alles wat erbij hoort — titelpagina, inleiding, enzovoort — en dus, zoals Vrouwe Fortuna zegt bij Quevedo:

"Draai maar rond, en moge de duivel je voortdrijven."

dinsdag 24 maart 2026

Stijn Streuvels • 25 maart 1917

Stijn Streuvels (1871–1969) was een Vlaamse schrijver. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.

25 maart 1917
Nu is 't de prikdraad die aangeslegen wordt - met 't gebod erbij dat al wie er in eigendom heeft, moet inleveren - d.w.z. dat de boeren hun werk mogen laten staan - de draad waarmede hun weiden afgesloten zijn - losmaken, in rollen van 25 kilo opwinden en op gestelde datum naar 't gemeentehuis brengen. Ik ben nieuwsgierig of ze 't doen zullen.
De kolennood stijgt en het vriest altijd maar voort al is het al lente op de almanak. En nu worden al de bomen ook al aangeslagen door 't Duits bestuur. Geen kolen dus en geen hout.

30 maart 1917
In de uchtend komen een bende soldaten op de gemeente - verdelen zich in groepjes en beginnen een stelselmatige huiszoeking in al de boerenhoven. Ik krijg er hier twee die de zolders doorsnuffelen zonder iets te vinden en in de kelder de wijn in beslag nemen. Tegen de avond is 't dorp vol van de gevaarten [gebeurtenissen] en elk is aan 't vertellen hoe 't bij hen of bij de gebuurs afgelopen is. Er zijn jammerlijke gebeurtenissen - o.a. bij geringe lieden waar men 't laatste stukje vlees en de enige voorraad tarwe gevonden heeft - en die arme lieden zijn verplicht het aangeslagen goed zelf naar 't gemeentehuis te brengen. Tegen de avond is de plaats [dorpsplein] vol - boeren en kortwoners [kleine pachters] die met hun gespan of handwagens hun vrachtje brengen en de koer van 't gemeentehuis is opgestapeld [vol gestapeld}.

maandag 23 maart 2026

C. Buddingh' • 24 maart 1968

C. Buddingh' (1918-1985) was schrijver en dichter. Hij publiceerde vijf boeken met dagboeknotities.

24-3
De eerste lentedag van het jaar. Eindelijk eens zon en een blauwe hemel. En een acceptabele temperatuur. De bomen zijn nog wel bijna volkomen grauw, op een enkele treurwilg na waar een groen waas over ligt, maar de struiken staan volop in knop en overal in de tuinen zie je bossen crocussen en sneeuwklokjes (die overigens al weer op hun eind lopen). Plus het eerste geel van de forsythia's. Mijn winterjas zelfs voor m'n regenjas verwisseld; hoed en wollen sjaal nog wel op en om gehouden: men moet ook weer niet gaan overdrijven! Stientje en de jongens zijn in de eend (waar we allemaal nog zeer trots op zijn) naar de midget-golfbaan in Heerjansdam; ik was graag meegegaan maar ik heb het zo waanzinnig druk deze weken dat ik ook deze zondagmiddag naar Pictura ben gefietst. Het is er nog rustiger dan door de week: de enige geluiden die ik hoor zijn het pruttelen van de kachelvlam en af en toe het geronk van een brommer op de Voorstraat. En het kraken van mijn stoel (eigenlijk: een stoel van Otto), die ik nodig moet laten repareren of door een andere vervangen, wil ik er vandaag of morgen niet plotseling doorzakken. Aan één kant zijn beide dwarslatjes tussen de poten eruit en de rieten zitting is zó ingezakt, dat ik de ontstane kuil met een stapel kranten heb moeten opvullen. Ik zit nu op: ‘Nederlands gunstige schaatspositie. Sterke top boven een brede basis van jong talent.’ Dat moet een krant van vorig jaar zijn. Inderdaad: de Sport en Sportwereld van 22 februari 1966.

Nadat ik er, eergisteren, het ‘onbewoonde eiland’ bijgehaald had, lopen nadenken over de negen andere boeken die ik meenemen zou. Na veel gepeins en gewik en geweeg tot de volgende gekomen (waarbij ik me de vrijheid heb gegund bij elkaar horende delen voor één boek te rekenen): Shakespeare (natuurlijk), Auden en Norman Holmes Pearson: Poets of the English Language (5 dln; dit is geloof ik het boek dat ik meenemen zou als ik mijn keuze tot één enkel boek moest beperken), Hazlitt: Selected Essays (The Nonesuch Hazlitt), Tsjechow: Verhalen (dat houdt dus in de eerste vijf delen van de Van Oorschoteditie), Apollinaire: Oeuvres Complètes (de Pléiade-uitgave, ook al vind ik de posthuum gepubliceerde verzen bepaald minder dan Alcools en Calligrammes), Lucebert: Gedichten 1948-1963, Tartakower en Du Mont: 500 Master Games of Chess (+ een schaakbord en stukken), Boswell's Life of Samuel Johnson en tenslotte Kafka's Tagebücher. Het zal aardig zijn om over een jaar, of twee jaar, nog eens zo'n keuze te maken en te kijken of die dan verschilt van deze en waar.

