donderdag 29 juni 2023

Mensje van Keulen • 30 juni 1978

Mensje van Keulen (1946) is schrijver. In 1977-'79 hield ze een dagboek bij dat is gepubliceerd als Neerslag van een huwelijk.

30 juni
In plaats van de ballade voor Thomas, schreef ik zes erotische versjes onder de naam Lola De la Fuente, ging om drie uur dronken en voldaan naar bed en stond vanmorgen zowaar vroeg op om aan de ballade te werken. Maar toen moest ik naar de markt, want Gerrit [Komrij] en Charles [Hofman]vonden het handiger hier te eten voor we naar Koen en Dory gaan. Ik maakte soep en sneed me. Bloed droop uit mijn duim over mijn hand, drupte op de vloer, leek niet te stelpen, drie pleisters dreven eraf. Snel een Kleenex toen de telefoon ging, desondanks bloed op de hoorn. En toen kwam de post. Een paperas moet ondertekend wegens onder invloed rijden in september vorig jaar, dat gaat me fl 250 kosten. Voor het huisje moet een boiler gekocht, een radiator, meubels, er moet een andere auto komen, enz. Al met al reden genoeg om niet te klagen, want het is niets dan luxe.

4 juli
Ik begrijp niet waarom de film Cria cuervos zo geroemd wordt. Het verhaal klopt niet en dan ook nog Geraldine Chaplin die het ene moment de moeder (overleden aan een ziekte, die wordt uitgebeeld door een gillende Chaplin met een teiltje bloederige doeken naast het bed) speelt en het andere moment de dochter die over haar jeugd vertelt. Heden en verleden zijn nauwelijks te onderscheiden. Verder wordt er een stomme, lamme grootmoeder rondgereden en gaat een marmotje dood, ook dat nog. Er is één mooie scène en wel als de tante, de voogdes, een beker vergiftigde melk te drinken heeft gekregen. Terwijl meisje en huishoudster praten, zie je de tante niet die in hetzelfde vertrek zit, maar hoor je wel het ratelen van haar naaimachine.
De volgende ballade zit vast, ik lig 's nachts in mijn bed nog te rijmen, probeer een zin te onthouden en ben hem de volgende dag natuurlijk kwijt.
De erotische versjes bleken niks, weg ermee.
De hoofdpijn wordt erger, ik kan mijn ogen amper draaien, zou moeten gaan liggen, een pil innemen. Werd dat hoofd maar leeg. Niets denken, niets voelen, niets weten, niets hoeven weten, niet werken, niet hoeven werken, niemand zien, niemand hoeven zien, de personen die mijn pen uit moeten komen, moeten me ook met rust laten.
Ik wou dat ik in Zeeland zat. Denk ook: Wat ben ik begonnen met een huisje aldaar? Kan ik het afbetalen? Is het niet te ver? Ik dacht het tijdelijke van het leven erdoor wat meer rek te geven, bespottelijk, het besef van het tijdelijke is er juist door toegenomen.

woensdag 28 juni 2023

Jan Boonstra • 29 juni 1947

• Jan Boonstra was als dienstplichtig soldaat gedetacheerd op West-Java, en hield daar een dagboek bij: Dagboek Indonesië.

29-6- '47 Zwart Schaap [naam van de plaats waar Boonstra dan zit]
Gisteravond hoorden we zeggen dat al de inlandse troepen van ons hier in stelling liggen. Wij moeten nu ook hier in 't Zwarte Schaap van die eenmans gaten en loopgraven maken. Maar de grond zit hier vol met dikke stenen van de krater van Gedèh. We kunnen zodoende slecht in de grond komen, maar verder maken wij met zandzakken een mitrailleurstelling. Dit is om een eventuele aanval af te slaan.
Gisteravond stonden er 4 verdedigingsposten in Tjiheran, om de woning van de garnizoensmajoor van ons. Die is ook niet bang.
Iedere auto die hier passeert wordt secuur gecontroleerd op papieren en inhoud. Het blijft hier spannend!

29-6- '47 Zwart Schaap
Vanmorgen naar de mis geweest, en nu mogen wij niet meer 't kamp verlaten wegens de gespannen toestand. De aalmoezenier vertelde vanmorgen onder de preek nog, indien er bericht komt dat we binnen een bepaalde tijd moeten vertrekken, dat we dan de generale absolutie van hem zouden krijgen. Dat staat gelijk als 'n katholieke biecht in noodgeval'.
't Kan een kwestie zijn van dagen of van uren. Niemand weet er iets van hier.' Maar als ze je zoiets vertellen wordt 't je toch koud om 't hart.'
't Is hier stiller als ooit op de weg. Je ziet geen auto meer langskomen. Nee, 't ziet er raar uit.

3-7-'47 Zwart Schaap
De toestand is weer wat minder gespannen nu. Zondagavond vernamen wij dat Amerika 'n ultimatum aan de Republiek gesteld had, en dat bracht 'n hele verandering in de toestand. De consignatie werd onmiddellijk opgeheven. Nu zou de duur van het ultimatum morgenavond opgeheven zijn. Maar er gaat gevochten worden. Zojuist hebben we vernomen we dat de TRI, zeg maar het leger van Indonesië, een aanval op onze Stoottroepen hebben gedaan met ongeveer 300 man. Van onze kant slechts één lichtgewonde.
Toen ik zondagavond weer uit mocht om 6 uur ben ik nog gauw even naar die Loerah gegaan en heb de 78-toerenplaat [met stemmen van thuis] nog eens gedraaid.
Volgens geruchten zou er in het Nederlandse Parlement zijn voorgeslagen om de dienstplicht van de dienstplichtigen op anderhalf jaar te stellen [was 20 maanden?]. Nou, dan zouden wij er gauw ervan afkomen als dat doorkwam, maar ik ben er bang voor'.

dinsdag 27 juni 2023

Maurice Paléologue • 28 juni 1905

Maurice Georges Paléologue (1859-1944) was een Frans diplomaat, schrijver en historicus. Woensdag, 28 Juni 1905
‘Om 7 uur 's avonds, in de Rue Royale, zag ik, met muziek voorop, een linie-regiment defileren, het 104de, terugkerend van het kamp van Châlons na een maand van marsen en oefeningen. De mannen, keurig in de rij, gebruind, met stoffige uniformen, marcheerden kranig: klassieke typen van de Franse soldaat. In militair opzicht is het ras waarlijk nog niet gedegenereerd.
Wat als schouwspel niet minder geruststellend is, is de menigte die, opgehoopt langs de trottoirs, op banken staande, de soldaten ziet voorbijtrekken. Een bewogen, warme, meelevende menigte, die het vaandel groet en waaruit herhaalde malen kreten opstijgen van ‘Leve Frankrijk! Leve het leger.’
Het lijdt geen twijfel of het nationaal gevoel begint te herleven. Vanmorgen vertelt mijn kleermaker mij:
‘Ach, mijnheer, zullen de Duitsers ons nog lang voor de mal houden? Men moest ze maar op een goede dag eens op de vingers tikken! Als ze ons de oorlog verklaren, welnu, dan zal er gevochten worden!’
‘En Uw werkvolk, wat denkt dat ervan?’
‘Al mijn arbeiders zouden U hetzelfde zeggen als ik doe.’


maandag 26 juni 2023

Frederik van Eeden • 27 juni 1899

Frederik van Eeden (1860-1932) richtte in 1898 een commune op, Walden genaamd, op het landgoed Cruysbergen. Het idee was dat de bewoners in hun onderhoud zouden voorzien door land- en tuinbouw, maar de opzet mislukte. Walden ging in 1907 failliet. Van Eeden hield de eerst jaren een journaal bij.

27 Juni.
Dinsdag. Het heeft geregend. Louis Coenen en zijn vrouw zijn op Cruysbergen. Dora Hijmans verzorgt de kinderen van Iep. Ruzie tusschen Rijk en Jan Langelaar. Jan had Rijk Woensdag gevraagd of hij 's morgens vroeg de beerput op De Maerle wou leegscheppen. Rijk had gezegd dat hij de boekweit wou wieden. Toen had Jan gevloekt en was Rijk kwaad geworden. Zaterdag maakte Rijk ruzie aan huis en liep weg naar Klaren, om zich daar voor 't maaien te verhuren. Vrouw Langelaar kreeg een zenuwtoeval. Gister maakte Rijk 't weer goed met de vrouw, maar de broers spreken nog niet. Gister aardbeien-partij van Beatrice. Uiterst geslaagd. Hol en Jo Termaat waren gasten, en alle menschen en kinderen van Walden bijeen, behalve Betsy v.H. [Betsy van Hoogstraten, met wie Van Eeden tot kort daarvoor een verhouding had gehad.]

28 Juni.
Bertha Zimmerman geeft volmacht aan haar broer, die dreigt Cruysbergen te verkoopen. Ik bied aan Cruysbergen te koopen op crediet. Het maaien begint.

