zondag 11 oktober 2026

Willem Bilderdijk • 12 oktober 1795

• Schrijver Willem Bilderdijk (1756-1831) werd tijdens zijn verbanning naar Engeland tot over z’n oren verliefd op zijn leerlinge Wilhelmina, twintig jaar jonger dan hij. Hij overreedde haar hem na te reizen naar het vasteland, hoewel hij een getrouwd man was. Ze kregen een aantal kinderen, maar Willem kon pas vele jaren later met haar trouwen. Uit: Liefde en ballingschap. Brieven 1795-1797 (hertaald door Marita Mathijsen).

Bilderdijk aan zijn vrouw. Hamburg, 12 oktober 1795 • Lieve! Je zult mijn vorige brief met het bericht over de ontvangst en de staat van de koffer ontvangen hebben. Ik heb toen vergeten te melden dat die mij 36 Hollandse gulden aan vracht heeft gekost. Stuur daarom voortaan alles per schip. Je zult altijd gelegenheid vinden bij Hamburgse schippers die dagelijks vanaf Amsterdam af en aan varen. De berichten die ik hier krijg over het woeden van de cholera maken mij zeer ongerust over jou en de kinderen. God behoede jullie allemaal! — Over mij: sinds ik terug ben uit Engeland ben ik erg ziek door hete koortsen. Ik hoop echter dat het met mij in orde komt. Over publieke zaken kan ik het niet wagen je te schrijven. Weet echter dat die niet vooruitgaan. Wat moet men doen, het is in de hand van God en Hij zal het besturen, daarop vertrouwen wij! Wat mij betreft, hoe zou ik in deze algemene verwarring mijn lot nog hebben kunnen bepalen? — Alles spant samen tegen de rechtschapenheid, de deugd en het verlichte verstand. Geen ministerie zal nu iemand van onkreukbare principes als de mijne aanstellen, terwijl alle hoven steeds meer naar de Franse richting overhellen. — Wat dan? Wetenschappen? Wie denkt er nu aan om onderwezen te worden, bij de totale omwenteling van dit werelddeel? — Ik heb echter mijn plannen gemaakt, en laat mij door geen moeilijkheden afschrikken. God leeft, en met Hem is er uitkomst en Hij zorgt voor toevlucht zonder beperking. Maar hier-over nader op een andere tijd. Vaarwel; omhels onze Elius en hou van mij.

Hamburg 12 oktober 1795

P.s. Teken toch op je brieven de datum aan.

J.J. Voskuil • 11 oktober 1943

• Schrijver J.J. Voskuil (1926-2008) hield zijn leven lang een dagboek bij, dat nu in delen wordt uitgegeven door Van Oorschot. Het onderstaande fragment komt uit het deel Bijna een man, over de jaren 1939-1955.

donderdag 7 october • [...] Als Hanneke een jongen was, zou ik niet met haar bevriend zijn. Ik vind haar oppervlakkig en soms is ze me zelfs antipathiek. Komt die antipathie voort uit wrok? Zeker is dat ze verwaand is en te goed weet dat de jongens haar aardig vinden. Bij iedere jongen denkt ze: O die? Dan kan ik wel betere krijgen.' Met het gevolg dat ze straks blijft zitten. Dat is het verschil met Dee. Dee flirt niet. Ze luistert.

zondag 10 october • Mistig, koud. Met de Gele Tram [Den Haag-Leiden] naar de Buurtweg voor de wedstrijd tegen Groen-Geel. Omdat ik geen schoenen meer heb, speelde ik op blote voeten. We wonnen met 2-1, maar het had meer moeten zijn. In de tram terug luchtalarm, waardoor we een uur oponthoud hadden.

dinsdag 12 october • Op de grens van de Mient en de Weimarstraat brak de koppeling van de tram. Lijn 20 moest ons opduwen, waardoor we niet de enigen waren die te laat op school waren. Het werden er nog meer toen bleek dat de Rijswijkse tram voor een omgevallen kolenwagen had gestaan en lijn 10 een wiel had verloren. Daarmee verloor ik mijn voordeel weer en ontkwam ik niet aan de Duitse spreekbeurt.

