maandag 20 juli 2026

Luise Rinser • 21 juli 1969

Luise Rinser (1911-2002) was een Duitse schrijfster en politiek activiste. Ze publiceerde verschillende boeken met dagboekaantekeningen.

21 juli • Ik doe mijn best belangstelling te voelen voor de landing op de maan. Ik kom niet verder dan: nou, goed dan, ze zijn op de maan geweest. Maar ik span me in om er tenminste over na te denken wat deze zaak nu eigenlijk te betekenen heeft.
Misschien komt het allemaal voort uit duivelse bedoelingen: de maan voor te bereiden als strategisch punt voor een toekomstige oorlogsvoering. Van de maan uit een deel van de aarde te vernietigen. Of een deel van de mensheid naar de maan over te brengen en dan de rest, die niet gewenst is, van de maan uit te doden. Dat kan allemaal. Atoombommen zijn vroeger ook utopische invallen geweest. De gruwelijke dingen die de mens bedenkt, brengt hij meestal ook ten uitvoer.
Het ligt meer op mijn weg om te denken dat deze tocht naar de maan niets anders is dan de vlucht uit een maatschappelijke conflictsituatie. Als een mens geen raad meer weet in zijn privé-leven, vervalt hij tot apathie of raakt hij aan de drank, óf hij ontwikkelt op een of ander wonderlijk terrein een koortsachtige activiteit van meestal agressief karakter. Bij huisvrouwen die zoals men dat noemt gefrustreerd zijn, heb ik al vaak gemerkt dat ze ware schoonmaak-orgieën in hun huizen vieren. Ze hinderen zichzelf en hun gezin ermee en proberen tegelijkertijd zichzelf en anderen de illusie te verschaffen dat zij iets zinvols doen waarmee zij hun bestaansrecht bevestigd willen zien.
De agressie bij de maanvlucht schuilt in de fanatieke eerzucht om de Russen de baas te blijven.
Ik kan ook spreken van een opzettelijke afleidingsmanoeuvre: een zakenman die bang is voor het bankroet probeert door een avontuurlijke zet zijn crediteuren aan het lijntje te houden.
Of: iemand die merkt dat alles misloopt, pakt zijn koffers en gaat ervandoor, in de hoop dat de problemen zichzelf oplossen.
Hoe dan ook: heel dit laankzinnig dure project heeft het karakter van een vlucht uit de reële, niet verwerkte problemen.


zondag 19 juli 2026

W.F. Hermans • 20 juli 1974

• Willem Frederik Hermans (1921-1995) was beroemd/berucht om zijn villeine teksten, waarin hij reputaties niet spaarde. Zoals in deze brief die gepubliceerd werd in het tijdschrift Raster.

Parijs, 351 * 20. juli 1974
Geachte Heer Ros,
U bent bijzonder goed op mij. Niet alleen een lange brief, maar ook een grote stapel Nederlandse boeken stuurt u. Hartelijk dank. Bij de verhuizing heb ik bijna alle Nederlandse boeken weggedaan, ook mijn eigen boeken, met uitzondering van de laatste drukken. Nu kan ik opnieuw boeken gaan wegdoen. Toppunt van goedheid is uw mededeling dat mijn opmerking (in mijn vorige brief) over een fout in uw vertaling ‘natuurlijk geheel juist was’.

Misschien bent u al te goed. U honoreert al mijn grillige invallen. Een ‘conditionnel 2e forme’ waar ik in mijn vorige brief over repte, bestaat namelijk volgens alle andere grammatici helemaal niet.
Er zou nu nog gedacht kunnen worden dat u die volzin van Mirbeau vertaald heeft alsof er een conditionnel passé 2 e forme stond (want die bestaat, niet alleen volgens mij, maar ook volgens de andere grammatici) maar ook dat is toch eigenlijk niet waarschijnlijk, want daar lijkt ‘fîtes’ niet op en ‘fissiez’ evenmin.

Ik krijg de indruk dat u graag een bijdrage voor Maatstaf zou ontvangen. Ik ben erin geslaagd aan twee mijner spookschrijvers een gedicht te ontwringen. Het honorarium daarvoor kunt u t.z.t. op mijn postgiro 810042 doen storten.
Op reis

Mensje van Keulen en Aapje van Aken
Besloten tezamen een pandje te kraken.
Ze pakten hun rugzak en gingen op reis.
Natuurlijk per bromfiets. Het doel was Parijs.
Het is alleen een lelijk ding
Dat men niet weet hoe 't verder ging.

