• Catharina Schrader (1656-1746) was een Friese vroedvrouw, die bijna 50 jaar haar vak uitoefende. Ze hield een journaal bij waarin ze de bevallingen beschreef.
1694 den 6 ocktober ben ick op Aamelant ontboeden bij een grottschipers vrouw. Hadde 5 daagen in arrbeit van 2 kinders gewest. Het erste war levendig gekomen, het leste qwam 2 dagen dar nae doodt sinde. En blef de naegebort[e] achter. En most ick don nog over de see gehalt. Doen ick de dör in qwam, lichte sij haar over eynde [en] seyde tegen mij: vrouwtie, gij komt te laat. Dar mede storf sij terstont, also ick verschrickt wyr. Og arrme marrtelars, dy onder sullcke marrtelars van vroetvrouwen komen.
maandag 5 oktober 2026
Giuseppe Verdi • 5 oktober 1887
• Uit een brief van de Italiaanse componist Giuseppe Verdi (1813-1901) aan componist Arrigo Boito. Uit: Autobiografie in brieven (vertaald door Yolanda Bloemen).
Sant' Agata, 5 oktober 1887
Als u me belooft me er voor te prijzen, noch te blameren, zend ik u enkele namen, de eerste die me te binnen schieten. Het zijn er meer dan zes, maar er zijn zoveel goede in die periode, dat het moeilijk is te kiezen.
16de eeuw: *Palestrina (in primis et ante omnia), Victoria, Luca Marenzio (een heel zuivere schrijver), Allegri (die van het Miserere), en heel veel andere goede schrijvers uit die eeuw, met uitzondering van Monteverdi die niet goed was in het verdelen van de partijen. Begin 17de eeuw: Carissimi, Cavalli. Later: Lotti, *Scarlatti Alessandro (die ook voorbeeldig is in zijn harmonieën), *Marcello, Leo. Begin 18de eeuw: *Pergolesi, Jommelli. Later: *Piccinni (de eerste, meen ik, die Quintetten en Sextetten etc. schreef. Componist van de eerste echte opera buffa, Cecchina.
Als u er werkelijk slechts zes wilt, lijkt me dat diegene die zijn aangegeven met * de voorkeur verdienen. Later hebben we Paisiello, Cimarosa, Gughelmi Pietro etc. etc.; vervolgens Cherubini etc.
Ik wens u veel succes; en als u slaagt doet u zegenrijk werk, want de jeugd (ik spreek niet van de scholen die heel goed kunnen zijn) studeert de verkeerde dingen, is op de verkeerde weg. […] Wanneer men goed begrijpt wat er gecomponeerd moet worden, en wat voor karakter er gecreëerd moet worden of wat voor passie geschilderd, wordt men niet zo eenvoudig van het rechte pad gebracht door bizarre ideeën en extravaganties van vocale of instrumentale aard.420-2019>
Sant' Agata, 5 oktober 1887
Als u me belooft me er voor te prijzen, noch te blameren, zend ik u enkele namen, de eerste die me te binnen schieten. Het zijn er meer dan zes, maar er zijn zoveel goede in die periode, dat het moeilijk is te kiezen.
16de eeuw: *Palestrina (in primis et ante omnia), Victoria, Luca Marenzio (een heel zuivere schrijver), Allegri (die van het Miserere), en heel veel andere goede schrijvers uit die eeuw, met uitzondering van Monteverdi die niet goed was in het verdelen van de partijen. Begin 17de eeuw: Carissimi, Cavalli. Later: Lotti, *Scarlatti Alessandro (die ook voorbeeldig is in zijn harmonieën), *Marcello, Leo. Begin 18de eeuw: *Pergolesi, Jommelli. Later: *Piccinni (de eerste, meen ik, die Quintetten en Sextetten etc. schreef. Componist van de eerste echte opera buffa, Cecchina.
Als u er werkelijk slechts zes wilt, lijkt me dat diegene die zijn aangegeven met * de voorkeur verdienen. Later hebben we Paisiello, Cimarosa, Gughelmi Pietro etc. etc.; vervolgens Cherubini etc.