Vorige week hoorde ik van Fluks (van Nilsson en Lamm), dat ze, sinds ze in Engeland met een computer werken voor de facturering, alle Penguins zes weken later in huis krijgen dan voor die tijd. Ach ja: de techniek is ongetwijfeld iets moois. Maar men moet er zich ook weer niet op verkijken.

Even een glas sinaasappelsap ingeschonken, wat ik overdag graag drink, maar 's avonds niet of nauwelijks door mijn keel kan krijgen. Ik vraag me af welke processen in ons lichaam voor dergelijke sterke schommelingen in onze smaak verantwoordelijk zijn. En of er wel eens een onderzoek naar is ingesteld.

Gisterochtend lag er in mijn bus een catalogus van een Amsterdams antiquariaat, over ‘Nederlandse Letteren, Erotica en Nederlandse Schilderkunst.’ Moet me ongetwijfeld zijn toegestuurd omdat ik in de al in Tirade gepubliceerde dagbladnotities het tweede van de drie onderwerpen af en toe ter sprake heb gebracht, in de veronderstelling, althans de hoop, dat daar in Dordt een potentiële koper van erotica zat. Helaas voor hen: ze vergissen zich. D.w.z. natuurlijk ben ik wel in pornografie geïnteresseerd, maar niet meer (eerder minder zelfs) dan in boeken over cricket of schaken. En dan toch wel in de eerste plaats als literair genre. De vele boeken over zedengeschiedenis bijv. die in de catalogus prijken: Sittengeschichte des Orients, Darstellungen aus der Sittengeschichte Roms in der Zeit von August bis zur Ausgang der Antonine, Liebe und Ehe in Griechenland II en Sittengeschichte des Proletariats, boezemen mij maar heel weinig belang in: dat geloof ik bij voorbaat wel. Ook erotische prentkunst kan me niet erg veel schelen: ik zou het best aardig vinden om een goede collectie eens een keer door te kijken (zou misschien nog informatief zijn), maar om er vele honderden of zelfs duizenden guldens voor neer te tellen, in evenzovele honderden en duizenden jaren nog niet. Wat ik wel zou kopen, als ik geld in overvloed had, is een eerste druk van Multatuli's Max Havelaar. Of (nog liever) een eerste druk van Piet Paaltjens' Snikken en Grimlachjes (beide in de catalogus vermeld, en niet eens zo erg duur, resp. f 100 en f 85, valt mij erg mee). Dat lijkt me nu leuk, om die te bezitten in de vorm waarin de toen nog niets vermoedende wereld er voor de eerste maal mee kennis gemaakt heeft. Maar eigenlijk staat er maar één item in deze hele catalogus, dat mij echt de keel afbijt: Du Perrons Boozige Boekje. Maar daar vragen ze maar eventjes 200 gulden voor. Overigens blijkt ook uit deze lijsten weer, dat je je geld slechter beleggen kunt dan in Nederlandse letteren. Zo vragen ze voor een le druk van Hoorniks Geboorte f 30. (Tenzij ik me heel erg vergis, moet ik het ergens hebben staan). En voor Du Perrons Blocnote klein formaat maar twee kwartjes minder. (Deed ik nog niet voor het zesvoudige weg). Maar het aardigste vind ik nog, dat Van Ostayens De Bende van de Stronk f 22.50 moet opbrengen. Ik heb er, kort voor de oorlog, op de markt in Dordt precies één kwartje voor betaald.

Ik ben een typische sherry-drinker, maar alleen omdat ik geen geld heb om een whisky-drinker te zijn. Zoals ook Mac Baren's Mixture alleen mijn lijftabak is, omdat ik Balkan Sobranie niet kan bekostigen.

Bij de nieuwe bundel van Judith Herzberg: Beemdgras (overigens een zeer ongelukkig gekozen titel): haar beste verzen zijn zo goed, omdat ze volmaakt doorzichtig zijn en toch een heleboel verbergen. Als een mens eenmaal een lijstje maakt, wil hij ook lijstjes blijven maken, het schijnt een soort kriebel in zijn bloed te zijn. Ik heb getracht er weerstand aan te bieden, maar desondanks toch gisteren een groot deel van de avond bezig geweest met piekeren over de tien boeken die ik het liefst zou willen lezen van alle boeken die ik nog niet ken. Tot het volgende resultaat gekomen: Charles [lees verder op 25 maart]

zondag 22 maart 2026

Wim Kan • 23 maart 1981

Wim Kan (1911-1983) was cabaretier. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de DBNL.

