• Thomas Mann (1875-1955) was een Duitse schrijver. Hij hield zijn leven lang een dagboek bij. Gedeeltes daaruit zijn in het Nederlands vertaald in Dagboeken 1918-1939.
Zaterdag 26 oktober 1918 [München] •
Brief van de arme kleine scherpzinnige Klaus P. aan Katja, waarin wij duizend mark lichter gemaakt worden. Overigens wordt eruit duidelijk dat Jakobsohn in Die Weltbühne met respect over de Betrachtungen heeft geschreven. - Vicco stuurde sigaren en sigaretten voor woekerprijzen. - Corrigeerde aan het afschrift en correspondeerde. De kinderen hebben griep-vakantie en storen mij. Het regent. - In Meresjkovski's boek wat zitten lezen: over Tolstojs dagboeken, over Toergenjev. Het laatste voortreffelijk in zijn psychologische realisme, dat ook voor het lachwekkende en afstotelijke niet terugschrikt. - Het wordt tijd dat ik weer aan het werk kom. Ik wil eerst het hexametergedicht 'An mein jüngstes Kind' doen, om met hét oog op de onzekere en op wachten ingestelde situatie in de wereld iets korts, minder wereldbeschouwlijks aan te pakken. Ik moest maar een proza-ontwerp maken en toepasselijke dingen lezen. - Ik bestelde de Idyllen en Lieder alsmede Luise van Voss, maakte tegenover K. terloops gewag van het plan van een kort dichtwerk, waaraan zij plezier zou beleven. [...]
307-2012>
zondag 25 oktober 2026
Italo Svevo • 25 oktober 1917
• Italo Svevo (1861-1928) was een Italiaanse schrijver. In Autobiografisch profiel (vertaald door Yolanda Bloemen) zijn ook dagboekfragmenten van hem opgenomen.
25 oktober 1917
Het moet de gewenning aan de bescherming zijn waarin we voortdurend leven die er voor zorgt dat we ons beter voelen tussen mensen met wie we al jaren omgaan. De anderen worden door ons als 'onbekenden' aangemerkt, terwijl we van de eersten zeggen dat we ze kennen. Al met al hebben we de behoefte te beschermen of beschermd te worden. Anders ziet onze geest geen doel in het leven. Met mensen die we 'niet kennen' is er maar één probleem: we zijn nog minder oprecht dan anders. Zo haalde ik het op een reis in mijn hoofd tegen beter weten in op dieven af te geven. Mijn gespreksgenoot was beledigd omdat hij er net met de kas vandoor ging. Zoiets overkomt me natuurlijk niet met mensen die ik ken. Met mensen die we 'niet kennen' zouden we juist oprechter kunnen zijn dan gewoonlijk omdat we ons niet compromitteren. Het zou een goede oefening zijn. Ik heb het geprobeerd, maar ik ben er niet in geslaagd doordat ik na de eerste woorden mijn gespreksgenoot 'ken'. Een blik, een uitroep zijn reeds voldoende om mij duidelijk te maken dat hij wil dat ik zus en zo in elkaar zit, en daaruit ontstaat bij mij direct de wens hem zijn zin te geven. Zo sluipt in relaties die op de meest ongebruikelijke wijze zijn aangeknoopt maar al te snel de gebruikelijke conventie binnen. Wellicht zullen we wanneer we tijd en ruimte achter ons zullen laten elkaar allemaal zo goed kennen dat dat de weg naar de oprechtheid zal zijn. We zullen elkaar meteen tutoyeren, en we zullen elkaar over en weer uitlachen zoals we verdienen. Dat zal uiteindelijk de dood betekenen van de literatuur die helaas een zeer intiem deel van ons wezen uitmaakt en we zullen allemaal bij elkaar tot in het binnenste kunnen zien. Macaber vooruitzicht.305-2016>
25 oktober 1917