Ik wens u veel succes; en als u slaagt doet u zegenrijk werk, want de jeugd (ik spreek niet van de scholen die heel goed kunnen zijn) studeert de verkeerde dingen, is op de verkeerde weg. […] Wanneer men goed begrijpt wat er gecomponeerd moet worden, en wat voor karakter er gecreëerd moet worden of wat voor passie geschilderd, wordt men niet zo eenvoudig van het rechte pad gebracht door bizarre ideeën en extravaganties van vocale of instrumentale aard.420-2019>
Theodor Fontane • 4 oktober 1870
• De Duitse schrijver Theodor Fontane (1819-1898) was een oorspronkelijk briefschrijver. Hij maakte van elke brief – hier aan zijn echtgenote Emilie – een gebeurtenis, door de geadresseerde zo veel mogelijk op een persoonlijke manier trachtte aan te spreken, vrij van elk cliché of formalisme.
Uit: Brieven (vertaald door Tinke Davids).
Toul, 4 oktober 1870
Opnieuw zit ik aan een wankel tafeltje om je te schrijven; alle tafels hier lijken wankel, net als het land zelf. Wat een verkeerd beeld hebben wij van dit land gehad! Wij dachten dat het rijk was, bloeiend, uiterlijk welvarend, fraai in zijn steden. Van dat alles is maar weinig aanwezig, althans je ziet er niets van; het is mogelijk dat in de banken, in de kisten en kasten een zekere rijkdom te vinden is; in het zichtbare is daar niets van te merken. Overal waar je in Duitsland reist, krijg je de indruk van vooruitgang, van ascendance, hier overal die van teruggang, van verval. Men heeft zich om de wereld daarbuiten niet bekommerd en is door die wereld volledig ingehaald. Zelfs Oostenrijk, voor zover ik het ken, maakt niet zo sterk de indruk van stagnatie als dit moderne Frankrijk. Je voelt duidelijk dat ze wel moesten verliezen; alle kracht, alle frisheid, alle ambitie, alle intelligentie die om zich heen kijkt, is aan onze zijde. [...] Goed heb ik tot op heden alleen de bedden gevonden; voor het overige geen spoor van luxe, comfort, elegantie. Natuurlijk bestaat dat alles wel, maar wanneer je bijna acht dagen in een land bent en voor een deel goede hotels en cafés hebt bezocht, wil je toch ook iets daarvan zien. Het eten is goed, het ontbijt erbarmelijk; de 'tafelwijn' de verschrikking van alle Duitsers.443-2019>
Toul, 4 oktober 1870
Opnieuw zit ik aan een wankel tafeltje om je te schrijven; alle tafels hier lijken wankel, net als het land zelf. Wat een verkeerd beeld hebben wij van dit land gehad! Wij dachten dat het rijk was, bloeiend, uiterlijk welvarend, fraai in zijn steden. Van dat alles is maar weinig aanwezig, althans je ziet er niets van; het is mogelijk dat in de banken, in de kisten en kasten een zekere rijkdom te vinden is; in het zichtbare is daar niets van te merken. Overal waar je in Duitsland reist, krijg je de indruk van vooruitgang, van ascendance, hier overal die van teruggang, van verval. Men heeft zich om de wereld daarbuiten niet bekommerd en is door die wereld volledig ingehaald. Zelfs Oostenrijk, voor zover ik het ken, maakt niet zo sterk de indruk van stagnatie als dit moderne Frankrijk. Je voelt duidelijk dat ze wel moesten verliezen; alle kracht, alle frisheid, alle ambitie, alle intelligentie die om zich heen kijkt, is aan onze zijde. [...] Goed heb ik tot op heden alleen de bedden gevonden; voor het overige geen spoor van luxe, comfort, elegantie. Natuurlijk bestaat dat alles wel, maar wanneer je bijna acht dagen in een land bent en voor een deel goede hotels en cafés hebt bezocht, wil je toch ook iets daarvan zien. Het eten is goed, het ontbijt erbarmelijk; de 'tafelwijn' de verschrikking van alle Duitsers.443-2019>
zondag 4 oktober 2026
Nic van Bruggen • 3 oktober 1974
• Nic van Bruggen (1938-1991) was een Belgische dichter. Het fragment is afkomstig uit zijn
Uit het Dagboek van een Pink Poet.