Maandag 23 maart 21.00 uur. Wildwal
Telefoon: Ru! Ziek! Heeft voor de derde maal geen stem en moeilijkheden met slikken. Bang voor longontsteking. Ik verbood hem naar Apeldoorn te komen, waar om half twee vanmiddag de generale repetitie zou plaatsvinden. Paniek bij meneer Van Liempt. Wij stonden zelf om 14.15 uur voor Orpheus: Harry Wich, Frans, Johan. Meneer Van Liempt: allemaal nog druk bezig. Niemand had Ru of ons nog gemist. Welkomstbloemen van Orpheus in de kleedkamer. Prima werksfeer. Prima directeur Stans van wie alles kon en alles mocht. Om ongeveer half vier stonden Ol en ik op de anderhalve meter hoge praktikabel te zingen: ‘Want samen zijn wij 150 lentes oud’. Klaar voor het changement van ‘Silhouetten’ naar zichtbare figuren. Op tijd trokken ze het witte silhouettendoek omhoog. Dat bleef haken aan de onderkant van de praktikabel en voor iemand begreep wat er precies gebeurde, viel Ol achterover van het podium, op haar rug!!! Ik probeerde haar nog te grijpen, maar doordat de hele praktikabel achterover kiepte, vielen wij allebei en had ik geen schijn van kans. Einde van de voorstelling flitste het door mij heen, einde van onze carrière. In zestig seconden ongeveer stond al wat in de schouwburg werkte om ons heen. Ik denk niet dat ik dit beeld van Ol in feestjurk met feesthoed op haar rug op de grond liggend ooit zal vergeten. Binnen vijf minuten begreep ik wel dat ze niets gebroken had in elk geval. Ol weer als een rubberpoppetje en niet de bijna tachtigjarige vrouw met een gebroken heup. Stuitje bezeerd, spierpijn. Een kwartier later stonden wij weer samen op diezelfde praktikabel... ‘want samen zijn wij 150 lentes oud’... te zingen en de generale repetitie zonder Ru ging ‘rustig’ verder.

J.H. Leopold • 22 maart 1890

• De dichter J.H. Leopold (1865-1925) hield een reisdagboek bij toen hij in 1890 in Italië was.

22 Maart.
Vandaag hebben we 's morgens het Palazzo Vecchio bezocht. Hier vonden we weer de oude pracht, ruime zalen, fresco's, gobelins, schilderijen en dezelfde groote afmetingen, eentonig om er weer over uit te weiden, en voorts historische merkwaardigheden, uitvoeriger in Baedeker geboekt. Maar van het bezoeken van al deze gebouwen blijft ten eenent een indruk van groothartige, milde pracht, ten anderen het bewustzijn van de grootheid van het geslacht der Medici, en een eerbied voor dit huis.
Wat trof met nieuwen indruk was de zaal der Lelies. Hier was de zoldering met ongeziene pracht getooid, zwaar vergulde en gesneden caissons getooid met de lelie, het wapen van Florence. En ook van de muren hingen behangen met lelies bedekt. En in deze oude zaal stond een nieuwe versiering; honderden bontkleurige bandelieren en standaarden hingen aan den wand, of stonden in rekken in het ronde. En in het midden stond de blinkend witte, marmeren buste van ‘il divino poeta’. Een treffend gezicht; want daar stond de dichter, een mager fijn gezicht en om den mond waren de wangen ingevallen, als door verdriet of diep nadenken, en om hem heen, om den reinen, strengen, man als neigend voor het goddelijk vernuft, de bonte schaar, die de oogen streelde, goud, purper, de eerbewijzen van alle steden, alle vereenigingen van geheel Italië. Werd ooit een koning omwuifd door meer zege-trofeeën als de dichter, ingesloten door de zegeteekenen van al de verten die zijn geest bedwong?
Dan zagen wij nog vele dingen, een kerk, Santa Maria Novella, met fresco's, en 's middags het Karthuizerklooster, gelegen op een der vruchtbare, wel beplante heuvels ten zuiden van Florence, waar ons een broeder der orde, een dik welvarend heerschap met een stomp, vadzig uiterlijk rondleidde. Hier en daar een wijd uitzicht over de gezegende, rijk begroeide heuvelen en de dalen en wegen, waarlangs voetgangers gingen en karren en rijtuigen voorbij hotsten naar de groote stad achter gindsche heuvelen.
's Middags kreeg ik nog een brief van huis en terwijl ik die dadelijk open brak, en op straat voortgaande, gretig doorlas, moest ik lachen, hoe ik, in deze stad, te midden van de paleizen, de gezichten, die men mij zeker zoo benijdde, geheel weer was in 't oude binnenhuis, bij de oude bekende gezichten en menschen.

