• Thea Citroen (1921- Auschwitz 1942) was kinderverzorgster. Ze was verliefd op hoogleraar Nico Donkersloot (als dichter bekend als Anthonie Donker), een soms obsessieve verliefdheid waar ze in haar dagboek veel over schreef.
Op de ochtend van die 10de mei is Donkersloot naar Rotterdam vertrokken. Thea schrijft die week in algemene termen over het oorlogsleed, maar bekent al snel dat zij eigenlijk alleen maar ‘tot gekwordens toe’ bezorgd is om hém. Op zaterdag 18 mei houdt ze het niet meer uit:
M'n laatste redmiddel was: in de Wolkenkrabber [de flat waar Donkersloot woonde] informeren, maar er was nog geen bericht. En dus: op naar Rotterdam. In den Haag bij Oom Sieg [Siegfried Citroen] geslapen en nog wist ik niets. Zondagochtend per fiets via van Kranendonk naar Rotterdam, naar de Spoorsingel, naar hem. Toen hij me opendeed en 'k wist dat-ie leefde, gezond was, had ik wel direct weer rechtsomkeert willen maken, maar hij zei: ‘loopt U even door’ en toen moest ik wel. Goed dat ik mijn tranen heb ingehouden want hij vindt me nu toch al volkomen gek. Het wonderlijke is dat het me niets kan schelen of hij me uitlacht (en dat zal hij zeker en zich een beetje beledigd voelen dat zo een scharminkel om hem naar Rotterdam fietst) nu woog werkelijk het zwaarste: te weten of hij ongedeerd was. Ter Braak en de anderen vond hij overhaast (ik ben blij dat hij nooit zoiets zal doen, maar dat wist ik eigenlijk wel) en hij was vol lieve dingen over z'n jongetje [zoontje Henk].
Hij heeft anders heel wat meegemaakt: 5 uur over A'dam - R'dam met een auto'tje, tijdens het grote bombardement in de gang gestaan met z'n vader en Henk die vroeg: ‘Ik ben niet bang, hè Vader?’ Hij kan zich merkwaardig goed beheersen: ik meldde hem de dood van Ter Braak en zijn gezicht bleef volkomen onbewogen, terwijl dit hem toch diep geschokt zal hebben. Ik heb, meen ik, enkele keren gestotterd dat ik zo blij was dat hij er goed afgekomen was en op zijn vraag of ik familie in Rotterdam had, zei ik ‘nee’. 't Was misschien beter geweest om ‘ja’ te liegen. Maar jammer genoeg gaan leugens me nooit goed af. Toen naar Delft gefietst ‘met vreugde in het hart’ naar [Dirk] Coster die me ontving met de woorden ‘U zult wel erg blij zijn’. Ik wil graag geloven dat het van mijn gezicht af te lezen was! De vorige dag was ik ook even in Delft geweest maar toen was hij er niet. Coster vond me helemaal een vreemd insect, vroeg wat ik deed, of ik hem (D) allang kende (‘nauwelijks’ zei ik, en Coster luchtte merkbaar op) en zei toen: ‘Zeker vereert U Donker's werk dermate dat U wilde weten hoe hij het maakte.’ ‘Ja’, antwoordde ik braaf. Hij houdt veel van Donker, dat kun je wel merken, maar hij is veel materiëler, ik zou haast zeggen ‘kleinbehuisder’ van binnen. Terwijl Donker zegt: ‘als ze je gaan martelen kun je ze nog altijd vóór zijn door een pilletje te nemen’, zegt Coster: ‘tja, Donkersloot en ik zullen het misschien zwaar te verantwoorden hebben, we moeten nodig eens beraadslagen.’ Coster bood me direct aan: sigaret, koffie, limonade, die ik alle weigerde (‘tuurlijk, ik kom toch zeker niet om te eten!). Hij zat me op te nemen of ik een wonderlijk gedierte was. Toch moet het wel een aardig mens zijn als Donker van hem houdt.
Zonder iemand iets te vertellen is Thea midden in die chaotische dagen van huis gegaan. Bij terugkeer vindt ze maar weinig begrip in eigen kring, bij ouders, broer, nichtje Tini, tante Lena (Anna's zuster) en haar beste vriendin Alma.
Terug in Amsterdam: Vader die me aan z'n hart knelt midden op de Dam, Moeder thuis met Karel half daas van ongerustheid, Tini met tante Lena aanwezig. Tja, toen moest het wel verteld van Donker. Wàt moest verteld. Waarom waren jullie, Alma incluis ongerust? Waarom nemen jullie het gewichtig? Er is niets gewichtigs te nemen, wanneer hij het raar vindt. En ik mag toch wel van hem houden?446-2019>
zondag 17 mei 2026
Ernst Jünger • 17 mei 1941
• Ernst Jünger (1895-1998) was een Duitse militair en schrijver (en bloemenliefhebber). Uit: Das erste Pariser Tagebuch.
