donderdag 26 maart 2026

Frederik van Eeden • 27 maart 1917

Frederik van Eeden (1860-1932) publiceerde in 1920 een soort aforismedagboek, Gedachten geheten.

dinsdag 27 maart
N.O. wind - maar wat zon. ▫ Gister het ouderwetsche ganzebord gespeeld met de kinderen.
De papoea's interesseeren mij zeer, zooals ook de menschapen mij interesseeren. Hun leeven dat al eeuwen en eeuwen zoo voortgezet is - hun kinderlijkheid, vroolijkheid en blijmoedigheid, hun kracht en handigheid - en dan hun ongevoeligheid, - wat is dat alles leerrijk en merkwaardig. Het zijn eigenlijk weezens van vóór het paradijs, of liever vóór den zondenval, want ook de schaamte kennen ze niet of nauwelijks. ▫ Daarom is ook de weetenschappelijke belangstelling in hen zoo groot.

vrijdag 30 maart
Buyig en koud. ▫ Het ging mij weer bitter slecht. Ik sprak in Rotterdam voor een groote zaal vol menschen. Maar ik had met van Vrieslant gegeeten in een duur restaurant en onder mijn reede voelde ik mij verlaten en verward. Met moeite kwam ik weer op dreef. Ik was zeer ontevreeden op mezelf. En gisteren kwam bericht dat Bertha zich niet meer beschikbaar stelt. Dus zijn we van onze vrienden afgesneeden, nog eer de twijfel geheel is vernietigd. Het is een droeve tijd. Mijn arme lieve vrouw is er zoo bedroefd onder. Ze schreide in den nacht. Het was voor haar zulk een steun. En wij weeten niet hoe we op nieuw contact zullen krijgen. ▫ Van de ‘helpers’ bemerken wij nog niets. Wat is het alles vreemd en raadselig.

woensdag 25 maart 2026

Sir Walter Scott • 26 maart 1826

• Sir Walter Scott (1771-1832) was een Schots dichter en schrijver, vooral bekend door zijn historische romans, zoals Ivanhoe. Van 1825 tot 1832 hield hij een dagboek bij.

Vertaling onderaan.

March 26.— Here is a disagreeable morning, snowing and hailing, with gleams of bright sunshine between, and all the ground white, and all the air frozen. I don't like this jumbling of weather. It is ungenial, and gives chilblains. Besides, with its whiteness, and its coldness, and its glister, and its discomfort, it resembles that most disagreeable of all things, a vain, cold, empty, beautiful woman, who has neither mind nor heart, but only features like a doll. I do not know what is so like this disagreeable day, when the sun is so bright, and yet so uninfluential, that

"One may gaze upon its beams
Till he is starved with cold."

No matter, it will serve as well as another day to finish Woodstock. Walked out to the lake, and coquetted with this disagreeable weather, whereby I catch chilblains in my fingers and cold in my head. Fed the swans.

Finished Woodstock, however, cum tota sequela of title-page, introduction, etc., and so, as Dame Fortune says in Quevedo,

"Go wheel, and may the devil drive thee."




Ongecorrigeerde vertaling doorChatGPT:
26 maart.— Hier is een onaangename ochtend, met sneeuw en hagel, afgewisseld door flitsen van felle zonneschijn, terwijl de hele grond wit is en de lucht ijzig koud. Ik houd niet van deze warboel van weer. Het is onvriendelijk en bezorgt je wintertenen. Bovendien lijkt het, met zijn witheid, zijn kilte, zijn glinstering en zijn ongemak, op het meest onaangename van alles: een ijdele, kille, lege, mooie vrouw, die noch verstand noch hart heeft, maar alleen gelaatstrekken als een pop. Ik weet niet wat zo lijkt op deze onaangename dag, waarop de zon zo fel schijnt en toch zo weinig invloed heeft, dat

"Men kan naar haar stralen staren
Tot men van de kou verhongert."