Het moet de gewenning aan de bescherming zijn waarin we voortdurend leven die er voor zorgt dat we ons beter voelen tussen mensen met wie we al jaren omgaan. De anderen worden door ons als 'onbekenden' aangemerkt, terwijl we van de eersten zeggen dat we ze kennen. Al met al hebben we de behoefte te beschermen of beschermd te worden. Anders ziet onze geest geen doel in het leven. Met mensen die we 'niet kennen' is er maar één probleem: we zijn nog minder oprecht dan anders. Zo haalde ik het op een reis in mijn hoofd tegen beter weten in op dieven af te geven. Mijn gespreksgenoot was beledigd omdat hij er net met de kas vandoor ging. Zoiets overkomt me natuurlijk niet met mensen die ik ken. Met mensen die we 'niet kennen' zouden we juist oprechter kunnen zijn dan gewoonlijk omdat we ons niet compromitteren. Het zou een goede oefening zijn. Ik heb het geprobeerd, maar ik ben er niet in geslaagd doordat ik na de eerste woorden mijn gespreksgenoot 'ken'. Een blik, een uitroep zijn reeds voldoende om mij duidelijk te maken dat hij wil dat ik zus en zo in elkaar zit, en daaruit ontstaat bij mij direct de wens hem zijn zin te geven. Zo sluipt in relaties die op de meest ongebruikelijke wijze zijn aangeknoopt maar al te snel de gebruikelijke conventie binnen. Wellicht zullen we wanneer we tijd en ruimte achter ons zullen laten elkaar allemaal zo goed kennen dat dat de weg naar de oprechtheid zal zijn. We zullen elkaar meteen tutoyeren, en we zullen elkaar over en weer uitlachen zoals we verdienen. Dat zal uiteindelijk de dood betekenen van de literatuur die helaas een zeer intiem deel van ons wezen uitmaakt en we zullen allemaal bij elkaar tot in het binnenste kunnen zien. Macaber vooruitzicht.305-2016>
donderdag 22 oktober 2026
Willem Elsschot • 24 oktober 1957
• Elsschot-bewonderaar Jan C. Villerius (1933-1996) kreeg een vriendschapsband met de grote schrijver aan het eind van diens leven (1882-1960). Ze schreven elkaar regelmatig; hun correspondentie is gebundeld in Elsschot leest voor. Hieronder een brief van Elsschot (echte naam Alfons de Ridder) aan Villerius.
Antwerpen, 24.10.1957
Waarde Vriend,
ik wist natuurlijk dat u geslaagd waart [voor een opleiding tot leraar Nederlands] anders had ik er over gezwegen. Proficiat. En nu hoger op. Naar de volgende etappe.
De lezing in Utrecht heeft plaats op 31 October om 8 uur en is ingericht door de grote boekhandel Broese, Nachtegaalstraat 20, Utrecht. U zult van Broese twee toegangsbewijzen ontvangen. Het is voor u een hele reis, met een hoop onkosten en ik vrees dat het hele ding dat niet waard is. Steeds Carmiggelt en dan ik iets voorlezen* ... Ik ben blij dat het achter de rug is want Utrecht is het slotaccoord. Ik kon het aan Van Kampen [uitgever] niet weigeren, maar ik doe het nooit meer. Hoe prettig ik het ook vind u weer te zien, toch zou ik er in uw plaats nog eens over nadenken, want het is feitelijk een kluchtspel om boeken te verkopen.
Gezondheid IETS beter. Van uw pastilles heb ik enkele gebruikt maar ik zal dat doosje maar weer ter hand nemen. Dank voor de belangstelling.
MET uw teenen is Vlaams. AAN zou verkieslijk zijn**. Verander het maar in uw exemplaar, dat is dan later een souvenir.
Van [het optreden in] Amsterdam heb ik niets begrepen, maar Rotterdam vergeet ik niet licht. Daar was ten minste belangstelling.
Hartelijke groeten, ook aan uw vrouw,
A. De Ridder
* Elsschot deed een tournee langs boekhandels met Simon Carmiggelt als inleider.
** Villerius had gevraagd waarom Elsschot ergens geschreven had "Daar schele Piet reeds met Uw teenen trekt", en niet 'aan uw teenen'.
