• Ter gelegenheid van het Het nationale Canta-ballet hield schrijver Karin Spaink (1957-2026) voor NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.
• 10 mei
• 14, 15 mei
• 16 mei
Vrijdag 11 mei
Onderweg spot ik een rode Canta, ik kan hem nog net aanhouden. ‘Heeft u al gehoord van Het Nationale Canta Ballet?’ vraag ik de bestuurders. ‘We maken een voorstelling met een heleboel Cantaatjes en de dansers van Het Nationale Ballet. We zoeken nog deelnemers! Danst u mee?’ Verrast nemen ze de folders aan. Ze beloven erover na te denken.
Bij Waaijenberg in Zuidoost bekijk ik het pièce de résistance dat Marco, een van de Canta-monteurs, heeft gemaakt voor de etalage van Atheneum Nieuwscentrum: we zetten daar komende week een doormidden gesneden autootje neer. Een plakje Canta!
’s Avonds rijd ik naar de boekpresentatie van Monique Samuels. Ik geef haar De benenwagen en krijg in ruil haar Mozaïek van de revolutie. ‘Van Karin, die geen Arabisch spreekt; voor Monique, die niet kan autorijden,’ schrijf ik voorin.
Zondag 13 mei
Met de trein naar paps en mams. We gaan gezamenlijk op bezoek bij goede vrienden van mijn ouders: Hij is ernstig ziek, er wordt al over euthanasie gesproken. Die grote charmeur is veranderd in een stil en dun popje…
Onderweg merk ik hoe krampachtig mijn moeder rijdt. Ze was altijd een goede chauffeur, maar de ouderdom speelt haar parten. Ze houdt het stuur onhandig vast, ze remt te abrupt en stopt soms voor groen. ‘Lieverd,’ zeg ik, ‘eigenlijk denk ik dat je niet meer rijden moet.’ Ze zucht. Ze weet het zelf ook: ze voelt zich niet langer prettig op de grote weg. ‘Misschien moet jij ook aan de Canta?’ opper ik voorzichtig. We giechelen.
In Almelo kunnen we nog een uurtje in de tuin zitten. De kat nestelt zich naast ons en snuift vergenoegd de rook van mijn sigaret op, hij is dol op nicotine. Mooi moment: mijn vader die naast me gaat zitten en trots mijn nieuwe boek openslaat.
189-2017>725-2023>
zondag 10 mei 2026
Han de Wilde • 10 mei 1945
• Han de Wilde (1907-1974) was in zijn tijd een bekend Leidenaar. Hij was winkelier in de Breestraat, zijn Manufacturen- en Beddenhandel was gevestigd in het pand dat later Boekhandel Kooyker zou worden. In de oorlog hield hij een dagboek bij, dat vorig jaar is uitgegeven bij Ginkgo.
Donderdag 10 Mei 1945 - Hemelvaartsdag
Vandaag juist 5 jaar geleden viel de gehate mof ons land aan en begon een periode van bezetting, rechtsverkrachting, terreur, roof en ellende voor ons volk. Thans hangen overal in de stad de vlaggen, rijden de Canadeezen door de stad, arresteeren de Binnenlandsche Strijdkrachten, gekleed in grijze overalls, met blauw-wit-oranje armbanden en gewapend met geweer of tommygun, de zoo gehate NSBers, collaborateurs en profiteurs en zie je nog slechts uiterst sporadisch een mof.
Op Zondag 6 Mei is door generaal Blaskowitz de capitulatieacte onderteekend en hebben de moffen zich dus in Holland onvoorwaardelijk overgegeven.
Op Maandag 7 Mei 1945 onderteekende generaal Jodl, de nieuwe chef van de Duitsche weermacht, de onvoorwaardelijke overgave van Duitschland. Van de vroegeren chef, Keitel, geen spoor meer, evenmin van admiraal Dörütz, wiens oproep tot doorvechten geen succes meer kon hebben, nu allerwege de macht van Duitschland in elkaar zakte. Op dezelfden dag zagen we de eerste Canadeesche kwartiermakers binnentrekken, den volgenden dag gevolgd door een geweldige stoet vrachtauto's, gewone auto's en wagens op rupsbanden. Hierbij was ook de Prinses Irene-brigade (Nederlanders). Stormachtig werden de manschappen toegejuicht; op vele auto's zaten drommen kinderen - velen reeds afkomstig uit de Rijnstreek, ja, zelfs uit Utrecht - die in hun enthousiasme om met de bevrijders mee te rijden, tijd en plaats volkomen vergaten.
