woensdag 8 juli 2026

Ernst Jünger • 9 juli 1942

Ernst Jünger (1895-1998) was een Duitse militair en schrijver (en bloemenliefhebber). Uit: Das erste Pariser Tagebuch.

Vertaling onderaan.

Paris, 9. Juli 1942
Wenn ich die Augen schlieβe, erblicke ich zuweilen eine dunkle Landschaft mit Steinen, Klippen und Bergen am Rande der Unendlichkeit. Im Hintergrund, am Ufer eines schwarzen Meeres, erkenne ich mich selbst, ein winziges Figürchen, das wie mit Kreide aufgezeichnet ist. Das ist mein Vorposten, ganz hart am Nichts — dort unten am Abgrund kämpfe ich für mich.
Die Lindenblüte in diesen Tagen — mir scheint, daβ ich sie niemals so stark und innig roch.

Ich las in der Baudelaire-Übersetzung von Carlo Schmid 'Die Katzen', von denen der zweite Vers besonders gelungen ist:
Nach Wissen gierig und nach tiefen Lüsten,
Sind ihnen lieb das Schweigen und die Nacht;
Zu Rennern hätte Hades sie gemacht,
Wenn sie der Knechtschaft sich zu beugen wüssten.
Die beiden letzten Strophen schildern schön nicht nur den Vorrang der Katzen vor den Hunden, sondern der Ruhe vor der Bewegung überhaupt.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

Parijs, 9 juli 1942
Wanneer ik mijn ogen sluit, zie ik soms een donker landschap voor me, met stenen, klippen en bergen aan de rand van de oneindigheid. Op de achtergrond, aan de oever van een zwarte zee, herken ik mijzelf: een piepklein figuurtje, dat eruit ziet alsof het met krijt is getekend. Dat is mijn voorpost, pal aan de grens van het niets — daar beneden, aan de afgrond, strijd ik voor mijzelf.
De lindebloesem van deze dagen — het lijkt mij alsof ik haar geur nooit eerder zo sterk en zo intens heb waargenomen.

Ik las in de Baudelaire-vertaling van Carlo Schmid het gedicht 'De katten', waarvan vooral het tweede couplet bijzonder geslaagd is:
Bezig met het vergaren van kennis en gedreven door diepe verlangens,
houden zij van de stilte en van de nacht.
Hades zou hen tot zijn renpaarden hebben gemaakt,
als zij zich maar aan knechtschap hadden weten te onderwerpen.
De laatste twee strofen schilderen op fraaie wijze niet alleen de superioriteit van de katten boven de honden, maar ook die van de rust boven de beweging in het algemeen.

Mart Smeets • 8 juli 2012

Mart Smeets (1947) is sportverslaggever en -commentator. In 2012 schreef hij Dagboek van een sportgek. Foto: Iris vetter.