Antwerpen, 24.10.1957
Waarde Vriend,
ik wist natuurlijk dat u geslaagd waart [voor een opleiding tot leraar Nederlands] anders had ik er over gezwegen. Proficiat. En nu hoger op. Naar de volgende etappe.
De lezing in Utrecht heeft plaats op 31 October om 8 uur en is ingericht door de grote boekhandel Broese, Nachtegaalstraat 20, Utrecht. U zult van Broese twee toegangsbewijzen ontvangen. Het is voor u een hele reis, met een hoop onkosten en ik vrees dat het hele ding dat niet waard is. Steeds Carmiggelt en dan ik iets voorlezen* ... Ik ben blij dat het achter de rug is want Utrecht is het slotaccoord. Ik kon het aan Van Kampen [uitgever] niet weigeren, maar ik doe het nooit meer. Hoe prettig ik het ook vind u weer te zien, toch zou ik er in uw plaats nog eens over nadenken, want het is feitelijk een kluchtspel om boeken te verkopen.
Gezondheid IETS beter. Van uw pastilles heb ik enkele gebruikt maar ik zal dat doosje maar weer ter hand nemen. Dank voor de belangstelling.
MET uw teenen is Vlaams. AAN zou verkieslijk zijn**. Verander het maar in uw exemplaar, dat is dan later een souvenir.
Van [het optreden in] Amsterdam heb ik niets begrepen, maar Rotterdam vergeet ik niet licht. Daar was ten minste belangstelling.
Hartelijke groeten, ook aan uw vrouw,
A. De Ridder
* Elsschot deed een tournee langs boekhandels met Simon Carmiggelt als inleider.
** Villerius had gevraagd waarom Elsschot ergens geschreven had "Daar schele Piet reeds met Uw teenen trekt", en niet 'aan uw teenen'.
Gerbrand Bakker • 23 oktober 2015
• Gerbrand Bakker (1962) is een Nederlandse schrijver. Van eind 2014 tot begin 2016 hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jasper en zijn knecht. 19 oktober [Schwarzbach] Ik lees een geweldig boek. Pure van Andrew Miller. Zo'n boek dat je nauwelijks kunt wegleggen, waarin je te lang blijft lezen en dan nauwelijks meer kunt slapen. Niet door de inhoud van het boek, maar domweg door het lezen zelf, het dóór willen lezen. Het gaat over een ingenieur, Jean-Baptiste Baratte, die de opdracht krijgt de begraafplaats Les Innocents in Parijs op te ruimen, een paar jaar voor de Franse Revolutie. Jammer genoeg is het al vertaald (Puur, uitgegeven door Xander Uitgevers), anders zou ik er onmiddellijk aan beginnen. Het boek stond op de shortlist van de IMPAC van 2013, en ik heb alle acht boeken die op die shortlist stonden omdat ik via Twitter een vraag goed beantwoordde. De vraag luidde: wie won vorig jaar de IMPAC? Dat was Jon McGregor voor Even the dogs en ik was een van de eerste drie met het goede antwoord. In 2013 kreeg Kevin Barry de prijs voor City of Bohane. De winnaar was dus niet Tommy Wieringa met Caesarion, een van de andere zeven shortlisters in dat jaar.*
[...]
[Vier dagen later] Tuinmaat Han was hier. Met Jet. Jasper [Bakker's hond] en Jet spelen niet langer met elkaar, misschien zijn ze allebei puber-af. Dat ligt trouwens vooral aan Jasper, die doet ongeïnteresseerd, negeert dat kleine opdondertje. Tuinmaat Han was er om het hek af te maken. Het Jasperhek. Dat is gelukt: als ik de poort dichtdoe, kan hij niet langer ontsnappen. Het heeft even geduurd voor dit project afgerond was en in de tussentijd is Jasper veel rustiger geworden, doet hij eigenlijk nooit meer een poging om zo hard mogelijk ervandoor te rennen. Alleen als er bezoek komt, zo'n moment grijpt hij nog steeds aan, als een soort reflex, om 'm te smeren, terwijl ik verwacht dat hij het bezoek zal gaan begroeten. Ik heb inmiddels Pure uit. Ik was wat beducht voor het einde - het einde van een boek is voor een schrijver het allermoeilijkst - maar dat kwam goed. Geweldig boek. Tuinmaat Han nam vier pakken hagelslag mee, daar had ik ineens vreselijk zin in. Hagelslag is hier nergens te vinden in de supermarkten.