Het enthousiasme is onbeschrijfelijk. Van vroeg tot laat worden de straten bezet door feestelijk gestemde menschen, die elke Amerikaansche auto, elke Canadees toejuichen. Losloopende soldaten worden omringd - tot 't hinderlijke toe! - door om sigaretten of handteekeningen bedelende kinderen.
De gehate Landwacht is Maandagavond reeds gearresteerd; de bevolking was dol van vreugde. Verder zijn in den loop dezer dagen vrijwel alle bekende NSBers gepikt, tot groote voldoening van iedereen. Over 't algemeen is dit vrij rustig verloopen - al omzwermde een joelende menigte de arrestanten; alleen enkele bijzonder gehate NSBers, zoals Kareltje van Duuren enz. hebben 't zwaar te verduren gehad. Ook zijn er reeds enkele moffenmeiden gearresteerd en kaal geschoren.
De bevrijding is voor ons land op 't nippertje gekomen. Broodmeel was er niet meer, deze week is 't laatste regeeringsmeel als Roode Kruis brood verbakken. We hebben nu, deze week nog, de eerste gave van de op Valkenburg uitgeworpen rantsoenen ontvangen - een prachtige prestatie, 1 1/2 week na de eerste afworp van zoo'n verdeeld assortiment boter, gedroogd eieren-meel, reepen chocolade en een blikje bacon. Naar verluidt, is er gisteren reeds 45 ton vleesch aangekomen en krijgen we vanaf de volgende week 7 ons vleesch per week p.p. en andere rantsoenen eveneens belangrijk verhoogd, (vleesch tot dusver 100 gram vleesch, been inbegrepen!)
Mussert is in Utrecht gearresteerd; Seyss-Inquart, die per motortorpedoboot gevlucht was, in Denemarken door Engelsche troepen gegrepen.
Het lijk (??) van Hitler nog steeds niet gevonden, wel dat van Goebbels.268-2016>
Donderdag 10 Mei 1945 - Hemelvaartsdag
Vandaag juist 5 jaar geleden viel de gehate mof ons land aan en begon een periode van bezetting, rechtsverkrachting, terreur, roof en ellende voor ons volk. Thans hangen overal in de stad de vlaggen, rijden de Canadeezen door de stad, arresteeren de Binnenlandsche Strijdkrachten, gekleed in grijze overalls, met blauw-wit-oranje armbanden en gewapend met geweer of tommygun, de zoo gehate NSBers, collaborateurs en profiteurs en zie je nog slechts uiterst sporadisch een mof.
Op Zondag 6 Mei is door generaal Blaskowitz de capitulatieacte onderteekend en hebben de moffen zich dus in Holland onvoorwaardelijk overgegeven.
Op Maandag 7 Mei 1945 onderteekende generaal Jodl, de nieuwe chef van de Duitsche weermacht, de onvoorwaardelijke overgave van Duitschland. Van de vroegeren chef, Keitel, geen spoor meer, evenmin van admiraal Dörütz, wiens oproep tot doorvechten geen succes meer kon hebben, nu allerwege de macht van Duitschland in elkaar zakte. Op dezelfden dag zagen we de eerste Canadeesche kwartiermakers binnentrekken, den volgenden dag gevolgd door een geweldige stoet vrachtauto's, gewone auto's en wagens op rupsbanden. Hierbij was ook de Prinses Irene-brigade (Nederlanders). Stormachtig werden de manschappen toegejuicht; op vele auto's zaten drommen kinderen - velen reeds afkomstig uit de Rijnstreek, ja, zelfs uit Utrecht - die in hun enthousiasme om met de bevrijders mee te rijden, tijd en plaats volkomen vergaten.
Het enthousiasme is onbeschrijfelijk. Van vroeg tot laat worden de straten bezet door feestelijk gestemde menschen, die elke Amerikaansche auto, elke Canadees toejuichen. Losloopende soldaten worden omringd - tot 't hinderlijke toe! - door om sigaretten of handteekeningen bedelende kinderen.
De gehate Landwacht is Maandagavond reeds gearresteerd; de bevolking was dol van vreugde. Verder zijn in den loop dezer dagen vrijwel alle bekende NSBers gepikt, tot groote voldoening van iedereen. Over 't algemeen is dit vrij rustig verloopen - al omzwermde een joelende menigte de arrestanten; alleen enkele bijzonder gehate NSBers, zoals Kareltje van Duuren enz. hebben 't zwaar te verduren gehad. Ook zijn er reeds enkele moffenmeiden gearresteerd en kaal geschoren.
