• Rutger Kopland (1934-2012) was een Nederlandse dichter en hoogleraar. In 1996 gaf hij na zijn emeritaat colleges over poëzie in enige Oost-Europese landen. Hij hield over die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jonge sla in het Oosten. Het onderstaande fragment beschrijft de eerste dag van de reis naar Boedapest en Bratislava.
17 april 1996
Op twee kilometer hemelsbreed van ons huis stijgen we op. Het is een beetje mistig, windstil lenteweer. Nederland ligt er keurig bij. Afgezien van wat kromme riviertjes en wat
rommelige stukjes 'natuur'—wanneer ruimen ze die nu eens op - is ons land geheel in vierkanten en rechthoeken opgedeeld. Hoeken van negentig graden zijn de mooiste. Het vliegtuigje vliegt laag, en de wereld is zo mooi plat en vlak dat ik onze schaduw zie meegaan over de aarde. Voor de landing zie ik tot mijn geruststelling dat onze wieltjes zijn uitgeklapt. Alles is onder controle.
Op Schiphol begint altijd dat licht eufore gevoel van vervreemding. Al die mensen met die gezichten, die benen die allemaal een andere kant op lopen, al die rare namen die naar informatiedesks worden geroepen, zouden wij ook van die mensen zijn, die daar lopen, dat gevoel. Onze Malev staat eindeloos ver weg, een kwartiertje over transportbanden. In het grote vliegtuig zit een handjevol mensen. Tja, wat moetje daar ook in Midden-Europa?
Maar een paar uur later zitten we gewoon waar we zitten, op een terrasje in Boedapest met Birgit Lijmbach, een Groningse docente Nederlands, voor een jaar werkzaam in het instituut waar ik het over poëzie zal gaan hebben. Groningen, ach, het is in een paar uur tijd al helemaal weg. Het is aangenaam vreemd in alle opzichten, de conversatie, het weer, het pilsje, de Parijsachtige straat.
De eerste wandeling. Naar de Donau, die alles beheersende, enorme, kolkende rivier, langs een kade met uitzichten op Boeda met het Habsburgse kasteel en op Pest, die prachtige laat negentiende-eeuwse stad, naar Hotel Gellert. Ik logeerde daar ooit een jaar of tien geleden. Hier ben je echt ver weg. Lederen fauteuils waarin men wegzinkt met uitzicht op een klaterend fonteintje, marmeren zuilen, kleurige boogconstructies, duistere lambrizeringen, wijnrode tapijten. Wat is dit? Grandeur of kitsch, allure of decadentie, operette of werkelijkheid? We kijken elkaar aan: wie zijn we?
Op de terugweg naar het hotel komen we voorbij een schitterend gigantisch Jugendstil warenhuis. Door de hoge in gietijzer gevatte ramen valt het licht in brede bundels over de duizenden winkelende mensen, de tot in de nok opgetaste koopwaar. Zware geuren van mensen, worst en manufacturen. Vooral het strijklicht over de salami en de flessen Palinka, de abrikozenjenever, treft ons. Bijna vanzelf gaat mijn hand naar de portemonnaie.
In ons eigen hotel in het centrum van Pest, heerst de gezellige sfeer die de Mercure-keten all over the world zo feilloos weet te treffen. In de duistere lobby een pianist aan een witte vleugel: tea for two, ain't she sweet, blue moon, met dat timbre datje het gevoel geeft dat er slagroom door de muziek zit. Marmeren trappen naar boven, een nieuwe lobby met vitrines vol roze gebak, tafeltjes en fauteuiltjes, uitzicht op de nachtclub Aphrodite, waar in de etalage een meisje staat te dansen, met de motoriek van een eenzaam dier in een kooi van een dierentuin. Mannen in pakken, altijd een hard koffertje naast zich, vrouwen in iets te krappe jurken, diensters in namaak folklore, de zakenwereld dus. Onze kamer hetzelfde vierkante vertrek waarin ik nu al dertig jaar op mijn reizen over deze aardbol heb geslapen.378-2018>
donderdag 16 april 2026
woensdag 15 april 2026
Astrid Lindgren • 16 april 1944
• Astrid Lindgren (1907-2002) was een Zweedse kinderboekenauteur. Vorig jaar is haar oorlogsdagboek gepubliceerd (Nederlandse vertaling).