'Jij bent fotogeniek,' vond Postma, toen hij in de pauze de foto's van Dee en Hanneke bekeek. — 'Dat hebben ze al meer gezegd, meneer,' antwoordde ze.

donderdag 14 october • Even voor we de school ingingen, begonnen de sirenes te loeien. Een uur met Mia, Joke en Jan in een portiek gestaan tot het weer veilig was. Geurts vond dat we net zo goed naar binnen hadden kunnen gaan en liet ons een kwartier nablijven.

vrijdag 15 october • Moeder raadt me af om de rol van Hanneke voor haar over te schrijven. 'Dat is juist wat ze wil,' zei ze, 'dat er veel jongens aan haar voeten liggen, om ze dan flink van zich af te trappen. Je moet haar koel behandelen en af en toe in de modder laten zitten, beleefd, maar koel.'

zaterdag 16 october Onder het hockeyen werd er luchtalarm gegeven. We speelden door terwijl de vliegtuigen over ons hoofd gierden, doken en brommend verder trokken, het afweergeschut dreunde en de mitrailleurs knetterden. Op de terugweg liep mijn band bij de Betlehemkerk leeg. Toen ik haar thuis oppompte, begaf ze het meteen weer. Ik verwijderde de twee buitenbanden, haalde de binnenband eruit, maar kon geen lek vinden. Met hulp van vader legde ik de banden er weer om, pompte hem op, en verdomd, hij hield het, maar 's avonds om elf uur was hij weer zo plat als een dubbeltje.

maandag 18 october • Als Wezenberg de absenten komt opnemen, krijgt Hannele altijd een knipoogje. En als hij de klas uit is, draait hij zich nog even om en kijkt op zijn tenen door het ruitje.

donderdag 8 oktober 2026

Susan Sontag • 10 oktober 1949

• Reborn bevat (dagboek)notities van schrijfster Susan Sontag (1933-2004) uit de periode 1947-1963.

[All her life, SS made lists of words into which she occasionally inserted a person's name or a brief observation. This undated fall 1949 entry is representative and shows how early this habit became second nature for her.]

effete
noctambulous
perfervid
detumescence
disheveled
so alluring, so cerebral
sodden
intriguing
corrupt
dignity
lotophagous
elegiac
Meleager
disponibility
pardine
demotic
Harriette Wilson
garbure
satura
succulent
competent intellectual vulgarity of Aldous Huxley
Yellow Book preciousness
secretive
sturdy
pedantry + lechery
spleen
ribaldry
ilex
Klaxon

Jan Steenbeek • 9 oktober 1949

• Neerlandicus Jan Steenbeek (1927-2002) bracht als dienstplichtig soldaat zestien maanden op Java door, gedurende de laatste periode dat Nederland daar aan de macht was. Zijn dagboeken en brieven uit de periode maart 1949 - augustus 1950 zijn uitgegeven als Indië is een mooi land, maar men moet er niet als militair zitten.

5 October. De eerste regen bracht friste en glibberigheid. Een Havank [detectiveboekje], een pijp, een zuurzakje [vrucht, misschien als sap of thee] en, mirabile scriptu, chagrijn, die het quartet vol maakt. Bunschoten en Meijer vervangen door Van der Mast en Hanssen, validen door mismaakten. Maar van het zouteloos maar foutenrijk geleuter over bloemen zijn we verlost en nog heerlijker van het wellustig gedoe van een bête Mokumer. Trouwens, het hele zootje mag wegbandjirren [wegstromen] of door de aarde verzwolgen worden.
Wat kan sinds de 5de gebeurd zijn, dat de beschrijving waard is, zo vraag ik me de 9de af.
Anna Karenina gelezen, met zeldzaam veel plezier. Er zit veel waars in R.N. Roland Holst's overpeinzing over Tolstoi in vergelijking met Dostojewski. Universeel, reëel, verheven. Wat tuimelen na zo'n lectuur Blaman en de doorsnee-Vestdijk.