Ronald Westerbeek • 21 maart 1998

Ronald Westerbeek (1970) is schrijver, voorganger en theoloog. Rond het verschijnen van zijn boek Kaj en de kunst van het Eendenonderhoud hield hij een dagboek bij. 

Zaterdag 21 maart
De laatste signeersessie en ik heb er geen zin meer in. Wéér een boekhandelaar die er zijn verbazing over zal uitspreken dat het vandaag zo rustig is en dat er anders op deze dag van de week veel meer mensen in de stad zijn. Boekhandel De Bron in Ede, ditmaal. Het wordt toch nog leuk, want in de regio zitten behoorlijk wat Icarus-abonnees (Wageningse studenten, vooral), onder wie enkele bekende.
Een jongen vraagt of ik het leuk vind om te signeren. Ik zeg: hoe zou jij het vinden om in een boekhandel achter een tafeltje te zitten? Als er een rijtje mensen voor je staat, is het wel leuk. De rest van de tijd doe je vooral je best niet voor paal te zitten. Je kan moeilijk HP/De Tijd gaan zitten lezen.
Voor sommige mensen schrijf ik ook een zinnetje uit het boek voorin. Om over na te denken. Zo'n zinnetje waar je makkelijk overheen leest, maar dat wel ergens naar verwijst - aan het slot bijvoorbeeld, dat Kaj zijn hoofd op een steen legt en dat er olie geplengd wordt op een steen. Dat verwijst naar Jakob te Bethel: ‘God, als u me hieruit redt, zal U mij tot een God zijn.’

woensdag 18 maart 2026

Jac van Looy • 20 maart 1886

• Uit de volledige briefwisseling van kunstenaar Willem Witsen (1860-1923). Jac van Looy (1855-1930) was een dubbeltalent: hij schreef en hij schilderde.

Beste Wim,
Gisteren ontving ik je hartelijke en prettige brief. Jongen wat ben je een Robinson Crusoë en wat ruikt je brief lekker naar bosch en heilucht. Ik zal me dat genot nog één jaar lang moeten ontzeggen, en in een vreemde atmosfeer weêr veel moeite en zorgen hebben, luchtjes te zoeken, die wat in mijn smaak vallen. O, maar reizen is heerlijk, gezond, en geeft veerkracht dat verzeker ik je. Ik ben nu 't hospitaal uit, en logeer bij de Consul, blijf hier nog een week of wat langer, om weêr geheel op verhaal te komen. Ik word langzamerhand weêr de oude onvermoeibare Koo. Ik schrijf je dit s'morgens om 8 uur, in een Café. Ik vlieg zoo vroeg uit, omdat ik gisteren avond een briefje kreeg van de Direktrice die me verzocht, mit meiner geschichtliche Stifte, een afbeelding voor haar te komen maken van een doode vrouw, die lang aan een borst ziekte heeft geleden, en aan wie zij zich gehecht heeft. Zoo heb ik dan de tasch weêr omgehangen en ga de hoogte waar het hospitaal ligt weêr beklimmen. Uit Madrid schrijf ik je een brief. Wat kunt jij anders werken dan ik, die alles zoo te hooi en te gras doen moet, maar daarom niet getreurd ... dat ook is goed. Van Cobi kreeg ik een alleraardigste brief met verhalen van kinderen, die in stoelen wagons, op reis waren naar Ewijkshoeve. Ik wou daarop niet antwoorden per briefkaart — zeg haar dat met m'n beste groeten, ook aan Coba.

Verder een hand van
je oude
vLooy.

Genua. 20 Maart 1886

Nico Keuning • 19 maart 2004

• Neerlandicus en biograaf Nico Keuning (1952) hield een dagboek bij toen hij schreef aan de biografie van Bob den Uyl. Fragmenten daaruit zijn gepubliceerd in Biografie Bulletin.

Vrijdag 19 maart
Van Wim Sanders kopieën ontvangen van zijn interview met Bob den Uyl dat ik met rode oortjes las. Goed dat de jonge Sanders in zijn enthousiasme alles van dat interview heeft opgeschreven. Geweldig dat Den Uyl zich in dit niet-officiële interview zo onbevangen uitspreekt over zijn angsten. Verbazingwekkend hoezeer sommige absurdistische en surrealistische verhalen van Den Uyl leunen op de werkelijkheid. Uit bovengenoemd interview blijkt dat hij tijdens een psychotherapie om van zijn stotteren af te komen (‘Nou, ik stotterde niet, maar ik bleef wel eens haken op een woord, of nee, hoe heet dat, hangen op een woord.’) een angstaanval kreeg. Hij is er zes weken ziek van geweest. Er kwam nog een hartkloppingaanval bij: ‘Het was geen hartkwaal, maar het was... ja, dat kun je niet beschrijven eigenlijk, een enorme angst voor niks. Nou goed, dat heeft zich nog jarenlang voortgesleept. Ik heb allerlei angsttoestanden gehad en dat waren jaren van ellende enzo, dat ik zo'n beetje met iedereen het contact verloor.’
Den Uyl heeft er ook in zijn dagboekaantekeningen 1963/64 over geschreven, waarvan het typoscript zich in de nalatenschap bevindt. Gefundenes Fressen voor een biograaf.
Een verhaal als ‘Het jongetje met het waterhoofd’ uit Vogels kijken, en ‘Brekend glas’ uit Een zachte fluittoon waarin de hoofdpersoon straatvrees heeft, krijgen tegen deze achtergrond een veel diepere, indringender betekenis.
Angst, drank en vrouwen. Zijn belangrijke thema's. In die volgorde.