[...]
* Gerbrand Bakker won de IMPAC zelf in 2010, voor The Twin, de vertaling van Boven is het stil.274-2016>
Jacob Bicker Raye • 22 oktober 1751
• Amsterdammer Jacob Bicker Raye (1707-1777) hield gedurende 40 jaar een stadskroniek van Amsterdam bij.
22 October, 's middags om twee uur, was hier de droevige en onaangename tijding uit den Haag gekomen, dat in den afgeloopen nacht om twee uur, Zijn Doorluchtige Hoogheid Willem Karel Hendrik Friso, Prinse van Oranje en Nassau, onzen Erfstadhouder, na een ziekte van zes à zeven dagen, van hoofd- en keelpijn, vergezeld van koortsen en ijlhoofdigheid, dit tijdelijke voor het Eeuwige verwisseld had.
Wij krijgen nog eenige bijzonderheden. Zijnde voort een deputatie uit Haar Edl. Groot Mogende Vergadering, de Staten van Holland, ‘gedepieseert’ om Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouwe de Prinsesse te condoleeren. Nadat de weduwe van den Prins den eed als gouvernante en voogdesse van den jongen Prins had afgelegd, gingen de heeren weer heen. Maar om zeven uur was de Prinses wederom verplicht een plechtige deputatie te ontvangen; ditmaal was het er een uit het midden van de Hoog Mogenden, die met hetzelfde doel kwam. Aan deze heeren had Hare Koninklijke Hoogheid den eed als gouvernante van de Unie afgelegd.
‘Denzelfden dag werd het lichaam van Zijne Hoogvorstelijke Doorlugtighyt geopent en gebalsemt; men had seer weynig ontsteking of verderfinge in de ingewanden bevonden, hoewel de herssenen zeer geinflameert waren. Door een benauwthijt en een inflamatie was den Vorst verstikt en versmoort’.
Over dat droevige sterfgeval moesten de klokken in alle steden en dorpen acht dagen na elkander geluid worden en verder nog drie dagen voor de begrafenis en op dien dag. Driemaal daags gedurende een uur.338-2018>
22 October, 's middags om twee uur, was hier de droevige en onaangename tijding uit den Haag gekomen, dat in den afgeloopen nacht om twee uur, Zijn Doorluchtige Hoogheid Willem Karel Hendrik Friso, Prinse van Oranje en Nassau, onzen Erfstadhouder, na een ziekte van zes à zeven dagen, van hoofd- en keelpijn, vergezeld van koortsen en ijlhoofdigheid, dit tijdelijke voor het Eeuwige verwisseld had.
Wij krijgen nog eenige bijzonderheden. Zijnde voort een deputatie uit Haar Edl. Groot Mogende Vergadering, de Staten van Holland, ‘gedepieseert’ om Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouwe de Prinsesse te condoleeren. Nadat de weduwe van den Prins den eed als gouvernante en voogdesse van den jongen Prins had afgelegd, gingen de heeren weer heen. Maar om zeven uur was de Prinses wederom verplicht een plechtige deputatie te ontvangen; ditmaal was het er een uit het midden van de Hoog Mogenden, die met hetzelfde doel kwam. Aan deze heeren had Hare Koninklijke Hoogheid den eed als gouvernante van de Unie afgelegd.
‘Denzelfden dag werd het lichaam van Zijne Hoogvorstelijke Doorlugtighyt geopent en gebalsemt; men had seer weynig ontsteking of verderfinge in de ingewanden bevonden, hoewel de herssenen zeer geinflameert waren. Door een benauwthijt en een inflamatie was den Vorst verstikt en versmoort’.
