Dinsdag 1 juli 1997
Vannacht gedroomd dat Jeroen Brouwers met uitgestoken hand op me toekwam, me toen meetroonde naar een stil hoekje van de zaal waar een receptie plaatsvond en met zijn arm over mijn schouder een smakelijk verhaal vertelde. Ik piekerde me suf vanmorgen, maar kon me geen woord herinneren.
Telefoontje van John (Jansen van Galen), even voor achten deze ochtend. Een goede kennis van hem, docent aan de vu, is plotseling overleden. Tijdens een college, terwijl hij achter zijn lessenaar stond. De woorden waren in zijn keel gestokt. Hij was van onze leeftijd. Daarna gepraat over alles wat ons kan overkomen. John loopt de tien km nog in 42 minuten, ik doe er tien minuten langer over. Als ik Johns en mijn eigen gedachten goed ken doen we aan sport omdat we het leuk, spannend en bevredigend vinden. Een goede tijd neerzetten geeft de euforie van drugs of drank en we houden er, als prettig bijproduct, ziekte en dood mee op afstand. We maken een afspraak voor de volgende week. Dit keer kom ik naar Amsterdam. Ik ben nog nooit in Het Paleis op de Dam geweest. Hij, tot zijn eigen verbazing, ook niet.
Ik lees het overlijdensbericht van Karel Reynders, waarbij dit citaat van Leopold:
‘O, als ik dood zal, dood zal zijn,Met Reynders, estheet en bijna-dandy, heb ik voor het eerst kennis gemaakt op 23 november '78, bij de promotie van Frans Kellendonk. Daarna vaker bij Johan Polak, in villa ‘Flevorama’ te Muiderberg. Zijn dissertatie Couperus bij Van Deyssel verscheen fraai gebonden bij Athenaeum Polak & Van Gennep. Hij was, met Harry Prick, een groot kenner van de Tachtigers. Ik bewonderde vooral zijn studie Onder dekmantel van etiket. Hij is nooit hoogleraar geworden. Volgens Johan omdat hij te mooie boeken schreef.
Kom dan en fluister, fluister iets liefs.’
De kippen verzorgd. Ik bezit sinds enkele jaren sebrights, een zeldzaam Engels ras, in drie kleurslagen. Het zijn tierige beesten, met een strenge pikorde. De laagste in rang heeft het erg moeilijk. Een lord Sebright is er aan het begin van deze eeuw in geslaagd het oude ras terug te fokken. Daar is zijn hele leven mee heengegaan. Lord Sebright fokte een leven lang kippen, mijn vader teelde varens in bijzondere variëteiten. Sommigen schrijven boeken. Anderen recensies.
Met Tikker gerend, mijn beige whippet, een klein soort hazewind. Ik heb hem gekocht op de dag (19 april 1984) dat ik mijn moeder ging begraven. Die ochtend vroeg maakte ik een korte wandeling langs de spoordijk van het kippenlijntje Ede-Amersfoort, passeerde een braakliggend terrein waar mannen met hun fiets aan de hand stonden toe te kijken. Ze waren op weg naar de melkfabriek verderop. Ik zag een stuk of zes ravottende hondjes. Soms verdwenen ze in de mist, laag boven de grond. De teef, een zandkleurige windhond, met zwarte snuit en grote, droeve ogen keek ons bezorgd aan. Ik nam de mooiste, die welke op de moeder leek, in mijn handen. Een moment later was ik eigenaar. Impulsieve, compenserende daad, waar ik nooit spijt van heb gehad. Aan mijn hond, voor ik ze opschrijf, vertel ik mijn verhalen. Van mijn plannen voor mijn roman ‘Vera’ was hij al tijden op de hoogte. Hij is ruim dertien jaar. Met 7 vermenigvuldigd zou 91 zijn mensenleeftijd zijn. Onder het rennen vraag ik me af wat Jeroen Brouwers mij toch had mee te delen.
Brief van Gerrit-Jan Kleinrensink, de biograaf van Brakman. Hij geeft mij het adres van Mallarmés huis in Vulaines s/Seine en schrijft: ‘Ik heb een wandeling gemaakt in wat voor mij de achterkant van Arnhem is, namelijk Monnikenhuizen en de aangrenzende heuvels. Schuin tegenover het Thomas à Kempiscollege, in het dal, heeft tot 1572 het Kartuizer klooster Monnikenhuizen gestaan. Onlangs is de kelder blootgelegd. Daar zou Thomas à Kempis zijn Imitatio Christi hebben geschreven.’ Het was mijn vaders geliefdste boek. Op zijn sterfbed heb ik hem daaruit voorgelezen.