De 9de gingen Van Manen, Van Opstal en ik in de avondschemering naar onder om een Drieberg's predikant over de P.C.J. [kortegolfradio] te horen spreken (Van Manen stamt van Driebergen). Prachtige kleuren, bruin, rose, groen en lila. De lucht geurde naar regen. Vogelschreeuwen en krekelgesjirp. Schijnwerpers deden de bergwanden steil uit het duister oprijzen. In de kuil lag de centrale, diep weggedoken. Op de laatste draai naar beneden sliep de wacht vredig in het gras langs de weg. Voorzichtig stappend passeerden we. De P.C.J. was onvindbaar en zo deden we een potje 'mens erger je niet' in de heel huislijke kamer van korporaal Cocks. Pietje Bunschoten ergert zich wél, gloeiend zelfs en binnen een week zie ik hem naar de Madiunse strafgevangenis verhuizen. 'Ik kan dat sterren-en-strepen-geneuk met de beste wil niet meer verdragen.' Nu, ik heb hem niet lijdzaamheid aangeraden, daarvoor irriteert dat canaille me wat al te erg.
Intussen kwam de maan op en hesen we ons weer naar boven. De stille vrede van de natuur verzachtte de stemming. Zwijnen lieten zich naar beneden glieren [glijden] langs hun paadjes en redden zich in het dichte struikgewas. In de dalen gloeiden overal vuurtjes vóór de hutjes. Zwijgend liepen we verder langs het glinsterend water van de afvoerbeek en alleen bij flitsen sneden we een luitenant of rotsergeant de hals af. Ik moest bij een doekoen [toverdokter] in de leer gaan om in goena-goena [zwarte kunst] bedreven te worden. 4 flesjes zuurzak braken me 's nachts zuur op. Ik spuwde gal, gitzwarte gal.

De T.N.I.-commandant Moh Yasin kreeg herrie met Nederlandse officieren, liep kwaad weg, en wou zelfs niet weggebracht worden door een wagen van ons: 'Ik tippel wel, het zal nu hard tegen hard gaan. Het fourageren werd uitgesteld tot eindelijk in Kandangan de zaak werd bijgelegd. Bavinck, de Militaire Willemsorde-drager, een echte avonturier, had een kolfje naar zijn hand.

woensdag 7 oktober 2026

August Willemsem • 8 oktober 1973

• Vertaler en schrijver August Willemsen (1936-2007) verbleef verschillende malen langere tijd in Brazilië. In Braziliaanse brieven vertelt hij over de leuke kanten van het leven daar, en over de minder leuke.