Over dat droevige sterfgeval moesten de klokken in alle steden en dorpen acht dagen na elkander geluid worden en verder nog drie dagen voor de begrafenis en op dien dag. Driemaal daags gedurende een uur.338-2018>
dinsdag 20 oktober 2026
M.C. • 21 oktober 1915
• Uit: Een reis naar de Rievière in den jare 1915, door M.C.
20 Oct. • Waarom is men in Duitsch-Zwitserland toch van zoo'n fellen haat tegen Engeland bezield? Eigenlijk heb ik het nooit recht begrepen. Want in den goeden tijd, toen er nog voor pleizier gereisd werd, brachten vooral de Engelschen veel geld in 't land.
Maar vandaag had ik geluk... Luisterend naar een tafelgesprek, ving ik de volgende redeneering op, redeneering - dat moet ik er bij voegen - van den middenstands-Zwitser, hotelier en winkelier: ‘Was Engeland niet tusschenbeide gekomen, dan had Duitschland dadelijk overwonnen, zoowel Frankrijk als Rusland. De oorlog was al lang ten einde geweest. En wij, Zwitsers, hadden weer geld kunnen verdienen.’
Werkelijk! Nergens heeft de Duitsche propaganda zulke successen te boeken gehad als hier in Duitsch-Zwitserland. Ze weet ook zoo handig, den hefboom te zetten in 's menschen zwakheden. En des Zwitsers zwakheid is zoo duidelijk zijn begeerte naar geld.
21 Oct. • Bern is, wat men een mooie stad noemt: twee armen van de groene, wit-schuimende Aar snijden haar in drie deelen; bloeiende, villagekroonde heuvels omkransen haar, als een dikke vlecht het bolle gezicht van een boerenmeisje. Ja, Bern is een boerendochter... Bazel is een interessante stad, de oude stad der Kaufherren, met één' blik ten minste langs den Rijn in de wijde verte, vol van dat ouderwetsch-strenge in zich besloten intellectueele leven, dat, naar buiten het masker toonend van droge geestigheid, ondanks je zelf, bezighoudt, boeit en trekt. Zürich is de stad van het werk, van de industrie en de fabrieken, moderne stad, open voor alle invloeden. Bern is de stad van beren en boeren, door de bergen ingesloten en afgesloten, met iets in de lucht, dat neerdrukt, iets laags en zwaars in alle verhoudingen.
[...]
Men moet evenwel zijn' tijd weten waar te nemen. Want loopt men er rond, zoo tusschen elf en drie, dan bevindt zich straat aan straat in het teeken der etensgeuren. Het eten is nu eenmaal iets hoofdzakelijks hier, zwaar van gewicht als het gehalte der spijzen zelf. En een eethuis is een zaak van publiek belang. Als een oorlogsbulletin prijkt aan de post der deur het menu. Elke dag heeft ook min of meer zijn specialiteit Zoo is vooral de Maandag aan de Bratwurst gewijd.
Er zijn er eethuizen van allerlei soort en voor allerlei beurs. Behalve de chique en dure: alcoholvrije, vegetarische, christelijke... Dan zijn er eethuizen voor arbeiders, studenten, werkende vrouwen enz. enz. In al die gelegenheden krijgt men voor weinig geld goede maaltijden. Een Volkshaus is er ook. Men eet er en hoort er concerten. Naast het menu hangt het muziekprogramma.
Trouwens de combinatie van kunst en keuken is in Zwitserland geen zeldzame. Ik zag het toch met eigen oogen (neen, ik ben niet lichtgeloovig): in Bazel, in de Kunsthalle, waar permanente schilderij-tentoonstellingen zijn, is tevens een restaurant, waar men diners à prix fixe kan krijgen... Profanatie...? Wat?... Van kunst of van keuken?...
In het historisch museum was ik ook. En ook hier trof me de Zwitsersche afgeslotenheid in heden en verleden. Ook het trotsch-daarop-zijn, de zelfgenoegzaamheid en het zich-zelf-alleen-voortreffelijk-vinden. Nergens de wijdere blik in de verte, het open-zijn voor bevruchtende invloeden.
