maandag 30 april 2018

Willem de Clercq -- 1 mei 1816

• Willem de Clercq (1795-1844) was een Nederlandse handelsman. Per karos naar St. Petersburg. Reisdagboek van de Amsterdamse graanhandelaar uit het jaar 1816.

Zevende dag, Tönning
Een weldenkend reisbeschrijver komt vaak bij het ter neder schrijven zijner belangrijke opmerkingen in grote verlegenheid, wanneer hij namentlijk plaatsen beschrijven moet, waarvan volstrekt niets te beschrijven is, en die zoo arm aan voorwerpen van natuur en kunst zijn, dat men er zelfs geen geestig uithangbord kan afschrijven. Onder deze soort kan men ook Tönning rangschikken, een zeer gewoon vlek, met huizen, kerk en plantaadje, doch verder ook niets bijzonders. De nationale trots vestigt zich hier op den haven, die ook vrij goed is, en den aanmerkelijken handel, die hier gedurende de blokkade van de Elbe gedreven wierd. Doch deze handel, die onnatuurlijk was, verdwenen zijnde, zoo zal niemand weigeren te bekennen, dat Tönning eene zeer doodsche en elendige plaats is, waarin men om 't half uur een mensch ziet en waarin buiten circa drie kooplieden niets in den handel omgaat, en bijna niemand kapitaal tot handel heeft. Men heeft hier dan zeer veel met den landbouw op en ieder heeft zijn buitengoed. Door dit buiten versta men echter geene Hollandsche buitenplaatsen, maar gewone boerderijen, op het open veld, behoorlijk met koe- en paardestallen voorzien, waar boomen nog struiken groeien en alwaar men aan wind en hitte op eene liefelijke wijze blootgesteld is. De zoogenaamde tuinen, die men hier en in geheel Holstein heeft, bestaan uit eenige bedden aspergiën met een regt pad tusschen beiden, en dit is dan ook alles. Vruchtbomen zijn hier, geloof ik, al zeer weinig, want men ziet dezelve op velden noch wegen. Landbouw is dus de grootste tak van bestaan, want over den handel hoort men bittere klachten, en deze bepaalt zich ook geheel tot uitvoer van granen en invoer van eenige kleine benodigdheden. Voorheen moet de weelde hier groot geweest zijn, doch thans heeft men daarover niet te klagen en eene partij whist, nevens een fles wijn in 't logement is zooal de gewone uitspanning. - Verder heeft men het hier overal druk over de staatkunde, over het al of niet blijven van Napoleon op St. Helena, over zijne Deensche Majesteit, die, dewijl hij van zijne magere Jutten weinig halen kan, zijne onderdanen uit de hertogdommen tot melkkoeien gebruikt, waarover men dan maar matig tevreden is, etc. Fabrieken vangt men hier nu en dan weleens aan, doch men legt spoedig met de beenen omhoog, en menig olymolenaar heeft zich reeds arm gemalen. Ieder nieuwling denkt slimmer als zijn voorganger te zijn, zooals het overal in de wereld gaat. Titelomanie is hier ook in den smaak, zoodat men zelfs nu en dan dengenen, die er genen heeft, met den titel van Herr Kaufmann aanspreekt.

zondag 29 april 2018

Josephine Giese -- 30 april 1882

• Josephine Giese (1856-1926) publiceerde in in De Gids een fragment uit haar dagboek over een reis naar het Italiaanse eiland Ischia.