7/8 oktober
[wat voorafging]
De moeilijkheden begonnen op het kantoor van de VARIG, vrijdagmiddag 5 oktober. Ik had geen uitreisvisum. Niemand had me ooit verteld dat ik dat hebben moest. Daarvoor naar het Registro de Estrangeiros (Vreemdelingenregister), half uur lopen. Doorverwezen naar het Departement van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, vlak naast de VARIG. Half uur teruglopen. Daar schrijft een ambtenaar een verklaring: nihil obstat dat AW een uitreisvisum krijgt. Rust, opluchting, smakelijk eten. De volgende morgen, zaterdag 6, naar het Registro, dat 's ochtends nog open is. Er ontbreekt iets aan mijn papieren van de politie te Bahia. Naar de politie. Politie stuurt ons door naar het Instituto Félix Pacheco, waar ik een soort persoonsbewijs krijg. Terug naar Reg. Estr., waar een bruine subaltern, genaamd Ademir, beloofd heeft tot na sluitingstijd op ons te wachten. Hij heeft intussen met superieuren gebeld, die hem afraden ons verder te helpen, maar hij weet nu in elk geval precies wat er mis is. Van de politie in Bahia heb ik wel een bewijs van goed gedrag, maar dat is verlopen, en bovendien had ik in Bahia ook een voorlopige verblijfsvergunning moeten krijgen. Dat ze me die niet hebben gegeven is mijn schuld niet, maar wél had ik me binnen veertien dagen na aankomst moeten melden bij de politie in Rio. Ademir schrijft keurig op een briefje wat ik hebben moet (het ligt hier voor me, maar ik weet bij God niet hoe deze idiote termen te vertalen, ik zeg maar wat, verzin er zelf maar wat bij): 1 vreemdelingenregistratie, 2 vreemdelingenkadasters, 1 burgerlijk uittreksel (bij het Inst. Félix Pacheco), 2 uitreisvisumaanvragen, 5 kwitanties voor het betalen van federale belastingen, 1 verklaring van woonplaats (bij het Nederlandse Consulaat), 2 pasfoto's van 3 bij 4 cm met witte achtergrond en op glanzend papier. We bellen het Consulaat, dat op zaterdagmiddag gesloten is, maar via-via komen we bij een particulier adres, waar iemand ons aanraadt met spoed naar het Consulaat te komen. Dat is in Botafogo, een flinke reis. De heer Bijleveld stelt namens de Consul-Generaal een verklaring op met al mijn persoonlijke gegevens en de adressen in Bahia en Rio waar ik heb gewoond, in een supermarkt in Copacabana, de enige die nog open is, laat ik foto's maken, we gaan langs de politie en het Inst. Félix Pacheco (God zij geprezen dat dat zaterdag open is!), en terug naar het Reg.Estr. De consulaire verklaring is niet goed, daarop ontbreken de namen van mijn ouders, en de foto deugt niet, daarop ontbreekt de datum. Op andere papieren ontbreken mijn vingerafdrukken, waarvoor we terugmoeten naar de politie én het Inst. Felix Pacheco. Noortje krijgt een hysterische huilbui, gelukkig maar, want dat heeft op Ademir meer effect dan mijn Portugees. Hij belt met deze en gene, belt zelfs met het Consulaat om precies uit te leggen wat en hoe die verklaring moet zijn, hetgeen allemaal niet wegneemt dat we nog twee keer naar de politie moeten, waar tussendoor we ook nog even afscheid nemen van dona Heloisa. Uitgeput, ongelukkig en de krankzinnigheid nabij vallen we die avond op bed. De volgende ochtend, zondag 7, eigenlijk niet meer gelovend in het welslagen van wat we intussen haast beschouwen als een vluchtpoging uit dit land en deze rotstad, is onze eerste gang naar het Inst. Félix Pacheco (God opnieuw geprezen, dat het ook op zondag open is), de tweede naar het Reg. Estr., waar Ademir, het verbod van zijn bazen negerend, ons opwacht. Terwijl wij moeten zorgen voor nieuwe foto's en een nieuwe consulaire verklaring, is zijn probleem dat hij, omdat de enkele duimafdruk van het Inst. Felix Pacheco niet voldoende is, moet zorgen, op zondag, voor een identificador, een specialist in het maken van vingerafdrukken. In dezelfde supermarkt van gisteren, die ook op zondag open is, maken we nieuwe foto's. Ik heb er één bewaard: het is het beeld van een uitzinnige. Op het Consulaat stelt een secretaresse, mej. Van der Laan, die gevolmachtigd is het consulaire stempel te hanteren, een nieuwe verklaring op, waarbij ik me afvraag of er van de honderd miljoen Brazilianen ook maar één is die het een moer kan schelen dat, bijvoorbeeld, mijn moeder Trijntje Bulkes heet, en ik concludeer dat dit de definitieve materialisering is van de waanzin. Op het Reg. Estr. heeft Ademir middelerwijl een identificador gevonden. Hij begint (want ofschoon hij behulpzaam is, méér dan menselijkerwijs verwacht mag worden, heeft hij, als ondergeschikte, nu ook een zekere macht, en het is natuurlijk wel leuk daar éven gebruik van te maken) — hij begint met het maken van aanmerkingen op de nieuwe consulaire verklaring, maar wanneer Noor in een bijkans epileptisch aandoende onmacht dreigt te vallen, geeft hij de indentificador het sein met zijn werk te beginnen. Noor kan niet anders dan met tranen in de ogen aanzien hoe van mij, als van een zwaar misdadiger, de afdrukken van alle tien de vingers op papier worden gezet. Met enig ongeloof nemen we het visum in ontvangst, en even later, bij de VARIG (ook op zondag open!), het ticket. Het is onmogelijk dat iemand zich dit alles na een week nog herinnert, wanneer hij het niet meteen opschrijft. Maar wat ik hierin nu het meest Braziliaanse vindt: niet eens zozeer de moeilijkheden op zichzelf, als wel het feit dat het toch nog allemaal goed gekomen is. In een weekeind. In Nederland zou waarschijnlijk het hele probleem niet zijn gerezen, maar áls het er was zou het nooit, door tussenkomst van een lagere ambtenaar, tegen de zin van zijn superieuren, op zaterdag en zondag worden opgelost. Evengoed denk ik natuurlijk: 'Nooit meer Brazilië', maar ik weet uit ervaring hoe gauw ik er straks weer heen wil. En zo zal het wel altijd blijven. Welterusten.
Guus

dinsdag 6 oktober 2026

August Willemsen • 7 oktober 1973

• Vertaler en schrijver August Willemsen (1936-2007) verbleef verschillende malen langere tijd in Brazilië. In Braziliaanse brieven vertelt hij over de leuke kanten van het leven daar, en over de minder leuke.

