dinsdag 16 juni 2026

Hans Christian Andersen • 17 juni 1847

Hans Christian Andersen (1805-1875) was een Deense (sprookjes)schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is gepubliceerd in Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd (vertaald door Edith Koenders).

Woensdag 16 juni 1847 [van Leiden naar Den Haag]
[...] Om half zes met de omnibus naar het station gegaan, hier hing een plakkaat van De Tijd met mijn naam en foto erop, de mensen keken naar me, zouden ze me herkennen; wat een wonderlijk gevoel! — Voor het eerst in een goed humeur terwijl ik met de trein reisde, ik had wel kunnen zingen; het duurde nog geen halfuur of we waren in Den Haag, in hotel Oude Doelen. Toen ik informeerde naar de groothertog van Weimar, naar de Deense en de Russische gezant, vroeg men me meteen of ik een kamer met ontvangstsalon wilde hebben, maar ik antwoordde dat ik eerst wilde afwachten of ik bezoek kreeg. — Ik heb een kamer met uitzicht op een groot plein met bomen; — ik ben ervan overtuigd dat Verhulst voorbijliep, hij keek omhoog, zou hij gedacht hebben ‘die man daar lijkt op Andersen’? De Nederlanders vormen de overgang van de Denen naar de Duitsers. Het Deens, Nederlands, Duits, Zweeds en Noors zijn nauw verwant, dan volgt waarschijnlijk het Engels. De Nederlanders en de Friezen vormen een overgang naar de Engelsen. Ik voel me zeer tevreden in dit hotel en toch, geen brieven! als er maar niemand overleden is (O, God, nee, ik moet er niet aan denken). — Tussen de bomen dampt de aarde, ik denk aan het elzenmoeras, aan de elfjes, is al dit bekoorlijks niet meer dan een elfjesbetovering. Is het tovenarij!

Donderdag 17 juni 1847 [Den Haag]
[...] Verhulst ontmoet, met hem mee naar huis gegaan, hij woont in een gezellig huis aan de rand van de stad, met uitzicht over de velden en de weilanden. Meegereden naar Van der Vliet, die in hoge mate verrast was me te zien, deed verward, bijna dom; hij heeft twee weken geleden naar Kopenhagen geschreven om te vragen of ik bij hem kwam logeren. De literatoren hier willen een feestje voor me arrangeren; hij schonk me de vertalingen van mijn werken. [...] Nederland is de idylle van Europa! Niet Zwitserland. [...]

Vrijdag 18 juni 1847 [Den Haag]
Vanmorgen bezoek uit Utrecht van de schrijver Nepveu, die mij zijn roman Berthe Coppier heeft geschonken; hij is een tegenstander van Van der Vliet, die er net aankwam en ik ben met hem naar een tentoonstelling gegaan, er waren uitstekende dingen, een van de schilders, ik ben zijn naam vergeten, hij heeft illustraties gemaakt bij Schetsboek zonder schetsen, heb ik daar ontmoet. [...] Ik gebruikte de maaltijd bij Van der Vliet, zijn zoontje Christian is naar mij en naar [de hoofdpersoon van] ’t Was maar een speelman genoemd. Zijn vrouw sprak alleen Nederlands, maar de conversatie verliep toch wel redelijk, ze wilde voortdurend dat ik meer at, schudde met haar hoofd en zei dat het mij kennelijk niet smaakte. — Ze hebben mij in een rijtuig naar huis gebracht. –

maandag 15 juni 2026

Anna Achmatova • 16 juni 1962

Anna Achmatova (1889-1966) was een Russische dichteres. Dagboekfragmenten van haar zijn opgenomen in De echte twintigste eeuw (vertaald door Alissa Leigh en Silvana Wedemann).

De Zweed is geweest. Ik was verrast door zijn onvermoeibare belangstelling voor het epos en over het feit dat hij er Schoppenvrouw in terugvond. Bij het afscheid zei hij: 'De zoon van Panova zal het u vertellen.'