[30 april]
Des avonds zou de Tarantella worden gedanst op de verlichte terrassen der Piccola Sentinella. [...] Hier traden op Vincenzo, die zich als gids opwierp voor den vreemdeling, en Maria, die 's morgens met haar geitjes voor het hôtel kwam om de gasten van melk te voorzien. [...] Dit paar werd afgelost door een ander en toen ieder zijn beurt had gehad en wij ons hadden vermaakt met de verschillende expressies ga te slaan, die men aan de Tarantella geven kan, werden er eenige volksspelen vertoond, waarvan één spel voornamelijk onze lachlust opwekte. Het bestond daaruit dat de mannelijke leden van het danserstroepje zich met een flesch op het hoofd langzaam plat ter aarde moesten leggen ten einde een biljetje van vijf liren met den mond van de steenen op te nemen. Het duurde lang voordat dit iemand mocht gelukken, want zoodra de flesch wankelt en dreigt te vallen wordt deze van het hoofd genomen en aan een ander gegeven. Soms geschiedt dit wegnemen te spoedig naar den zin van den kunstenmaker en niet zelden ontstaan hieruit schermutselingen, waarbij de dolk al heel spoedig te pas komt.
Een jongman in witte hemdsmouwen en met een bijzonder donker en belangwekkend gelaat, droeg tot groote woede zijner mededingers den zegepalm weg, en Mevrouw Dombré zeide schertsend tot hem, dat hij zeker van het gewonnen geld iets moois zou koopen voor zijn bella Teresina. Wij vroegen waarom die schoone ook niet meegekomen was en Mevrouw Dombré zeide schouderophalende en lachend: ‘Vraag hem dit zelf eens.’
Wij richtten ons tot hem om te vernemen waarom hij zijn jonge vrouw niet had meêgebracht om de Tarantella met hem te dansen. Hij zag ons aan met zijn zwarte oogen en een dreigend licht vertoonde zich in hunne diepte: ‘Teresina zal niet dansen voor vreemden’, gaf hij kort ten antwoord.
Wij drukten onzen spijt uit dat wij de jonge vrouw, wier schoonheid wij zoo hadden hooren roemen, niet te zien kregen en zachter gestemd door onze belangstelling en misschien ook door de onverwachte winst zijner vijf liren, beloofde hij ons fluisterend dat hij haar des anderen morgens vroeg aan het hôtel zou brengen om haar aan ons voor te stellen.
[...]
Toen wij ons des anderen morgens vroeg aan het ontbijt bevonden en geen der andere gasten nog aanwezig waren, kwam een der kellners ons van de komst der ‘bella Teresina’ verwittigen; haar man had haar gebracht, en zou haar over een kwartier komen halen.
Teresina trad binnen. Haar gestalte was niet boven het middelmatige, maar rank en buigzaam; zij had een licht-geel kleedje aan met groote bloemen; zij droeg niet den bontgestreepten doek over het hoofd, maar haar prachtig zwart haar was gevlochten en opgebonden met een rood lint; een paar ronde gouden oorhangers deden de donkere tint van het ovale gelaat sterker uitkomen; haar oogen waren groot en zwart, de oogleden scherp afgeteekend door lange, zware wimpers; haar neus was fijn en gebogen, terwijl om den kleinen, hoogrooden mond een trek speelde, die iets demonisch had.
Inderdaad Teresina was schoon, maar het was de schoonheid van een Carmen, die velen ten verderve zou kunnen strekken.
Wij vroegen haar hoe lang zij getrouwd was en waarom zij gisterenavond niet was meegekomen. De trek om den mond verdiepte zich en zij trok haar roode lippen eenigszins op toen zij zeide:
‘Ik ben nog geen jaar getrouwd; ik houd dol van dansen, maar mijn man wil niet dat ik dans.’
En hoorende dat wij niet getrouwd waren riep zij, mijn reisvriendin en mij aanziende:
‘O wat zijt ge gelukkig dat ge geen man hebt!’

vrijdag 27 april 2018

Arthur Japin -- 28 april 2004

• Arthur Japin (1956) is een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken 2000-2007 zijn gepubliceerd als Zoals dat gaat met wonderen.