Op donderdag 3 oktober 1974, in het befaamde restaurant De Rooden Hoed (we hadden drie dagen eerder Marnix Gijsen als Pink Poet geïnaugureerd in het vertrouwde La Rade) spreek ik na de kreeftensoep en de saumon doux de p.p. installatie-toespraak tot Paul de Vree en Albert Szukalski. Daags tevoren had men mij verteld dat ene Obbels, die zich gevoeglijkerwijze liefst Hannelore laat noemen en wiens geschriften er al even goed uitzien als zijn pakken, in zekere Grobbendonksche brieven (de universaliteit van de titel alleen al) mijn vriend P.C en mezelf aanduidt als 'het meest dégoutante verschijnsel in onze literatuur... dat eraan houdt in dure restaurants elkaar op te hemelen'. Of zoiets in die vriendelijke zin.
Om het kreunen des heren Obbels meteen in het gelijk te stellen besluit ik mijn toespraak met deze zin: "Glorieuze Vrienden, Prachtige Paul, Luisterrijke Albert, vrij vergeefs heb ik deze namiddag in mijn bad bij het beluisteren van renaissance muziek in een lucht zwaar van Calèche geuren, gezocht naar een sakraal, inaugererend, kronend woord om Paul en Albert hier aan onze harten te drukken, als kunstenaar en als Pink... ik heb niets beters gevonden dan een zin van Oscar Wilde, het verhaal van het tijdeloze Pinke: We can forgive a man for making a useful thïng as long as he does not admire it, the only excuse for making a useless thing is to admire it intensely." Dan is de schaapsragout er. 400-2018>
Op donderdag 3 oktober 1974, in het befaamde restaurant De Rooden Hoed (we hadden drie dagen eerder Marnix Gijsen als Pink Poet geïnaugureerd in het vertrouwde La Rade) spreek ik na de kreeftensoep en de saumon doux de p.p. installatie-toespraak tot Paul de Vree en Albert Szukalski. Daags tevoren had men mij verteld dat ene Obbels, die zich gevoeglijkerwijze liefst Hannelore laat noemen en wiens geschriften er al even goed uitzien als zijn pakken, in zekere Grobbendonksche brieven (de universaliteit van de titel alleen al) mijn vriend P.C en mezelf aanduidt als 'het meest dégoutante verschijnsel in onze literatuur... dat eraan houdt in dure restaurants elkaar op te hemelen'. Of zoiets in die vriendelijke zin.
Om het kreunen des heren Obbels meteen in het gelijk te stellen besluit ik mijn toespraak met deze zin: "Glorieuze Vrienden, Prachtige Paul, Luisterrijke Albert, vrij vergeefs heb ik deze namiddag in mijn bad bij het beluisteren van renaissance muziek in een lucht zwaar van Calèche geuren, gezocht naar een sakraal, inaugererend, kronend woord om Paul en Albert hier aan onze harten te drukken, als kunstenaar en als Pink... ik heb niets beters gevonden dan een zin van Oscar Wilde, het verhaal van het tijdeloze Pinke: We can forgive a man for making a useful thïng as long as he does not admire it, the only excuse for making a useless thing is to admire it intensely." Dan is de schaapsragout er. 400-2018>
donderdag 1 oktober 2026
Gaspard Bart • 2 oktober 1622
• Een 'dagboekgedicht' van Adriaan de Roover (1923-2016).
Uit het Dagboek van Gaspard Bart
2 Oktober 1622.
Harmen Kleuter lag, nog voor de nacht zijn einde kende,
met negen trotsche schepen voor de wateren van Oostende.
Toch kwam Jan Jacobsen onverschrokken uit zijn muit
en zeilde met twee Spaansche barken de haven uit.
Jan Jacobsen stond op de voorplecht en keek naar Harmens vloot,
wijl hij kalm zijn maten een sneller vaart gebood.