16 april
De slag om Sebastopol, het laatste bolwerk van de Duitsers op de Krim, is begonnen. Het zuidfront ziet er echt bedenkelijk uit; de Russen zitten in Roemenië en bedreigen binnenkort de olietoevoer naar Duitsland. Ook de Tsjecho-Slowaakse grens is overschreden.
De geallieerden zijn boos op ons en op andere neutrale staten omdat we aan Duitsland leveren. En geven ons op ons donder. Maar vragen doen we d'r niet om.
Pasen hebben we op de gebruikelijke manier gevierd. Er is veel voedsel in het land der Zweden, en ik zal opschrijven wat we hebben gehad, als houvast voor toekomstige Pasens. Op Goede Vrijdag absoluut traditieloos kalfslever, op paaszaterdag zoals gewoonlijk eieren en een broodmaaltijd (met huisgemaakte leverpastei, haringsalade, ingemaakte Oostzeeharing, ingekookte Oostzeeharing, ingemaakte haring, gerookt rendiervlees, 'ingekookte' ham met rode bieten en verder weet ik het niet meer) en ijs toe. En een erg mooie sherry hebben Sture en ik gedronken, omdat we in plaats van op de 4de, op paaszaterdag onze trouwdag hebben gevierd. Op eerste paasdag hadden we gebraden kip en op tweede paasdag varkenskarbonades.
Op paaszaterdag beweerde Lasse dat hij door een meisje in Tureberg voor een dansavond was uitgenodigd; hij moest uiterlijk om 1 uur thuis zijn, zei ik. Maar hij kwam om 4 uur thuis, en toen was ik buiten mezelf en had ik een heleboel mensen wakker gebeld en van Göran te horen gekregen dat hij in Vinterpalatset [dansgelegenheid] was geweest met een meisje dat Britta-Kajsa Falk heet.
Karin is nerveus en heeft de hele Pasen erg veel aandacht gevraagd. En het is nu nog steeds niet beter; volgens mij is het de nasleep van de mazelen, ofschoon ze natuurlijk daarvoor ook tamelijk dwaas was. Omdat ik dankzij mijn voet aan huis gekluisterd ben, kan ze nou niet bepaald om mij zo angstig zijn, maar haar gemoedstoestand is vreselijk labiel, wisselend tussen nerveuze uitbundigheid, diepe neerslachtigheid en gezeur over school en pianospelen. Momenteel ben ik zelf erg melancholiek, ik neem aan dat dat komt doordat ik drie weken niet buiten ben geweest. Ik zou wel kunnen huilen. En ik hoop bij God dat Karin snel opknapt, want het is vreselijk om haar zo te hebben en het is voor haarzelf ook zielig. Lasse leeft erop los en wordt veel buitenshuis uitgenodigd; heeft thuis ook geen rust, vind ik, wat me verdriet doet.240-2017>
16 april
De slag om Sebastopol, het laatste bolwerk van de Duitsers op de Krim, is begonnen. Het zuidfront ziet er echt bedenkelijk uit; de Russen zitten in Roemenië en bedreigen binnenkort de olietoevoer naar Duitsland. Ook de Tsjecho-Slowaakse grens is overschreden.
De geallieerden zijn boos op ons en op andere neutrale staten omdat we aan Duitsland leveren. En geven ons op ons donder. Maar vragen doen we d'r niet om.
Pasen hebben we op de gebruikelijke manier gevierd. Er is veel voedsel in het land der Zweden, en ik zal opschrijven wat we hebben gehad, als houvast voor toekomstige Pasens. Op Goede Vrijdag absoluut traditieloos kalfslever, op paaszaterdag zoals gewoonlijk eieren en een broodmaaltijd (met huisgemaakte leverpastei, haringsalade, ingemaakte Oostzeeharing, ingekookte Oostzeeharing, ingemaakte haring, gerookt rendiervlees, 'ingekookte' ham met rode bieten en verder weet ik het niet meer) en ijs toe. En een erg mooie sherry hebben Sture en ik gedronken, omdat we in plaats van op de 4de, op paaszaterdag onze trouwdag hebben gevierd. Op eerste paasdag hadden we gebraden kip en op tweede paasdag varkenskarbonades.