Twee dagen later verscheen bij de familie Gitovitsj de zoon van Panova (achtentwintig jaar oud, Boris Borisovitsj - sinoloog). Ik was uitgenodigd om te komen eten. Gitovitsj en zijn gast dronken wodka. Aleksandr Iljitsj was volkomen beschonken en zweefde ergens in zijn eigen wereld. De gast was volledig nuchter. Er werd op mij gedronken, en de gast zei: 'Erik Masterton verzocht mij aan u door te geven dat u dit jaar voor de Nobelprijs bent voorgedragen.' In de hele zaak interesseerde mij maar één ding: waarom heeft Erik mij dit niet zelf verteld?
(Opgeschreven 16 juni)

zondag 14 juni 2026

Anneke Hilhorst • 15 juni 1979

Anneke Hilhorst (1948) is fotograaf. In 1979 kregen zij en haar echtgenoot Ed van der Elsken een kind.

Vrijdag 15 juni
Weer op controle geweest. Ik wilde graag precies weten hoe vaak het vruchtwater wordt ververst en hoe dat gaat, want ik had gelezen dat de baby van het vruchtwater drinkt, erin plast en dat het water een keer per etmaal ververst wordt. Er is trouwens nog zoveel meer wat ik wil weten. Bijvoorbeeld: hoe werkt de moederkoek precies? Het schijnt een heel ingenieus orgaan te zijn met veel verschillende functies. Ik lees er wel boeken over, maar hoe meer ik lees, hoe meer ik merk dat het allemaal heel ingewikkeld is. Ik heb Margriet voorgesteld om een vragenavond te organiseren voor een aantal zwangere vrouwen tegelijk, bijvoorbeeld aansluitend bij de zwangerschapsgymnastiek of een moedercursus.
Ik heb nu ook aan Henk verteld dat ik de navelstreng zelf wil doorknippen. Want dat is het grote moment van de definitieve scheiding dat niet zomaar routineus afgehandeld moet worden. Het is een plechtige gebeurtenis. Hij vond het goed. Mijn gezondheid is perfect. De bloeddruk mooi laag. Het kind ligt goed; voor een kwart ingedaald.
Jeannette gaf me een zakje thee van anijs, kummel en nog een paar kruiden: 'goed voor het zog.' Het zal wel niet toevallig zijn dat anijszaadjes met wat suiker eromheen, de traditionele roze en witte geboortemuisjes zijn. En als de borstvoeding niet goed op gang komt kan ik de baby volgens Jeannette venkelthee geven, met een theelepeltje; die thee is ook goed voor mijzelf.
Ik ben opgewonden over de komende geboorte en voel het als een initiatie tot het werkelijke grote-mensenleven, vergelijkbaar met de initiatieriten van geslachtsrijpe kinderen bij sommige natuurvolkeren. Ik ben vruchtbaar. Ik voel me ver verheven boven de dagelijkse realiteit. Het is een bovenaards, hemels gevoel, en dat terwijl liet een superaards oergebeuren is.

István Radnai • 14 juni 1914

István Radnai(1893-?) was een Hongaar die in 1914 in Deli terechtkwam. Hij hield toen een dagboek bij. Vertaald door Gábor Pusztai.

Belawan 3 uur 's middags 14 juni 1914
Ik zit nu op ‘De Loek’, de kuststoomboot van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij waarmee ik naar Penang vaar. In Penang moet ik nog met de consul mijn thuisreis regelen. Ik heb nu nog tijd over Kuntji Beck te schrijven. Hij is een erg beschaafde Duitser, maar omdat hij al sinds 18 jaar op Sumatra als planter werkt is hij totaal grof geworden. Hij moest hier naar de rechtbank omdat hij enkele klappen aan koelies uitgedeeld zou hebben. We hebben met elkaar kennisgemaakt. Hij dronk enorme hoeveelheden whiskey en Kuntji bier. Kuntji betekent sleutel in het Maleis en dat is ook de merk van een soort exportbier dat erg verbreid is in de hele Oost. Zijn vader in Bremen is trouwens de fabrikant van dit bier.** Hij heeft aan László beloofd een baan voor hem te zoeken omdat László voor anderhalf jaar op Sumatra wil blijven. Misschien kan hij enkele honderden forint sparen. Ik moest aan Beck beloven dat ik een zekere Ernő Berkes zal opzoeken, die bij hen 3 jaar lang assistent was, maar nu is hij tabakhandelaar. Goed! We zullen weer eens flink gaan zuipen! De mensen zuipen hier in de tropen ontzettend veel. Aan den lijve moest ik ervaren hoe belangrijk het is dat je geestelijk en lichamelijk enigszins fit blijft. Binnen enkele jaren kun je het al merken wat voor gevolgen het heeft. Voor mijn vertrek kon ik nog een interessante man leren kennen. Kivits Cornelius is een Nederlander van 55 jaar. Hij heeft in de laatste 35 jaar Sumatra niet verlaten. Thuis was hij knecht, daarna nam hij dienst bij het koloniaal leger, waar hij in enkele bloedige oorlogen heeft gevochten, maar hij was nooit hogerop geklommen dan een gewone soldaat omdat hij lezen noch schrijven kon. Nu is hij assistent op een rubberplantage en hij is een grote jager. Hij heeft al 10 olifanten, 9 tijgers, 15 luipaarden en ontelbare everzwijnen geschoten. Hij was al sinds 4 jaar niet in de stad. Nu is hij naar Medan gekomen, heeft zich ladderzat gezopen en daarna is hij naar de kebon ['tuin', hier: 'plantage'] teruggekeerd. Voor hem is dat het leven, maar niet voor intelligente mensen.