Vertaling onderaan.
Vincennes, 17. Mai 1941
Nachts lag ich lange beklommen im Dunkeln, wog die Sekunden nach. Dann kam ein entsetzlicher Vormittag auf dem Kasernenhof von Vincennes. Ich war wie jemand, der sehr durstig ist: in einer Pause erquickte mich die schaumige Frische der weißen Dolden am Festungswall. Wenn ich die Blumen so still im Sonnenlicht sich breiten sehe, erscheint mir ihr Behagen unendlich tief. Ich fühle, daß sie mit Sätzen und Worten zu mir sprechen, die süß und tröstend sind, und immer ergreift mich Schmerz, daß doch kein Laut von alledem zu meinen Ohren dringt. Man wird gerufen und weiß doch nicht wohin.
Am Mittag kam der Oberst mit einem Hauptmann Höll, der ein Bild von mir malen soll und einige Zeit hierbleiben wird. Ich war abends mit ihm in der Gegend der Madeleine und kaufte für Perpetua Geschenke ein. Im Laden eines Negers, Gespräche über Kolanüsse und weißen Rum. Der ganze Nachmittag war seltsam und bestätigte mich in meiner Ansicht, daß wir es sind, die das Erlebnis dirigieren; die Welt stellt uns die Instrumentation. Wir sind geladen mit einer bestimmten Art von Kraft; es springen dann die adäquaten Ge-genstände an. So sind wir etwa männlich, und es stellen sich die Frauen ein. Oder sind kindlich, und es strömen uns Geschenke zu. Und wenn wir fromm sind — — —
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.
’s Nachts lag ik lange tijd benauwd in het donker, terwijl ik de seconden afwoog. Toen brak een verschrikkelijke voormiddag aan op de kazerneplaats van Vincennes. Ik was als iemand die hevige dorst heeft: tijdens een pauze verkwikte de schuimende frisheid van de witte bloemschermen aan de vestingwal mij. Wanneer ik de bloemen zo stil zie uitspreiden in het zonlicht, lijkt hun welbehagen mij oneindig diep. Ik voel dat zij met zinnen en woorden tot mij spreken die zoet en troostend zijn, en telkens grijpt het mij aan dat geen enkel geluid daarvan mijn oren bereikt. Men wordt geroepen en weet toch niet waarheen.
Tegen de middag kwam de kolonel met kapitein Höll, die een portret van mij zal schilderen en enige tijd hier zal blijven. ’s Avonds was ik met hem in de buurt van de Madeleine en kocht geschenken voor Perpetua. In de winkel van een neger spraken we over kolanoten en witte rum. De hele middag was vreemd en bevestigde mij in mijn opvatting dat wij het zelf zijn die de ervaring dirigeren; de wereld levert ons slechts de instrumentatie. Wij zijn geladen met een bepaalde soort kracht; vervolgens springen de passende voorwerpen daarop aan. Zo zijn wij bijvoorbeeld mannelijk, en dan dienen de vrouwen zich aan. Of wij zijn kinderlijk, en dan stromen de geschenken ons tegemoet. En wanneer wij vroom zijn — — —
Vertaling onderaan.
Vincennes, 17. Mai 1941
Nachts lag ich lange beklommen im Dunkeln, wog die Sekunden nach. Dann kam ein entsetzlicher Vormittag auf dem Kasernenhof von Vincennes. Ich war wie jemand, der sehr durstig ist: in einer Pause erquickte mich die schaumige Frische der weißen Dolden am Festungswall. Wenn ich die Blumen so still im Sonnenlicht sich breiten sehe, erscheint mir ihr Behagen unendlich tief. Ich fühle, daß sie mit Sätzen und Worten zu mir sprechen, die süß und tröstend sind, und immer ergreift mich Schmerz, daß doch kein Laut von alledem zu meinen Ohren dringt. Man wird gerufen und weiß doch nicht wohin.
Am Mittag kam der Oberst mit einem Hauptmann Höll, der ein Bild von mir malen soll und einige Zeit hierbleiben wird. Ich war abends mit ihm in der Gegend der Madeleine und kaufte für Perpetua Geschenke ein. Im Laden eines Negers, Gespräche über Kolanüsse und weißen Rum. Der ganze Nachmittag war seltsam und bestätigte mich in meiner Ansicht, daß wir es sind, die das Erlebnis dirigieren; die Welt stellt uns die Instrumentation. Wir sind geladen mit einer bestimmten Art von Kraft; es springen dann die adäquaten Ge-genstände an. So sind wir etwa männlich, und es stellen sich die Frauen ein. Oder sind kindlich, und es strömen uns Geschenke zu. Und wenn wir fromm sind — — —
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.