Maar admiraal Kleuter dwong Jacobsen tot den strijd.
- De Spaansche barken vluchtten, al vloeken en tieren ten spijt.
Zoo stond Jan Jacobsen alleen voor die Hollandsche macht,
lijk altijd betrouwend op God en eigen zeemanskracht.
Toen brak de hel los uit honderden dreunende monden,
want Harmen Kleuters jongens vuurden wat ze vuren konden.
Maar slag om slinger gaf Jan Jacobsen antwoord.
- Die stond lijk een David wijdbeens aan bakboord. -
En hij schoot juist dat weet die Hollandsche fregat,
die zonk met een kogel vlak onder het kluisgat.
En toen de sterren dien avond weer aan den hemel zaten,
stond Jacobsen nog aan boord met twaalf levende maten.
Daar was ik bij; en ik bad mijn akt van berouw,
want Harmen Kleuter dreef ons geducht in het nauw.
‘Nu komt het einde’ - zei Jan Jacobsen bedaard
en hij streek met zijn hand langs zijn stoppelbaard.
Wijl klommen de Hollanders op voor- en achtersteven
en schreeuwden tot Jacobsen zich over te geven.
‘Bij God, Jan Jacobsen geeft niet gewonnen!’
en hij schoot zijn pistool door een der buskruittonnen.
- Toen verging mij de wereld in scheurende knallen. -
Maar vijftig Hollanders zijn mee de zee ingevallen.
En ik leefde en sloeg naar het wrakhout met handen,
die gruwelijk verschroeid in het pekelnat brandden.
- Jan Jacobsens schip was verdwenen, maar naast mij rees de boeg
van een Hollandsch fregat dat den naam Esperance droeg.
En schimmen bogen en wierpen een touw naar omlaag,
maar dat sneed in mijn palmen als een timmermanszaag.
Ik beet in de koord en rees, maar viel met kramp in mijn nek;
beet weer en rees hooger... toen viel ik in zwijm op het dek.
Ik heb dat later in mijn dagboek geschreven;
zoo blijft een gedachtenis verder leven.
- ‘Voor Jan Jacobsen stierven vierhonderd te gaar,
ik was toen nog scheepsjongen van zestien jaar.’ -
Adriaan de Roover (1923-2016)
Uit het Dagboek van Gaspard Bart
2 Oktober 1622.
Harmen Kleuter lag, nog voor de nacht zijn einde kende,
met negen trotsche schepen voor de wateren van Oostende.
Toch kwam Jan Jacobsen onverschrokken uit zijn muit
en zeilde met twee Spaansche barken de haven uit.
Jan Jacobsen stond op de voorplecht en keek naar Harmens vloot,
wijl hij kalm zijn maten een sneller vaart gebood.
Maar admiraal Kleuter dwong Jacobsen tot den strijd.
- De Spaansche barken vluchtten, al vloeken en tieren ten spijt.
Zoo stond Jan Jacobsen alleen voor die Hollandsche macht,
lijk altijd betrouwend op God en eigen zeemanskracht.
Toen brak de hel los uit honderden dreunende monden,
want Harmen Kleuters jongens vuurden wat ze vuren konden.
Maar slag om slinger gaf Jan Jacobsen antwoord.
- Die stond lijk een David wijdbeens aan bakboord. -
En hij schoot juist dat weet die Hollandsche fregat,
die zonk met een kogel vlak onder het kluisgat.
En toen de sterren dien avond weer aan den hemel zaten,
stond Jacobsen nog aan boord met twaalf levende maten.
Daar was ik bij; en ik bad mijn akt van berouw,
want Harmen Kleuter dreef ons geducht in het nauw.
‘Nu komt het einde’ - zei Jan Jacobsen bedaard
en hij streek met zijn hand langs zijn stoppelbaard.
Wijl klommen de Hollanders op voor- en achtersteven
en schreeuwden tot Jacobsen zich over te geven.
‘Bij God, Jan Jacobsen geeft niet gewonnen!’
en hij schoot zijn pistool door een der buskruittonnen.
- Toen verging mij de wereld in scheurende knallen. -
Maar vijftig Hollanders zijn mee de zee ingevallen.