Op paaszaterdag beweerde Lasse dat hij door een meisje in Tureberg voor een dansavond was uitgenodigd; hij moest uiterlijk om 1 uur thuis zijn, zei ik. Maar hij kwam om 4 uur thuis, en toen was ik buiten mezelf en had ik een heleboel mensen wakker gebeld en van Göran te horen gekregen dat hij in Vinterpalatset [dansgelegenheid] was geweest met een meisje dat Britta-Kajsa Falk heet.
Karin is nerveus en heeft de hele Pasen erg veel aandacht gevraagd. En het is nu nog steeds niet beter; volgens mij is het de nasleep van de mazelen, ofschoon ze natuurlijk daarvoor ook tamelijk dwaas was. Omdat ik dankzij mijn voet aan huis gekluisterd ben, kan ze nou niet bepaald om mij zo angstig zijn, maar haar gemoedstoestand is vreselijk labiel, wisselend tussen nerveuze uitbundigheid, diepe neerslachtigheid en gezeur over school en pianospelen. Momenteel ben ik zelf erg melancholiek, ik neem aan dat dat komt doordat ik drie weken niet buiten ben geweest. Ik zou wel kunnen huilen. En ik hoop bij God dat Karin snel opknapt, want het is vreselijk om haar zo te hebben en het is voor haarzelf ook zielig. Lasse leeft erop los en wordt veel buitenshuis uitgenodigd; heeft thuis ook geen rust, vind ik, wat me verdriet doet.240-2017>
dinsdag 14 april 2026
Frans Kellendonk • 15 april 1986
• De Nederlandse schrijver Frans Kellendonk (1951-1990) vond zijn dagboeken niet het publiceren waard, maar De Revisor publiceerde er wel een selectie uit.
15 april 1986
Mijn boek, Mystiek lichaam, is af en wordt momenteel gedrukt. Nog een paar weken, en het ligt in de boekhandel. Dit zijn voor mij de mooiste dagen in het leven van een boek. Het manuscript ligt in de kast en is ongeldig geworden - het is immers al gedrukt. Maar het boek is er nog niet en de tekst is er momenteel een die ik niet kan opslaan, die ik 's nachts kan dromen. En die gedroomde tekst, harde werkelijk geschreven zinnen maar rokerig en pastel van onnauwkeurig herinneren, is de mooiste die ik ooit geschreven heb - misschien is mijn herinnering wél nauwkeurig, alleen heeft de tekst niet het onherroepelijke van zwart op wit, ze zou, als het moet, nog alle kanten op kunnen.
30 mei 1986
De bloeddorst van onze weldenkende opiniemakers [naar aanleiding van Mystiek lichaam] is ongelooflijk. Eerst de Volkskrant - Willem Kuipers, Martin Ruyter, Aad Nuis, Piet Grijs, toen Carel Peeters, een onbekende briefschrijver (ook in VN), Beatrijs Rjtsema in NRC/H - en nu ben ik Koot en Bie nog vergeten. Zonder te weten waar ze het over hebben hollen ze achter elkaar aan en stellen ‘principiële kwesties’ - altijd een manier om het niet over het geval zelf te hoeven hebben. Wanneer je je verdedigt, zoals ik in een interview met VN heb gedaan, wordt dat opgevat als een teken van zwakte. Wie een rein geweten heeft verdedigt zich toch niet? Het geweten van je beschuldigers is altijd zo rein als een formica tafel.
Ik heb kennelijk een aantal kwesties aangeroerd waaraan mensen liever niet herinnerd worden. Wanneer je religie ziet als iets levends - iets dat de levens van alle mensen doordringt en niet zomaar een liefhebberij is van een paar zotten - dan krijgen de verlichte geesten die in de kranten schrijven ontzettend veel kriebels. Blijf van mijn lijf!