De bevrijding is voor ons land op 't nippertje gekomen. Broodmeel was er niet meer, deze week is 't laatste regeeringsmeel als Roode Kruis brood verbakken. We hebben nu, deze week nog, de eerste gave van de op Valkenburg uitgeworpen rantsoenen ontvangen - een prachtige prestatie, 1 1/2 week na de eerste afworp van zoo'n verdeeld assortiment boter, gedroogd eieren-meel, reepen chocolade en een blikje bacon. Naar verluidt, is er gisteren reeds 45 ton vleesch aangekomen en krijgen we vanaf de volgende week 7 ons vleesch per week p.p. en andere rantsoenen eveneens belangrijk verhoogd, (vleesch tot dusver 100 gram vleesch, been inbegrepen!)
Mussert is in Utrecht gearresteerd; Seyss-Inquart, die per motortorpedoboot gevlucht was, in Denemarken door Engelsche troepen gegrepen.
Het lijk (??) van Hitler nog steeds niet gevonden, wel dat van Goebbels.268-2016>
Valentin Boelgakov • 9 mei 1910
• Valentin Boelgakov (1886-1966) was Tolstojs secretaris in het laatste jaar van diens leven. Zijn dagboek over die periode is vertaald (door Charles B. Timmer) als Het laatste levensjaar van Tolstoj.
9 mei
Sofja Andrejevna [Tolstojs vrouw] en Tolstojs zoon Andrej zijn aangekomen. Het ging aan tafel levendig toe, bij het middageten zowel als 's avonds. Tolstoj stond tamelijk vroeg van tafel op.
'Wat nou, papa, zo vroeg naar bed?' vroeg Andrej.
'Ik moet nog heel wat afdoen, moet nog een patience leggen...'
En in de gang zei hij tegen Tsjertkov: 'Kom mee naar mijn kamer, Vladimir Grigorjevitsj!'
Ik kwam met de post bij hem. In een van de brieven had ik, in opdracht van Tolstoj, aan een jongeman die een hoogdravende en honingzoete brief had geschreven, de raad gegeven 'eenvoudiger en oprechter in zijn omgang met de mensen te zijn'.
'Maar misschien was zijn brief wel oprecht?' merkte Tsjertkov op.
'Nee,' antwoordde Tolstoj. 'Ik weet dat ik op dat punt niet gezondigd heb. Maar dat deed ik wel ten aanzien van Andrej.'
'Hoe zo? Alles was toch koek en ei, dacht ik?' vroeg Tsjertkov.
'Nee, tegenover hem heb ik gezondigd. Hij was gaan vertellen hoe iedereen in Petersburg beweert dat Molotsjnikov niet wegens mijn boeken zit, maar vanwege zekere propaganda. Waarop ik zei dat lui die dat beweren, geen greintje van de eerbied waard zijn die Molotsjnikov toekomt. Kortom, niet zo best... Aan de andere kant heb ik me tegen Sofja Andrejevna beter gedragen. Vandaag heb ik haar voor het eerst eens gezegd hoe zwaar mij deze manier van leven valt, hoe direct lichamelijk zwaar! Ik heb vol overtuigingskracht gesproken en tegelijk heel rustig. En ik geloof dat mijn woorden tot haar zijn doorgedrongen. Maar voor hoe lang, dat weet ik niet.'
Kort vóór dit gesprek had Tsjertkov Tolstoj uitgenodigd om na Kotsjety bij hem in Stolbovaja te komen logeren (dat lag dichter bij Toela en daarom was Tsjertkov er uit Krjoksjino heen verhuisd). Tolstoj nam die uitnodiging met beide handen aan. Tijdens het gesprek over die aanstaande reis had Tsjertkov opgemerkt: 'Als het u tenminste niet ongelegen komt zo lang uit Jasnaja Poljana weg te blijven,' waarop Tolstoj schamper had gelachen.
Ik heb hier in Kotsjety al voor de derde maal Tolstojs voorwoord bij zijn Gedachten over het leven overgeschreven in zijn laatste versie. Het is nu een beknopte samenvatting van zijn wereldbeschouwing geworden. Vandaar dat Tolstoj er zo veel aandacht aan besteedt en er zo hard aan werkt.153-2015>
9 mei
Sofja Andrejevna [Tolstojs vrouw] en Tolstojs zoon Andrej zijn aangekomen. Het ging aan tafel levendig toe, bij het middageten zowel als 's avonds. Tolstoj stond tamelijk vroeg van tafel op.