29 Juni.
Bespreking met den heer W. Zimmerman over 't koopen van Cruysbergen.

30 Juni.
Drie wagens hooi binnengebracht. 21 pond aardbeienjam gemaakt.

1 Juli.
Regen, er liggen nog 4 wagens hooi te veld. Labberton weer hier. Beslissing dat ik met mevr. Van Hoogstraten Cruysbergen zal koopen, voor 30.000, mijn helft bestaande uit een rentelooze hypotheek tot 1905. Dit 's avonds meegedeeld aan de Zaterdag-avond krans, en hen toegesproken om tot hard werk en soberheid te manen.

3 Juli.
's Middags gehooid, doch niets binnengehaald. 's Avonds overdracht met mevr. Van Hoogstraten van Cruysbergen, bij notaris Perk. Jet van Kempen gelukkig weg.

4 Juli.
Hevige storm en regen. Hooi nog te veld. Er is een koeienstal gemaakt van de paardenstal. Er wordt een dorschvloer gemaakt.

zondag 25 juni 2023

Sophia van Württemberg • 26 juni 1848

Sophia van Württemberg (1818-1877) was de eerste vrouw van koning Willem III. Ze schreef brieven aan een hartsvriendin, Lady Mallet, die door het ontbreken van enige terughoudendheid gelezen kunnen worden als een dagboek.

Het Loo, 26 juni 1848
Gisteravond heb ik ernstige brandwonden opgelopen aan mijn schouders en rug. Wij staken kaarsen aan. Ik ging die neerzetten achter het gordijn. De japon van mijn hofdame vatte vlam. Ik rende naar haar toe, mijn japon vloog ook in brand; zij kwam er met een kleinigheid van af, ik was er erg aan toe. Maar ik gilde niet, en toen ik tevoorschijn kwam van onder de wollen dekens waarin men mij gerold had, zei ik tegen de aanwezigen: 'Ga alstublieft dóór met uw kaartspel'. Een van hen, Mr. Lyons, de broer van Lord Strathmore, riep uit: 'Wat een prachtvrouw, was zij maar koningin van Engeland!'
Meer heb ik niet te vertellen over mijn eenzaam verblijf hier. Ik leef, dat is alles. Uit Duitsland komt slecht nieuws. In Parijs wordt weer gevochten; een weinig benijdenswaardige gang van zaken. Onze Nederlandse Staten-Generaal zullen het ontwerp van de geamendeerde grondwet aanvaarden. Dus is alles rustig...

Het Loo, 6 juli 1848
Ik heb verschrikkelijk veel pijn gehad aan mijn verbrande schouders. Als een Engelsman uit het gezelschap, een halve dokter, mij niet wat balsem had gegeven, had ik mij geen raad geweten.

Alexander Herzen • 25 juni 1847

• De Russische filosoof en schrijver Alexander Herzen (1812-1870) verbleef een groot deel van zijn leven in West-Europa. Zijn leven beschreef hij in het monumentale werk Feiten en gedachten (vertaald door Charles B. Timmer).

25 juni 1847
Op de Place de la Concorde had zich een afdeling van de mobiele garde geposteerd […] Een jongen van een jaar of zeventien stond leunend op zijn geweer wat te vertellen. Ook wij kwamen dichterbij. Hij was half dronken net als zijn kameraden, knapen van dezelfde leeftijd, hun gezichten zaten onder de kruitvlekken, hun ogen waren door de vele slapeloze nachten en de drank rood ontstoken, velen stonden er met hun kin op hun geweerloop bij te dommelen.
’Nou en wat er toen gebeurde kun je gewoon niet beschrijven,’ ging hij na een ogenblik van zwijgen verder, ‘vechten deden ze goed, dat wel, maar toen hebben wij ze op hun sodemieter gegeven om de onzen te wreken! Ze vielen bij bosjes! Zelf heb ik mijn bajonet tot aan de loop in een stuk of vijf van die kerels gestoken — dat zal ze heugen!’ voegde bij eraan toe in zijn verlangen zich als een doorgewinterde booswicht voor te doen... De vrouwen zagen bleek en zwegen; een van de conciërges merkte op: ‘Dat hebben ze verdiend, die klootzakken!’ maar zijn woeste uitbarsting kreeg geen bijval. Het gezelschap was te laag van allooi om ook maar iets van medeleven te kunnen opbrengen voor het bloedbad en voor de ongelukkige knaap uit wie ze een moordenaar hadden gemaakt.
Zonder iets te zeggen liepen wij met bezwaard hart verder naar de Madeleine.

Matthew Decker • 24 juni 1748

Matthew Decker (1679-1749) was een Engelse ondernemer en econoom van Nederlandse afkomst.

Mijnheer Abraham de Haan kwam me op 24 juni met zijn koets ophalen. Hij bracht me naar Amsterdam. Ik dineerde die dag bij mijnheer Graanhart. Als gevolg van een oproer dat vanmorgen op de Botermarkt begonnen was, waren we maar met zijn achten. Het volk weigerde de verplichte accijns te betalen. Dat gebeurde ook in andere steden. De burgerwacht of schutterij doodde twee mensen uit de oproerige menigte en verwondde er vijf. De gemoederen werden daardoor zo verhit, dat men onmiddellijk de aanval inzette op twee of drie huizen van pachters, mensen die de opbrengst van de belastingen pachten. Ook het huis van een zekere mijnheer Goedval, vijf huizen bij mijn gastheer vandaan, werd aangevallen, hoewel het aan beide zijden beschermd werd door schutters met geladen geweren. Zij schoten echter niet. Nooit zag ik grotere lafheid dan toen, zelfs een officier moest dat later met me eens zijn. Aanvankelijk waren het niet meer dan vijf of zes mannen die opdrongen met een lange stok waaraan een stuk oranje-gekleurd goed was gebonden. Zij werden gevolgd door een troep uit de kluiten gewassen jongens, en door vrouwen die de aanval op het huis van de belastinggaarders als eerste inzetten met het gooien van stenen en het kapotslaan van de ruiten. Met dezelfde wapens braken ze de deuren open, drongen het huis binnen en vernielden het van de zolder tot de kelder. Alles smeten ze op straat en wat nog heel was maakten ze meteen kapot. Het linnengoed werd aan stukken gescheurd en de met veren gevulde bedden werden opengesneden. Daarna werd alles in de gracht gegooid. Er werd voor nog geen stuiver gestolen, maar wel werd alles vernield. Ik maakte het bijna van begin tot eind mee. Op dezelfde manier ging men bij vele andere pachters te werk. In totaal werden vijfentwintig huizen vernield.
De volgende dag bleef ik 's morgens thuis. Ik ontving verschillende bezoekers en ging daarna eten bij mijnheer Reusel. In het gezelschap van tien personen werd over niets anders gepraat dan over het plunderen en vernielen van de huizen van de pachters en hun handlangers. 's Avonds werd een verkeerd huis aangevallen. De schutterij was toen wat resoluter: het vuur werd geopend, waardoor één plunderaar gedood werd, de rest sloeg toen op de vlucht.

donderdag 22 juni 2023

Wim Kan • 23 juni 1982

Wim Kan (1911-1983) was cabaretier. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.

Wims partner Corry heeft begin mei een herseninfarct gehad. Voor hem was dat het begin van 'de grote narigheid'.

Maandag 21 juni 12.30 uur
De zomer is begonnen, zegt Toon [Hermans], die met zijn Rietje van 11.00 tot 12.30 uur bij Corry en mij in mijn kamer koffie dronk. De kamer stond vol optimisme, geloof in Corry's kracht en zijn geneeskundige blik. Eén hand op haar knieën! Ze wordt beter. Een gelukkig ogenblik in moeilijke tijden.

Woensdag 23 juni 9.30 uur. Kamer 620
Toen ik Coby nog moedeloos in Arnhem had achtergelaten, alleen in de af en toe stortregens naar Biljoen gereden. Auto met lichtjes op neergezet. Triest, eenzaam beeld. Avond half tien. Schemering. Een trein met felle lichten op reed kletterend de andere ellende tegemoet. Ik zie en zag er helemaal niets meer in. Lampje in Biljoen-boerderij brandde door de regen heen. Beroemd? Eenzaam. Berooid van alles wat ik lief heb. Mijn Tufman [= Corry]. Stapelgek misschien om zo je leven op te hangen aan een symbool. Spijt. Nee, ik wou niets anders en ik wil niets anders.

Woensdag 30 juni 7.15 uur. Kamer 621. Ziekenhuis Velp
Vandaag zeven weken ziekenhuis. Zeven weken in de hel en soms toch heel heel even in de hemel. Vreselijkste tijd sinds Birma. Zeven weken volkomen overgeleverd aan God, dokters, zusters, broeders. Vol liefde, maar zo broos, zo breekbaar, zo kwetsbaar. Zeven weken nooit meer één krant gelezen. Zeven weken nooit meer één druppel alcohol. Zeven weken zes keer twee trappen op, nooit met de lift. Zeven weken waarin Ol mij nog dierbaarder werd dan ooit tevoren. Zeven toevalsweken?