’s Nachts lag ik lange tijd benauwd in het donker, terwijl ik de seconden afwoog. Toen brak een verschrikkelijke voormiddag aan op de kazerneplaats van Vincennes. Ik was als iemand die hevige dorst heeft: tijdens een pauze verkwikte de schuimende frisheid van de witte bloemschermen aan de vestingwal mij. Wanneer ik de bloemen zo stil zie uitspreiden in het zonlicht, lijkt hun welbehagen mij oneindig diep. Ik voel dat zij met zinnen en woorden tot mij spreken die zoet en troostend zijn, en telkens grijpt het mij aan dat geen enkel geluid daarvan mijn oren bereikt. Men wordt geroepen en weet toch niet waarheen.
Tegen de middag kwam de kolonel met kapitein Höll, die een portret van mij zal schilderen en enige tijd hier zal blijven. ’s Avonds was ik met hem in de buurt van de Madeleine en kocht geschenken voor Perpetua. In de winkel van een neger spraken we over kolanoten en witte rum. De hele middag was vreemd en bevestigde mij in mijn opvatting dat wij het zelf zijn die de ervaring dirigeren; de wereld levert ons slechts de instrumentatie. Wij zijn geladen met een bepaalde soort kracht; vervolgens springen de passende voorwerpen daarop aan. Zo zijn wij bijvoorbeeld mannelijk, en dan dienen de vrouwen zich aan. Of wij zijn kinderlijk, en dan stromen de geschenken ons tegemoet. En wanneer wij vroom zijn — — —
Beb Vuyk • 16 mei 1945
• De Nederlandse schrijfster Beb Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.
Half mei 1945
De laatste maanden is het werk zwaarder geworden. Het heeft weinig geregend, en de kenteringsbuien bleven uit. Door de droogte moet er meer begoten worden. De oude plantersvrouw heeft het er erg moeilijk mee. Iedere dag is ze vierentwintig uur ouder geworden. Ze klaagt niet meer, ze heeft de kracht niet meer om te klagen, en zonder dat het afgesproken is, proberen we haar te ontzien. We zijn een kleine groep en Popeye [bijnaam voor hun Japanse toezichthouder] heeft dat blijkbaar ook in de gaten, want hij heeft beloofd dat we versterking krijgen als de nieuwelingen er zijn, de volgende week, heeft hij tegen Rien gezegd; dat weten we dus alweer.
16 mei 1945
Het restant van de Tjihapit-mensen [uit een nader kamp] is vandaag aangekomen. Het moeten er zo'n zevenhonderd of meer zijn, met overstelpend veel barang [bagage], in zware leren handkoffers en nog zwaardere houten hutkoffers. De Japanners zijn woedend over de grote hoeveelheid goederen (geborduurde lakens en damasten tafelkleden), waar sommige nieuwelingen mee zijn komen aanzetten. De fout ligt bij Nippon zelf, hun collega's in Bandoeng die dat hadden toegestaan. Maar zoals gewoonlijk wanneer in hun gelederen iets is misgegaan, koelen ze hun woede op ons, hun gevangenen. `Twintig kilo en niet meer,' schreeuwen ze, de rest wordt in beslag genomen. Ze laten alle bagage naar het grote veld brengen en controleren die stuk voor stuk. Als de schemer valt zijn ze er nog niet klaar mee. De vrouwen worden naar de barakken gejaagd, de geopende koffers blijven achter op het veld, bewaakt door de heiho's [inheemse hulpsoldaat]. In kussenslopen gestouwd, in bundels gebonden, dragen ze hun twintig kilo mee. Er zijn er nogal wat die huilen.
Half mei 1945
De laatste maanden is het werk zwaarder geworden. Het heeft weinig geregend, en de kenteringsbuien bleven uit. Door de droogte moet er meer begoten worden. De oude plantersvrouw heeft het er erg moeilijk mee. Iedere dag is ze vierentwintig uur ouder geworden. Ze klaagt niet meer, ze heeft de kracht niet meer om te klagen, en zonder dat het afgesproken is, proberen we haar te ontzien. We zijn een kleine groep en Popeye [bijnaam voor hun Japanse toezichthouder] heeft dat blijkbaar ook in de gaten, want hij heeft beloofd dat we versterking krijgen als de nieuwelingen er zijn, de volgende week, heeft hij tegen Rien gezegd; dat weten we dus alweer.