dinsdag 17 maart 2026

Willem Frederik Hermans • 18 maart 1993

• Het Boekenweekgeschenk 1993 was van Willem Frederik Hermans (1921-1995). Hij schreef over e.e.a. in de WFH-Verzamelkrant.

WFH's Boekenweek van dag tot dag. Deel 1 hier.

donderdag 11 maart
Diverse boekhandels hebben etalages gewijd aan WFH. Lankamp & Brinkman in Amsterdam stelt de kop van WFH tentoon die is gemaakt door Sylvia Willink-Quiël.
Tonnie Luiken van de WFH-verzamelkrant richt een etalage in bij de Athenaeum Boekwinkel. Daar ligt ook een potloodje van WFH tentoongesteld dat door Avenue wordt geveild ten bate van het Letterkundig Museum.
In talrijke boekwinkels in het land staat de speciale door WFH's uitgevers De Bezige Bij, G.A. van Oorschot en De Harmonie geleverde display met zijn boeken opgesteld. Deze bevat onder andere een kleine brochure geschreven door Frans A. Janssen. De CPNB heeft daarnaast twee speciale affiches laten verspreiden.
Positieve recensie van het Boekenweekgeschenk in Trouw. Tom van Deel: ‘Een echte Hermans.’

vrijdag 12 maart
Positieve recensie van het Boekenweekgeschenk in de Volkskrant en NRC Handelsblad. Arnold Heumakers: ‘Ik ben de CPNB dankbaar.’ Reinjan Mulder: ‘Klein meesterwerkje.’

zaterdag 13 maart
Positieve recensie van het Boekenweekgeschenk in Het Parool. Theodor Holman: ‘Meesterwerk.’

zondag 14 maart
De helft van Nederland leest het Boekenweekgeschenk.

maandag 15 maart
De andere helft van Nederland leest het Boekenweekgeschenk.

dinsdag 16 maart
Overal in het land zijn er literaire manifestaties en signeersessies. WFH neemt aan geen enkele activiteit deel.

woensdag 17 maart
Naar aanleiding van het boekje Slechte kritieken gaan nooit verloren, goede ook niet, sinds kort gaat Peter Nijssen in Vrij Nederland in op het vertrek van WFH bij NRC Handelsblad. Kunstchef Lien Heyting in VN: ‘Er waren drie redenen om Hermans' stuk tegen Kets-Vree te weigeren. Die heb ik Hermans allerminst mompelend, maar heel duidelijk en erg uitvoerig uit de doeken gedaan. [...] Feit is dat Hermans dat stuk ongevraagd heeft toegestuurd, terwijl normaal gesproken alle plannen voor bijdragen in overleg worden geschreven. Maar dat was niet de reden om het te weigeren.’ Meer wil Heyting niet zeggen.

donderdag 18 maart
Geen nieuws.

vrijdag 19 maart
In de Volkskrant kraakt Battus (Hugo Brandt Corstius) de kromme zinnen in WFH's Boekenweekgeschenk. ‘Hoe moeten die twee goede zinnen in elkaar geschoven worden? Daar is een aantal manieren voor en taalgrootmeester Hermans heeft nu juist de combinatie gekozen die niet kan. Knap!’
Avenue veilt ten bate van het Letterkundig Museum het schrijfgerei van enkele schrijvers, waaronder eerdergenoemd potloodje van WFH.

zaterdag 20 maart • Einde van de Boekenweek
In het Avro tv-programma ‘Glamourland’ toont Gert-Jan Dröge beelden van het Boekenbal op 9 maart. Martin Ros (De Arbeiderspers): ‘Hermans heeft de CPNB gewoon verneukt! Hij had het manuscript van het Boekenweekgeschenk in een la liggen!’

maandag 22 maart
NRC Handelsblad meldt dat de belangstelling voor de Boekenweek minder was dan in 1992. Het thema van dit jaar ‘Egodocumenten’ zou een van de oorzaken zijn. Ook het Boekenweekgeschenk was minder in trek dan dat van 1992, geschreven door A.F. Th. van der Heijden.

maandag 16 maart 2026

Luuk Gruwez • 17 maart 1996

Luuk Gruwez (1953) is een Vlaamse schrijver. In Het land van de wangen kijkt hij terug op episodes uit zijn leven. Het hart van het boek vormen de dagboeknotities die hij enige jaren bijhield naar aanleiding van zijn bezoeken aan zijn steeds verder aftakelende grootouders.