'Wat nou, papa, zo vroeg naar bed?' vroeg Andrej.
'Ik moet nog heel wat afdoen, moet nog een patience leggen...'
En in de gang zei hij tegen Tsjertkov: 'Kom mee naar mijn kamer, Vladimir Grigorjevitsj!'
Ik kwam met de post bij hem. In een van de brieven had ik, in opdracht van Tolstoj, aan een jongeman die een hoogdravende en honingzoete brief had geschreven, de raad gegeven 'eenvoudiger en oprechter in zijn omgang met de mensen te zijn'.
'Maar misschien was zijn brief wel oprecht?' merkte Tsjertkov op.
'Nee,' antwoordde Tolstoj. 'Ik weet dat ik op dat punt niet gezondigd heb. Maar dat deed ik wel ten aanzien van Andrej.'
'Hoe zo? Alles was toch koek en ei, dacht ik?' vroeg Tsjertkov.
'Nee, tegenover hem heb ik gezondigd. Hij was gaan vertellen hoe iedereen in Petersburg beweert dat Molotsjnikov niet wegens mijn boeken zit, maar vanwege zekere propaganda. Waarop ik zei dat lui die dat beweren, geen greintje van de eerbied waard zijn die Molotsjnikov toekomt. Kortom, niet zo best... Aan de andere kant heb ik me tegen Sofja Andrejevna beter gedragen. Vandaag heb ik haar voor het eerst eens gezegd hoe zwaar mij deze manier van leven valt, hoe direct lichamelijk zwaar! Ik heb vol overtuigingskracht gesproken en tegelijk heel rustig. En ik geloof dat mijn woorden tot haar zijn doorgedrongen. Maar voor hoe lang, dat weet ik niet.'
Kort vóór dit gesprek had Tsjertkov Tolstoj uitgenodigd om na Kotsjety bij hem in Stolbovaja te komen logeren (dat lag dichter bij Toela en daarom was Tsjertkov er uit Krjoksjino heen verhuisd). Tolstoj nam die uitnodiging met beide handen aan. Tijdens het gesprek over die aanstaande reis had Tsjertkov opgemerkt: 'Als het u tenminste niet ongelegen komt zo lang uit Jasnaja Poljana weg te blijven,' waarop Tolstoj schamper had gelachen.
Ik heb hier in Kotsjety al voor de derde maal Tolstojs voorwoord bij zijn Gedachten over het leven overgeschreven in zijn laatste versie. Het is nu een beknopte samenvatting van zijn wereldbeschouwing geworden. Vandaar dat Tolstoj er zo veel aandacht aan besteedt en er zo hard aan werkt.153-2015>
donderdag 7 mei 2026
Marga Minco • 8 mei 1983
• Marga Minco (1920-2023) was een Nederlandse schrijfster. In 1983 hield ze voor NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.
Zondag [8 mei]
Droomde vannacht dat ik terug was in mijn ouderlijk huis in Breda. Ik keek naar buiten en zag dat de voortuin geheel bedekt was met donkergrijze tegels. Alleen in de hoek bij het raam stond een kale struik waarin een vogel rondhipte. De volgende dag ontdekte ik in de tuin een laag okerkleurig zand. In het midden waren van hetzelfde zand en ongeveer 20 cm hoog, vier hakenkruisen geboetseerd. De dag daarop bleek de voortuin opnieuw veranderd; er lag zwarte aarde in, keurig bijgeharkt. Tussen de sporen van de hark kwamen (weer), heel duidelijk, vier hakenkruisen op. B. vraagt welk foefje ik gebruik om mijn dromen te onthouden. 'Geen foefjes,' zeg ik, 'je moet ze 's morgens meteen noteren.' 'Tegen dat ik daar aan toe ben, zijn ze bij mij al onder de bordewisser verdwenen,' zegt hij.