16 mei 1945
Het restant van de Tjihapit-mensen [uit een nader kamp] is vandaag aangekomen. Het moeten er zo'n zevenhonderd of meer zijn, met overstelpend veel barang [bagage], in zware leren handkoffers en nog zwaardere houten hutkoffers. De Japanners zijn woedend over de grote hoeveelheid goederen (geborduurde lakens en damasten tafelkleden), waar sommige nieuwelingen mee zijn komen aanzetten. De fout ligt bij Nippon zelf, hun collega's in Bandoeng die dat hadden toegestaan. Maar zoals gewoonlijk wanneer in hun gelederen iets is misgegaan, koelen ze hun woede op ons, hun gevangenen. `Twintig kilo en niet meer,' schreeuwen ze, de rest wordt in beslag genomen. Ze laten alle bagage naar het grote veld brengen en controleren die stuk voor stuk. Als de schemer valt zijn ze er nog niet klaar mee. De vrouwen worden naar de barakken gejaagd, de geopende koffers blijven achter op het veld, bewaakt door de heiho's [inheemse hulpsoldaat]. In kussenslopen gestouwd, in bundels gebonden, dragen ze hun twintig kilo mee. Er zijn er nogal wat die huilen.
donderdag 14 mei 2026
Katja Staartjes • 15 mei 1999
• Katja Staartjes (1963) bereikte in 1999 als eerste Nederlandse vrouw de top van de Mount Everest. Haar dagboek van die expeditie is te vinden in Hoog spel.
14 mei. Vannacht is Michael niet komen opdagen. Ik voel me als verdoofd. Ik staar voor me uit. Om me heen is het een puinhoop. Alles is bedekt met ijskristallen. Ik heb het steenkoud en de tent klappert als een gek. Ik zet het tentdoek vast met de zware zak sneeuw. Mike is intussen naar buiten gegaan om te over-eggen met Nick en Lhakpa Gelu. Ik kan me tot niets zetten. Aankleden hoeft in ieder geval niet, want ik heb alles aangehouden. Wel krap, met een donsbroek in een mummieslaapzak. Mike kruipt de tent binnen. Hij en Nick zullen samen met vier Sherpa's op Zuidcol blijven als de rest afdaalt naar kamp 2. Hij overtuigt me dat we moeten gaan, ondanks Michael en de storm. Ik weet dat Mike gelijk heeft. Inmiddels zit ik al ruim drie etmalen in de Zone des Doods. De tijd begint te dringen...
[...]
Terneergeslagen zitten we bij elkaar in de grote tent. Niemand zegt iets. Alleen de geluiden van de bulderende storm zijn te horen. Om de tent overeind te houden fungeren om de beurt twee teamleden als extra tentstok. Tergend langzaam tikt de klok door. Deze keerzijde van de berg hadden we tot nog toe niet gezien. Op dit moment beslist De Berg. Michael Matthews, onze jongste teamgenoot, heeft het niet gehaald. Wel de top, maar niet terug. Hij heeft de top met de dood moeten bekopen. Het Everest-spel is voor hem niet goed afgelopen.
15 mei. Verder afdalen. De zon schijnt en de wind is weg. Alsof hij nooit gewaaid heeft vannacht. Het is zelfs warm. Ik ben na de afgelopen dagen bijna vergeten wat dat is, warmte. Ik doe enkele kledingstukken uit en prop ze in mijn overvolle rugzak. Hij gaat nauwelijks nog dicht. Ik draai me om en kijk naar boven. Nog net is zij te zien, de Everest. De laatste keer van zo dichtbij. Ik doe mijn ogen dicht. Ik ben van deze berg gaan houden, met haar wat lompe, maar zo karakteristieke vorm. 'Bedankt voor de beklimming van uw hoogste flanken. Ik voel me bevoorrecht,' fluister ik. Mijn gedachten gaan naar Michael. Het is niet eerlijk. Hij was nog zo jong. Ik kende hem niet bijzonder goed, omdat hij tijdens de aanloop en de maaltijden in de andere helft van de ploeg zat en we toevallig ook nauwelijks samen geklommen hebben. Onvoorstelbaar eigenlijk. Al die weken maakten we deel uit van dezelfde expeditie.