[28 april 2004]
Zodra mensen groepsgewijs reageren, reageer ik tegenovergesteld. Zo heeft het leven mij geprogrammeerd. Hierdoor ben ik op mijn best in noodsituaties. De opwinding rond de Libris-tafels in het Amstel maakt mij dan ook alleen maar kalm. Het nieuws schijnt te zijn uitgelekt dat ik gewonnen heb. Prima, zou je denken, hoe eerder hoe beter, dan kan ik rustig verder eten. Maar het brengt iedereen in rep en roer. Bij Nova, het programma dat de uitslag later op de avond bekend had moeten maken, heerst uiteraard ergernis. Wanneer ik live in de uitzending kom, kan ik Paul Witteman niet zien, alleen horen. Hij klinkt boos, alsof het lekken mijn schuld is, maar dat stemt mij nog laconieker. De vrolijkheid van alle felicitaties die nog volgen maakt vooral dat ik denk: nou, zo bijzonder is het nou toch ook weer niet!
Verliezen lijkt me vreselijk, maar winnen doet me weinig. Hoe diep ik ook in mezelf graaf, het beste wat ik vind is tevredenheid dat mijn intuïtie me weer niet in de steek heeft gelaten. Blij ben ik in de eerste plaats voor iedereen om me heen. De opluchting van Lex en Ben, die naar de gang rennen om hun ouders te bellen! Maar zelf uitgelaten of opgetogen? Nee, in de verste verte niet. In plaats daarvan voel ik me ten diepste doordrongen van mijn voortdurende voorspoed op alle andere gebieden. Mijn levensgeluk is zo volledig dat zo'n bekroning daarbij vergeleken een bijkomstigheid lijkt. (In die zin doet het nogal denken aan het overlijden van een naaste, dat je wijst op alle zegeningen die je resten en je blik onweerstaanbaar naar het leven dwingt.) Dan ineens dringt tot me door dat ik dit allemaal alleen maar kan denken en zeggen omdat ik die prijs heb. Had ik verloren dan had ik me door mijn intuïtie bedrogen gevoeld, zo belabberd dat er helemaal geen ruimte was geweest om na te denken over wat voor geluk op welk vlak dan ook. Het werkelijke belang van die prijs is dus vooral dat hij je de afstand verschaft te beseffen hoe gelukkig je eigenlijk al was voordat je hem kreeg. Daar ben ik erg blij mee.

dinsdag 24 april 2018

Daniël Robberechts -- 25 april 1964

• Daniël Robberechts (1937-1992) was een Vlaamse schrijver. Dagboek '64-'65.

 Za 2504 Droom: toevallig samenzijn met een jongen (Owen? Maar die had me nooit zo bekoorlijk geleken; een duivel?) die zich schaamt over zijn verdorvenheid (de bekoring die uit deze schaamte spreekt) en mij ertoe aanzet. (Coprofagie; de feces wit vloeibaar en brokkelig, smaak- en reukloos.) Het verder nog aan de stok gekregen met Maxime Mollet over een rekening die niet klaar is, met Pobé die me onuitstaanbaar vervelend vindt. Vanmorgen zeer mistroostig, zoals gewoonlijk na een homoseksuele droom. Misschien is het de laatste tijd alleen maar erger. □ Gisteravond een auto die met gedoofde lichten op de landweg stopt. Ik denk: wat zou er daarbinnen gebeuren? Cee slaapt. □ Het woord cultuur. In het oosten: Unsere Kultur. In het noorden: Kultuurkamer. In het zuiden: het radiostation Paris n dat onder het bewind van De Gaulle wordt veranderd in France Culture. De cultuur moet dus in het westen worden gezocht, bvb. bij Churchill: 'Verschil tussen beschaving en cultuur? Wie een badkamer heeft is beschaafd. Wie ze gebruikt, heeft cultuur.' □ Mijn grootvader langs moederszijde was een slager. Mijn vader heeft men de linkerarm moeten afzetten toen hij een tiental jaren oud was. Hierin verschil ik met mijn grootvader dat het mijn eigen vlees is dat ik debiteer, en dat hij rijk genoeg was om te gaan rentenieren toen hij 45 was. □ Vermoed een maneuver van Ontwikkeling om van Zesmaal niet dan bepaalde verhalen te publiceren. Ik zal het vertikken, behoudens uitzonderlijk voordelige voorwaarden. Met dat ik zo nijver werk is het me of ik er mijn voeten aan veegde, te worden uitgegeven of niet. □ Elf uur: misschien zijn het weeën die Cee nu voelt. □ Achttien uur: het ziet ernaar uit. Dankbaar - aan wie? - dat Cee zo mooi zwanger is geweest, wanneer ik een zwangere vrouw altijd afschuwelijk had gevonden. Ik vind haar mooier zoals ze nu is dan voor drie of zes maanden, want dan choqueert het, men kan niet overduidelijk zien wat het is.

maandag 23 april 2018

Nico Rost -- 24 april 1945

• Nico Rost (1896–1967) was een Nederlands schrijver, vertaler en journalist. Door zijn verzetswerk in de oorlog kwam hij in Dachau terecht. Het (beroemde) dagboek dat hij daar bijhield is gepubliceerd als Goethe in Dachau.