De spoedopname was op woensdag 12 mei, de dag waarop wij ons nieuwe testament zouden tekenen. Het ligt nog ongetekend in mijn tas.

Donderdag 1 juli 14.10 uur. Kamer 620
De wereld gaat weer open. Met Ol in de gouden koets de lange asfalt oprijlaan van het ziekenhuis op en neer gelopen, stukje door het park. Dokter Langkamp bij de lift suggereerde: ga eens een kopje koffie met uw vrouw drinken op het terras van het hier tegenoverliggende Crest-hotel. Dat klonk ineens geweldig. De wereld gaat weer open.
Toen ging de wereld weer dicht. Alle voorbereidingen voor breukoperatie zijn en worden getroffen. Indien enigszins mogelijk morgenochtend.

woensdag 21 juni 2023

Virginie Loveling • 22 juni 1917

Virginie Loveling (1836-1923), zus van schrijfster Rosalie Loveling en nicht van schrijver Cyriel Buysse, was een Vlaamse schrijfster en dichteres. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield ze een Oorlogsdagboek bij.

22 juni '17. Vrijdag
Een dezer dagen gingen twee juffrouwen rond om geld in te zamelen voor een liefdadig doel, genaamd het ‘Half Kluitjes Werk.’ Ze belden ook aan bij oogmeester S. Hij zat in zijn kabinet, waar ze werden binnengeleid. Hij rees niet op. Een hunner meldde hem het doel der komst. Ze sprak Fransch.
‘Kent ge geen Vlaamsch?’ vroeg hij.
‘Ik ben gewend Fransch te spreken.’
‘Ha, ge spreekt Fransch! Zijt ge niet beschaamd voor de dochter van een vlaamschen notaris?’ zei hij en allerlei scheldwoorden vloeiden uit zijn mond. Hij was opgestaan en sloeg zijn vuist uit en trof in haar aangezicht. Een ongelukkige slag. Het bloed spatte uit haar neus. Hij moest het stelpen met een prop. De meisjes liepen de deur uit, de eene heel bebloed; in de hevigste ontsteltenis kwamen ze bij hun ouders aan. Op bevel van een gehaalden dokter moest de gekwetste te bed blijven. Een geding is ingespannen.
Voortdurend koud weder, geen zomer te krijgen, niets dat in het tuintje behoorlijk groeien kan.

dinsdag 20 juni 2023

Paul Léautaud • 21 juni 1933

Paul Léautaud (1872-1956) was een Franse schrijver. Onderstaand fragment komt uit Particulier dagboek 1933. Vertaling: Ed Jongma.

Woensdag 21 juni.- Avond bij M.D. Steeds plezieriger. Zij wordt toch wel wat losser, wat wil zeggen dat zij zich een beetje meer laat gaan. Zij kwam vroeg thuis, waardoor de avond langer werd. Viermaal voor haar. Gelukkig met de tong, anders zou het mij niet lukken. Zij zegt dat zij zich eigenlijk pas na vier keer bevredigd voelt.
Vanavond lag de sleutel ook weer onder de deurmat.
Ik verweet haar bij wijze van grapje, dat zij niet wellustig is (in haar kussen en liefkozingen), niet hartstochtelijk (zelfde laken een pak), dat zij alles zo rustig doet, altijd zo ernstig is, zo serieus, zelfs tijdens het vrijen (dat mij juist zo vrolijk maakt, en mijn geest doet ontwaken), terwijl in de Bibliotheek daarentegen zij zo vrolijk en grappig is, en ik vroeg haar of ik haar soms verlegen maak, waarop zij 'nee' antwoordde. Bij elk verwijt zei zij, met een rustig, klein stemmetje: 'Ga dan ergens anders heen! Je hoeft alleen maar ergens anders heen te gaan!' Dat zette me aan het denken over bepaalde dingen in de toekomst. Ik vroeg haar of zij wraakzuchtig is. Antwoord: 'Ach, welnee! Niet in het minst. Dat is te vermoeiend.' Misschien is het zo, en het is altijd goed om te weten.
Had een aardig, heel spontaan gebaar na haar vierde keer. Ging languit en naakt op het tapijt liggen voor mijn beurt. Nu heeft ze zich in het hoofd gezet dat een opmerking van haar conciërge die zij toevallig hoorde toen zij thuiskwam, te maken heeft met mijn bezoeken aan haar.
Afspraak voor a.s. dinsdag 8 1/2 uur, na het eten, omdat zij tot 8 uur bezig is op de Bibliotheek.
Na het vrijen, tot aan mijn vertrek was ik, zoals altijd, bijzonder op dreef, met een hele heldere geest. Ik had nog wel twee of drie uur kunnen blijven om te kletsen, duizenden-een dingen te vertellen, onder het genot van koffie en een sigaretje. Dit genoegen heb ik niet met de 'Gesel', die ten eerste niets weet van de dingen die mij interesseren-en ten tweede zo op zichzelf gericht is in haar pretenties, dat zij alles tegenspreekt en overal gelijk in wil hebben, zonder dat ze vaak ook maar in het minst begrijpt waar ze het over heeft.

maandag 19 juni 2023

Hans Warren • 20 juni 1959

Hans Warren (1921-2001) was een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken zijn in vele delen gepubliceerd als 'Geheim dagboek'.

20 juni. — Iets wat ik niet snel doe: de politie inschakelen. Maar vanmiddag om drie uur was het zover. Al een paar weken lang worden we getergd door een helse uitvinding, de zogenaamde spreeuweband. Aan de andere zijde van de 's-Gravenpolderseweg, naar het gehucht Apekinders toe, ligt een prachtige oude kersenbongerd die altijd een lust voor alle zintuigen is geweest, tot die duivelse band er kwam. Rijpende kersen lokken veel vogels aan, vooral spreeuwen, en van oudsher is het in juni in kersenboomgaarden dan ook een lawaai van kreten, ratels, pann deksels, rammelende bussen. Verder staan er vogelverschrik kers, flapperende linten, blikkerende stroken metaal, klinken e schoten. Dat hoorde er zo'n beetje bij.
De luie maar wel inventieve mens vond echter iets uit dat afdoende leek. Hij ving een spreeuw, greep die hardhandig beet en legde de noodkreten die het dier slaakte vast op de band. Dit geluid, afgedraaid, zal soortgenoten opschrikken en doen wegvluchten, dacht men. Tot zover is alles ingenieus en zelts diervriendelijk.
Komen er spreeuwen op je kersen af: even het bandje draaien en ze deinzen terug. Komen er spreeuwen slapen in de bomen langs een stadsgracht of op een plein waar ze alles bevuilen: de band, en ze zoeken een andere rustplaats. Mits bescheiden toegepast zou het mogelijk helpen, hoewel vogels als kraaien juist toesnellen als er een in nood roept. Maar de mens kent geen maat. Als men het geluid veel te sterk reproduceert, herkennen de spreeuwen het niet. Geen enkele soortgenoot brengt zo'n constant onspreeuwelijk geloei voort. Bovendien: een niet meer aflatend geluid stompt af, niets of niemand reageert nog. Behalve de enkeling op wiens zenuwen het gaat werken. Nudat was bij ons het geval. Voor dag en dauw werd de spreeuweband op volle sterkte ingesteld. De spreeuwen trokken zich er mets van aan, stortten zich in zwermen op de kersen tussen het lawaai. Kwamen de plukkers, dan zetten die de band af en draaiden arbeidsvitaminen, ook op volle sterkte. Na werktijd werd regelmatig vergeten het lawaai af te zetten. Horendol werd je ervan, opgejaagd, ellendig.
Vandaag, zaterdag drie uur, het werk afgelopen, en je wist al: het hele weekend draait dat weer door. De buren, ach, die beweren er geen last van te hebben, men valt elkaar onder agrariërs met graag af, want vandaag bezorgt de een overlast, morgen de ander.
Eer ik de politie gebeld heb. Een kwartier later was het kabaal verstomd.
'Meneer, waarom hebt u niet eerder gemeld dat u er last van hebt, het is inderdaad niet te harden, maar ja, als niemand klaagt...'
Ja waarom niet? Naar de politie lopen ervaar ik als verraad en als een vernedering.

zondag 18 juni 2023

Otto van Eck • 19 juni 1794

Otto Cornelis van Eck (1780-1798) stamde uit een oude Gelderse familie van hoge ambtenaren en regenten. Hij overleed op zijn 18de aan tuberculose. In de jaren daarvoor hield hij (op last van zijn ouders) een dagboek bij.