Deerlijk, 17 maart 1996
Ieper, omstreeks 1915. Hier heeft Knor de eerste stille film gezien, in de openlucht. Hier heeft hij de eerste auto gezien en daarvoor zelfs de eerste fiets: ‘een tuig des duivels’, volgens de pastoor. Als knaapje had Knor glazen benen voor politieagenten. Hun kantoor was in de Lakenhallen gevestigd. Als daar een agent buiten stond, liep hij er in een wijde boog omheen en hij zocht bescherming in de rokken van zijn moeder, die hij aanbad. Ik begrijp dat ontzag en die angst voor uniformdragers. In elke man herken ik de beul. En ook ik dicht de redding aan vrouwen toe. Zelfs onder dit dak heb ik dat altijd gedaan: bij Liesje. Ik moet tot mijn zeer grote spijt vaststellen dat mannen, vooral mannen in mijn leven mijn idolen zijn geweest. Een enkele keer waren zij ook onderwerp van mijn haat. Er is nauwelijks één vrouw die mijn idool is geweest, maar van vrouwen heb ik altijd gehouden. Ik verwelkom in hen de betere helft van de mensheid. Zoals mijn grootvader hier elke dag zit te sidderen voor zijn nakende einde, kan het niet anders of hij stelt zich ook de dood in uniform voor. Knor en ik: allebei zijn wij bange jongetjes gebleven.

zondag 15 maart 2026

Lizzy van Dorp • 16 maart 1900

Lizzy van Dorp (1872-1945) was de eerste vrouwelijke rechtenstudent van Nederland, later econome en politica. Haar studentendagboek staat hier online.

Eerste reis naar Parijs. Veel genoten, maar ik houd niet van Parijs. 't Is vies, een rommel, onecht. De Franse geest is mij vreemd. Er is niets [?] in, alles nageaapt. Wel mooi soms, maar 't mooiste eigenlijk, de schilderijen, die ze van ons en de Italianen gestolen hebben. [Dan volgt een opsomming van de toeristische hoogtepunten, zoals een bezoek aan het Paleis van Versailles; Van Dorp vindt het paleis vervelend, net als de tuinen.]

Winter. Verging onder gestadig werken . Een nieuwe professor, Visser, heel knap , en heel laag bij de grond en heel vervelend! Prof. Drucker afgetreden als prof. omdat hij lid van de [Tweede] Kamer is en - wel eens minister worden zal. - gaf als privaatdocent heel prettige colleges. Verder Oppenheim, als altijd genoeglijk, en Van der Hoeven - veel diners - meest vervelend. Eind januari van 17-22 was ik pleegmoeder van de kinderen Veit, We hadden 'r erg genoeglijk, sedert is het dikke vriendschap. De ouders brachten me uit Parijs mijn Gioconda [Mona Lisa] mee in kooldruk - heerlijk!
De onzalige oorlog van Engeland tegen Transvaal begon 10 okt. In het begin hoopten we allen het beste, nu (1900) begint ieder te wanhopen - ik nog niet. Als ze de guerrilla maar volhouden, kan Engeland 't niet uithouden. Hoe schandelijk Engelands hele houding is, alle bladen staan er vol van. Heel Europa staat aan de zijde van de Boeren. Maar de regeringen houden alles tegen . Wat hebben we aan 't nieuwe regiem, de zogenaamde democratie?
Wanhopige wereld. Alle recht met voeten getreden. God, God, is dat vooruitgang? Veel kunst genoten van 't winter. O.a. een Bosboomtentoonstelling en een Hoytema dito . Ik heb zo graag 't werk van één. Men heeft dan een geheel iets levends voor zich.
Goddelijk schaatsen gereden op de Kaag. 't Prachtigste ijs. Echt Hollands; hele dorpen op 't ijs en overal kraampjes. Nu eerst begrijp ik die oud Hollandse ijsgezichtjes, Schelfthout en anderen.
Op prof. Tieles verjaardag werd ik op een intiem dineetje gevraagd, grote eer. Marie Krantz kwam met Kerstmis Hoyer presenteren . Hij viel erg in de smaak. Er kwam een meisjesstudentenclub tot stand, waar ik per se praeses van moest worden, evenals van de afdeling Leiden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht.

17 maart. Zaterdag. Een interessante tentoonstelling van Van Gogh. Jammer, jammer, dat die man zo jong gestorven is, en niet de tijd heeft gehad, op een andere manier uit te drukken wat er in hem leefde. Want dat was groot. Die goddelijke liefde voor licht en zon en bloei!