En ik leefde en sloeg naar het wrakhout met handen,
die gruwelijk verschroeid in het pekelnat brandden.
- Jan Jacobsens schip was verdwenen, maar naast mij rees de boeg
van een Hollandsch fregat dat den naam Esperance droeg.
En schimmen bogen en wierpen een touw naar omlaag,
maar dat sneed in mijn palmen als een timmermanszaag.
Ik beet in de koord en rees, maar viel met kramp in mijn nek;
beet weer en rees hooger... toen viel ik in zwijm op het dek.
Ik heb dat later in mijn dagboek geschreven;
zoo blijft een gedachtenis verder leven.
- ‘Voor Jan Jacobsen stierven vierhonderd te gaar,
ik was toen nog scheepsjongen van zestien jaar.’ -
Adriaan de Roover (1923-2016)
woensdag 30 september 2026
Marion Vredeling • 1 oktober 1993
• Marion Vredeling (1954, dochter van PvdA-politicus Henk Vredeling) publiceerde dagboekfragmenten over wraak en vergelding in Lust en gratie.
1 oktober 1993 • In ippi bezocht ik in Mexico een indiaanse imker die angelloze bijen cultiveert. Ik interesseer me voor de pre-Spaanse bijenteelt en schrijf er een boek over. De imker vertelde dat de bijen zich gewaardeerd moeten voelen. Anders nemen de bijengoden wraak: ze wenken de bijenkoningin en deze kan er dan met haar volk vandoor gaan. Vandaag las ik in een boek over Rigoberta Menchu, de Guatamalteekse Nobelprijswinnares, een verhaal dat ‘familie’ is van dat van de imker:
‘Ieder kind dat bij de Maya's in Guatamala wordt geboren, heeft zijn eigen nahual. Dit is een dier dat de geest belichaamt die dit nieuw geboren kind tijdens haar leven zal beschermen. Een soort dierlijke “engelbewaarder”. Mijn nahual is als mijn schaduw die altijd bij mij is. De nahual is doorgaans een dier. Mijn nahual verbindt me met de natuur, hij vertegenwoordigt de aarde, de dieren, het water en de zon. Voor ons is de nahual als een persoon, parallel aan de mens. Wij kunnen er enkel in beelden over spreken.
Als kind leren we dat onze nahual heel erg belangrijk is, en dat we dieren niet zomaar mogen doden, want dat ieder dier als nahual bij een mens hoort en dat de persoon wiens nahual we doden zich dan tegen ons keert en wraak neemt.’
Een vergelijking drong zich op. De angst voor wraak waarover ik las leek op de ‘moderne’ angst die in onze welvaartstaten om zich heen grijpt: de angst voor vergiftiging, de vrees dat niet de góden, maar de natuur in haar geheel het ons ‘betaald’ zal zetten of ‘zich wreken zal’ omdat wij haar liefdeloos en respectloos behandelen, haar schaamteloos exploiteren, haar ontbossen en (genetisch) manipuleren. Tegenwoordig proberen we ons tegen dit soort ‘wraak’ te beschermen door lid te worden van een organisatie. Maar net als in de religie worden we op onze beurt voor dit lidmaatschap gestraft: eenmaal in het leven geroepen door de contributies die wij betalen, proberen deze organisaties hun macht en budget verder te vergroten en boezemen ze ons steeds grotere angsten voor die zogenaamde ‘weerwraak van de natuur’ in. ‘Let's scare them to death,’ zei een vooraanstaande medewerker van een milieu-organisatie toen hem werd gevraagd zijn beroepsstrategie toe te lichten.’