Woensdag 18 Junij [1794] Deeze morgen weder doorgebragt met mijne zaeken te doen en daerna de vis uit de kaar gaen haelen om vanmiddag te eeten. Toen nog wat geloopen tot 2 uur, waneer wij gingen eeten. In het Manuel heb ik gelezen van de Argonauten, welke onder bevel van de held Jason het gulde vlies gingen haelen. Dit is een heidensche fabel van de oudheid. Daerna ben ik na Delft gegaen om een boodschap voor mij te doen en thuis komende, ben ik met mijn zusje en met Tietje Philip (welke hier is gekomen om voor een dag of 8 te blijven logeeren) nog eens gaen wandelen en toen aen de zaken gegaen tot nu. Nu het donker is, zal ik nog eens gaen wandelen en dan gaen slapen.

Donderdag 19 Junij (1794]
Deeze morgen geleert tot 11 uuren en mij toen gaen kleeden om na de Delfsche kermis te gaen, na gr[oot]moeder Mouchon, bij wien ik deeze middag gegeeten hebbe. Ik heb nogal plaizier gehad op de kermis. Gr[oot]moeder is zoo goed geweest van mij een kruisnet te koopen om te vissen en na den eeten heb ik oom en tante Paulus en de heer V. Hogendorp met juffr. Havart gerencontreerd op 't onverwagtst. Oom heeft mij een handdrukkerijtje prezent gedaen, waervan ik mij zeer veel plaizier beloove, voornamelijk in den winter, wanneer het geen goed weer is om buiten te loopen. Ten 7 uur ben ik weer na huis gegaen en heb toen de tijd doorgebragt met heen en weer lopen en dit journael te maeken. Vandaeg is juffr. Montier weer vertrokken.

Vrijdag 20 Junij [1794]
Vanogtend ten 8 uur binnen komende om te ontbijten, was het eerste dat ik hoorde geen blijde tijding, want Mama had zo sterke koud gevat in haer heupe, dat zij nauwelijks gaen konde. Ten 9 uur ontbeeten hebbende, ging ik mijne zaeken doen tot h[alf] 1, wanneer [ik] mij eens ging vermaeken met de eerste proeve te neemen van mijn klein drukkerijtje, 'twelk zeer goed ging. Alleenlijk smeerde ik er altoos te veel of te weinig inkt aen, waerdoor het of kladde of niet af ging. Dit ging evenwel eindelijk beeter toen ik er de slag van weg had. Ten 2 uur gingen wij eeten en toen wij aen het dessert zaaten, kwam Papaatje thuis van Haerlem, waerover wij alle zeer blijde waren, hoewel het niet onverwagt was. Hierdoor is de lectuur in het Manuel verzuimd. Na den eten ben ik eens te paerd gaen rijden, 'twelk ik in lange niet gedaen had. Daerna hebben wij in het tuinhuis thee gedronken tot h[alf] 8 en toen ben ik weer gaen leeren tot nu toe en het is net 9 uur.

Erich Kästner • 18 juni 1945

Erich Kästner (1899-1974) was een Duitse schrijver. "Anfang 1945 gelang es ihm, mit einem Filmteam zu angeblichen Dreharbeiten nach Mayrhofen in Tirol zu reisen und dort das Kriegsende abzuwarten. Diese Zeit hielt er in einem 1961 unter dem Titel Notabene 45 veröffentlichten Tagebuch fest." Het boek is in het Nederlands vertaald door Jan Bert Kanon.
Onderstaand fragment is afkomstig van de DBNL; het is onduidelijk of het hier om de vertaling van Kanon gaat.

P. in Beieren, 18 juni 1945.
Er is slecht, onheilspellend nieuws! Op 21 juni moet de bezetting door de Russen van Thüringen, Sachsen, de provincie Sachsen en Mecklenburg voltooid zijn! En de Amerikanen zijn het er mee eens! Er kan alleen maar sprake zijn van een concessie, die men vroeger eens gedaan heeft. Van een clausule uit de oorlogstijd. Zo zou men achteraf ook de aarzeling van de Amerikanen aan de Elbe en voor Berlijn kunnen verklaren. Alleen maar zo en niet anders. Men komt een eens gegeven woord na. En men geeft met Midden-Duitsland Europa cadeau.

P. in Beieren, 19 juni 1945.
De stations en de treinen, de postbodes en postkantoren, de telegrambestellers en de telefoonbellen houden nog steeds hun zomerslaap. Dorp en stad zijn eilanden die van elkaars bestaan niets afweten. Het zijn levende stippen en daartussen is er niets. De lijnen tussen de stippen onbreken. Als er geen radio was zou je kunnen geloven, dat je op de maan leefde. De plaatsen zijn nomaden en slechts de radio doet ons vrij gebrekkig aan voorbije en toekomstige verbanden denken.
Zo was de toestand tenminste tot gisteren. Vandaag is het anders. Want vandaag bracht iemand een krant mee. Een krant! Het was als een wonder en ik las dat wonder drie keer achter elkaar. De krant heet ‘Münchener Nachrichten’ en wat ik las was de tweede aflevering van de nieuwe krant, het weekend-nummer. Het bracht als belangrijkste bijdrage een artikel van Friedrich Meinecke. Driëntwintig jaar geleden in het wintersemester, nam ik deel aan zijn practische oefeningen en we vergeleken de testamenten van Frederik de Grote. Nu is hij tweeëntachtig jaar, woont nog altijd in Dahlem waar ik hem indertijd bezocht en heeft als eerste naar de pen gegrepen.
Hij schrijft dat wel niemand hem, als oude man met zijn ene been in het graf, zal toedichten, dat hij het ogenblik naar de mond wil praten. Hij verklaart uitdrukkelijk, hoe vaak vroegere leerlingen hem onder vier ogen hun afkeer van de dictatuur betuigd hebben. En hij blijft bij zijn mening dat elk intern verzet, ingekapseld als men was door terreur en propaganda, in de kiem gesmoord zou zijn. Zal men hem in het buitenland geloven? De redactie distantieert zich van hem en verklaart dat ze zijn opvattingen niet deelt. Dat is te begrijpen, want de redactie bestaat uit Amerikanen, hoogstwaarschijnlijk emigranten, en het zou bovenmenselijk zijn als ze het met hem eens waren. Dat ze zijn mening, die niet hun mening is, afdrukken, dat is al heel wat. Er zijn weer verschillende opinies mogelijk waarvoor men openlijk en vrij kan uitkomen. Eens vele jaren geleden was dat vanzelfsprekend. Notabene: dat is helemaal niet vanzelfsprekend!

Notatebene! Onthoud dat goed!

Edmond de Goncourt • 17 juni 1882

Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, criticus en uitgever, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) (en na diens dood alleen) een beroemd geworden dagboek bij.

Zaterdag 17 juni
De Salon bezocht.
Als een schilderij, door de manier waarop het gemaakt was, door iets nieuws, iets origineels, mijn aandacht trok en ik kwam dichterbij om te zien wie het geschilderd had, dan bleek het steeds weer het schilderij van een buitenlander te zijn, van een Oostenrijker, een Scandinaviër, een Rus, een Spanjaard. Wij zijn verslagen, absoluut verslagen. Wat mij in deze Salon opviel, was de invloed van Jongkind. Ieder landschap dat op het ogenblik van enige betekenis is, stamt van hem af. De manieren waarop de lucht, de atmosfeer, de bodem worden weergegeven, zijn aan hem ontleend. Dat springt echt in het oog en het wordt door niemand gezegd.


Zaterdag 24 juni
Een bijzonder aardige en opvallende uitspraak van een kind. De kleine Daudet stond op het punt om de afgelopen winter naar een bal masqué te gaan. En nadat hij lange tijd zijn bontgekleurde kostuum had bekeken, vroeg hij heel serieus: ‘Wat zouden de papegaaien in de dierentuin wel zeggen, als ze me nu zagen?

donderdag 15 juni 2023

Otto van Eck • 16 juni 1794

Otto Cornelis van Eck (1780-1798) stamde uit een oude Gelderse familie van hoge ambtenaren en regenten. Hij overleed op zijn 18de aan tuberculose. In de jaren daarvoor hield hij (op last van zijn ouders) een dagboek bij.

Zondag 15 Junij [1794]
Deeze morgen met Papa en Mama te kerk geweest bij ds Scheidius, welke een zeer schoone preek gedaen heeft. Dezelve bestond meest in een beschrijving van het zagtmoedig, medelijdend, geduldig caracter van J[ezus] C[hristus] gedurende zijn geheele leeven en een vermaning dat wij ook zoo handelen moeten, als wij ons bij hem aengenaem maeken willen. Ten 12 uur thuis komende, ben ik wat gaen leeren en na den eten zijn wij ten 3 uur met een wagen van zessen altemael, benevens de twee neefjes V. Hasselt, na Scheveling gereden, maer ik ben op den hit vooruit gereden. Wij hebben daer braef gelopen en gesprongen op de duinen en garnael gegeeten. In het weerom rijden, ben ik in de wagen gaen zitten en neef Jacob (V. Hasselt]) op de hit, omdat hij 't mij verzogt en ik het tog alle dag doen kan. Thuis komende heb ik met Papa nog wat gaen wandelen tot het donker was.