Maar goed, deze dag zal net zo geschikt zijn als elke andere om Woodstock af te maken. Ik heb een wandeling naar het meer gemaakt en geflirt met dit onaangename weer, waardoor ik wintertenen aan mijn vingers en verkoudheid in mijn hoofd heb opgelopen. De zwanen gevoerd.
Toch Woodstock voltooid, inclusief alles wat erbij hoort — titelpagina, inleiding, enzovoort — en dus, zoals Vrouwe Fortuna zegt bij Quevedo:

"Draai maar rond, en moge de duivel je voortdrijven."

dinsdag 24 maart 2026

Stijn Streuvels • 25 maart 1917

Stijn Streuvels (1871–1969) was een Vlaamse schrijver. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.

25 maart 1917
Nu is 't de prikdraad die aangeslegen wordt - met 't gebod erbij dat al wie er in eigendom heeft, moet inleveren - d.w.z. dat de boeren hun werk mogen laten staan - de draad waarmede hun weiden afgesloten zijn - losmaken, in rollen van 25 kilo opwinden en op gestelde datum naar 't gemeentehuis brengen. Ik ben nieuwsgierig of ze 't doen zullen.
De kolennood stijgt en het vriest altijd maar voort al is het al lente op de almanak. En nu worden al de bomen ook al aangeslagen door 't Duits bestuur. Geen kolen dus en geen hout.

30 maart 1917
In de uchtend komen een bende soldaten op de gemeente - verdelen zich in groepjes en beginnen een stelselmatige huiszoeking in al de boerenhoven. Ik krijg er hier twee die de zolders doorsnuffelen zonder iets te vinden en in de kelder de wijn in beslag nemen. Tegen de avond is 't dorp vol van de gevaarten [gebeurtenissen] en elk is aan 't vertellen hoe 't bij hen of bij de gebuurs afgelopen is. Er zijn jammerlijke gebeurtenissen - o.a. bij geringe lieden waar men 't laatste stukje vlees en de enige voorraad tarwe gevonden heeft - en die arme lieden zijn verplicht het aangeslagen goed zelf naar 't gemeentehuis te brengen. Tegen de avond is de plaats [dorpsplein] vol - boeren en kortwoners [kleine pachters] die met hun gespan of handwagens hun vrachtje brengen en de koer van 't gemeentehuis is opgestapeld [vol gestapeld}.

maandag 23 maart 2026

C. Buddingh' • 24 maart 1968

C. Buddingh' (1918-1985) was schrijver en dichter. Hij publiceerde vijf boeken met dagboeknotities.

24-3
De eerste lentedag van het jaar. Eindelijk eens zon en een blauwe hemel. En een acceptabele temperatuur. De bomen zijn nog wel bijna volkomen grauw, op een enkele treurwilg na waar een groen waas over ligt, maar de struiken staan volop in knop en overal in de tuinen zie je bossen crocussen en sneeuwklokjes (die overigens al weer op hun eind lopen). Plus het eerste geel van de forsythia's. Mijn winterjas zelfs voor m'n regenjas verwisseld; hoed en wollen sjaal nog wel op en om gehouden: men moet ook weer niet gaan overdrijven! Stientje en de jongens zijn in de eend (waar we allemaal nog zeer trots op zijn) naar de midget-golfbaan in Heerjansdam; ik was graag meegegaan maar ik heb het zo waanzinnig druk deze weken dat ik ook deze zondagmiddag naar Pictura ben gefietst. Het is er nog rustiger dan door de week: de enige geluiden die ik hoor zijn het pruttelen van de kachelvlam en af en toe het geronk van een brommer op de Voorstraat. En het kraken van mijn stoel (eigenlijk: een stoel van Otto), die ik nodig moet laten repareren of door een andere vervangen, wil ik er vandaag of morgen niet plotseling doorzakken. Aan één kant zijn beide dwarslatjes tussen de poten eruit en de rieten zitting is zó ingezakt, dat ik de ontstane kuil met een stapel kranten heb moeten opvullen. Ik zit nu op: ‘Nederlands gunstige schaatspositie. Sterke top boven een brede basis van jong talent.’ Dat moet een krant van vorig jaar zijn. Inderdaad: de Sport en Sportwereld van 22 februari 1966.