Zondag 8 juli
's Avonds komt, via via, het bericht door dat Taeke Taekema voor de tweede maal de deur is gewezen is door de coach van de nationale mannenhockeyploeg, Paul van Ass. Ik schrik als ik het lees. Hoewel volger op afstand ben ik licht op de hand van Taekema, een kerel die ik zeer acht. Of hij nou een hockeyspeler of strafcorner-inrammer is, daar ben ik nooit uitgekomen. Ik vond zijn robuuste optreden vaak sympathiek overkomen.
Hoe was het ook alweer? Hij was buiten de deur gezet met die andere veteraan, Teun de Nooijer. Van Ass had ze vergeleken met hoge bomen die ervoor zorgen dat de 'lagere struikgewassen en plantjes' te weinig zon krijgen. Daar kon ik Van Ass nog wel in volgen, hoewel zijn woordkeus komisch was. Ik vroeg daarna aan twee bevriende kenners of Taekema in de Indian Summer van zijn loopbaan was of al in zijn late herfst. Beiden twijfelden. Eerder Indian Summer, meenden ze. Ik vroeg: meenemen naar de Spelen? Beiden zeiden: voor de strafcorner, ja. Maar over de verdediger Taekema hadden ze twijfels. Een moeilijke beslissing dus. Op zeker moment vroeg Van Ass Teuntje en Taeke weer terug. Beiden trainden weer mee. De rimpelingen leken uit de vijver, niemand gooide nog steentjes.
Maar nu, vier weken voor het begin van de Spelen in Londen, mietert Van Ass alsnog Taekema eruit en houdt hij vast aan Teuntje. Ik zit in de Tour en lees de tekst van Taeke. Hij heeft lang getwijfeld of hij zijn gevoel in een soort persbericht moest neerleggen. Hij is boos en zegt in best nette taal wat hij van dit alles vindt. Hij laat het belang van het team voorgaan.
Wie heeft hier gelijk, of bestaat er geen gelijk in zo'n situatie? Ik vind dat de coach soeverein moet kunnen beslissen over zijn selectie. Bij de eerste verwijdering uit de selectie vond ik Van Ass' redenering verkeerd geformuleerd. Ik was best blij toen de twee mastodonten terug konden komen in de trainingsgroep.
Dat Van Ass Taeke er nu weer uit gooit omdat hij 'toch niet in het speltype' past, is moeilijker te begrijpen. Deze selectie speelt al twee jaar op deze manier hockey. Was Taekema wellicht vervelend binnen de ploeg? Had hij sterallures? Zat hij in zijn eentje hamburgers te eten, terwijl de rest van de ploeg aan tafel zat? Was hij asociaal? Nee toch? Of was hij niet meer in staat gaten in de verdediging dicht te lopen of snel op te komen op de zwakke zijde van de tegenstander? Of wil Van Ass de selectie wakker schudden met deze actie? Ik noem maar wat.
Ik heb er ambivalente gevoelens over. Ik vind het niet chique gedaan. Zo ga je niet met mensen om en zeker niet met (voormalige) grote steunpilaren van de nationale ploeg. Maar de coach heeft gekozen en rightly so. Dat is namelijk zijn pakkie-an. Van Ass zal straks in Londen moeten bewijzen dat dit speltactisch de juiste beslissing is geweest.
Ik kijk op een betaalkanaal in mijn hotel naar Federer tegen Murray en zie de Zwitser soeverein winnen. Murray huilt zijn verlies weg. In de koers wint de jonge Fransman Thibaut Pinot. De Franse commentatoren schreeuwen zich een weg naar de finish. 's Avonds zitten Marianne Vos en Annemiek van Vleuten aan tafel. Van Vleuten heeft net haar sleutelbeen gebroken. Vos is als winnares van de Giro voor vrouwen op doorreis naar huis. Voor beiden lonkt Londen. Voor Murray en Federer ook, voor Van Ass evenzo. Voor Taekema dus niet. Dat idee knelt omdat ik niet weet waarom Van Ass zo heeft gehandeld.

maandag 6 juli 2026

Friedrich Nietzsche • 7 juli 1862

• Je staat er niet zo bij stil, maar ook Friedrich Nietszsche (1844-1900) was ooit jong. Deze brief schreef hij op 17-jarige leeftijd aan zijn zus Elisabeth. Uit: Afgemat als een eendagsvlieg bij avond. Een selectie uit de brieven 1858-1879 (vertaald door Hans Driessen).

Gorenzen, 7 juli 1862
Met mij gaat het trouwens, net als met jou mag ik hopen, buitengewoon goed. Ik heb de eerste drie dagen van mijn vakantie in Naumburg doorgebracht, ben in het circus Hinné geweest, ben dan vrijdag naar Gorenzen doorgereisd en heb daar heel prettige dagen gehad. Gisteren ben ik naar een feest op slot Rammelsburg geweest. In de slotzaal werd een concert gegeven; de freule zong heel aardig, een gouvernante piepte heel jammerlijk door de genade-aria heen; over het geheel genomen echt dilettantisch. Het werd half zeven; er stonden zwarte wolken aan de hemel. In een fabrieksgebouw waarin we toevlucht hadden gezocht, werden we verrast door een geweldig onweer, met bliksem, onweer en bakken regen; toen dit voorbij was gingen we (mama en ik) weer op weg en baggerden door een vreselijke modder en verveelden ons, totdat we plotseling door een nieuw onweer werden overvallen en arm in arm, door de felste bliksem belicht, door en door nat werden. We zagen er echt belachelijk uit; de hele geschiedenis was trouwens niet van alle levensgevaar gespeend, hetgeen me toch weer goede zin gaf. Mama zal je de rest wel vertellen. [...]

zondag 5 juli 2026

Gustave Flaubert • 6 juli 1852

• De Franse schrijver Gustave Flaubert (1821-1880) aan zijn minnares, de Franse dichteres Louise Colet (1810-1876). Hij spreekt zich uit over haar ontluikende affaire met de flamboyante dichter Alfred de Musset. Uit: De kluizenaar en zijn muze. Brieven aan Louise Colet [vertaald door Edu Borger].