Maendag 16 Junij [1794]
Den tijd doorgebragt met leeren tot 11 uur, wanneer Papa met de Leidsche schuit vertrokken om na Haerlem te gaen, alwaer hij een dag of drie blijven zal. Toen ben ik wat gaen spelen tot 1 uur en toen wat gaen leezen tot wij gingen eeten. Na den eeten ben ik eens gaen vissen en heb een goede vangst gehad. Daerna heb ik nog het een en ander voor mijzelve gedaen. En ten h[alf] 7 in huis gekomen en de zaeken gaen doen en nu gae ik met Mama en juffr. Montier nog eens wandelen, als zij er lust toe hebben.

Dingsdag 17 Junij [1794]
Vanmorgen opgestaen zijnde, ben ik mijn vogeltjes gaen helpen en heb mijn netten opgehaeld, maer ik had geen één visje gevangen. Daerna kwam ik ten 8 uur binnen om te ontbijten, maer er was nog niemand tot h[alf] 9, want ieder had zich verslapen. Toen gingen wij lezen en ontbijten tot 9 uur, wanneer ik ben gaen leeren tot 12 uur. Toen ben ik wat gaen speelen tot wij gingen eeten en na op het dessert in het Manuel gelezen te hebben, ben ik eens na de D[elftse] kermis gegaen. Ten 6 uuren weer thuis gekomen en toen gaen leeren tot nu toe en nu gae ik in de schemeravond nog eens wandelen.

woensdag 14 juni 2023

Roel van Duyn • 15 juni 1971

Roel van Duyn (1943) was in 1971 gemeenteraadslid in Amsterdam voor de Kabouterpartij, nadat hij eerder al een van de trekkers van de Provo-beweging was. Panies dagboek verscheen eind 1971.

dinsdagochtend 15 juni
Ik liep vastberaden naar de bruine beuk toe en begon om zijn stam onder zijn gewelf van takken en bladeren in het rond te lopen, ik dacht aan mijn dode vader zoals hij gedurende enige dagen na zijn overlijden opgebaard lag bij ons thuis in de grote achterkamer. De uitdrukking van zijn gelaat straalde een onkwetsbare schoonheid uit. Niet een toevallige schoonheid was hetsmaar een schoonheid die onmiddellijk voortkwam uit de gevoelens die er tussen mijn vader en ons tijdens zijn gang door de gouden poort werden uitgewisseld.
Ik trok een blad van de boom en stak het in mijn mond om de smaak van de dood te proeven. De dood is het begin van een terugreis naar het punt van voor de geboorte. Dat weet ik nu. Zien mensen die bijna sterven maar het overleven niet vaak een film van hun leven in hun hersens razendsnel achterstevoren afdraaien? De dood is de terugkeer van de tak naar de kern van de stam. Maar na zijn dood blijft het wezen van de tak, want het was er al voor zijn geboorte. De eerste wet van de thermodynamika zegt: energie kan noch worden geschapen noch worden vernietigd. De kern van de stam is daar waar hij noch levend noch dood is.
Angst voor de dood is evengoed als angst voor het leven, een poging je van de werkelijkheid van het bestaan en van al het bestaande te isoleren.
Langzamerhand ben ik mijn lichaam als instrument voor kommunikatie met de boom gaan gebruiken. Ik maak hoge en lage, hese en scherpe geluiden. Ik trommel met mijn handen op mijn ribbenkastje en benen. Ik maak gekke sprongetjes, stoot met mijn schouders tegen zijn stam en zuig met mijn adem zijn aanblik naar binnen. Ik kijk van onderen naar het ontspringen van de wereld van zijn takken. Ik zie de groene bladeren aan de binnenste gedeelten van de takken en de bruine bladeren aan de buitenste delen van de kroon. Het licht dat door de kroon naar binnen dringt! Het is een beeld waarvan ik merk dat ik het ervaar om het ervaren, en niet om het te beschrijven, want dat kan ik niet.
Op een pad enige tientallen meters verderop zie ik hoe twee mensen, die denken dat ik gek ben, naar me staan te kijken. Ik ren onder de boom vandaan over het grasveld. Daar draai ik me om en zie de boom in zijn volle verschijning. Het groene gras glanst in de regen en probeert de boom te omcirkelen. Maar de bruine beuk laat zich niet omcirkelen. Hij is en blijft het middelpunt, ik zie in één blik de kontoeren van zijn kroon prachtig tegen de hemel afsteken.
Ik ben één met het beeld van de boom. Heb je henna in je rossige bladeren gesmeerd? Ik huppel naar je stam toe en zie dat je takken geweldig lange tepels zijn die uit talloze borsten ontspringen. Laag aan je stam zitten een paar magere, knoestige borsten waarvan de takken afgezaagd zijn. Daarom kan ik niet in je klimmen en tussen je eindeloze tepels zitten. Dat hebben, ze expres gedaan! Ik druk me tegen, het ronde van je stam en zie het welven en kruipen van zo veel buiken tussen de borsten van de takken over je stam. Ik ren naar de uiteinden van een laaghangende tak en beweeg die op en neer. Ik voel dat de borst van de tak aan de stam door mijn bewegingen gestreeld wordt.
Drijfnat loop ik naar huis. Daar kruip ik lekker tussen de warme dekens. ïk ben vervuld van de beuk met de henna-kleurige bladeren. Ik noem haar Bella. Ineens wordt Bella hol en word ik een boom in haar. Lieve, goeiege Bella.


dinsdag 13 juni 2023

Nescio • 14 juni 1951

Nescio (J.H.F. Grönloh, 1882-1961) was een Nederlandse schrijver. In zijn Natuurdagboek (1946-1955) deed hij verslag van onder meer zijn tochtjes en wandelingen. Een gedeelte werd gepubliceerd in Tirade.

14 Juni
Donderdag. Met Os naar Hilversum omdat Saar ziek is. Zomer; tegen den middag drukkend. Om 8 uur al de deur uit per tram om Miep te waarschuwen dat we er om 12 uur niet zouden zijn. Bus 8 uur 43: Loenersloot, Kortenhoef, 's Graveland, Hilversum (zie 11 Juni). Bus naar de Eikenlaan, daar een uurtje geweest, bus terug naar station en van daar: Loosdrecht, Loenen, Loenersloot, Amsterdam. Dit maal rimpels op de plassen. Bloei meest rhododendrons, de rozen zetten door. Lissen en waterlelies bij Baambrugge, hier en daar wat vlier en nog wat nabloei van meidoorns en enkele aftandsche rooie kastanjes. Weer die schaduw van wilgentakken op muur bij Loenersloot (zie 30 Mei en 11 Juni). ½ 2 in huis. Dat de plas zoo glad is als op 11 Juni komt eens in de 100 jaar voor. En dien dag neemt God me bij de hand en leidt me er heen.

16 Juni
Zaterdag. 's Avonds op de fiets naar de Zuiderzee voorbij het Gemeenelandshuis. Daar om 8 uur. Zon en wolken. Er zwommen daar 2 vrouwspersonen en een manspersoon, nogal kil. Muiderslot en Muiderberg. In Durgerdam is ergens een onbegrijpelijk gedrocht in het silhouet verrezen. Aspectjes: dat landhuis altijd nog aan het eind van de Zeeburgerdijk met die besloten tuin (zes groote boomen op grasveld, daarop ook nog vlierstruiken. Hek er om), waar 50 jaar geleden een pauw was. Zon op het uiterste hoekje van het Diepie, eerst enkel verspringende gouden punt en rimpeltjes, ook goud in het riet, toen ik wat door liep een heel stuk goud. Wat vlier in bloei, maar niet vol.
Bij zee binnendijks aardig beplant land met overal struiken (ook vlier) en twee bruine koeien en een bruin paard. Het buitenland van Immetjeshorn met hooioppers en bij de punt koeien.

maandag 12 juni 2023

Italo Svevo • 13 juni 1917

• Italo Svevo (1861-1928) was een Italiaanse schrijver. In Autobiografisch profiel (vertaald door Yolanda Bloemen) zijn ook dagboekfragmenten van hem opgenomen.