Nadat ik er, eergisteren, het ‘onbewoonde eiland’ bijgehaald had, lopen nadenken over de negen andere boeken die ik meenemen zou. Na veel gepeins en gewik en geweeg tot de volgende gekomen (waarbij ik me de vrijheid heb gegund bij elkaar horende delen voor één boek te rekenen): Shakespeare (natuurlijk), Auden en Norman Holmes Pearson: Poets of the English Language (5 dln; dit is geloof ik het boek dat ik meenemen zou als ik mijn keuze tot één enkel boek moest beperken), Hazlitt: Selected Essays (The Nonesuch Hazlitt), Tsjechow: Verhalen (dat houdt dus in de eerste vijf delen van de Van Oorschoteditie), Apollinaire: Oeuvres Complètes (de Pléiade-uitgave, ook al vind ik de posthuum gepubliceerde verzen bepaald minder dan Alcools en Calligrammes), Lucebert: Gedichten 1948-1963, Tartakower en Du Mont: 500 Master Games of Chess (+ een schaakbord en stukken), Boswell's Life of Samuel Johnson en tenslotte Kafka's Tagebücher. Het zal aardig zijn om over een jaar, of twee jaar, nog eens zo'n keuze te maken en te kijken of die dan verschilt van deze en waar.

Vorige week hoorde ik van Fluks (van Nilsson en Lamm), dat ze, sinds ze in Engeland met een computer werken voor de facturering, alle Penguins zes weken later in huis krijgen dan voor die tijd. Ach ja: de techniek is ongetwijfeld iets moois. Maar men moet er zich ook weer niet op verkijken.

Even een glas sinaasappelsap ingeschonken, wat ik overdag graag drink, maar 's avonds niet of nauwelijks door mijn keel kan krijgen. Ik vraag me af welke processen in ons lichaam voor dergelijke sterke schommelingen in onze smaak verantwoordelijk zijn. En of er wel eens een onderzoek naar is ingesteld.

Gisterochtend lag er in mijn bus een catalogus van een Amsterdams antiquariaat, over ‘Nederlandse Letteren, Erotica en Nederlandse Schilderkunst.’ Moet me ongetwijfeld zijn toegestuurd omdat ik in de al in Tirade gepubliceerde dagbladnotities het tweede van de drie onderwerpen af en toe ter sprake heb gebracht, in de veronderstelling, althans de hoop, dat daar in Dordt een potentiële koper van erotica zat. Helaas voor hen: ze vergissen zich. D.w.z. natuurlijk ben ik wel in pornografie geïnteresseerd, maar niet meer (eerder minder zelfs) dan in boeken over cricket of schaken. En dan toch wel in de eerste plaats als literair genre. De vele boeken over zedengeschiedenis bijv. die in de catalogus prijken: Sittengeschichte des Orients, Darstellungen aus der Sittengeschichte Roms in der Zeit von August bis zur Ausgang der Antonine, Liebe und Ehe in Griechenland II en Sittengeschichte des Proletariats, boezemen mij maar heel weinig belang in: dat geloof ik bij voorbaat wel. Ook erotische prentkunst kan me niet erg veel schelen: ik zou het best aardig vinden om een goede collectie eens een keer door te kijken (zou misschien nog informatief zijn), maar om er vele honderden of zelfs duizenden guldens voor neer te tellen, in evenzovele honderden en duizenden jaren nog niet. Wat ik wel zou kopen, als ik geld in overvloed had, is een eerste druk van Multatuli's Max Havelaar. Of (nog liever) een eerste druk van Piet Paaltjens' Snikken en Grimlachjes (beide in de catalogus vermeld, en niet eens zo erg duur, resp. f 100 en f 85, valt mij erg mee). Dat lijkt me nu leuk, om die te bezitten in de vorm waarin de toen nog niets vermoedende wereld er voor de eerste maal mee kennis gemaakt heeft. Maar eigenlijk staat er maar één item in deze hele catalogus, dat mij echt de keel afbijt: Du Perrons Boozige Boekje. Maar daar vragen ze maar eventjes 200 gulden voor. Overigens blijkt ook uit deze lijsten weer, dat je je geld slechter beleggen kunt dan in Nederlandse letteren. Zo vragen ze voor een le druk van Hoorniks Geboorte f 30. (Tenzij ik me heel erg vergis, moet ik het ergens hebben staan). En voor Du Perrons Blocnote klein formaat maar twee kwartjes minder. (Deed ik nog niet voor het zesvoudige weg). Maar het aardigste vind ik nog, dat Van Ostayens De Bende van de Stronk f 22.50 moet opbrengen. Ik heb er, kort voor de oorlog, op de markt in Dordt precies één kwartje voor betaald.