Croisset, dinsdag 6 juli 1852 
Ik heb in mijn eentje en op mijn gemak je laatste lange brief met het verhaal van je uitstapje in de maneschijn herlezen. [...] Je zou me verkeerd begrijpen als je meende dat ik je iets verweet. – Je kunt je daden meester zijn, maar je gevoelens nooit. Ik vind alleen dat je er verkeerd aan gedaan hebt nog een keer met hem uit rijden te gaan. Je hebt dat in alle onschuld gedaan, dat wil ik best geloven. Maar als ik in zijn schoenen stond, zou ik het je niet vergeven. Hij zou je voor een flirt kunnen aanzien. – Het is nu eenmaal een conventie dat je niet met een man een ritje in een rijtuig maakt om de maan te bewonderen. En het heerschap Musset is allemachtig conventioneel. – Zijn ijdelheid is van burgerlijke komaf. Ik denk niet (wat jij denkt) dat hij vooral gevoel voor kunst had. – Hij had het meeste gevoel voor zijn eigen hartstochten. Musset is meer dichter dan kunstenaar, en op dit moment meer mens dan dichter – en een armzalig mens. Musset heeft de kunst nooit gescheiden van de sensaties waarvan zij het complement vormt. Muziek is naar zijn idee geschapen voor serenades, de schilderkunst voor het portret en de poëzie om de harten te vertroosten. Wanneer je zo de zon in je broek wilt stoppen, verbrand je je broek en pis je op de zon. En dat is hem overkomen. 

Vilgot Sjöman • 5 juli 1962

Vilgot Sjöman (1924-2006) was een Zweedse schrijver en regisseur. In 1963 was hij assistent van Ingmar Bergman bij de opnames van diens film De avondmaalsgasten. Van die periode hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als L136. Dagboek met Ingmar Bergman.

Donderdag 5 juli 1962
De voorbereidingen voor de mixage gaan voort. Rol na rol wordt nagekeken.
Het ene geluidseffect wordt dertig seconden naar achteren verschoven (beter zo). Een ander wordt eruit gelicht (mooi). Sommige rollen zijn merkwaardig gemakkelijk, die zijn vlug klaar. Andere zijn tegen de draad in en veroorzaken een klein soort hersenbloeding. Voor de geluidsafdeling een aanvaardbare klokslag van een plattelandskerk geleverd had, heeft IB [Ingmar Bergman] zijn geduld al vier maal verloren. De hond die blaft in de schemering op visser Perssons erf ('en dat moet niet het een of andere schoothondje zijn, maar een soort wolf') is al even moeilijk te vinden. Keer op keer wordt zijn stem dof van ongeduld:
- Dat is een echte archiefhond. Die kunnen we niet gebruiken! Evald zoekt in het geluidsarchief en vindt een andere hond die misschien wat beter is.
- Nog zo'n archiefhond... Nee, jongens, nu moeten jullie me godverdomme een echte hond verschaffen. Zo kunnen we toch niet door blijven gaan.
Olle Jacobsson draait elke rol samen met Evald en Stig tot hij elk effect dat daarin voorkomt beheerst.
Vandaag kunnen we Ingmar ophalen, dan kan hij rol 5 en 7 zien.
Ingmar komt. Rol 7 lijkt klaar: daar is niets op aan te merken. Goed bevonden. Maar rol 5 bevat nog een paar kleinigheden die mooier kunnen. Die wil hij nog eens zien.
De mixer oefent een artistiek handwerk uit en Olle Jacobsson is ook een artiest. Hij studeert elke rol in, zoals een pianist een stuk voor piano; dan voert hij het uit vanachter het klavier van zijn regelpaneel. Soms scheldt hij op zijn eigen slechte spel: het was bij de eerste inzet al mis. Soms voelt hij dat hij goed in vorm is: nergens iets dat hem tegen zat, alles liep vlot - 'nu had Ingmar hier moeten zijn.' Als Ingmar er eenmaal is gaat het spel hem misschien niet zo goed af.
Al dit werk is nog niet de mixage in de eigenlijke betekenis; het zijn enkel maar voorbereidingen. Het mixen begint als Ingmar Olle's hele vertolking van de geluidspartituur goedgekeurd leeft. Dan pas brengt Olle de geluidseffecten van de magnetische geluidsband over op een optische geluidsband (dat is de band die later langs de beeldstrook loopt op de filmrol wanneer deze gereed is.)