13 juni 1917
Een oud man is noodzakelijkerwijs een ordelijk man. Ik moet nu ik zesenvijftig ben op drie soorten brillen letten en dat heeft me aan ordelijkheid gewend. Daarom begin ik opnieuw aan mijn boek met herinneringen in het volste vertrouwen dat ik het ten einde zal voeren.
Zoveel dingen en personen die zo belangrijk voor me waren zijn voorgoed dood, dat het me zeer treurig stemt. Hoe bleek zijn die dingen en die mensen! Ze zijn teruggebracht tot abstracte en wellicht onjuiste begrippen. Ik zelf zou uiteindelijk kunnen gaan geloven dat ik altijd zo geweest ben als ik vandaag ben, terwijl ik me toch gevoelens van haat en liefde herinner die ik niet meer heb. Ik betwijfel echter of ikzelf wezenlijk verander wanneer mijn verlangens veranderen. Misschien gaat het in wezen om de manier waarop. Maar aangezien ik zo weinig heb opgeschreven, kan ik het niet controleren. Ik denk beslist met plezier terug aan verlangens en hevige gevoelens van afkeer, maar ik weet niet meer of het mijn inertie was of het noodlot waardoor de dingen die ik opschreef me ontglipten en of de dingen die ik haatte me mijn hele leven vergezelden omdat ik te weerloos was of omdat zij te sterk waren. Napoleon moet over zijn leven meer geweten hebben, ook al schreef hij het pas op toen zijn ware leven voorbij was. Vier jaar geleden, kort voor de wereldoorlog, ondernam ik een grote reis die mij door heel Europa voerde. Ik herinner me dat ik onderweg wenste dat alle velden goede oogsten zouden geven en dat de boeren gekleed in de meest uiteenlopende drachten voor hun werk beloond zouden worden. En het scheen mij toe dat ik iets geweldigs had gedaan en dat Napoleon jaloers op me had kunnen zijn. Toen daarna de wereldoorlog uitbrak deed iedere nederlaag me verdriet omdat ik de oorlog beslist niet nodig had gehad om me van de haat te bevrijden.

zondag 11 juni 2023

Jan Terlouw • 12 juni 1982

• Voormalig politicus Jan Terlouw (1931) hield in 1981/1982 (hij was toen minister van Economische Zaken en vicepremier) een politiek dagboek bij dat is gepubliceerd als Naar zeventien zetels en terug.

Zaterdag 12 juni
De ministerraad van gisteren is snel en vlot verlopen. Het mag gezegd, met Dries [van Agt] kun je efficiënt werken. Hij heeft net als ik de pest aan omslachtigheid en herhalingen. Hoewel ik de breuk nog steeds betreur, is het een verademing af te zijn van de langdradigheid van een aantal van de voormalige PvdA-collega's. Waarom zouden die eigenlijk zo langdradig zijn? Waarschijnlijk omdat zij het ware geloof bezitten. Geloven is een zeker weten, zegt Paulus, en socialisten weten zeker dat ze gelijk hebben. 't Is toch typisch: de beginselloze D'66'ers zijn het meest beginselvast, de PvdA'ers zijn de gelovigen en de christen-democraten zijn de pragmatici. Leve de duidelijkheid in de politiek.

Aan het eind van de middag zal ik, op verzoek, nog een gesprekje hebben met een delegatie uit de fractie, over het lijsttrekkerschap. De fractie kan er zich niet bij neerleggen dat ik vind dat ik het niet moet doen. Hans van Mierlo is vertrokken toen hij merkte dat de partij het met zijn lijn niet eens was, ik vind dat nu mijn tijd is gekomen. Vanavond geven Alexandra en ik een officieel diner in de Ridderzaal voor de Amerikaanse Kamer van Koophandel en een aantal grote Nederlandse ondernemers, in het kader van de Bicentennial. Morgen vertrek ik naar Washington voor een paar dagen politieke besprekingen. Daarna leid ik een week een delegatie van Nederlandse ondernemers, die in Houston en in Los Angeles het pad zal kruisen van Beatrix en Claus. Tien dagen weg van de partijpolitiek, een prettig idee, al zal het programma afgeladen vol zijn. En weg van deze schrijfmachine.

Luise Rinser • 11 juni 1969

• Luise Rinser (1911-2002) was een Duitse schrijfster en politiek activiste. Ze publiceerde verschillende boeken met dagboekaantekeningen.

P. een en ander voorgelezen uit mijn dagboek. Hij vindt dat het afgezien van de verhalen die erin voorkomen, allemaal toch eigenlijk te weinig 'kunst' is, te rechtstreeks meegedeeld, en wel voor de dag van vandaag meegedeeld. Hij vindt dat de actualiteit schaadt en ten koste van de doorlopende spanning gaat.
Wat dan nog? Wat kan mij 'letterkundige roem' schelen, wat interesseert me de roem bij het nageslacht of zelfs maar de roem die er over drie of vijf jaar zal zijn of niet zal zijn! Ik spreek voor de dag van vandaag, niet voor 'de eeuwigheid'. De dag is van belang. En wat opgaat voor de dag van vandaag, dat zal altijd opgaan; maar dat kan me niet schelen, zoals ik al zei. 'De literatuur' is voor mij opengebroken. Woorden dienen om iets mee te delen. Als ik praat met R. of met F. of met L.D., dan praat ik toch niet voor de eeuwigheid, maar voor het ogenblik. Ik spreek niet op de band; ik grif mijn woorden niet in steen; ik beschouw ze niet als onbelangrijk (anders zou ik ze, naar ik hoop, niet opschrijven) maar ook niet als belangrijk. Door ze te zeggen vervul ik mijn plicht; dat is alles. En die plicht betekent: je uitspreken. Jezelf! In de woorden jezelf.

Ed van Thijn • 10 juni 1977

Ed van Thijn (1934) is een Nederlands politicus. In zijn Dagboek van een onderhandelaar beschrijft hij de mislukte coalitiebesprekingen m.b.t. het beoogde kabinet Den Uyl II, die duurden van 25 mei-11 november 1977.

Vrijdag 10 juni
De schoolkaping in Boven-Smilde en de treinkaping bij De Punt duren onverminderd voort. Die dag is de spanning te snijden. Alhoewel ik geen contact met Joop heb, voel ik aan alles dat er iets broeit. Het geeft mij een rusteloos, maar vooral machteloos gevoel. Ik ben blijkbaar niet de enige. Voor het eerst krijg ik enkele telefoontjes van bezorgde mensen die goedbedoelde, min of meer technische adviezen geven hoe je de kapers kunt overmeesteren zonder dat er doden vallen onder de gegijzelden.
's Avonds neem ik deel aan een afscheidsdiner ter ere van Kidron, de Israëlische ambassadeur, die overgeplaatst is naar Londen. Het gebeuren vindt plaats op het Muiderslot. Als ik na middernacht naar huis rijd meldt de radio dat het stil is rond de school en de trein.

Zaterdag 11 juni
's Nachts kan ik de slaap niet vatten. Ik weet het zeker, er gaat wat gebeuren. Als ik voor dag en dauw de radio aan zet, blijk ik gelijk te hebben. De acties zijn zojuist begonnen, precieze mededelingen ontbreken nog. Het zijn angstaanjagende momenten. Mijn gedachten zijn sterk bij Joop. Wat een verantwoordelijkheid. Ik weet dat hij door diepe dalen gaat. Hij had dit zo graag willen voorkomen. Maar hij zat voor het blok. Het kon niet anders. De berichten komen bij flarden binnen. Er zijn doden gevallen. Onder de treinkapers, maar ook twee van de gegijzelden zijn omgekomen. De rest is bevrijd en onderweg naar het ziekenhuis. De stem van Joop klinkt. Een mengeling van treurnis en opluchting. Hij verantwoordt zich. ‘Ik ervaar dit als een nederlaag’, zegt hij. De telefoon gaat. Of ik commentaar wil geven. Ik betreur dat geweld nodig was, maar er was geen andere weg. Ik prijs de bewindslieden voor hun geduld en koelbloedigheid. Als ik de telefoon ophang heb ik een misselijk gevoel. Wat gemakkelijk. Commentaar achteraf. Het kamerlid levert op afroep enkele fraaie volzinnen. Hoe zou ik mijzelf gedragen hebben als ik echte verantwoordelijkheid had moeten dragen?
De radio drijft me naar de televisie. Ik zie de straaljagers overvliegen. De mensen komen uit de trein. Even later de persconferentie. Twee oververmoeide mannen, samen verantwoordelijk.

donderdag 8 juni 2023

Søren Kierkegaard • 9 juni 1847

Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Dagboeken.