Vandaag om 12 uur 's middags hebben László, Van Hengel en Steenweg, de zogenaamde tweede griffier, me naar het station begeleid. Daar nam ik de trein en reed naar Belawan. Daar stapte ik op deze smerige stoomboot.

** De genoemde heer Beck is waarschijnlijk de zoon van de eigenaar van de beroemde bierbrouwerij Beck's, die in 1826 in Bremen werd opgericht. De sleutel, die tot heden de etiket van de flessen van Beck's bier siert, is ontleend aan het stadswapen van Bremen. Beck's was zo bekend en graag gedronken in de kolonie, dat in 1931 de firma in Batavia en in Singapore een eigen brouwerij liet bouwen.

István Radnai • 13 juni 1914

István Radnai(1893-?) was een Hongaar die in 1914 in Deli terechtkwam. Hij hield toen een dagboek bij. Vertaald door Gábor Pusztai.

Medan 13 juni 1914
Ik had het eigenlijk niet gedacht, hoewel het te voorspellen was. Ik ga morgen terug naar Europa. Iedereen zegt dat het juist is. Waarom? Gedurende mijn verblijf van 6 weken heb ik 30-40 planters leren kennen. Sommige van hen zitten hier sinds 7 jaar, weer andere al sinds 18 jaar, maar geen van hun heeft hier een cent kunnen sparen. Het leven hier is erg duur en al ben je tegen alcohol, je raakt vroeg of laat toch aan de drank. En dat gaat duizenden kosten. De planters komen iedere avond bij de ene of de andere samen, bij de zogenaamde ‘makan besar’ [Maleis: 'groot eten'] en vreten en zuipen alles op wat honderden guldens kost. Het is nog goed als je geen schulden maakt. En wat wacht je als je na jaren naar huis gaat? In de tropenjaren bouw je een culturele achterstand op, je wordt steeds dommer omdat in de tropen iedereen zo wordt en je wordt ook een alcoholist. Wat baat het je als je in delirium tremens zonder een cent op zak terugkeert naar Europa? Je kan misschien nog straatveger worden of zo. Als je in een rijke havenstad als handelaar kan werken en na 2-3 jaar met rijke ervaringen naar huis gaat, dat is iets anders. Mijn plan om naar Singapore te gaan, heb ik moeten laten varen. Lövey heeft niet eens geantwoord. Nu ben ik ook nog ziek geworden. Ik heb koorts en hoofdpijn, 's nachts kan ik niet slapen. Ik kan het klimaat niet verdragen. Enkele honderd forint armer, maar rijk aan ervaringen keer ik terug naar Hongarije. Ik heb mijn les geleerd: als het niet hoeft, moet je je vaderland niet verlaten om geld te verdienen. Ik had eigenlijk geen reden om weg te gaan. Ik was eigenlijk door de nieuwsgierigheid gedreven. Wat ik nodig had, had ik tot nu toe altijd gehad en dat zal ik in de toekomst ook hebben. Ik verlangde immers nooit naar een groot vermogen.