3 juni 1986
Het gemoed zoekt evenwicht. Het mijne is een paar weken in hevige beroering geweest en komt nu tot bedaren. Maar is het huidige evenwicht hetzelfde als dat van voorheen? Er is minder vertrouwen in de wereld waarop het kan steunen en mogelijkerwijs is het wat wankel geworden.294-2018>
15 april 1986
Mijn boek, Mystiek lichaam, is af en wordt momenteel gedrukt. Nog een paar weken, en het ligt in de boekhandel. Dit zijn voor mij de mooiste dagen in het leven van een boek. Het manuscript ligt in de kast en is ongeldig geworden - het is immers al gedrukt. Maar het boek is er nog niet en de tekst is er momenteel een die ik niet kan opslaan, die ik 's nachts kan dromen. En die gedroomde tekst, harde werkelijk geschreven zinnen maar rokerig en pastel van onnauwkeurig herinneren, is de mooiste die ik ooit geschreven heb - misschien is mijn herinnering wél nauwkeurig, alleen heeft de tekst niet het onherroepelijke van zwart op wit, ze zou, als het moet, nog alle kanten op kunnen.
30 mei 1986
De bloeddorst van onze weldenkende opiniemakers [naar aanleiding van Mystiek lichaam] is ongelooflijk. Eerst de Volkskrant - Willem Kuipers, Martin Ruyter, Aad Nuis, Piet Grijs, toen Carel Peeters, een onbekende briefschrijver (ook in VN), Beatrijs Rjtsema in NRC/H - en nu ben ik Koot en Bie nog vergeten. Zonder te weten waar ze het over hebben hollen ze achter elkaar aan en stellen ‘principiële kwesties’ - altijd een manier om het niet over het geval zelf te hoeven hebben. Wanneer je je verdedigt, zoals ik in een interview met VN heb gedaan, wordt dat opgevat als een teken van zwakte. Wie een rein geweten heeft verdedigt zich toch niet? Het geweten van je beschuldigers is altijd zo rein als een formica tafel.
Ik heb kennelijk een aantal kwesties aangeroerd waaraan mensen liever niet herinnerd worden. Wanneer je religie ziet als iets levends - iets dat de levens van alle mensen doordringt en niet zomaar een liefhebberij is van een paar zotten - dan krijgen de verlichte geesten die in de kranten schrijven ontzettend veel kriebels. Blijf van mijn lijf!
3 juni 1986
Het gemoed zoekt evenwicht. Het mijne is een paar weken in hevige beroering geweest en komt nu tot bedaren. Maar is het huidige evenwicht hetzelfde als dat van voorheen? Er is minder vertrouwen in de wereld waarop het kan steunen en mogelijkerwijs is het wat wankel geworden.294-2018>
maandag 13 april 2026
Frederik van Eeden • 14 april 1919
• Frederik van Eeden (1860-1932) publiceerde in 1920 een soort aforismedagboek, Gedachten geheten.
14 april
Heevige storm en reegen. ▫ Gisteren, Zondag, was ik zeer somber bij 't opstaan en in den morgen. Toen kwam als lieve troosteres, Annie Bosch [medium] met een bericht van Paul [Van Eeden's zoon die in 1913 overleed]. Een mooi, heerlijk bericht, dat mij zoo steunde als geen ander te vooren had gedaan. Hij mocht nu tot mij spreeken. En hij vertelde wat hij gezien had bij zijn oovergang, en hoe een stem gezegd had: ‘Wie is eenzaam die Christus kent.’ En hoe hij gericht was door Jezus en hoe die de zonde van ons ooverneemt en draagt en hoe hij, Paul, leed om zijn eigen zonden door het zien hoe Jezus leed daaronder. ▫ Ik voel nu hoe dat alles goed is en waar.
Toen werd het een goede dag, gisteren. Eerst kwam Moe de Jong met haar dochters, en wij roeiden en zeilden met de jongens en plukten dotterbloemen. Het was zonnig, frisch en opwekkend weer, na zeegenrijke reegenbuyen.
's Middags kwam Jet Wolterbeek.
Vandaag weer eenige uuren op 't land gewerkt. Het gaat nog goed.
16 april
Mijn lieve vrouw jarig. Het is grijs en koel weer. Ik kreeg het groote boek van [schrijver Israël] Querido present. Ik vond er in het geheugen, de werkkracht, de geleerdheid die mij tot mijn smart ontbreekt en dit maakt mij zeer neerslachtig.