Bulletje & Bonestaak
Mocht u dit wat kort vinden, dan mag u deze brief ook in zijn geheel publiceren.
Ik ben minder geestdriftig dan u, over het feit dat er nergens in het buitenland, behalve in Nederland, zoveel Léautaud vertaald wordt. Hieruit blijkt dat Nederland ook uit het buitenland die dingen aantrekt, die verwant zijn aan de eigen nationale litteraire fouten en die maar soms en heel zelden iets met echte litteratuur te maken hebben. Ik heb het al eens eerder gezegd: Nederland wil alleen dat, wat het al eerder in zijn eigen huiskamer is tegengekomen. Toppunt van bekrompenheid.

Ook ik heb, moet ik u bekennen, uit de periode waarin ik die dingen nog niet zo helder zag, het Journal Littéraire van Léautaud overgehouden in mijn boekenkast.

Maar wat is het nu eigenlijk: gezanik over een leventje van niks, door een mannetje van niks, dat van niks wist, behalve dat Diderot en Stendhal grote schrijvers waren — alsof voordien niemand dat nog wist. Een zielig baasje met een huis vol verwaarloosde katten in Fontenay-aux-Roses aan de Ligne de Sceaux. Op z'n zeventigste jaar verbeeldde hij zich nog, als een winkeljuffrouw haar lachen niet kon houden omdat hij er zo idioot uitzag, dat hij groot succes bij de vrouwen had.

De eerste delen van het Journal en de boekjes die hij in zijn jeugd schreef zijn niet onverdienstelijk, maar daarna: zestig jaar hetzelfde gezanik, onsmakelijk als een pornoblaadje volgeschreven door een afvallige pastoor, jaar in jaar uit herhaald, dikwijls letterlijk.

Léautaud, in Frankrijk gelukkig maar een uitzondering, vertegenwoordigt helemaal de haat van de kleine zeurkous tegen echte litteratuur, haat die in Nederland inheems is bij mensen met litteraire ambities die geen fantasie hebben en dat zijn er nogal wat in Nederland. Slotsom van zijn oeuvre: als je precies gaat beschrijven hoe het leven van kleine schrijvertjes is, waarin niets gebeurt, maar wel eindeloos wordt geroddeld met andere mislukte schrijvertjes, wordt de litteratuur net zo vervelend als die leventjes zelf.

Met vriendelijke groeten
W.F. Hermans

Eva Braun • 19 juli 1941

• Eva Braun (1912-1945) was de vriendin van Adolf Hitler. Ze schreef een echt dagboek, waar 22 pagina's van bewaard zijn gebleven. Het onderstaande fragment komt uit het fictieve Het intieme Dagboek van Eva Braun.

Obersalzberg, Juli, 1941 • Ik lag moedernaakt op het bovenste balcon languit op mijn buik mij in de volle zon te koesteren en deed alsof ik sliep. Hij is begonnen met me lang te bekijken, dan is hij naast mij komen zitten en heeft mij heel zachtjes geaaid, heel teder geliefkoosd. Hij mag mij zo graag strelen, hij houdt er van altijd weer mijn rug te aaien; daar kan hij nooit genoeg van krijgen. Altijd van achteren, zo heeft hij mij ook gefotografeerd, de rug. Hij heeft natuurlijk bij hoog en laag verzekerd, dat op die manier niemand mij op de foto zou herkennen ingeval dat deze in verkeerde handen zou vallen, iets, wat natuurlijk mogelijk is. Eerst ben ik innerlijk in opstand gekomen bij de gedachte mij zo te laten fotograferen, maar dan heb ik gedacht: het is misschien te prefereren, wanneer hij op reis is, dat hij zo'n beeld van mij heeft, liever dan een andere vrouw te nemen....
En zo draagt hij mijn portret steeds bij zich, een naaktfoto, genomen van achteren. Welke man doet zoiets? Hij alleen is tot iets dergelijks in staat, niemand anders.

Josep Pla • 18 juli 1918

• De journalen van de Catalaanse schrijver Josep Pla i Casadevall (1897-1981) omvatten zo’n 30.000 bladzijden vol dagboekaantekeningen, reisimpressies, invallen en literaire portretten. Het grijze schrift (vertaald door Adri Boon) bestrijkt de jaren 1918-1920, voordat de jonge Pla als dagbladcorrespondent naar Parijs vertrok.