7/8 oktober
Beste Paul,
Het meest Braziliaanse van mijn verblijf in dit land was de manier van er weggaan. Ik moet haast kokhalzen bij de herinnering, maar ik mág het je niet onthouden, want ik weet: al lijkt het onvoorstelbaar dat je zo iets gruwelijks zou kunnen vergeten — die dingen vergeet je. En snel ook. Je stopt ze weg. Als ik dat niet al wist, werd het nog eens bevestigd door een ober in het restaurant waar we een van onze laatste maaltijden in Rio gebruikten. Hij vroeg hoe Brazilië ons bevallen was, en toen ik zei dat ik de mensen aardig vond maar dat de bureaucratie tot krankzinnigheid dreef, dat ik bij mijn vertrek in 1968 had gedacht: 'Dit nooit meer', maar dat ik niettemin was teruggekomen, en dat ik nu weer dacht: 'Dit nooit weer' — toen antwoordde hij : 'Die dingen vergeet je.' En hij had een mooi voorbeeld. In 1966 was hij naar de wereldkampioenschappen voetbal in Engeland gegaan, d.w.z.: hij had alleen geboekt voor de wedstrijden vanaf de kwartfinales. Brazilië immers, met Garrincha én Pelé, zou voor de derde maal wereldkampioen worden. Je weet welk een tragische misvatting dit was: Garrincha was toen al niet meer dan een symbool en heeft niet eens op het veld gestaan, Pelé werd door zijn Portugese broeders onder het gras gestampt, en Brazilië overleefde de voorronde niet. Maar misschien nog erger (en daarover gaat het hier eigenlijk) was wat eraan voorafging. De man had zijn vliegreis (die voor hem een kapitaal vertegenwoordigde) kunnen bekostigen met hulp van zijn schoonzoon, en door lange tijd hard te werken, hard te sparen en zich veel te ontzeggen. Maar tot enkele uren voor vertrek had hij nog geen paspoort: de politie geloofde het verhaal van die schoonzoon niet en wilde weten, rekening houdend met zijn bescheiden inkomen als barbediende, hoe hij aan zoveel geld gekomen was. Het kwam uiteindelijk in orde (met het paspoort dan), maar denk eens aan de spanning, de ergernis, de onzekerheid tot op het laatste moment, de vernedering ook voor de arme man, van wie a priori werd aangenomen dat hij nooit op eerlijke wijze aan dat geld had kunnen komen. En dan die reis nog helemaal voor niks maken ook... `Die dingen vergeet je.'
Noor ligt naast me te slapen. Ik zit naar haar te kijken en begrijp niet waar ze de rust vandaan haalt, kan nauwelijks bevatten dat we werkelijk vliegen, ben weliswaar doodmoe maar nog veel te opgewonden om te slapen, en schrijf dus maar weer, al is het idioot, midden in de nacht, bij een klein spotje.
[Wordt vervolgd].

maandag 5 oktober 2026

Catharina Schrader • 6 oktober 1694

• Catharina Schrader (1656-1746) was een Friese vroedvrouw, die bijna 50 jaar haar vak uitoefende. Ze hield een journaal bij waarin ze de bevallingen beschreef.

1694 den 6 ocktober ben ick op Aamelant ontboeden bij een grottschipers vrouw. Hadde 5 daagen in arrbeit van 2 kinders gewest. Het erste war levendig gekomen, het leste qwam 2 dagen dar nae doodt sinde. En blef de naegebort[e] achter. En most ick don nog over de see gehalt. Doen ick de dör in qwam, lichte sij haar over eynde [en] seyde tegen mij: vrouwtie, gij komt te laat. Dar mede storf sij terstont, also ick verschrickt wyr. Og arrme marrtelars, dy onder sullcke marrtelars van vroetvrouwen komen.