Kuntji Beck was naar de rechtbank en daarna hebben we feest gevierd dat je je het moeilijk kan voorstellen. Zuipen, rondkijken (...)

Van de controleur heb ik 14 forint gekregen. Dat is voldoende tot Penang. Van daar zal ik waarschijnlijk met de hulp van de consul verder moeten. Ik ben benieuwd.

donderdag 11 juni 2026

Carla Boogaards • 12 juni 1997


Carla Boogaards (schrijfster, 1947): Onhollands dagboek.

12 juni
Een maand voor mijn verjaardag. Tip van Hans David om in het dagboek te zetten. Wel erg abrupt geëindigd eergisteren. stierf van de pijn in knie en arm. Gisteren weer eens het lievelingskostje van HD gekookt. Zelf mijn verslavende Thaise rijst. Ik kan zo'n gerecht niet eten of ik denk aan het Thaise restaurant van een paar jaar geleden in de Warmoesstraat. Daar at ik voor het eerst dat verrukkelijke exotische eten. Herinneringen, herinneringen. Toen was ik verliefd op X, ik schreef een gedicht over dat restaurant. Das war einmal. HD maakt op mijn dringende advies een boekverslag voor school over Die Verwandlung van Franz Kafka. Ik vond dat lievelingsboekje uit mijn schooltijd weer terug terwijl ik rücksichtlos mijn boekenkast leegmaakte, tien verhuisdozen boeken weggegooid. Het dierbaarste bewaard. Nieuwe boekenkast tegen muur kamer/gang. Subtiel vergeleken bij de kolossale hoeveelheid die een groot deel van de langste muur in de kamer bedekte. Die muur moet smetteloos wit gestuckt zijn, ruimte suggereren, want ons huis is wel het kleinste van alle huizen waar ik tot nu toe in gewoond heb. Trouwens, al die boeken wekten de 100%-intellectueel indruk, de tijd is voorbij dat ik me moest bewijzen. Ik bedoel dat het leuk is om niet mee te doen met wat de groep doet. Dat ik sowieso er behagen in schep semi-onnozel te zijn, dreamland, of mijn leven als Barby. Kafka is goed te duiden. Bijvoorbeeld Grete, zijn zusje wil tegen de zin van haar moeder Gregor's kamer herinrichten zodat hij, het insekt, gemakkelijk over de vloer kan kruipen, niet gehinderd door tafels en stoelen, kasten. Want, zegt de schrijver, ze zou nog het enige menselijke wezen zijn die zijn kamer betrad. Het is dus het verhaal over de verboden liefde van de zus voor haar broer. Gregor hoort zijn moeder tegenwerpingen maken en zeer timide bedenkt hij dat het niet goed voor hem is toe te geven aan zijn neiging rond te kruipen. Die moeder wil alles bij het oude houden, voor het geval haar zoon weer als normale jongen terugkeert. Gregor wil zijn moeder ten dienste zijn, hij wil haar liefde veroveren. Oedipus. Het slot is denk ik sterk anti-fascistisch, ik bedoel het ophemelen van het Germaanse ras. Wanneer na de dood van Gregor, vader, moeder en dochter eindelijk er weer op uit trekken - zeer vroeg in de morgen maken ze een ritje met de tram - bedenkt de moeder dat haar dochter ondanks alle spanningen tijdens Die Verwandlung een grote meid aan het worden is. Zeventien, met duidelijk al ontluikend vrouwenlichaam. Fris, vruchtbaar. Dit leest niet als Sweet Sixteen, dat vrolijke onbezonnen jongens- en meisjesgedoe, het is serieus de leer van Hitler wat Kafka schrijft. Als Jood zo scherp, zo cynisch, zo knap. Want het leest niet als cynisch. Het leest zoals het er staat; in die tijd kijkt een moeder naar haar dochters lichaam, ze moet een brave man voor haar zoeken besluit ze, de dochter draagt de belofte voor een vruchtbare toekomst met zich mee, in zich mee. Je ziet een mollige blonde deerne, en voordat haar seksualiteit ontwaakt, moet ze uitgehuwelijkt worden. Er mag niets verloren gaan, ze moet kinderen krijgen. Grete mag niet over haar eigen seksualiteit beslissen, ze moet zich schikken naar de regels van haar moeder, van de autoriteit. Goddank toont Grete dat ze een willetje heeft. Ik zit nu even ‘Sweet Sixteen’ te fluiten. Maar ik vraag me af wat er van Grete geworden is. Kan ze überhaupt wel een andere man beminnen dan haar broer? Kan ze met al die schuldgevoelens - tenslotte heeft ze met haar vader samengespannen op de dag dat ze uitriep dat Gregor weg moest - doorleven? Ze heeft haar broer verraden. Nota bene tegenover de vader, die zijn zoon oké vond zolang hij geld inbracht. Praktisch ingesteld, berekenend zou ik zeggen, maar geen hart in zijn slappe lijf. Offert Grete haar broer voor de liefde van haar vader? Omdat ze het lichaam van de broer is kwijtgeraakt? Maar ook zijn geest. Ze werd enorm op de proef gesteld, ze bleef zich inspannen voor Gregor, maar op een dag geeft ze het op. Goddank ging hij dood. De ouders slapen veel, dommelen, doezelen, raken verward en vallen weg. Als lezer heb je weinig respect voor ze. Ze weten niet wat er in de wereld gebeurt, ze slapen op belangrijke momenten. Ze leven dus niet. Kafka zoekt het leven, maar ook de manier om je van het leven af te wenden. Omdat het je lot is dat je uitgestoten zal worden. Predestinatie.