18 juli • Ciset Vilá, een handelaar in hout, net als generaal Savalls geboortig uit Pera, vertelt vaak dat toen de generaal tijdens de tweede Carlistische oorlog het land doorkruiste, deze zich op een dag aandiende in zijn geboortedorp, ge-zeten op zijn beroemde schimmel die, omgeven door de voornaamste kopstukken uit de streek, op de lithografieën prijkt. De moeder van de generaal, die in Pera een armoedig bestaan leidde, stak bij het horen van het galop van de cavalerie haar hoofd uit het raam. Nadat het eerste moment van schrik en verbazing die haar zoon met zijn verschijning bij haar teweegbracht voorbij was, reageerde zij met heftige verontwaardiging.
`Ben jij het, verkwister?' schreeuwde zij, hem een minachtende blik toewerpend. 'Alsof we al niet genoeg ellende hebben! Schaam je je niet dat er zoveel over je gepraat wordt? Al ons land ligt er onbewerkt bij... Draaf maar rond van hot naar her, stuk onverlaat, voer maar oorlog en haal maar dwaasheden uit...'
Zonder van zijn paard af te stijgen liet Savalls met een lachje de oude opvliegende boerin, die in het raamkozijn luidkeels tekeerging, uitrazen.
`Houdt uw rok op, moeder!' zei hij toen het hem toescheen dat de woedeaanval over het hoogtepunt heen was. `Bespaar me je grappen, ellendeling...'
`Houdt uw rok op, zeg ik!' schreeuwde de generaal stralend met het glunderende gezicht van een tevreden dier.
En terwijl hij het bevel herhaalde wierp hij een handvol gouden munten door het raam naar binnen.
Het silhouet van de oude vrouw verdween even: de tijd die nodig was om de over de vloer verspreid liggende munten bijeen te rapen. Toen zij daarna weer in het kozijn ver-scheen zei zij met een opvallende verandering in haar stem en een vriendelijk gezicht: 'Kom binnen! Dan eten we wat... We hebben elkaar zo lang niet gezien! Dit jaar is de worst overheerlijk.'
De generaal steeg af en moeder en zoon vielen elkaar liefdevol in de armen. Niet alleen gebruikte hij het middagmaal in zijn ouderlijk huis, maar ook bleef hij er 's avonds eten en slapen. In feite bleef hij er zolang zijn persoonlijke veiligheid dat toeliet. De vreugde van zijn moeder duurde al die tijd en nog iets langer — totdat de gouden oorlogsmunten op waren.

donderdag 16 juli 2026

Virginia Woolf • 17 juli 1935

Virginia Woolf (1882-1941) was een Engelse schrijfster. Ze hield vrijwel haar hele leven een dagboek bij. Een selectie daaruit is in twee delen gepubliceerd in de Privé domein-reeks (vertaling Joop van Helmond).

Woensdag 17 juli • Ik heb zo juist voor de eerste keer alles lukraak uitgetikt en ben tot de ontdekking gekomen dat het boek [Flush] 740 bladzijden gaat beslaan: dat betekent 148.000 woorden; ik geloof echter dat ik nog wat kan inkorten: het laatste deel is nog volkomen rudimentair en er moet flink aan geschaafd worden, maar ik ben te moe in mijn hoofd om dat nu serieus onder handen te nemen. Niettemin geloof ik wel dat ik het terug kan brengen: en dan —? Goeie hemel, ik begin te begrijpen waarom ik na The Waves mijn toevlucht heb genomen tot Flush. Na zoiets wil je niets liever dan aan de waterkant zitten en steentjes gooien. Ik wil ook wel weer eens vrij en onbevangen lezen. Zodat de rimpels weer gladtrekken. Susie Buchan, Ethel en daarna Julian — dat komt neer op praten van 4.30 tot 1 uur in de ochtend, met maar twee uurtjes onderbreking waarin ik heb gegeten en niets heb hoeven zeggen.
Ik geloof dat ik tot de ontdekking begin te komen dat het laatste hoofdstuk moet worden opgebouwd rond de toespraak van N. • het moet veel formeler worden opgezet; en ik geloof dat ik zie hoe ik interludia kan inlassen — ik bedoel ruimtes van stilte, en poëtische stukken en tegenstelling.