Ze waren zich zelf gebleven door alle tijden: gezond, werkzaam, vrij, maar bekrompen.
20 Oct. • Waarom is men in Duitsch-Zwitserland toch van zoo'n fellen haat tegen Engeland bezield? Eigenlijk heb ik het nooit recht begrepen. Want in den goeden tijd, toen er nog voor pleizier gereisd werd, brachten vooral de Engelschen veel geld in 't land.
Maar vandaag had ik geluk... Luisterend naar een tafelgesprek, ving ik de volgende redeneering op, redeneering - dat moet ik er bij voegen - van den middenstands-Zwitser, hotelier en winkelier: ‘Was Engeland niet tusschenbeide gekomen, dan had Duitschland dadelijk overwonnen, zoowel Frankrijk als Rusland. De oorlog was al lang ten einde geweest. En wij, Zwitsers, hadden weer geld kunnen verdienen.’
Werkelijk! Nergens heeft de Duitsche propaganda zulke successen te boeken gehad als hier in Duitsch-Zwitserland. Ze weet ook zoo handig, den hefboom te zetten in 's menschen zwakheden. En des Zwitsers zwakheid is zoo duidelijk zijn begeerte naar geld.
21 Oct. • Bern is, wat men een mooie stad noemt: twee armen van de groene, wit-schuimende Aar snijden haar in drie deelen; bloeiende, villagekroonde heuvels omkransen haar, als een dikke vlecht het bolle gezicht van een boerenmeisje. Ja, Bern is een boerendochter... Bazel is een interessante stad, de oude stad der Kaufherren, met één' blik ten minste langs den Rijn in de wijde verte, vol van dat ouderwetsch-strenge in zich besloten intellectueele leven, dat, naar buiten het masker toonend van droge geestigheid, ondanks je zelf, bezighoudt, boeit en trekt. Zürich is de stad van het werk, van de industrie en de fabrieken, moderne stad, open voor alle invloeden. Bern is de stad van beren en boeren, door de bergen ingesloten en afgesloten, met iets in de lucht, dat neerdrukt, iets laags en zwaars in alle verhoudingen.
[...]
Men moet evenwel zijn' tijd weten waar te nemen. Want loopt men er rond, zoo tusschen elf en drie, dan bevindt zich straat aan straat in het teeken der etensgeuren. Het eten is nu eenmaal iets hoofdzakelijks hier, zwaar van gewicht als het gehalte der spijzen zelf. En een eethuis is een zaak van publiek belang. Als een oorlogsbulletin prijkt aan de post der deur het menu. Elke dag heeft ook min of meer zijn specialiteit Zoo is vooral de Maandag aan de Bratwurst gewijd.
Er zijn er eethuizen van allerlei soort en voor allerlei beurs. Behalve de chique en dure: alcoholvrije, vegetarische, christelijke... Dan zijn er eethuizen voor arbeiders, studenten, werkende vrouwen enz. enz. In al die gelegenheden krijgt men voor weinig geld goede maaltijden. Een Volkshaus is er ook. Men eet er en hoort er concerten. Naast het menu hangt het muziekprogramma.
Trouwens de combinatie van kunst en keuken is in Zwitserland geen zeldzame. Ik zag het toch met eigen oogen (neen, ik ben niet lichtgeloovig): in Bazel, in de Kunsthalle, waar permanente schilderij-tentoonstellingen zijn, is tevens een restaurant, waar men diners à prix fixe kan krijgen... Profanatie...? Wat?... Van kunst of van keuken?...
In het historisch museum was ik ook. En ook hier trof me de Zwitsersche afgeslotenheid in heden en verleden. Ook het trotsch-daarop-zijn, de zelfgenoegzaamheid en het zich-zelf-alleen-voortreffelijk-vinden. Nergens de wijdere blik in de verte, het open-zijn voor bevruchtende invloeden.