Gregor spuugt al zijn voedsel uit, het dier dat hij werd kotst uit wat het als mens verteerde. Als je niet meer eet ga je dood. Je zoekt niet meer het genot. Kafka kotste het leven uit. Als puber verslond ik dit boek, als volwassene opnieuw.

Het is leuk om met hd over al die thema's te praten. Opmerkelijk hoe slim hij is, hoe het hem boeit. Nee ik praat niet zo uitgebreid met hem over seksualiteit.

Gisteren naar het reuma-badje geweest. Vandaag rust, rust, rust. Ik kan nauwelijks typen, de pijn scheurt alweer door mijn arm. Vannacht twee keer opgestaan om een aspirine te nemen. Insmeren met zalf. Beter dan die medicijnen. Die laptop gaat gloeien op mijn benen. Gisteren lang met Elzeline van A. gebeld. Krachtige vrouw, goeie journaliste. Over hg gepraat, ze kent hem goed. Ik zei eerlijk dat ik kritiek had, maar hij heeft me ook een geschenk meegegeven met zijn tentoonstelling, de heerlijke drang om mijn toneelstuk te gaan schrijven. Blijkbaar heeft zijn werk zoveel kracht dat ik zelf iets wil maken.

woensdag 10 juni 2026

Frida Vogels • 11 juni 1965

Frida Vogels (1930) is een Nederlandse schrijfster. Haar door kritiek en publiek gewaardeerde dagboeken 1954-1971 zijn gepubliceerd in 8 delen.

11 juni — Gisteravond Die Kunst der Fuge gehoord, gespeeld door een dilettantenstrijkkwartet, bestaand uit een natuurkundige, een apotheker, een dokter en een rijke man, in het huis van de sterrenkundige (een vriend van Contarini). Aardige avond. Het was heel lang geleden dat ik me zo slecht op mijn gemak en zinloos glimlachend, het nemen van koekjes en slokken champagne timend, maar op mijn manier met alles wat ik om me heen zag ingenomen, in groot gezelschap (een vijftiental personen) bevond. Bij het binnenkomen moest ik een doos flikken overhandigen, terwijl E. (omdat de lift niet aan iedereen tegelijk plaats bood) nog beneden was. Het werd twee uur en er werd een glas gebroken.

Beschamende dag, die nog niet voorbij is.

12 juni
Elke dag
is de ochtend mild en vol beloften,
tot het meedogenloze licht
de dunne sluiers wegschroeit

die 's avonds zacht weer worden neergelegd.

13 juni — Op het plat vonden we een steen, die waarschijnlijk door iemand naar de poes is gegooid. E. bekeek hem aandachtig. Het leek steenkool, maar dat was het niet. We opperden veronderstellingen over wie die steen gegooid kon hebben. Hij legde hem weer neer. 'Je moet hem daar laten liggen,' zei hij, 'als ze dan weer een steen gooien, kunnen we zien of het er net zo een is.'

[...]