[...]191-2014>
14 mei. Vannacht is Michael niet komen opdagen. Ik voel me als verdoofd. Ik staar voor me uit. Om me heen is het een puinhoop. Alles is bedekt met ijskristallen. Ik heb het steenkoud en de tent klappert als een gek. Ik zet het tentdoek vast met de zware zak sneeuw. Mike is intussen naar buiten gegaan om te over-eggen met Nick en Lhakpa Gelu. Ik kan me tot niets zetten. Aankleden hoeft in ieder geval niet, want ik heb alles aangehouden. Wel krap, met een donsbroek in een mummieslaapzak. Mike kruipt de tent binnen. Hij en Nick zullen samen met vier Sherpa's op Zuidcol blijven als de rest afdaalt naar kamp 2. Hij overtuigt me dat we moeten gaan, ondanks Michael en de storm. Ik weet dat Mike gelijk heeft. Inmiddels zit ik al ruim drie etmalen in de Zone des Doods. De tijd begint te dringen...
[...]
Terneergeslagen zitten we bij elkaar in de grote tent. Niemand zegt iets. Alleen de geluiden van de bulderende storm zijn te horen. Om de tent overeind te houden fungeren om de beurt twee teamleden als extra tentstok. Tergend langzaam tikt de klok door. Deze keerzijde van de berg hadden we tot nog toe niet gezien. Op dit moment beslist De Berg. Michael Matthews, onze jongste teamgenoot, heeft het niet gehaald. Wel de top, maar niet terug. Hij heeft de top met de dood moeten bekopen. Het Everest-spel is voor hem niet goed afgelopen.
15 mei. Verder afdalen. De zon schijnt en de wind is weg. Alsof hij nooit gewaaid heeft vannacht. Het is zelfs warm. Ik ben na de afgelopen dagen bijna vergeten wat dat is, warmte. Ik doe enkele kledingstukken uit en prop ze in mijn overvolle rugzak. Hij gaat nauwelijks nog dicht. Ik draai me om en kijk naar boven. Nog net is zij te zien, de Everest. De laatste keer van zo dichtbij. Ik doe mijn ogen dicht. Ik ben van deze berg gaan houden, met haar wat lompe, maar zo karakteristieke vorm. 'Bedankt voor de beklimming van uw hoogste flanken. Ik voel me bevoorrecht,' fluister ik. Mijn gedachten gaan naar Michael. Het is niet eerlijk. Hij was nog zo jong. Ik kende hem niet bijzonder goed, omdat hij tijdens de aanloop en de maaltijden in de andere helft van de ploeg zat en we toevallig ook nauwelijks samen geklommen hebben. Onvoorstelbaar eigenlijk. Al die weken maakten we deel uit van dezelfde expeditie.
[...]191-2014>
woensdag 13 mei 2026
Bert Voeten • 14 mei 1941
• Bert Voeten (1918-1992) was een Nederlandse schrijver en vertaler. Zijn oorlogsdagboek werd in 1946 gepubliceerd onder de titel Doortocht.
14 Mei
„Partijgenoot Hess wordt vermist".
Headline-nieuws voor de wereldpers. Wij mochten het bericht slechts in zeer bescheiden opmaak geven.
De plaatsvervanger van Hitler had immers „een tick", zoo liet Berlijn doorschemeren.
Ja, hij was in zoo hevige mate geestesziek, dat hij rustig te Augsburg in een goed-uitgeruste machine klom en rechten koers vloog naar een punt in Schotland: het landgoed van Lord Hamilton.
De geüniformeerde fantasten van Goebbels' ministerie hebben nachtwerk gehad met het verhaal van den „tragischen idealist", die op zijn eentje met Engeland vrede wilde gaan sluiten en die een briefje had achtergelaten met de boodschap: „ïk ben over twee dagen weer terug. Rudolf".
17 Mei
In het zuidelijk deel van den Stillen Oceaan worden koortsachtig militaire toebereidselen gemaakt. De Jap praat, naar het voorbeeld van den Europeeschen pact-genoot, steeds meer over een „Groot-Oost-Aziatische levensruimte", waartoe ook onze archipel moet worden gerekend.
Het vuur kruipt langzaam voort, tot aan de randen der wereld.
25 Mei
Terwijl de Tommies Tobroek reeds weken lang hardnekkig verdedigen en den asgenooten een opdringen naar Egypte verhinderen, hebben de Duitsche luchtlandingsdivisies den sprong naar Kreta reeds gedaan en naderen zoo van deze zijde het Midden-Oosten.
Ik ben verstrikt geraakt in dit gebeuren buiten de grenzen, in aanval en tegenaanval, in verrassingen, overwinningen en terugtochten. Ik moet mijzelf vaak met geweld ontvoeren naar een verzenboek en lees dan meestal Slauerhoff. Zijn D s j e n g i s dwong mij opnieuw naar de zomersche slagvelden.
14 Mei
„Partijgenoot Hess wordt vermist".