24 April 9 uur 's morgens
Er is dezen morgen voor de eerste maal geen appèl gehouden. De Joden hebben den heelen nacht op de appèlplaats gestaan - vanaf gister middag twaalf uur dus - en ze zijn pas een uur geleden vertrokken. De meesten waren zoo uitgeput, dat ze omvielen en de Russen van de Totenkammer hebben al meer dan zestig lijken weggedragen.
400 Joodsche vrouwen die gisteravond - nog heel laat - uit Käufering zijn gekomen, werden weer verder gestuurd. De meeste waren uit Hongarije en Letland afkomstig. We hebben hen eten gebracht, zeep en sigaretten.
Ze waren erg moedig en geen enkele van hen liet zich gaan, hoewel ze er van overtuigd waren, dat ze het er niet levend af zouden brengen.
Het gelukte ons een paar van hen, die bijzonder zwak waren, in het Revier bij de andere vrouwen te stoppen.

10 uur
A. komt me zoo juist vertellen, dat de Joden op het rangeerterrein bij het SS kamp in wagons zijn gestopt.
Hebben ze toch nog wagons?
Voor ons ook?
Voor 35.000 man? Dat weiger ik te gelooven.
Dus ons hier..... erledigen?
De heele ochtend reeds duikvliegers boven het SS kamp. Waarom verhinderen die de evacuatie van de Joden niet? Dat moet toch mogelijk zijn?

11 uur
De Joegoslaaf van de Lagerschreibstube wist alleen, dat Ruppert gisteren een lang telegram aan Himmler heeft gestuurd, maar dat er tot nu toe nog geen antwoord is.
Hoe zal het luiden? Daar zal wel alles van afhangen.....

12 uur
Ik ga nog rond met de doodenlijsten, maar ze kloppen niet meer.
150 dooden - alleen al in het Revier.
Van vele lijken die naar de Totenkammer gebracht worden, weten we niet eens waar ze vandaan komen.
In de straatjes tusschen de quarantaineblokken liggen weer tientallen lijken, die nog niet eens weggehaald zijn.
Sinds S. vlektyphus heeft probeer ik de namen van de gestorven Nederlanders bij te houden, maar ook dat wordt steeds moeilijker, want vandaag stond in mijn lijst: ‘50 Unbekannte - Abgang durch Tod.’

1 uur
De SS plundert de levensmiddel-magazijnen van het kamp, komt Nicolai vertellen.
Zou er morgen nog iets te eten zijn?

Een uur later
Ben met Piet naar het kleerenmagazijn gegaan; daar van Post-Uiterweert burgerkleeren gekregen, die niet gemerkt zijn. We willen ze aantrekken als ze ons toch nog ecavueeren.
Piet heeft bovendien een kaart van Beieren.
Afgesproken, brieven en de leeskaart van de kampbibliotheek mee te nemen, als legimitatie-papieren voor onderweg.
Voorloopig is het echter nog niet zoo ver.
Maar morgen?

's Middags 5 uur
Suire heeft zijn cursus over het werk van Peguy tòch vervolgd. Sprak over P. 's socialisme, (dat hij als een soort evangelisch socialisme karakteriseerde), over zijn opvattingen van de armoede - (‘Jean Coste’) - verder over ‘l'Argent.’
Er schijnt op het oogenblik in Frankrijk weer groote belangstelling voor zijn werk te zijn. S. sprak zelfs van een Péguy-Renaissance.
Dat is natuurlijk geen toeval, maar een gevolg van de sociale omwenteling die zich in Frankrijk al begint af te teekenen. Studie van Péguy kan misschien helpen om den afstand tusschen Katholieken en Communisten minder diep en minder breed te maken, een brug te bouwen tusschen het Vatikaan en het Kremlin. En dat zal - vooral in Frankrijk - misschien heel gauw een cardinaal probleem worden.