Klaartje de Zwarte-Walvisch • 4 juli 1943

Klaartje de Zwarte-Walvisch (1911-1943) werd begin 1943 gevangen gezet in kamp Vught. Later werd ze overgebracht naar Westerbork , en ten slotte omgebracht in Sobibor. Van de eerste maanden van haar gevangenschap hield ze een dagboek bij.

4 juli
Aankomst op Westerbork
Hoe een geheel andere aankomst ondervond ik hier in vergelijking met de aankomst destijds in Vught. Op het perron stonden mannen en vrouwen ons op te wachten en dag te zwaaien. Iets wat ons zeer vertrouwelijk aandeed. Mannen en vrouwen tezamen. Dit was iets waaraan wij Vughtenaren niet meer gewend waren. De eerste indruk die ik van Westerbork kreeg, was zeer zeker niet de slechtste. Ik had zelfs het gevoel weer in de bewoonde wereld teruggekeerd te zijn. In werkelijkheid was dat natuurlijk helemaal niet het geval, want ik kwam van het ene kamp in het andere. Maar nooit had ik sterker het gevoel gehad uit een concentratiekamp te zijn gekomen. Geen schreeuwers, geen NSB-sters die ons opjoegen en afsnauwden, maar behoorlijke mensen die heel vriendelijk voor ons waren en onmiddellijk bereid te helpen daar waar het nodig was. We werden nog eens netjes opgesteld in rijen van vijf en toen gingen we naar de registratie. Ik maakte de opmerking ik dat ik nog wel eens geregistreerd wilde worden, want dat zoiets in lange tijd niet gebeurd was. Ik had werkelijk nog succes ook, want de marechaussees die ons begeleid hadden, begonnen erom te lachen. Zij namen hartelijk afscheid van ons en terwijl hij me de hand drukte, wenste hij me een spoedig weerzien in Amsterdam: 'Wat naïef bent u nog,' antwoordde ik. Maar hij zei dat hij het werkelijk meende, 'Dan zal ik u maar geloven,' riep ik nog terug. Gelukkig, de reis was tenminste achter de rug. Einde van de eerste etappe.

donderdag 2 juli 2026

Tommy Wieringa • 3 juli 2017

• Tommy Wieringa is een Nederlandse schrijver. Uit: Schrijversdagboek.

Maandag 3 juli 2017
Op het aanrecht staan kaarten met vosjes en paarden, uitnodigingen voor verjaardagsfeestjes van de kinderen. Als ouder heb je maar één enkele, pathetische wens: dat je kind populair is. Dat het zich in de gunst van anderen mag verheugen. Je weet maar al te goed hoe het was om niet gevraagd te worden voor partijtjes. Hoe je bij gym als laatste overbleef als de groepjes moesten worden verdeeld. De grimassen van verveling of zelfs weerzin als je je bij het groepje voegde waarbij je door de grillige wil van het ostracisme was ingedeeld. De gedurige afwijzing als een wond waar de korst elke dag weer af getrokken werd.
Je zou een vinger geven om je kind daarvoor te behoeden.
H. wordt afgewezen door M., die plotseling niet meer met haar wil spelen.
H. lijdt, ze probeert op alle mogelijke manieren weer bij M. in de gunst te komen.
M. laat zich pas overhalen als H. haar een plaktatoeage belooft.
H. koopt vriendschap voor een middag en neemt genoegen met het bedrog.
M. schort haar weerzin voor een middag op voor een slangentattoo.
H. en M. lijken beiden tevreden met de transactie.
T. kijkt hoe zijn dochter zich in bochten wringt om geliefd te worden; hij probeert uit alle macht het vriendinnetje niet te haten.