Maandag [9 mei]
Ronald Sweering, die een foto van me komt maken, in dezelfde serrestoel waarin hij me tien jaar geleden fotografeerde, roept bij het weggaan: 'Nou, tot over tien jaar dan maar weer, hè?' Wat heb ik al die jaren gedaan, behalve veel schrijven en weinig publiceren? Ver over de honderd lezingen gegeven. Door het land getrokken met mijn mapje, als een vertegenwoordiger met zijn aanbieding. Vragen beantwoord, zoals: 'Had u voor de oorlog ook Nederlandse vriendjes en vriendinnen?' 'Wanneer gaat u weer terug naar Israël?' 'Kunt u mij ook zeggen hoe het komt dat joden zo anders zijn en anders doen?' Dan dacht ik: het kan geen kwaad om er nog even mee door te gaan. Ik zoek de foto uit '73 op. Wat mij betreft hadden ze die weer mogen gebruiken, want wanneer ben je het echt? Bert B. zei me eens: 'Ze zouden alleen foto's van schrijvers moeten afdrukken die gemaakt zijn in de periode van hun debuut.' Daar zal ik het zeker mee eens zijn tegen de tijd dat Ronald zich voor de derde keer met zijn camera in de serre komt vervoegen.201-2014>
Zondag [8 mei]
Droomde vannacht dat ik terug was in mijn ouderlijk huis in Breda. Ik keek naar buiten en zag dat de voortuin geheel bedekt was met donkergrijze tegels. Alleen in de hoek bij het raam stond een kale struik waarin een vogel rondhipte. De volgende dag ontdekte ik in de tuin een laag okerkleurig zand. In het midden waren van hetzelfde zand en ongeveer 20 cm hoog, vier hakenkruisen geboetseerd. De dag daarop bleek de voortuin opnieuw veranderd; er lag zwarte aarde in, keurig bijgeharkt. Tussen de sporen van de hark kwamen (weer), heel duidelijk, vier hakenkruisen op. B. vraagt welk foefje ik gebruik om mijn dromen te onthouden. 'Geen foefjes,' zeg ik, 'je moet ze 's morgens meteen noteren.' 'Tegen dat ik daar aan toe ben, zijn ze bij mij al onder de bordewisser verdwenen,' zegt hij.
Maandag [9 mei]
Ronald Sweering, die een foto van me komt maken, in dezelfde serrestoel waarin hij me tien jaar geleden fotografeerde, roept bij het weggaan: 'Nou, tot over tien jaar dan maar weer, hè?' Wat heb ik al die jaren gedaan, behalve veel schrijven en weinig publiceren? Ver over de honderd lezingen gegeven. Door het land getrokken met mijn mapje, als een vertegenwoordiger met zijn aanbieding. Vragen beantwoord, zoals: 'Had u voor de oorlog ook Nederlandse vriendjes en vriendinnen?' 'Wanneer gaat u weer terug naar Israël?' 'Kunt u mij ook zeggen hoe het komt dat joden zo anders zijn en anders doen?' Dan dacht ik: het kan geen kwaad om er nog even mee door te gaan. Ik zoek de foto uit '73 op. Wat mij betreft hadden ze die weer mogen gebruiken, want wanneer ben je het echt? Bert B. zei me eens: 'Ze zouden alleen foto's van schrijvers moeten afdrukken die gemaakt zijn in de periode van hun debuut.' Daar zal ik het zeker mee eens zijn tegen de tijd dat Ronald zich voor de derde keer met zijn camera in de serre komt vervoegen.201-2014>
woensdag 6 mei 2026
Mensje van Keulen • 7 mei 1976
• Mensje van Keulen (1946) is schrijver. In 1976 hield ze een dagboek bij dat is gepubliceerd als Alle dagen laat (2006).
7 mei
Hoeveel tijd verstreek? Ik schrijf aan de opnieuw gelakte, ronde, ijzeren tafel bij het licht van een nieuwe buitenlamp. Het moet een uur of twee zijn en het is nog steeds warm. Ik dronk mijn glas pils leeg, rookte. Ik weet niet hoe ik het op moet schrijven. Al 4 dagen niet.
Een nieuwe fles bier halen. Dat eerst.
4 mei, omstreeks 1 uur: Loesberg belde en vroeg of hij me die dag af en toe mocht bellen.
Natuurlijk Loes, waarom?
Er was een treinongeluk gebeurd, bij Schiedam, en Carry was niet op haar werk en hij had nog niets van haar gehoord. Haar vader had dit om 11 uur aan de telefoon verteld.
Hij zei: ‘Ik heb hetzelfde gevoel als de keer dat ik écht zelfmoord wilde plegen.’
‘Ach Loes, de treinen erna zullen ook vertraagd zijn, misschien zat ze daarin, misschien kan ze je niet bellen, is het een chaos.’