14 april
Heevige storm en reegen. ▫ Gisteren, Zondag, was ik zeer somber bij 't opstaan en in den morgen. Toen kwam als lieve troosteres, Annie Bosch [medium] met een bericht van Paul [Van Eeden's zoon die in 1913 overleed]. Een mooi, heerlijk bericht, dat mij zoo steunde als geen ander te vooren had gedaan. Hij mocht nu tot mij spreeken. En hij vertelde wat hij gezien had bij zijn oovergang, en hoe een stem gezegd had: ‘Wie is eenzaam die Christus kent.’ En hoe hij gericht was door Jezus en hoe die de zonde van ons ooverneemt en draagt en hoe hij, Paul, leed om zijn eigen zonden door het zien hoe Jezus leed daaronder. ▫ Ik voel nu hoe dat alles goed is en waar.
Toen werd het een goede dag, gisteren. Eerst kwam Moe de Jong met haar dochters, en wij roeiden en zeilden met de jongens en plukten dotterbloemen. Het was zonnig, frisch en opwekkend weer, na zeegenrijke reegenbuyen.
's Middags kwam Jet Wolterbeek.
Vandaag weer eenige uuren op 't land gewerkt. Het gaat nog goed.
16 april
Mijn lieve vrouw jarig. Het is grijs en koel weer. Ik kreeg het groote boek van [schrijver Israël] Querido present. Ik vond er in het geheugen, de werkkracht, de geleerdheid die mij tot mijn smart ontbreekt en dit maakt mij zeer neerslachtig.
zondag 12 april 2026
Boekhouder, 26 jaar - Texel • 13 april 1945
• Boekhouder, 26 jaar - Texel. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945,
geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening
Vrijdag 13 April 1945
- Vanmiddag om 4 uur begon de strijd weer in den Polder. De hele morgen was het rustig geweest. Den Helder en de Z.Batterij kwamen weer puur in actie. De ‘Korenschoof’ ging vanmiddag in vlammen op. Daar het vandaag nogal donker weer was, kon men alles niet zo goed bekijken. Vanmorgen kwam er 'n Mof op 'n motor om spek. Hij moest spek hebben, zei hij. Vader zou hem 'n stukje brengen maar hij liep achter hem aan naar de schoorsteen en zei: ‘Alles moet ik hebben voor m'n zieke kameraden.’ Twee hammen deed hij in de zak en was toen vol. De rest liet hij hangen
Zaterdag, 14 April 1945
- De hele dag rustig geweest tot s'avonds 8 uur. Toen schoot de Z. Batterij een paar malen in de richting van Cocksdorp. Verder vandaag niets geen bijzonders.
Zondag, 15 April 1945
- 't Is vandaag ook tamelijk rustig geweest. Zo af en toe hoort men eens een paar geweerschoten maar anders niets. Vanavond om 'n uur of zes kwamen hier 'n drie tal gewapende Duitsers aan, vragend om wat brood, spek of andere levensmiddelen. Deze lui waren nogal tamelijk fatsoenlijk. Zij waren vanmorgen hier op Texel aangekomen uit den Haag vandaan. Nog een paar dagen vechten, zeiden ze en dan zijn de Russen verslagen. Ze waren vol goeie moed. Het zou hen nog wel even opbreken, denk ik. Ze kregen deze keer voor hun drieën een brood en zes eieren.
Terzelfdertijd, dat hier deze 3 jonge moffen waren ging hier ook nog 'n moffenwagen voorbij met een stuk of zes soldaten. Zij gingen ook om eten uit maar op 'n brutale manier, op z'n mofs. Eerst gingen ze naar J. Hin. Ze liepen de boerderij binnen en dreven Jaap onder bedreiging te zullen schieten met de revolver in 'n hoek van de kamer. Ook de andere gezinsleden hielden ze met de revolver in bedwang. Daarna gooiden ze alles omver en doorzochten het huis. Ze namen al z'n spek en boter, wat ze konden vinden mee. Ook de voorhanden staande inmaakpotten. Daarna gingen zij naar Gerrit Witten. Daar konden ze niet veel bijzonders vinden. Gerrit had alles al verstopt. Ze liepen daarom kwaad weg en schoten aan de weg nog een paar schapen van hem dood. Zij waren met 'n vrachtauto. Ze konden daarom 'n boel laden. Ze reden Spang weer verder in en hielden stil bij Jaap de Wit. Daar gingen ze precies zo te werk als bij Jaap Hin. De gezinsleden dreigden zij met hun revolver en haalden dan de hele spekkuip leeg. Ook namen ze 'n emmer met vet, wat suiker, jam en likeuren mee zelfs pakjes pudding. Van Jaap de Wit gingen ze naar P. Hin. Deze man kreeg ook de revolver op zijn borst gedrukt en zijn vrouw moest hen alles wijzen. Daar werden ook weer spek en andere levensmiddelen opgeladen. Ook schoten ze nog een van z'n twee ganzen dood. Zo trokken de vandalen over 't eiland. Wij stonden machteloos tegenover die gewapende horden, beroepsplunderaars.