Vrijdag 19 juli • Nee. De hoofdpijn blijft terugkomen steeds op het moment dat ik wil beginnen. Het heeft geen zin om in de laatste paar dagen dat we nog hier zijn door het slot heen te jakkeren, want dat moet een soort milde bries worden die door de zware olmen voert: inderdaad, een wind die waait door bomen beladen met groene bladeren. Want het slot moet zowel beweging als gewicht hebben, iets dat door de bries moet worden verlicht.

woensdag 15 juli 2026

Andy Warhol • 16 juli 1978

Andy Warhol (1928-1987) was een Amerikaanse kunstenaar. Hij hield een dagboek bij van 1976-1987. Vertaling Christine Quant.

Zondag 16 juli 1978 • Barbara Allen belde mij 's morgens om naar Forest Hills te gaan naar de tennismatches. Ik stond op het punt te gaan, maar zag toen hoe mistig en grijs het was, zodat ik besloot om het op de TV te volgen en thuis wat te werken. Maar ik ging naar de kerk, en keek na mijn thuiskomst naar de wedstrijden op de TV. Het was Nastase tegen Vitas Gerulaitis. Ik was voor Vitas en hij won. Daarna belden Barbara en Bob om te zeggen dat Vitas iedereen uitnodigde om te komen eten in het Rivet Café in Brooklyn, op de boot, en haalden mij over om te komen. Zij zouden mij komen ophalen. Zij waren er om 10 uur. Barbara liet ons de ring zien die Nastase haar heeft gegeven. Toen kwam Nastase binnen met een pracht van een meid, een fotomodel, en Barbara liep naar boven en barstte in tranen uit. Richard Weisman zei hoe dom het van Barbara was om zo overstuur te zijn, hoewel zij wist dat Nastase getrouwd is en kinderen heeft, enz. Truman zei dat hij een echte rijke vent kende voor Barbara, en dat zij dan drie vliegtuigen en al het geld in de wereld en een huis in Mexico zou hebben. Daar knapte zij wat van op.

dinsdag 14 juli 2026

Ursula von Kardorff • 15 juli 1944

Ursula von Kardorff (1911-1988) was een Duits schrijfster en journaliste. Gedurende de oorlog was ze werkzaam als journaliste bij de Deutsche Allgemeine Zeitung. In haar dagboek beschrijft ze het alledaagse leven van een Berlijner in de oorlogsjaren. Het dagboek is in het Nederlands vertaald (door Tinke Davids) als Gebombardeerd dagboek.

15 juli 1944
Toen ik tussen de middag thuiskwam om gauw wat voor mezelf te koken, zat Fritzi op mijn sofa. [...] Hij vertelde dat een van hun belangrijkste mannen het slachtoffer van een spion was geworden en op 5 juli gearresteerd was. Zijn vrouw, Annedore Leber, had zich teruggetrokken in een ziekenhuis bij het Stettiner Bahnhof, en omdat ik door niemand verdacht word, aangezien ik in hetzelfde bedrijf werk als zij, verzocht hij mij een boodschap over te brengen. [...] Toen fietste ik naar het ziekenhuis. Kwam ongehinderd langs de balie en vond de kamer zonder moeite. In bed lag een jonge vrouw met voor zich een tekenbord met modeschetsen. Ze keek me verbaasd aan. Toen ik uitlegde wie ik was en wie me gestuurd had, zei ze enigszins aarzelend: 'Neemt u me alstublieft niet kwalijk, maar kunt u zich op de een of andere manier legitimeren?' Ik liet haar mijn persoonsbewijs zien. 'U hebt er geen idee van hoe voorzichtig ik moet zijn,' zei ze verontschuldigend. De ban was gebroken, ik kon mijn bericht doorgeven. Ze hoorde het beheerst aan, hoewel ze al zo wit zag dat ze moeilijk nog meer had kunnen verbleken.
Toen verzocht ze me aan Fritzi mee te delen dat de huiszoeking bij haar niets had opgeleverd, de Gestapo-mensen waren onverrichterzake weer vertrokken, afgezien van twee flessen schnaps die ze hadden gestolen. Haar had men voor een verhoor meegenomen. [...] Later had men haar, wonder boven wonder, weer laten gaan.