Misschien. Paniek om het hart.
‘Twintig doden. Tot nu toe.’
Ik smeekte hem zich te concentreren op het verkrijgen van een kalmeringsmiddel en beloofde niet te bellen. (De telefoon als moordenaar. Neem niet op en er gebeurt je niks.)
In een roes, misselijk, reed ik naar de Hobbemakade waar ik een afspraak met Dory had om een huis te zien. Te klein. Driehoog. We dronken thee. Dory belde de heer M., schakel in de woningbouwvereniging. We gingen langs. Dezelfde praatjes van M. over mooie meiden, de maat van borsten, hoeren op zolders, etc. Hij streek met zijn vingertop over die andere top onder de rand van zijn broek, zei dat hij me misschien een 8-kamerwoning met tuin kon aanbieden.
Loesberg, god jezus Loesberg. Voortdurend ging het door me heen.
Ik bracht een defecte cassetterecorder naar Duivendrecht, reed met het gevoel van honderd ongelukken.
L. belde niet.
Ik belde weer het ANP. Het nieuws over de ramp was nauwelijks gewijzigd. De telefoonnummers voor mensen die de namen van de slachtoffers wilden horen, werden niet meer genoemd.
Hij belde kwart voor 6. Een huilend wrak.
‘Ze is dood! Ze is dood!’
Alles wat ik zou zeggen, zou fout zijn. Alles wat ik niet zou zeggen, zou fout zijn. Hij liet de hoorn los, onder geschreeuw: ‘Ik snijd m'n polsen door! Ik verbrand alles! Het moet er nu dan maar eens van komen!’
Loes! Loes! Loes! schreeuwde ik aan één stuk.
Hij kwam terug. Wanhoop, kalmer, wanhoop, kalm, kil.
‘Ik ben nog nooit gelukkig geweest, idioot. Het is zo banaal, zo... o god, was het dan maar een dronken automobilist geweest.’
Banaal. Wat overkomt een schrijver die de banaalste rottigheid zo sec en weergaloos beschrijft en ridiculiseert?
Een briefje op de keukentafel waarin zijn vriendin schrijft dat ze later thuis komt omdat ze niet, zoals anders, van en naar Rotterdam meerijdt in de auto van een collega. Liefs, Carry. Twee kaartjes voor Parijs, de avond ervoor gekocht. Ze gingen nooit met vakantie, waren in een juichende stemming, hij zou een verhaal verifiëren (een van de verhalen die hij me zojuist had toegestuurd). En 4 mei. Dodenherdenking. Wanneer houdt dat eens op? Gedenk dan alle oorlogen, iedere dag, en er is nooit meer een normale dag.
‘Haal niet dat toppunt van banaliteit in je hoofd, Loes. Nog niet, asjeblieft.’
‘Ja ja, tijd heelt.’
‘Hebben de poezen eten gehad?’
‘Houden jij en Lon van me?’
‘Natuurlijk Loes, ja.’
‘Ik moet een spuit om te slapen.’
‘Ik stuur iemand. Beloof dat je opendoet.’
Hij beloofde het. Ik belde R. in Den Haag en kreeg een antwoordapparaat: ‘Dokter Blom is tot tien mei afwezig, voor dringende... etc.’
De bank trilde, alles trilde. Ik belde H. Die ging en gaf hem een spuit. Hij werd agressief benaderd, maar kreeg L. uiteindelijk in bed. Gewend als hij is met labiele patiënten om te gaan, zag hij weinig reden tot ongerustheid: ‘Geen suïcidaal type.’
O, psychiater! Direct nadat je de hoorn had neergelegd, belde L's buurman om te zeggen dat L. almaar aan het rondstommelen was. 435-2018>
7 mei
Hoeveel tijd verstreek? Ik schrijf aan de opnieuw gelakte, ronde, ijzeren tafel bij het licht van een nieuwe buitenlamp. Het moet een uur of twee zijn en het is nog steeds warm. Ik dronk mijn glas pils leeg, rookte. Ik weet niet hoe ik het op moet schrijven. Al 4 dagen niet.
Een nieuwe fles bier halen. Dat eerst.
4 mei, omstreeks 1 uur: Loesberg belde en vroeg of hij me die dag af en toe mocht bellen.
Natuurlijk Loes, waarom?
Er was een treinongeluk gebeurd, bij Schiedam, en Carry was niet op haar werk en hij had nog niets van haar gehoord. Haar vader had dit om 11 uur aan de telefoon verteld.