9 juni
Heel mijn ongeluk wortelt in zekere zin in het volgende: als ik geen eigen vermogen had gehad zou het me nooit gelukt zijn het vreselijke geheim van mijn zwaarmoedigheid te bewaren.
(Barmhartige God, wat heeft mijn vader mij met zijn zwaarmoedigheid een vreselijk onrecht aangedaan -- een oude man die al zijn zwaarmoedigheid op de schouders van een arm kind legt, om nog maar te zwijgen van wat nog veel erger was en toch -- een bovenste beste vader). Maar dan was ik ook niet geworden tot wat ik ben. Ik zou gedwongen geweest zijn of gek te worden of geaccepteerd. Nu ben ik erin geslaagd een salto mortale. een sprong in het zuivere leven van de geest te maken. Maar daardoor ontstond weer een volstrekte heterogeniteit met de mensen in het algemeen. Waar het mij aan ontbreekt is een lichaam en de voorwaarden van het lichamelijke.

woensdag 7 juni 2023

Claude Debussy • 8 juni 1903

• De Franse componist Claude Debussy (1862-1918) schreef onderstaande woorden aan componist-dirigent André Messager. De genoemde Amerikaanse is ene Elisa Hall; haar arts had haar vanwege haar slechthorendheid aanbevolen saxofoon te gaan spelen. Zij gaf opdrachten voor composities voor dat instrument aan Vincent d’Indy, Gabriel Fauré, André Caplet en Debussy. Uit: Hartstochtelijk houd ik van muziek (vertaald door Lucas Bunge)/

Maandag 8 juni 1903
Nu is het mijn beurt om u schandelijk te laat te antwoorden...! En dit is de reden: een dame die ontevreden is, dat ze Amerikaanse is, en die zich de merkwaardige luxe veroorlooft om saxofoon te spelen, heeft bij mij enkele maanden geleden door tussenkomst van G. Longy een stuk voor orkest en obligate saxofoon besteld... ik weet niet of u zich tot dit instrument aangetrokken voelt, maar ik was de speciale klank ervan zo vergeten dat ik deze ‘bestelling’ ook op slag vergeten ben. Maar de vasthoudendheid van Amerikanen is spreekwoordelijk en... de dame met de saxofoon is acht of tien dagen geleden in Parijs, rue Cardinet 58, komen aanwaaien om mij te vragen hoe het met haar stuk ging! – Natuurlijk heb ik haar bevestigd dat het na Ramses II datgene was waar ik het meest aan dacht. – Ik heb er dus toch aan moeten beginnen en daarom ben ik nu wanhopig op zoek naar nog niet vertoonde klankcombinaties die zich het best lenen om dit aquatische instrument tot zijn recht te laten komen. Het stuk zal Rapsodie orientale heten (een betere titel heb ik nog niet). Ik heb net zo hard gewerkt als in de goede tijden van Pelléas en ik heb het ochtendgloren aanschouwd met een kater!

dinsdag 6 juni 2023

Matthieu Galey • 7 juni 1980

Matthieu Galey (1934-1986) was een Franse schrijver. Zijn na zijn dood (hij overleed aan ALS) verschenen Dagboek (vertaald door Joop van Helmond) wordt als een literair meesterwerk beschouwd.

7 juni. Amsterdam
Het is vijf uur. De losbol keert huiswaarts, gebroken door zijn arbeid. Maar wat een beloning, deze stad bij het ochtendgloren, donkerroze tegen een bleke, blauwgrijze lucht. Je bevindt je in een nog slecht verlichte Vermeer in een obscure zaal van een of ander museum in de provincie.

Het koninklijk paleis, afzichtelijk, triest gebouw — zelfs nergens een tuintje — met een klein deurtje in de achtergevel, zo'n klein deurtje dat het slechts kan dienen als vluchtweg voor de vorsten in het geval van een revolutie. Ik begrijp best dat de koningin daar niet wil wonen, domweg uit bijgelovigheid.

In de Oude Kerk dragen bepaalde zerken slechts een nummer. Bewonderenswaardige nederigheid. Stel je voor, het laatste oordeel als een lotto...
Dit volk bezit iets vreemds, origineels, onafhankelijks. Uit de kleding, de houding, uit alles spreekt een bijzondere persoonlijkheid, die je niet vindt bij de Belgen, noch bij de Duitsers. Vanwaar dat verschil? Misschien stelt de eeuwenlange geschiedenis die ze achter zich hebben hen in staat niet toe te geven aan conformisme, zoals heel rijke mensen de elegantie van de kleermaker vervangen door de chique van een oud, versleten colbert.

Echt gelukkig deze drie dagen. Hervonden jeugd, hier was ik niet doorzichtig. Wandelend in het Vondelpark vrijdagmiddag, kwam de herinnering aan die tochten naar huis bij me boven, vierentwintig jaar geleden, op de bagagedrager van de fiets van Emar. Halflege banden die heen en weer slingerden over de klinkers van de straten. En vanavond heb ik Emar ontmoet in een bar! Het gezicht nog zeer gelijkend, ondanks de kaalheid, maar opgemaakt als een ouwe hoer — wat vloekte met zijn macho-uitmonstering — en dat opgedirkte gezicht boven een enorme pens zelfvoldaan uitgestald in een T-shirt... Hetzelfde gold voor een andere jongen, die tegenwoordig in een sauna werkt, wiens tatoeage ik herkende — een blauwe vogel op zijn linkerborst — op een ook bij hem in omvang verdubbeld lichaam. Te weten dat hij amper tien jaar geleden danser was.
Waarna ik de avond heb doorgebracht met de charmante Boris, geboren in het jaar dat ik Emar leerde kennen... Recapitulatie: een Fransman... Gérard, 's nachts — de volgende ochtend een kapper uit Nijmegen, 's Middags Boris... en daarna, Aristoteles 's avonds.

maandag 5 juni 2023

Robert Graves • 6 juni 1915

• De Britse schrijver Robert Graves (1895-1985) was soldaat in WO 1. In Dat hebben we gehad (vertaald door Guido Golüke) zijn ook een aantal dagboekfragmenten van hem uit die periode opgenomen.
In 1916 zou hij zelf zwaargewond raken tijdens de bijna vijf maanden durende Slag aan de Somme, waarbij meer dan een miljoen doden en gewonden vielen.

6 juni. We zijn ingekwartierd in Béthune, een vrij grote stad ongeveer tien kilometer achter de frontlijn. Er is alles wat je je kunt wensen: een zwembad, allerlei winkels, vooral een banketbakkerij, de beste die ik ooit heb gezien, een hotel waar je echt goed kunt eten, en een theater waar we brigadevoorstellingen hebben. Ik zag vanmorgen een aanplakbiljet op de muur van een gebouw aan het kanaal van Béthune naar La Bassée: 'Op last van de plaatselijke commandant is het de troepen verboden vissen te bombarderen.' Béthune heeft heel weinig schade geleden, behalve de wijk Faubourg d'Arras, bij het station. Ik ben ingekwartierd bij de familie Averlant Paul in de Avenue de Bruay, mensen van de ambtenaarsstand: vluchtelingen uit Poimbert. Ze hebben twee zoontjes en een wat oudere dochter, die in de vierde klas van de plaatselijke middelbare school zit. Ze had gisteravond problemen met haar huiswerk en vroeg me haar te helpen met het schrijven van de theorie van de decimale breuken. Ze liet me haar aantekeningen zien; ze zaten vol afkortingen. Ik vroeg waarom ze zoveel afkortingen had gebruikt. Ze zei: 'De lerares praatte heel vlug omdat we erg veel haast hadden.' 'Waarom hadden jullie zo'n haast?' 'O, omdat jullie troepen in een gedeelte van de school zijn ingekwartierd en de Duitsers de school beschoten, moesten we steeds de schuilkelder in, en telkens als we terugkwamen was er minder tijd over.'

zondag 4 juni 2023

Elias Canetti • 5 juni 1960

 • De in Bulgarije geboren maar in het Duits schrijvende Nobelprijswinnaar Elias Canetti (1905-1994) woonde van 1954-1971 in Groot-Brittannië. Uit: Het pantheon van vergeten dingen.Aantekeningen uit Hampstead 1954-1971 (vertaald door W. Hansen). 

5 juni 1960
Pinksteren 1960. Het is zomers wam, een zuidelijke dag, een zondag vol langzame mensen in de hitte. Ik lees van alles en nog wat, in deze en gene taal: eergisteren Democritus, gisteren Juvenalis, vandaag Montaigne; enkele dagen geleden gedichten van Tasso. Ik voel geen spanning en geen woede. Ik praat met zomaar wat mensen. Sinds het boek verschenen is, heerst er volkomen stilte. Aanvankelijk was ik verbaasd, een beetje onrustig misschien, maar nu is de stilte op mij overgegaan en ben ik gelukkig.[...] Soms betreur ik het dat mijn geest zich nooit in het Engels heeft gehuld. Ik woon hier nu tweeëntwintig jaar. Ik heb wel veel mensen in de taal van dit land tegen me horen praten, maar ik heb nooit naar hen geluisterd als dichters, ik heb enkel begrepen wat ze zeiden. Mijn eigen wanhoop, mijn verbazing en mijn uitbundigheid hebben zich nooit van hun woorden bediend; wat ik voelde, wat ik dacht en wat ik te zeggen had, kwam in het Duits in me op. Als mij werd gevraagd waarom, kon ik er overtuigende redenen voor geven: trots was het belangrijkste, ik geloofde er zelf in. Tegenwoordig vind ik het een aantrekkelijke gedachte om een leven in een nieuwe taal te beginnen. Ik houd van de plaats waar ik woon, meer dan van welke plaats ook, hij is mij vertrouwd alsof ik er geboren ben. Ik ben hier als eeuwige vreemdeling thuis geraakt: de scheiding tussen dit vaderland en het gesprek in mezelf is volkomen.