Headline-nieuws voor de wereldpers. Wij mochten het bericht slechts in zeer bescheiden opmaak geven.
De plaatsvervanger van Hitler had immers „een tick", zoo liet Berlijn doorschemeren.
Ja, hij was in zoo hevige mate geestesziek, dat hij rustig te Augsburg in een goed-uitgeruste machine klom en rechten koers vloog naar een punt in Schotland: het landgoed van Lord Hamilton.
De geüniformeerde fantasten van Goebbels' ministerie hebben nachtwerk gehad met het verhaal van den „tragischen idealist", die op zijn eentje met Engeland vrede wilde gaan sluiten en die een briefje had achtergelaten met de boodschap: „ïk ben over twee dagen weer terug. Rudolf".
17 Mei
In het zuidelijk deel van den Stillen Oceaan worden koortsachtig militaire toebereidselen gemaakt. De Jap praat, naar het voorbeeld van den Europeeschen pact-genoot, steeds meer over een „Groot-Oost-Aziatische levensruimte", waartoe ook onze archipel moet worden gerekend.
Het vuur kruipt langzaam voort, tot aan de randen der wereld.
25 Mei
Terwijl de Tommies Tobroek reeds weken lang hardnekkig verdedigen en den asgenooten een opdringen naar Egypte verhinderen, hebben de Duitsche luchtlandingsdivisies den sprong naar Kreta reeds gedaan en naderen zoo van deze zijde het Midden-Oosten.
Ik ben verstrikt geraakt in dit gebeuren buiten de grenzen, in aanval en tegenaanval, in verrassingen, overwinningen en terugtochten. Ik moet mijzelf vaak met geweld ontvoeren naar een verzenboek en lees dan meestal Slauerhoff. Zijn D s j e n g i s dwong mij opnieuw naar de zomersche slagvelden.
Er is geen grooter wellust dan te dooden —Het evangelie van de horde.225-2016>
dinsdag 12 mei 2026
Katja Staartjes • 13 mei 1999
• Katja Staartjes (1963) bereikte in 1999 als eerste Nederlandse vrouw de top van de Mount Everest. Haar dagboek van die expeditie is te vinden in Hoog spel.
13 MEI. Het grootste gedeelte van de topklim heb ik achter de rug. Vanaf de Zuidtop op 8750 meter, kijk ik naar de rest van de route met de Hillary Step, de beroemde twaalf meter hoge rotspassage. Technisch gezien is dit het lastigste onderdeel van de hele Everest-beklimming. Ik draai de zuurstofregelaar van twee naar drieënhalve liter per minuut en verlaat de Zuidtop. De top van de wereld kan me bijna niet meer ontgaan. Ik ga de Moedergodin Chomolungma nu echt een hand geven.
Eerst een stukje omlaag. Valt niet mee. Hier viel de Amerikaanse Lauri een week geleden dus tien meter naar beneden. Zomaar door dit gat in de sneeuw. Blijven opletten. Daar zijn de touwen. Ik klim in mijn eigen tempo door. Ja, hier moet het zijn, de Hillary Step. Opstoppingen? Niets van te merken. Mijn hand zoekt steun tegen de rots en ik spreid mijn voeten met de logge schoenen. Weer een stapje verder. Ik tuur omhoog. Kan ik dit touw wel vertrouwen? Naast me bungelen enigszins luguber nog drie andere touwen, waarvan er twee met zekerheid van vorige jaren zijn. Behoedzaam zoek ik met mijn rechterhand opnieuw goed houvast in de rots. Zoveel mogelijk op mijn eigen handen en voeten vertrouwen en niet te veel in het touw hangen. Het gaat eigenlijk uitstekend zo. Is dit alles? Me voor niks zenuwachtig gemaakt of ik deze klim wel aankan. Natuurlijk kan ik dit! Ik kijk heel even naar links. Meer dan twee kilometer lager ligt kamp 2. Nee, ik ga niet vallen. Geen sprake van. Ook niet naar rechts, want dan lig ik drie kilometer lager in Tibet.
Gelukt. Ik ben weer op de sneeuw, nu nog het laatste stukje topgraat. Geen touw, blijven concentreren. Daar is het groepje, ik kom steeds dichterbij. Ineens mist. Een rood pak. Dave Rodney. We lachen naar elkaar. Ga maar voor, gebaart hij met zijn arm. Ik ga hem voorbij. Slechts heel licht stijg je hier nog. De laatste corniche voorbij, flauw naar rechts en daar ... Hoe ver is het nog? Veertig meter? Ik weet dat ik de afstanden hier niet goed meer kan inschatten. Op het topplateau van de Cho Oyu zat ik er helemaal naast. Ik zie een aantal donspakken. Dat moet de top zijn. Ik voel tranen opkomen. Wat jammer dat ik dit niet meer aan mijn vader kan vertellen. Rusten na een paar passen hoeft niet meer. In één ruk ga ik door, het gaat als vanzelf. Ik zweef, net als lang geleden tijdens een hardloopwedstrijd. Vermoeidheid bestaat niet meer.