1 oktober 1993 • In ippi bezocht ik in Mexico een indiaanse imker die angelloze bijen cultiveert. Ik interesseer me voor de pre-Spaanse bijenteelt en schrijf er een boek over. De imker vertelde dat de bijen zich gewaardeerd moeten voelen. Anders nemen de bijengoden wraak: ze wenken de bijenkoningin en deze kan er dan met haar volk vandoor gaan. Vandaag las ik in een boek over Rigoberta Menchu, de Guatamalteekse Nobelprijswinnares, een verhaal dat ‘familie’ is van dat van de imker:
‘Ieder kind dat bij de Maya's in Guatamala wordt geboren, heeft zijn eigen nahual. Dit is een dier dat de geest belichaamt die dit nieuw geboren kind tijdens haar leven zal beschermen. Een soort dierlijke “engelbewaarder”. Mijn nahual is als mijn schaduw die altijd bij mij is. De nahual is doorgaans een dier. Mijn nahual verbindt me met de natuur, hij vertegenwoordigt de aarde, de dieren, het water en de zon. Voor ons is de nahual als een persoon, parallel aan de mens. Wij kunnen er enkel in beelden over spreken.
Als kind leren we dat onze nahual heel erg belangrijk is, en dat we dieren niet zomaar mogen doden, want dat ieder dier als nahual bij een mens hoort en dat de persoon wiens nahual we doden zich dan tegen ons keert en wraak neemt.’
Een vergelijking drong zich op. De angst voor wraak waarover ik las leek op de ‘moderne’ angst die in onze welvaartstaten om zich heen grijpt: de angst voor vergiftiging, de vrees dat niet de góden, maar de natuur in haar geheel het ons ‘betaald’ zal zetten of ‘zich wreken zal’ omdat wij haar liefdeloos en respectloos behandelen, haar schaamteloos exploiteren, haar ontbossen en (genetisch) manipuleren. Tegenwoordig proberen we ons tegen dit soort ‘wraak’ te beschermen door lid te worden van een organisatie. Maar net als in de religie worden we op onze beurt voor dit lidmaatschap gestraft: eenmaal in het leven geroepen door de contributies die wij betalen, proberen deze organisaties hun macht en budget verder te vergroten en boezemen ze ons steeds grotere angsten voor die zogenaamde ‘weerwraak van de natuur’ in. ‘Let's scare them to death,’ zei een vooraanstaande medewerker van een milieu-organisatie toen hem werd gevraagd zijn beroepsstrategie toe te lichten.’
Michael Palin • 30 september 1988
• Michael (Monty Python) Palin (1943) deed in 1988 voor de BBC een reis om de wereld in tachtig dagen, en hield daarvan een dagboek bij. Vertaling door Rika Vliek en Ingrid van Dam.
[...] Het hoogtepunt van mijn laatste dag aan boord van de Espresso Egitto is een feestelijk diner. De mensen van de Adriatische Scheepvaartmaatschappij zijn ons buitengewoom ter wille geweest en willen er nog een schepje bovenop doen. Ann Passepartout stelt voor twee tafels naast elkaar te zetten, en beseft naderhand pas dat die tafels aan de vloer zijn vastgeschroefd. Maar voor ze hen ervan kan weerhouden, zijn Eros, de somber ogende hofmeester, verscheidene obers en een ingenieur al begonnen met het aanleggen van een houten brug van tafel naar tafel. 's Middags krijg ik de kombuis te zien. waar Franco samen met elf anderen een diner voor driehonderd man voorbereidt. Franco, een Napolitaan die al 27 jaar voor deze Adriatische scheepvaartmaatschappij werkt, geeft me nog gauw even een les in het broodbakken. De essentie ervan schijnt beheerste paniek te zijn. Wanneer het deeg eenmaal klaar is, begint Franco in ijltempo te kneden, te draaien, te knopen, te vouwen, te mompelen en te vloeken en produceert dan binnen een minuut ongeveer 25 rolletjes, die een onbarmhartige toeschouwer zou vergelijken met een aantal bijzonder vreemd gevormde hondedrollen. Zonder mijn overdreven gevoel van eigenwaarde kwijt te raken, produceer ik na een stuk of twee vergeefse pogingen een redelijk te herkennen letter P, die ik naderhand zelf opeet.
5 uur 30: Aan dek om naar mijn laatste Europese zonsondergang te kijken. Terwijl de zon zwelt en zakt, verschijnt een zwerm vogels die voor me langs dartelen en duiken. Het zijn zwaluwen. De zon heeft me zo verblind, dat ze bloedrood lijken.