's Avonds 9 uur
Een uur geleden moesten plotseling alle Duitschers aantreden.
De Rapportführer heeft een soort toespraak gehouden, waarin hij zeide, dat de Häftlinge kalm moesten blijven. Het beste bewijs, dat de SS... nerveus begint te worden.
Hij heeft 70 man uitgezocht, een soort Polizei... ‘om de orde te bewaren’ zei hij, en hen - als bewijs van vertrouwen - beloofd, dat ze hun haar mochten laten staan.
Hun haar laten staan? Voor dat gegroeid is, leven zij - of wij niet meer.

zaterdag 21 april 2018

Pitirim Sorokin -- 22 april 1917

• De bekende Russisch-Amerikaanse socioloog Pitirim Sorokin (1889-1968) maakte als lid van de regering na de Russische februari-revolutie van 1917 van zeer nabij de machtsovername door de bolsjewiki mee. In 1922 werd Sorokin gedwongen in ballingschap te gaan. Hij geeft in zijn dagboek (vertaald door Tinke Davids) een boeiend ooggetuigeverslag van de omwenteling van 1917, die voor Rusland van beslissende betekenis zou worden.

22 april 1917
De politieke emigranten blijven bet land binnenstromen. Van de leiding van onze partij zijn daarbij: Tsjemov, Avksentjev, Boenakov, Stalinski, Argoenov, Lebedev en anderen. Over een paar dagen verwacht men de bolsjevistische leiders, Lenin, Trotski, Zinovjev en anderen. Die keren terug via Duitsland met hulp van de Duitse overheid, die hun een speciale ‘plombierte’ trein heeft geleend. Sommige van onze mensen zijn kwaad op de Voorlopige Regering dat ze deze lieden toestemming heeft gegeven terug te keren, Het gerucht gaat dat Lenin en zijn metgezellen (ongeveer veertig in getal) ingehuurd zijn door de Duitse generale staf om het volk in Rusland op te roepen tot burgeroorlog en het Russische leger nog verder te demoraliseren. [...] Lenin en zijn metgezellen zijn gearriveerd. Hun eerste toespraken op de Bolsjeviekenconferentie waren gênant, zelfs voor extreem links. Lenin en zijn bentgenoten zijn nu heel rijk, en als gevolg daarvan zijn er veel meer bolsjevistische kranten, pamfletten, proclamaties en dergelijke gekomen. Trotski heeft een heel duur appartement gehuurd. "Waar halen ze al dat geld vandaan? Dat is de grote vraag. De ‘socialisatie’ is begonnen. De Bolsjeviki hebben beslag gelegd op de villa van de balletdanseres Ksjessinska, de anarchisten hebben de villa van Doernovo en andere huizen in bezit genomen, en de bewoners zijn op staande voet op straat gezet. Hoewel de bezitters beroep hebben aangetekend bij de rechtbank en de Regering, heeft men niets ondernomen om hun eigendom terug te geven. 

woensdag 18 april 2018

Ernst Jünger -- 19 april 1943

• Op een beklemmende, transparante manier beschrijft de Duitse schrijver Ernst Jünger  (1895-1998) in zijn Parijs dagboek 1943-1944 (vertaald door Tinke Davids) de noodlotsjaren 1943 en 1944. De naderende catastrofe is overal voelbaar en dringt dominant door in Jüngers conversatie met Parijse kunstenaars en intellectuelen.

Parijs, 19 april 1943.
Neuhaus, een groot bloemenliefhebber, had het verstandige idee opgevat samen met mij een uurtje ons kantoor te verlaten en een bezoek te brengen aan de Botanische Tuin van Auteuil, waar de azalea’s in bloei staan. Een grote koude kas stond vol met duizenden van deze struiken, zodat het geheel leek op een zaal met een bont geweven tapijt en kleurige wanden. Een grotere rijkdom, meer levendige tere kleuren had men niet bijeen kunnen brengen. Toch ben ik geen vriend van de azalea’s, wier tinten ik ervaar als ametafysisch; zij bieden kleuren van slechts één dimensie. Dat is waarschijnlijk de reden van hun grote populariteit; zij spreken puur tot het oog, maar het drupje van het arcanum arcanorum supracoeleste* ontbreekt in de zuiver geëxtraheerde tinctuur. Daarom is ook de geur afwezig.


* Arcanum arcanorum supracoeleste = geheim der geheimen boven de hemelen