Hij zei: ‘Ik heb hetzelfde gevoel als de keer dat ik écht zelfmoord wilde plegen.’
‘Ach Loes, de treinen erna zullen ook vertraagd zijn, misschien zat ze daarin, misschien kan ze je niet bellen, is het een chaos.’
Misschien. Paniek om het hart.
‘Twintig doden. Tot nu toe.’
Ik smeekte hem zich te concentreren op het verkrijgen van een kalmeringsmiddel en beloofde niet te bellen. (De telefoon als moordenaar. Neem niet op en er gebeurt je niks.)
In een roes, misselijk, reed ik naar de Hobbemakade waar ik een afspraak met Dory had om een huis te zien. Te klein. Driehoog. We dronken thee. Dory belde de heer M., schakel in de woningbouwvereniging. We gingen langs. Dezelfde praatjes van M. over mooie meiden, de maat van borsten, hoeren op zolders, etc. Hij streek met zijn vingertop over die andere top onder de rand van zijn broek, zei dat hij me misschien een 8-kamerwoning met tuin kon aanbieden.
Loesberg, god jezus Loesberg. Voortdurend ging het door me heen.
Ik bracht een defecte cassetterecorder naar Duivendrecht, reed met het gevoel van honderd ongelukken.
L. belde niet.
Ik belde weer het ANP. Het nieuws over de ramp was nauwelijks gewijzigd. De telefoonnummers voor mensen die de namen van de slachtoffers wilden horen, werden niet meer genoemd.
Hij belde kwart voor 6. Een huilend wrak.
‘Ze is dood! Ze is dood!’
Alles wat ik zou zeggen, zou fout zijn. Alles wat ik niet zou zeggen, zou fout zijn. Hij liet de hoorn los, onder geschreeuw: ‘Ik snijd m'n polsen door! Ik verbrand alles! Het moet er nu dan maar eens van komen!’
Loes! Loes! Loes! schreeuwde ik aan één stuk.
Hij kwam terug. Wanhoop, kalmer, wanhoop, kalm, kil.
‘Ik ben nog nooit gelukkig geweest, idioot. Het is zo banaal, zo... o god, was het dan maar een dronken automobilist geweest.’
Banaal. Wat overkomt een schrijver die de banaalste rottigheid zo sec en weergaloos beschrijft en ridiculiseert?
Een briefje op de keukentafel waarin zijn vriendin schrijft dat ze later thuis komt omdat ze niet, zoals anders, van en naar Rotterdam meerijdt in de auto van een collega. Liefs, Carry. Twee kaartjes voor Parijs, de avond ervoor gekocht. Ze gingen nooit met vakantie, waren in een juichende stemming, hij zou een verhaal verifiëren (een van de verhalen die hij me zojuist had toegestuurd). En 4 mei. Dodenherdenking. Wanneer houdt dat eens op? Gedenk dan alle oorlogen, iedere dag, en er is nooit meer een normale dag.
‘Haal niet dat toppunt van banaliteit in je hoofd, Loes. Nog niet, asjeblieft.’
‘Ja ja, tijd heelt.’
‘Hebben de poezen eten gehad?’
‘Houden jij en Lon van me?’
‘Natuurlijk Loes, ja.’
‘Ik moet een spuit om te slapen.’
‘Ik stuur iemand. Beloof dat je opendoet.’
Hij beloofde het. Ik belde R. in Den Haag en kreeg een antwoordapparaat: ‘Dokter Blom is tot tien mei afwezig, voor dringende... etc.’
De bank trilde, alles trilde. Ik belde H. Die ging en gaf hem een spuit. Hij werd agressief benaderd, maar kreeg L. uiteindelijk in bed. Gewend als hij is met labiele patiënten om te gaan, zag hij weinig reden tot ongerustheid: ‘Geen suïcidaal type.’
O, psychiater! Direct nadat je de hoorn had neergelegd, belde L's buurman om te zeggen dat L. almaar aan het rondstommelen was. 435-2018>
dinsdag 5 mei 2026
Fernando Pessoa • 6 mei 1920
• De enige liefde van de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935) was de twaalf jaar jongere Ophélia Queiroz, die bij hem op kantoor werkte. Hij schreef haar een groot aantal liefdesbrieven. Uit: Mijn droom is van mij. Brieven, dagboeken, beschouwingen (vertaald door Harrie Lemmens).