Ik sta op de top! Het hoogste punt ter wereld, 8848 meter boven zeeniveau. Er staan een stuk of tien andere klimmers, onder wie Cos, Augusto, Lhakpa Gelu plus nog een drietal van onze Sherpa's. Ze kijken blij verrast dat ik het ben. We omhelzen elkaar. Rugzak af. Bobby zit onder de ijskristallen. Zou hij het eerste teddybeertje zijn op de top van de Everest? Ik doe mijn zuurstofmasker af. Wat een gevoel van vrijheid. Pak de fles uit mijn jaszak. Een slok. Bah, ijsthee. Nee, niets eten. Te veel werk. Jammer, weer voor niets meegesleept. Dave roept dat het half tien is. Ik reken en moeizaam kom ik tot de conclusie dat ik elf uur over de beklimming heb gedaan.
Nu nog op de foto, als bewijs. Hoe kom ik er in mijn eentje op, met dit samengepakte groepje? Maar even naar de andere kant van het kleine topje. Dan gaat het mis. Ik struikel over een rugzak. Val languit op mijn gezicht. Schuif drie meter naar voren. De mannen schrikken zich een ongeluk. Beduusd krabbel ik weer overeind. Je zult maar van de top vallen. Ik neem een paar foto's. Als ik het toestel weer wil wegstoppen, zie ik dat het niet goed ingesteld was: onderbelicht. Een nieuwe poging. Tweemaal klik. Het moet maar goed zijn zo. Op hoop van zegen.
234-2012>
13 MEI. Het grootste gedeelte van de topklim heb ik achter de rug. Vanaf de Zuidtop op 8750 meter, kijk ik naar de rest van de route met de Hillary Step, de beroemde twaalf meter hoge rotspassage. Technisch gezien is dit het lastigste onderdeel van de hele Everest-beklimming. Ik draai de zuurstofregelaar van twee naar drieënhalve liter per minuut en verlaat de Zuidtop. De top van de wereld kan me bijna niet meer ontgaan. Ik ga de Moedergodin Chomolungma nu echt een hand geven.
Eerst een stukje omlaag. Valt niet mee. Hier viel de Amerikaanse Lauri een week geleden dus tien meter naar beneden. Zomaar door dit gat in de sneeuw. Blijven opletten. Daar zijn de touwen. Ik klim in mijn eigen tempo door. Ja, hier moet het zijn, de Hillary Step. Opstoppingen? Niets van te merken. Mijn hand zoekt steun tegen de rots en ik spreid mijn voeten met de logge schoenen. Weer een stapje verder. Ik tuur omhoog. Kan ik dit touw wel vertrouwen? Naast me bungelen enigszins luguber nog drie andere touwen, waarvan er twee met zekerheid van vorige jaren zijn. Behoedzaam zoek ik met mijn rechterhand opnieuw goed houvast in de rots. Zoveel mogelijk op mijn eigen handen en voeten vertrouwen en niet te veel in het touw hangen. Het gaat eigenlijk uitstekend zo. Is dit alles? Me voor niks zenuwachtig gemaakt of ik deze klim wel aankan. Natuurlijk kan ik dit! Ik kijk heel even naar links. Meer dan twee kilometer lager ligt kamp 2. Nee, ik ga niet vallen. Geen sprake van. Ook niet naar rechts, want dan lig ik drie kilometer lager in Tibet.
Gelukt. Ik ben weer op de sneeuw, nu nog het laatste stukje topgraat. Geen touw, blijven concentreren. Daar is het groepje, ik kom steeds dichterbij. Ineens mist. Een rood pak. Dave Rodney. We lachen naar elkaar. Ga maar voor, gebaart hij met zijn arm. Ik ga hem voorbij. Slechts heel licht stijg je hier nog. De laatste corniche voorbij, flauw naar rechts en daar ... Hoe ver is het nog? Veertig meter? Ik weet dat ik de afstanden hier niet goed meer kan inschatten. Op het topplateau van de Cho Oyu zat ik er helemaal naast. Ik zie een aantal donspakken. Dat moet de top zijn. Ik voel tranen opkomen. Wat jammer dat ik dit niet meer aan mijn vader kan vertellen. Rusten na een paar passen hoeft niet meer. In één ruk ga ik door, het gaat als vanzelf. Ik zweef, net als lang geleden tijdens een hardloopwedstrijd. Vermoeidheid bestaat niet meer.