Het feestmaal van vanavond zal gefilmd worden en alle obers hebben opeens een schoon wit jasje aan. [Hofmeester] Eros, in vol ornaat, lijkt op een afgetakeld matinee-idool uit de jaren '50. Champagne, risotto di gamberi, loup de mer, kaas en luxebroodjes, rode en witte wijn blijven langskomen en stellen niet alleen de eters op de proef, maar ook de constructie onder de tafel.
Terwijl het vita piu dolce wordt, begint het schip voor het eerst van deze reis te rollen. Eros buigt zich dreigend over ons heen en krijgt steeds meer weg van Frankie Howerd. `Ze noemen me niet voor niets Eros,' verklaart hij, en na een vette knipoog draait hij zich opeens om en botst tegen een liefje op dat nog meer luxe broodjes aandraagt.
Naar mijn hut. Door ogen die onder invloed van heerlijke wijnen niet zo scherp meer zien, kan ik nog net mijn exemplaar ontwaren van de BBC's Get By In Arabic. Ik ben op pagina 2, en Egypte ligt nog maar 180 mijl van ons vandaan.
[...] Het hoogtepunt van mijn laatste dag aan boord van de Espresso Egitto is een feestelijk diner. De mensen van de Adriatische Scheepvaartmaatschappij zijn ons buitengewoom ter wille geweest en willen er nog een schepje bovenop doen. Ann Passepartout stelt voor twee tafels naast elkaar te zetten, en beseft naderhand pas dat die tafels aan de vloer zijn vastgeschroefd. Maar voor ze hen ervan kan weerhouden, zijn Eros, de somber ogende hofmeester, verscheidene obers en een ingenieur al begonnen met het aanleggen van een houten brug van tafel naar tafel. 's Middags krijg ik de kombuis te zien. waar Franco samen met elf anderen een diner voor driehonderd man voorbereidt. Franco, een Napolitaan die al 27 jaar voor deze Adriatische scheepvaartmaatschappij werkt, geeft me nog gauw even een les in het broodbakken. De essentie ervan schijnt beheerste paniek te zijn. Wanneer het deeg eenmaal klaar is, begint Franco in ijltempo te kneden, te draaien, te knopen, te vouwen, te mompelen en te vloeken en produceert dan binnen een minuut ongeveer 25 rolletjes, die een onbarmhartige toeschouwer zou vergelijken met een aantal bijzonder vreemd gevormde hondedrollen. Zonder mijn overdreven gevoel van eigenwaarde kwijt te raken, produceer ik na een stuk of twee vergeefse pogingen een redelijk te herkennen letter P, die ik naderhand zelf opeet.
5 uur 30: Aan dek om naar mijn laatste Europese zonsondergang te kijken. Terwijl de zon zwelt en zakt, verschijnt een zwerm vogels die voor me langs dartelen en duiken. Het zijn zwaluwen. De zon heeft me zo verblind, dat ze bloedrood lijken.
Het feestmaal van vanavond zal gefilmd worden en alle obers hebben opeens een schoon wit jasje aan. [Hofmeester] Eros, in vol ornaat, lijkt op een afgetakeld matinee-idool uit de jaren '50. Champagne, risotto di gamberi, loup de mer, kaas en luxebroodjes, rode en witte wijn blijven langskomen en stellen niet alleen de eters op de proef, maar ook de constructie onder de tafel.
Terwijl het vita piu dolce wordt, begint het schip voor het eerst van deze reis te rollen. Eros buigt zich dreigend over ons heen en krijgt steeds meer weg van Frankie Howerd. `Ze noemen me niet voor niets Eros,' verklaart hij, en na een vette knipoog draait hij zich opeens om en botst tegen een liefje op dat nog meer luxe broodjes aandraagt.
Naar mijn hut. Door ogen die onder invloed van heerlijke wijnen niet zo scherp meer zien, kan ik nog net mijn exemplaar ontwaren van de BBC's Get By In Arabic. Ik ben op pagina 2, en Egypte ligt nog maar 180 mijl van ons vandaan.
Abonneren op:
Posts (Atom)