21 maart. Met de Vreedes naar een mooi Diligentia concert. De koningin was er, maar ze zag er lelijk uit en verveelde zich. Ze houdt niet van muziek, de arme, en moet er toch heen.

26 maart. Debating. Heel aardig. Wij meisjes zijn daar van 't winter voor 't eerst lid van.

27 maart. Een prachtlezing van Treub over socialisme. Een harde eerzuchtige man, maar een redenaar van Gods genade en klaar en helder als een Zwitserse bergbeek. Er zit Zwitsers bloed in hem.

Jan van Riebeeck • 15 maart 1654

Jan van Riebeeck (1619–1677) was een Nederlands chirurgijn en koopman in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). In 1652 stichtte hij de eerste Europese handelspost in Zuid-Afrika. De nederzetting met Fort de Goede Hoop bij Kaap de Goede Hoop zou uitgroeien tot de Kaapkolonie en uiteindelijk tot de huidige Republiek Zuid-Afrika. Dagboek 1652.

Omzetting in modern Nederlands onderaan.

15en do.
Noch al ongestuyme harde Z.Z. Ooste winden, met stijve valbuyen over den Taeffelbergh, ende extreme droochte.

16en, 17en ende 18en do
stille heete sonneschijn. Heden is bij resolutie goet gevonden, alle de oyen van onse schapen op 't Robben-eylandt te setten ende de rammen hier te houden, om voor de aencomende schepen te slachten, behalven 3 à 4, dieder altijt van de beste tot de voorteelinge gelaeten sullen worden, vermits doch bemercken, dat se daer seer treffelijck aerden ende beter voort setten als hier in de Taeffelvaley, daer se door 't overvloedige water veel tijts gellich ofte ongans worden, ende vrij meer versterven alsse aenteelen cunnen, behalven die ons oock dagelicx veel van 't wilt gediert, hoe nau daerop laten passen, verscheurt worden. Ende opdat sich niemant ende verstoute (gelijck sommige van de aencomende Comps schepen wel hebben derven dreygen) daer bij nacht off ontijden eenich aff te haelen, is oock verstaen 4 à 5 man aldaer te laten om wacht te houden, ende met eenen van de weynige robben aldaer vallende, oock de vellen ende traen op te gaderen. Om alle 't welcke in treyn te brengen, den bouchouder Fredrick Verburgh is gelast mede te gaen, om oock te speculeren, offer geen bequame gront is te besayen, ende een waterputh als op 't Dassen-eylant te maecken, mitsgaders een bequame loots voor 't volcq ende schaepen om 's nachts in te verschuylen, waertoe riedt ende houdt uyt bos wert bij der handt gehaelt, om ten dien eynde mede te geven.

Vertaling door ChatGPT

Heldere, warme zonneschijn.
Vandaag is bij besluit goedgevonden alle ooien van onze schapen naar Robbeneiland te brengen en de rammen hier te houden om voor de aankomende schepen te slachten, behalve drie of vier, die altijd van de beste voor de voortplanting zullen worden gehouden. Want we merken dat de schapen daar zeer goed gedijen en zich beter voortplanten dan hier in de Tafelvallei, waar zij door het overvloedige water vaak ziek of ongezond worden en er duidelijk meer sterven dan er worden geboren. Bovendien worden er hier, hoe goed we ook opletten, dagelijks veel door het wilde gedierte verscheurd.

En om te voorkomen dat iemand zich zou verstouten — zoals sommigen van de aankomende Compagniesschepen wel hebben durven dreigen — om daar ’s nachts of op ongelegen tijden schapen weg te halen, is ook besloten daar vier of vijf mannen te laten om de wacht te houden en tegelijk, van de weinige robben die daar worden gevangen, ook de huiden en de traan (robbenolie) te verzamelen.
Om dit alles in orde te brengen, is de boekhouder Fredrick Verburgh opgedragen mee te gaan, en tevens te onderzoeken of er geschikte grond is om te bezaaien en om een waterput te maken zoals op Dasseneiland, alsmede een geschikte loods voor het volk en de schapen om zich ’s nachts in te verschuilen. Daarvoor wordt alvast hout uit het bos gehaald om mee te geven voor dat doel.

Marcel Jouhandeau • 14 maart 1964

Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein. Vertaling: Hepzibah Kousbroek

14 maart 1964
Ik denk af en toe aan onze vrienden, zij die twaalf jaar lang Céline bij ons hebben gekend, en haar behandelden als onze dochter. Van de ene dag op de andere, omdat ze bij Elise uit de gratie is, of misschien omdat ze een onge­huwde moeder werd, kent men haar niet meer.
Behalve Monsieur Kern en ik, gaat niemand haar ooit opzoeken.
Een van onze intimi, die ik mijn zoon noemde en die Céline aansprak als 'mijn zusje' heeft, ondanks het feit dat we elkaar via haar leerden kennen, het lef gehad mij tot aan de poorten van het ziekenhuis te rijden waar ze net was bevallen, zonder de moeite te nemen om mee naar binnen te komen, onder het voorwendsel van een andere afspraak.
Ik geloof dat wat in eerste instantie meespeelt de angst voor Elise is. Door samen met haar Céline links te laten liggen, vleit men haar.
In dit soort situaties, waarbij mensen in ongenade val­len, zoekt niemand het gelijk. Men is er slechts op uit de sterkste partij te vriend te houden.