Ze waren zich zelf gebleven door alle tijden: gezond, werkzaam, vrij, maar bekrompen.
maandag 19 oktober 2026
J.C. Villerius • 20 oktober 1958
• Elsschot-bewonderaar Jan C. Villerius (1933-1996) kreeg een vriendschapsband met de grote schrijver aan het eind van diens leven (1882-1960). Ze schreven elkaar regelmatig; hun correspondentie is gebundeld in Elsschot leest voor. Hieronder een deel van een brief van Villerius aan Elsschot.
Rotterdam, 20.10.1958
[...]
Het is een schone stad, Antwerpen. Maar het regent er vaak, en ik zie je in gedachte vaak lopen door de natte straten, alleen, verdrietig. Ondanks je huis, ondanks je franken. Knarsetandend omdat dan toch eindelijk de laatste jaren, de laatste maanden, de laatste dagen zijn aangebroken. Is er ergens troost? 'Priesters zalven en beloven, maar ik kan het niet geloven...' [Citaat uit Elsschot's gedicht 'Spijt'] Troost? Ik wilde dat ik er ièts, maar ièts van zou kunnen geven. ik voel mij schuldig omdat ik nog een heel leven voor me heb. Een zoet bekeringswoord? Toch niet, toch niet. Ik zal niet zalven en beloven, niet zulke poespas.
Want het is anders, denk ik. God is anders en meer dan die gerokte showfiguren ons willen wijsmaken. Hij begrijpt meer van ons en houdt meer van ons, dan wij ons kunnen voorstellen. Dat's precies alles. Dat is precies alles wat het leven het leven waard maakt. Je hoeft maar een stap te doen en Hij doet alle andere. Maar probeer het niet te begrijpen — dat is tien stappen terug. Het is een hopeloze onderneming, een Christus aan het kruis tekenen voor drie vreemdelingen en voor jezelf. [Toespeling op Elsschot's novelle 'Het dwaallicht'.] Geen mèns die van dit alles ièts begrijpt. Vergeet alles wat de mensen zeggen en doen, dan is de weg vrij. Vergeef mij, dat ik dit alles schrijf. Het zou mij zo gelukkig maken als dat 'dwaallicht' geen dwaallicht meer was.
J.C. Villerius
P.S. Beantwoord deze brief maar niet.
Rotterdam, 20.10.1958
[...]
Het is een schone stad, Antwerpen. Maar het regent er vaak, en ik zie je in gedachte vaak lopen door de natte straten, alleen, verdrietig. Ondanks je huis, ondanks je franken. Knarsetandend omdat dan toch eindelijk de laatste jaren, de laatste maanden, de laatste dagen zijn aangebroken. Is er ergens troost? 'Priesters zalven en beloven, maar ik kan het niet geloven...' [Citaat uit Elsschot's gedicht 'Spijt'] Troost? Ik wilde dat ik er ièts, maar ièts van zou kunnen geven. ik voel mij schuldig omdat ik nog een heel leven voor me heb. Een zoet bekeringswoord? Toch niet, toch niet. Ik zal niet zalven en beloven, niet zulke poespas.
Want het is anders, denk ik. God is anders en meer dan die gerokte showfiguren ons willen wijsmaken. Hij begrijpt meer van ons en houdt meer van ons, dan wij ons kunnen voorstellen. Dat's precies alles. Dat is precies alles wat het leven het leven waard maakt. Je hoeft maar een stap te doen en Hij doet alle andere. Maar probeer het niet te begrijpen — dat is tien stappen terug. Het is een hopeloze onderneming, een Christus aan het kruis tekenen voor drie vreemdelingen en voor jezelf. [Toespeling op Elsschot's novelle 'Het dwaallicht'.] Geen mèns die van dit alles ièts begrijpt. Vergeet alles wat de mensen zeggen en doen, dan is de weg vrij. Vergeef mij, dat ik dit alles schrijf. Het zou mij zo gelukkig maken als dat 'dwaallicht' geen dwaallicht meer was.
J.C. Villerius
P.S. Beantwoord deze brief maar niet.
Abonneren op:
Posts (Atom)