Michel Leiris • 4 juni 1934

In de tegenwoordige tijd. Journaal 1922 - 1989 (vertaling Michel van Nieuwstadt) van de Franse schrijver Michel Leiris (1901-1990) is geen dagboek in de eigenlijke zin: het is een 'plakboek' voor schrijfoefeningen en opzetjes, een notitieboekje voor faits divers. Vragen over dood en verval vormen een rode draad.

4 juni
Plezier dat ik gevonden heb in dronkenschap:
1) zonder vrouwen: vlucht; zuivere castratie;
2) met vrouwen: terugkeer naar een kinderlijke staat van voeding aan de borst - baden 'in de boezem' der vrouwen - daarin : oplossen als in de natuur - zich verliezen in de wezens uit de omgeving, de buitenwereld; geen rechtstreekse castratie, maar een die verloopt door middel van het infantilisme van deze verstrooiing (zeer aardig zijn, mensen de hand kussen, de een 'mijn broer', de ander 'mijn zus' noemen, romantische pseudo-lyriek). Vegetatieve kant van dit soort dronkenschap.

Jeugdherinneringen: de afschuw die ik voelde voor een zekere Van der Bilt, die zich in zijn auto doodgereden had en bij diezelfde gelegenheid ook zijn chauffeur had laten omkomen: het stuk Paljas, waarin ik dacht dat men op het toneel echt iemand doodmaakte; mijn broer Pierre en ik hadden een afschuw van wat wij 'fuifnummers' noemden.

Calamity Jane • 3 juni 1903

• Van Calamity Jane (Martha Jane Canary, 1852-1903) zijn enige brieven en dagboekfragmenten bewaard gebleven (waarvan de echtheid niet vaststaat). Het dagboek was gericht aan haar dochter Janey (Jean Irene O'Neil), die ze na haar geboorte afstond voor adoptie, en die ze nooit heeft teruggezien. Hieronder haar laatste verklaring. DeepL-vertaling onderaan.

Deadwood, June 3 1903
I Jane Hickock Burke, better know as Calamity Jane, of my own free will and being of sound mind do this day June 3, 1903 make this confession. I have lied about my past life. To help clear up my daughters birth right and my sisters daughters birth I am making this confession to James O Neil to make public or to keep to himself. I was born in Missouri. I had several sisters but only one is to be mentioned in this. People got snoopy so I told them lies to hear their tongues wag. The women are all snakes and none of them I can call friends. All letters and information given prior to this are lies except the diary I have kept for Janey since 1877. The only lie in that is where I said Bell Starr was no kin of mine. She was my sister raised by Ben Waddell and his wife. They were killed in the eighties in Oklahoma. They never knew our relation. After their death Bell came to me under the name of Starr. She married Wm. Hickok, cousin to my daughters father James Butler Hickok. I lied about having a daughter born to me in 1887. I nursed my sister Bell at that time. She gave birth to a girl whom she named Jessie Elizabeth. Then Jack Oakes came from Ft. Pierre. Hickok believed the worst of his wife. He was ashamed of her doings and refused to live with her. She lived with Jack Oakes and to them was born a son, Charley Oakes. He lives near Miles City now. Jessie Elizabeth was born Oct. 28, 1887 near Bensons Landing where Janey was born Sept. 25 1873. Bell posed as my daughter and Jessie Elizabeth as my granddaughter they were neither for Bell was older than I am. Charleys father murdered a man in Ft. Pierre. I have been called the common law wife of King, Sonors, Wilson and Dorsett. I was legally married to Hickok and Burke. I dare anyone to deny these facts.

Jane Hickok Burke


Deadwood, 3 juni 1903
Ik, Jane Hickock Burke, beter bekend als Calamity Jane, leg op deze dag, 3 juni 1903, uit vrije wil en gezond van geest de volgende bekentenis af. Ik heb gelogen over mijn vorige leven. Om mijn dochters geboorterecht en dat van mijn zussen op te helderen, leg ik deze bekentenis af aan James O Neil om openbaar te maken of voor zichzelf te houden. Ik ben geboren in Missouri. Ik had meerdere zussen maar slechts één moet hier worden genoemd. Mensen werden nieuwsgierig dus vertelde ik ze leugens om hun tongen te horen wiebelen. De vrouwen zijn allemaal slangen en geen van hen kan ik vrienden noemen. Alle brieven en informatie die ik hiervoor heb gegeven zijn leugens, behalve het dagboek dat ik sinds 1877 voor Janey heb bijgehouden. De enige leugen daarin is dat ik zei dat Bell Starr geen familie van mij was. Ze was mijn zus, opgevoed door Ben Waddell en zijn vrouw. Ze werden in de jaren tachtig in Oklahoma vermoord. Ze hebben nooit onze relatie gekend. Na hun dood kwam Bell bij me onder de naam Starr. Ze trouwde met Wm. Hickok, een neef van mijn dochters vader James Butler Hickok. Ik loog dat er in 1887 een dochter van mij was geboren. Ik verpleegde toen mijn zus Bell. Ze beviel van een meisje dat ze Jessie Elizabeth noemde. Toen kwam Jack Oakes uit Ft. Pierre. Hickok geloofde het ergste van zijn vrouw. Hij schaamde zich voor haar daden en weigerde met haar te leven. Ze woonde samen met Jack Oakes en hun zoon Charley Oakes werd geboren. Hij woont nu in de buurt van Miles City. Jessie Elizabeth werd op 28 oktober 1887 geboren in de buurt van Bensons Landing waar Janey op 25 september 1873 werd geboren. Bell deed zich voor als mijn dochter en Jessie Elizabeth als mijn kleindochter. Ze waren geen van beiden want Bell was ouder dan ik Charleys vader vermoordde een man in Ft. Pierre. Ik ben de wettige echtgenote van King, Sonors, Wilson en Dorsett genoemd. Ik was wettelijk getrouwd met Hickok en Burke. Ik daag iedereen uit om deze feiten te ontkennen.

Vertaald met www.DeepL.com/Translator (gratis versie)

donderdag 1 juni 2023

Käthe Kollwitz • 2 juni 1923

Käthe Kollwitz (1867–1945) was een Duitse kunstenares. Haar dagboeken zijn gepubliceerd onder de titel Die Tagebücher.

Nederlandse vertaling door DeepL onderaan.

2. Juni 1923 Plivier war eben hier. Verändert, mager, blaß, mit großem Bart. Er sagte mir, daß seine Viktoria, die Thora, dieses entzückende liebliche Kind gestorben sei. 2 1/2 Jahre alt. Das ist jetzt das zweite Kindchen, das sterben mußte, erst das Peterle Gampp und nun diese liebliche Thora Plivier.
Ich fragte nach der Frau und er erzählte, daß sie das tote Kind in einer warmen Welle um sich gefühlt hätte, zugleich hätten die Worte sie durchschossen: »Der Tod ist verschlungen in den Sieg.« Diese arme und rührende Flucht der Eltern in mystische Zustände, Ekstasen, die für Momente den Schmerz verhüllen und verklären. Dann kommt er wieder mit doppelter Gewalt. - Plivier will nun am 1. Juli Gesinnungsfreunde treffen und mit denen durchs Land ziehn, predigend und redend. Er sagt es gibt viele Arbeitslose jetzt, die es so machen. Einmal die Stromer, wie es sie immer gab, dann aber die Apostel, die Berufenen. Seltsame Zeit, wie im Mittelalter zu Beginn der Bauernkriege.

Am Abend sind Georg Lise Max und seine junge Braut Annie Karow hier. Sie ist ein einfach und gut aussehendes Madchen mit warmen dunklen Augen.
Gespräch mit Karl über Else.


2 juni 1923 Plivier was hier net. Veranderd, mager, bleek, met een lange baard. Hij vertelde me dat zijn Victoria, Thora, dat heerlijke, lieve kind, was overleden. Twee en een half jaar oud. Dit is nu het tweede kind dat moest sterven, eerst Peter Gampp en nu deze lieve Thora Plivier.
Ik vroeg naar de vrouw en die vertelde mij dat zij het dode kind in een warme golf om zich heen had gevoeld, tegelijkertijd waren de woorden door haar heen geschoten: "De dood is verzwolgen in de overwinning". Deze arme en ontroerende vlucht van de ouders in mystieke toestanden, extases die voor momenten de pijn verhullen en transfigureren. Dan komt het weer met dubbele kracht. - Plivier wil nu op 1 juli geestesvrienden ontmoeten en met hen door het land trekken, preken en praten. Hij zegt dat er nu veel werklozen zijn die het zo doen. Ooit waren er de streamers, zoals altijd, maar daarna de apostelen, de geroepenen. Vreemde tijden, zoals in de Middeleeuwen aan het begin van de Boerenoorlogen.

s Avonds zijn Georg Lise Max en zijn jonge bruid Annie Karow hier. Ze is een eenvoudig en goed uitziend meisje met warme donkere ogen. Gesprek met Karl over Else.