* Alleen, voor de spiegel, heb ik mijzelf meer wellust ver­schaft dan met wie ook.

* Doorgaan met leven in een goede verstandhouding met mensen wier onwaardigheid en stupiditeit onomstotelijk vaststaan is niet alleen bijzonder moeilijk maar ook ver­standig. Dat is mijn lot, sinds bijna jaar en dag, iedere dag opnieuw. Als ik afstand had genomen van alle mensen die mij teleurgesteld hebben, of mij niet wisten te behagen, wat zou mijn eenzaamheid dan groot zijn!


donderdag 12 maart 2026

John H. Smith • 13 maart 1875

John Henry Smith (1848-1911) was een Amerikaanse geestelijke en politicus. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

Vertaling onderaan

Saturday, March 13, 1875 - Chasetown and Litchfield
We rested very well and we got up at 7:30 a.m. and went to Bro. J. Ashtons to breakfast. We had some ham and bread and our usual suply of warm water and sugar. At 9 a.m. we started for Litchfield where we arrived at 10 a.m., the distance is five miles. We went to Bro. J. Wright and they received us very kindly. At 11 a.m. we visited the Cathedral and spent an hour in listning to the music which was very good, the praying to us seaming to be a mockery.

Sunday, March 21, 1875 - Wolverhampton
We had a good bed and rested well and we got up at 9:30 a.m. had breakfast and walked to Priestfield and changed our clothes and then walked to Bro. Hands at Coppice. Shortly after our arrival Bro. Morris came in & we had a good shake of the hands and then went to the Temperance Hall. There was about a dozen persons present. Bro. Halliday spoke 15 minutes, I then talked 30 minutes on faith, and Bro. Morris asked the people to come in the evening and bring their friends with them. A man in the audience asked Bro. Morris how many wives he had, and Bro. Morris told him enough to leave his neighbors alone.

At 6:30 p.m. we again met, and Bro. Morris spoke 40 minutes and I 10 minutes. We had a very good attendance. After meeting we walked to Great Bridge & took train and we reached 26 Tenby St. [Birmingham] at 10:30. I received two letters from Father and 1 from sister Sarah telling me of the death of my sister Marys son John Henry Wimmer, and also that my son Don Carlos had been very sick but was a little better.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT

Zaterdag 13 maart 1875 – Chasetown en Litchfield Wij hebben goed gerust en stonden om 7.30 uur op en gingen naar broeder J. Ashton om te ontbijten. We hadden wat ham en brood en onze gebruikelijke hoeveelheid warm water met suiker. Om 9 uur vertrokken we naar Litchfield, waar we om 10 uur aankwamen; de afstand is vijf mijl. We gingen naar broeder J. Wright en zij ontvingen ons zeer vriendelijk. Om 11 uur bezochten we de kathedraal en brachten een uur door met luisteren naar de muziek, die zeer goed was; het bidden leek ons echter een schijnvertoning.

Zondag 21 maart 1875 – Wolverhampton
We hadden een goed bed en hebben goed gerust; we stonden om 9.30 uur op, ontbeten en liepen naar Priestfield om ons om te kleden, en liepen daarna naar broeder Hands in Coppice. Kort na onze aankomst kwam broeder Morris binnen en we gaven elkaar hartelijk de hand, waarna we naar de Temperance Hall gingen. Er waren ongeveer een dozijn mensen aanwezig. Broeder Halliday sprak 15 minuten, daarna sprak ik 30 minuten over geloof, en broeder Morris vroeg de mensen om ’s avonds terug te komen en hun vrienden mee te brengen. Een man in het publiek vroeg broeder Morris hoeveel vrouwen hij had, waarop broeder Morris antwoordde dat hij er genoeg had om zijn buren met rust te laten.
Om 18.30 uur kwamen we opnieuw bijeen, en broeder Morris sprak 40 minuten en ik 10 minuten. We hadden een zeer goede opkomst. Na de bijeenkomst liepen we naar Great Bridge en namen de trein; we bereikten 26 Tenby Street [Birmingham] om 22.30 uur. Ik ontving twee brieven van vader en één van zuster Sarah, waarin zij mij vertelden over het overlijden van mijn zuster Mary’s zoon, John Henry Wimmer, en ook dat mijn zoon Don Carlos erg ziek was geweest maar inmiddels iets beter.