Ik sta op de top! Het hoogste punt ter wereld, 8848 meter boven zeeniveau. Er staan een stuk of tien andere klimmers, onder wie Cos, Augusto, Lhakpa Gelu plus nog een drietal van onze Sherpa's. Ze kijken blij verrast dat ik het ben. We omhelzen elkaar. Rugzak af. Bobby zit onder de ijskristallen. Zou hij het eerste teddybeertje zijn op de top van de Everest? Ik doe mijn zuurstofmasker af. Wat een gevoel van vrijheid. Pak de fles uit mijn jaszak. Een slok. Bah, ijsthee. Nee, niets eten. Te veel werk. Jammer, weer voor niets meegesleept. Dave roept dat het half tien is. Ik reken en moeizaam kom ik tot de conclusie dat ik elf uur over de beklimming heb gedaan.
Nu nog op de foto, als bewijs. Hoe kom ik er in mijn eentje op, met dit samengepakte groepje? Maar even naar de andere kant van het kleine topje. Dan gaat het mis. Ik struikel over een rugzak. Val languit op mijn gezicht. Schuif drie meter naar voren. De mannen schrikken zich een ongeluk. Beduusd krabbel ik weer overeind. Je zult maar van de top vallen. Ik neem een paar foto's. Als ik het toestel weer wil wegstoppen, zie ik dat het niet goed ingesteld was: onderbelicht. Een nieuwe poging. Tweemaal klik. Het moet maar goed zijn zo. Op hoop van zegen.
234-2012>
maandag 11 mei 2026
Henry de Montherlant • 12 mei 1972
• De in 1896 geboren Franse schrijver Henry de Montherlant, die op 21 september 1972 zelfmoord pleegde omdat hij de belemmeringen voor zijn gezondheid te groot geworden vond, schreef naast zijn omvangrijke œuvre aan romans en toneelstukken veel korte, soms bijna aforistisch aandoende notities.
12 mei 1972
Voor bepaalde mensen is het feit dat ze geen zelfmoord plegen op gevorderde leeftijd een waarachtige afwijking. De afname van je vermogens, de ziektes, soms het lijden, de last die men is voor zichzelf en die men anderen oplegt, het geld dat dat jou en de anderen kost, en dat zonder enige hoop op iets plezierigs in de toekomst! De kinderen verdragen ons met tegenzin, gesteund door de erfenis; de kleinkinderen, laten we daar maar niet over praten. Het genot, voor zover je daartoe nog in staat bent, wordt ook verwerpelijk geacht, je weet niet waarom: je bent een ‘oude geilaard’ of een ‘oud varken’. Waarom dus dat alles verdragen?
Het christendom heeft gedurende zeventien eeuwen, zonder er enige reden voor te geven, de mensen opgelegd deze afwijking te verdragen; vandaag de dag is het de maatschappij, door rond de zelfmoord een atmosfeer van strafbaarheid te scheppen. Degene die de openbare mening over de zelfmoord zou veranderen en de manieren om zelfmoord te plegen zou verbeteren, zou een weldoener van de mensheid zijn – maar gehouden worden voor een monster.
[Vertaald door Ed. Jongma]273-2016>
12 mei 1972
Voor bepaalde mensen is het feit dat ze geen zelfmoord plegen op gevorderde leeftijd een waarachtige afwijking. De afname van je vermogens, de ziektes, soms het lijden, de last die men is voor zichzelf en die men anderen oplegt, het geld dat dat jou en de anderen kost, en dat zonder enige hoop op iets plezierigs in de toekomst! De kinderen verdragen ons met tegenzin, gesteund door de erfenis; de kleinkinderen, laten we daar maar niet over praten. Het genot, voor zover je daartoe nog in staat bent, wordt ook verwerpelijk geacht, je weet niet waarom: je bent een ‘oude geilaard’ of een ‘oud varken’. Waarom dus dat alles verdragen?
Het christendom heeft gedurende zeventien eeuwen, zonder er enige reden voor te geven, de mensen opgelegd deze afwijking te verdragen; vandaag de dag is het de maatschappij, door rond de zelfmoord een atmosfeer van strafbaarheid te scheppen. Degene die de openbare mening over de zelfmoord zou veranderen en de manieren om zelfmoord te plegen zou verbeteren, zou een weldoener van de mensheid zijn – maar gehouden worden voor een monster.
[Vertaald door Ed. Jongma]273-2016>
Abonneren op:
Posts (Atom)