Ik ben een typische sherry-drinker, maar alleen omdat ik geen geld heb om een whisky-drinker te zijn. Zoals ook Mac Baren's Mixture alleen mijn lijftabak is, omdat ik Balkan Sobranie niet kan bekostigen.

Bij de nieuwe bundel van Judith Herzberg: Beemdgras (overigens een zeer ongelukkig gekozen titel): haar beste verzen zijn zo goed, omdat ze volmaakt doorzichtig zijn en toch een heleboel verbergen. Als een mens eenmaal een lijstje maakt, wil hij ook lijstjes blijven maken, het schijnt een soort kriebel in zijn bloed te zijn. Ik heb getracht er weerstand aan te bieden, maar desondanks toch gisteren een groot deel van de avond bezig geweest met piekeren over de tien boeken die ik het liefst zou willen lezen van alle boeken die ik nog niet ken. Tot het volgende resultaat gekomen: Charles [lees verder op 25 maart]

zondag 22 maart 2026

Wim Kan • 23 maart 1981

Wim Kan (1911-1983) was cabaretier. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de DBNL.

Maandag 23 maart 21.00 uur. Wildwal
Telefoon: Ru! Ziek! Heeft voor de derde maal geen stem en moeilijkheden met slikken. Bang voor longontsteking. Ik verbood hem naar Apeldoorn te komen, waar om half twee vanmiddag de generale repetitie zou plaatsvinden. Paniek bij meneer Van Liempt. Wij stonden zelf om 14.15 uur voor Orpheus: Harry Wich, Frans, Johan. Meneer Van Liempt: allemaal nog druk bezig. Niemand had Ru of ons nog gemist. Welkomstbloemen van Orpheus in de kleedkamer. Prima werksfeer. Prima directeur Stans van wie alles kon en alles mocht. Om ongeveer half vier stonden Ol en ik op de anderhalve meter hoge praktikabel te zingen: ‘Want samen zijn wij 150 lentes oud’. Klaar voor het changement van ‘Silhouetten’ naar zichtbare figuren. Op tijd trokken ze het witte silhouettendoek omhoog. Dat bleef haken aan de onderkant van de praktikabel en voor iemand begreep wat er precies gebeurde, viel Ol achterover van het podium, op haar rug!!! Ik probeerde haar nog te grijpen, maar doordat de hele praktikabel achterover kiepte, vielen wij allebei en had ik geen schijn van kans. Einde van de voorstelling flitste het door mij heen, einde van onze carrière. In zestig seconden ongeveer stond al wat in de schouwburg werkte om ons heen. Ik denk niet dat ik dit beeld van Ol in feestjurk met feesthoed op haar rug op de grond liggend ooit zal vergeten. Binnen vijf minuten begreep ik wel dat ze niets gebroken had in elk geval. Ol weer als een rubberpoppetje en niet de bijna tachtigjarige vrouw met een gebroken heup. Stuitje bezeerd, spierpijn. Een kwartier later stonden wij weer samen op diezelfde praktikabel... ‘want samen zijn wij 150 lentes oud’... te zingen en de generale repetitie zonder Ru ging ‘rustig’ verder.

J.H. Leopold • 22 maart 1890

• De dichter J.H. Leopold (1865-1925) hield een reisdagboek bij toen hij in 1890 in Italië was.