6 mei 1920
Lief klein baby’tje,
Dus mijn baby’tje trok bekken naar me toen ik langskwam? Dus mijn kleintje, die zei dat ze me gisteren zou schrijven, heeft mij niet geschreven? Dus baby’tje houdt niet van Nininho? (Niet vanwege de grimassen, maar vanwege het niet-schrijven.) Kijk, Nininha, en serieus nu: ik vond dat je er vrolijk uitzag vandaag, dat je goedgehumeurd leek. Ook lijkt het of je het leuk vond Ibis [= Pessoa] te zien, maar dat durf ik niet te zweren, uit angst me te vergissen. Drijf je nog veel de spot met Nininho? (A. de C.). Ik weet niet of ik morgen naar Belém ga; hoogst waarschijnlijk wel, zoals ik je al heb gezegd. In ieder geval weet je dat ik na half zeven niet meer kom, zodat je na die tijd niet meer op je Ibis hoeft te wachten. Heb je dat gehoort? [sic] Veel kussen en een arm om het middel van mijn baby.
Altijd en eeuwig jouw Fernando
473-2019>
6 mei 1920
Lief klein baby’tje,
Dus mijn baby’tje trok bekken naar me toen ik langskwam? Dus mijn kleintje, die zei dat ze me gisteren zou schrijven, heeft mij niet geschreven? Dus baby’tje houdt niet van Nininho? (Niet vanwege de grimassen, maar vanwege het niet-schrijven.) Kijk, Nininha, en serieus nu: ik vond dat je er vrolijk uitzag vandaag, dat je goedgehumeurd leek. Ook lijkt het of je het leuk vond Ibis [= Pessoa] te zien, maar dat durf ik niet te zweren, uit angst me te vergissen. Drijf je nog veel de spot met Nininho? (A. de C.). Ik weet niet of ik morgen naar Belém ga; hoogst waarschijnlijk wel, zoals ik je al heb gezegd. In ieder geval weet je dat ik na half zeven niet meer kom, zodat je na die tijd niet meer op je Ibis hoeft te wachten. Heb je dat gehoort? [sic] Veel kussen en een arm om het middel van mijn baby.
Altijd en eeuwig jouw Fernando
473-2019>
maandag 4 mei 2026
Edmond de Goncourt • 5 mei 1877
• Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, criticus en uitgever, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) (en na diens dood alleen) een beroemd geworden dagboek bij.Zaterdag 5 mei
Gisteren, tijdens het diner ter gelegenheid van het vertrek van Toergenjev naar Rusland, hebben we over de liefde gesproken, over de liefde zoals er in boeken over geschreven wordt.
Ik zei dat tot nu toe de liefde niet wetenschappelijk in een roman was behandeld en dat wij er alleen maar de poëtische kanten van hadden laten zien. Zola, die het gesprek op dit onderwerp had gebracht om ons uit te horen met het oog op zijn nieuwe boek, beweerde dat liefde niet iets bijzonders was, dat de mensen er niet zo totaal door gegrepen werden als men het wel wil doen voorkomen, dat de symptomen die men erin aantreft, ook gevonden worden in vriendschap, in vaderlandsliefde enzovoorts, en dat de grotere intensiteit van het gevoel alleen maar wordt veroorzaakt door het vooruitzicht op de coïtus.
Toergenjev zei dat dat niet waar was, dat liefde een gevoel was met een heel bijzondere kleur en dat Zola zich ernstig vergiste, als hij die kleur, dat kwalitatieve verschil, niet wilde erkennen. Hij zei dat liefde een effect op de mens heeft dat door geen enkel ander gevoel wordt veroorzaakt en dat iemand die echt verliefd is, als het ware van zijn persoonlijkheid wordt beroofd. Hij sprak over een zwaarte in je hart die niets menselijks meer heeft. Hij sprak over de ogen van de eerste vrouw van wie hij gehouden had als over iets volstrekt onstoffelijks, iets wat in het geheel niets meer met de materie te maken had...
Een ongelukkige omstandigheid bij dit alles was dat noch Flaubert, ondanks al zijn opschepperij op dit gebied, noch Zola, noch ikzelf ooit heel zwaar verliefd zijn geweest en dat wij niet in staat zijn de liefde te beschrijven. Alleen Toergenjev zou het kunnen; maar hem ontbreekt nu juist weer de kritische zin die wij zouden kunnen aanwenden, als wij verliefd waren geweest zoals hij het is geweest.
133-2012>
Abonneren op:
Posts (Atom)