22 Maart.
Vandaag hebben we 's morgens het Palazzo Vecchio bezocht. Hier vonden we weer de oude pracht, ruime zalen, fresco's, gobelins, schilderijen en dezelfde groote afmetingen, eentonig om er weer over uit te weiden, en voorts historische merkwaardigheden, uitvoeriger in Baedeker geboekt. Maar van het bezoeken van al deze gebouwen blijft ten eenent een indruk van groothartige, milde pracht, ten anderen het bewustzijn van de grootheid van het geslacht der Medici, en een eerbied voor dit huis.
Wat trof met nieuwen indruk was de zaal der Lelies. Hier was de zoldering met ongeziene pracht getooid, zwaar vergulde en gesneden caissons getooid met de lelie, het wapen van Florence. En ook van de muren hingen behangen met lelies bedekt. En in deze oude zaal stond een nieuwe versiering; honderden bontkleurige bandelieren en standaarden hingen aan den wand, of stonden in rekken in het ronde. En in het midden stond de blinkend witte, marmeren buste van ‘il divino poeta’. Een treffend gezicht; want daar stond de dichter, een mager fijn gezicht en om den mond waren de wangen ingevallen, als door verdriet of diep nadenken, en om hem heen, om den reinen, strengen, man als neigend voor het goddelijk vernuft, de bonte schaar, die de oogen streelde, goud, purper, de eerbewijzen van alle steden, alle vereenigingen van geheel Italië. Werd ooit een koning omwuifd door meer zege-trofeeën als de dichter, ingesloten door de zegeteekenen van al de verten die zijn geest bedwong?
Dan zagen wij nog vele dingen, een kerk, Santa Maria Novella, met fresco's, en 's middags het Karthuizerklooster, gelegen op een der vruchtbare, wel beplante heuvels ten zuiden van Florence, waar ons een broeder der orde, een dik welvarend heerschap met een stomp, vadzig uiterlijk rondleidde. Hier en daar een wijd uitzicht over de gezegende, rijk begroeide heuvelen en de dalen en wegen, waarlangs voetgangers gingen en karren en rijtuigen voorbij hotsten naar de groote stad achter gindsche heuvelen.
's Middags kreeg ik nog een brief van huis en terwijl ik die dadelijk open brak, en op straat voortgaande, gretig doorlas, moest ik lachen, hoe ik, in deze stad, te midden van de paleizen, de gezichten, die men mij zeker zoo benijdde, geheel weer was in 't oude binnenhuis, bij de oude bekende gezichten en menschen.

Ronald Westerbeek • 21 maart 1998

Ronald Westerbeek (1970) is schrijver, voorganger en theoloog. Rond het verschijnen van zijn boek Kaj en de kunst van het Eendenonderhoud hield hij een dagboek bij. 

Zaterdag 21 maart
De laatste signeersessie en ik heb er geen zin meer in. Wéér een boekhandelaar die er zijn verbazing over zal uitspreken dat het vandaag zo rustig is en dat er anders op deze dag van de week veel meer mensen in de stad zijn. Boekhandel De Bron in Ede, ditmaal. Het wordt toch nog leuk, want in de regio zitten behoorlijk wat Icarus-abonnees (Wageningse studenten, vooral), onder wie enkele bekende.
Een jongen vraagt of ik het leuk vind om te signeren. Ik zeg: hoe zou jij het vinden om in een boekhandel achter een tafeltje te zitten? Als er een rijtje mensen voor je staat, is het wel leuk. De rest van de tijd doe je vooral je best niet voor paal te zitten. Je kan moeilijk HP/De Tijd gaan zitten lezen.
Voor sommige mensen schrijf ik ook een zinnetje uit het boek voorin. Om over na te denken. Zo'n zinnetje waar je makkelijk overheen leest, maar dat wel ergens naar verwijst - aan het slot bijvoorbeeld, dat Kaj zijn hoofd op een steen legt en dat er olie geplengd wordt op een steen. Dat verwijst naar Jakob te Bethel: ‘God, als u me hieruit redt, zal U mij tot een God zijn.’