Vrijdag 13 April 1945
- Vanmiddag om 4 uur begon de strijd weer in den Polder. De hele morgen was het rustig geweest. Den Helder en de Z.Batterij kwamen weer puur in actie. De ‘Korenschoof’ ging vanmiddag in vlammen op. Daar het vandaag nogal donker weer was, kon men alles niet zo goed bekijken. Vanmorgen kwam er 'n Mof op 'n motor om spek. Hij moest spek hebben, zei hij. Vader zou hem 'n stukje brengen maar hij liep achter hem aan naar de schoorsteen en zei: ‘Alles moet ik hebben voor m'n zieke kameraden.’ Twee hammen deed hij in de zak en was toen vol. De rest liet hij hangen
Zaterdag, 14 April 1945
- De hele dag rustig geweest tot s'avonds 8 uur. Toen schoot de Z. Batterij een paar malen in de richting van Cocksdorp. Verder vandaag niets geen bijzonders.
Zondag, 15 April 1945
- 't Is vandaag ook tamelijk rustig geweest. Zo af en toe hoort men eens een paar geweerschoten maar anders niets. Vanavond om 'n uur of zes kwamen hier 'n drie tal gewapende Duitsers aan, vragend om wat brood, spek of andere levensmiddelen. Deze lui waren nogal tamelijk fatsoenlijk. Zij waren vanmorgen hier op Texel aangekomen uit den Haag vandaan. Nog een paar dagen vechten, zeiden ze en dan zijn de Russen verslagen. Ze waren vol goeie moed. Het zou hen nog wel even opbreken, denk ik. Ze kregen deze keer voor hun drieën een brood en zes eieren.
Terzelfdertijd, dat hier deze 3 jonge moffen waren ging hier ook nog 'n moffenwagen voorbij met een stuk of zes soldaten. Zij gingen ook om eten uit maar op 'n brutale manier, op z'n mofs. Eerst gingen ze naar J. Hin. Ze liepen de boerderij binnen en dreven Jaap onder bedreiging te zullen schieten met de revolver in 'n hoek van de kamer. Ook de andere gezinsleden hielden ze met de revolver in bedwang. Daarna gooiden ze alles omver en doorzochten het huis. Ze namen al z'n spek en boter, wat ze konden vinden mee. Ook de voorhanden staande inmaakpotten. Daarna gingen zij naar Gerrit Witten. Daar konden ze niet veel bijzonders vinden. Gerrit had alles al verstopt. Ze liepen daarom kwaad weg en schoten aan de weg nog een paar schapen van hem dood. Zij waren met 'n vrachtauto. Ze konden daarom 'n boel laden. Ze reden Spang weer verder in en hielden stil bij Jaap de Wit. Daar gingen ze precies zo te werk als bij Jaap Hin. De gezinsleden dreigden zij met hun revolver en haalden dan de hele spekkuip leeg. Ook namen ze 'n emmer met vet, wat suiker, jam en likeuren mee zelfs pakjes pudding. Van Jaap de Wit gingen ze naar P. Hin. Deze man kreeg ook de revolver op zijn borst gedrukt en zijn vrouw moest hen alles wijzen. Daar werden ook weer spek en andere levensmiddelen opgeladen. Ook schoten ze nog een van z'n twee ganzen dood. Zo trokken de vandalen over 't eiland. Wij stonden machteloos tegenover die gewapende horden, beroepsplunderaars.
Leo Vroman • 12 april 1969
• Dichter-wetenschapper Leo Vroman (1915-2014) schreef in de jaren zestig veel Brieven uit Brooklyn.
Beste Allen,
[12 april 1969]
Nu is het al afgelopen met maart, en ik had begin maart willen schrijven. Hier heb ik nog een kladje dat begint met: 11maart. De sneeuw die over de vuile sneeuw gevallen was ligt hier en daar nog in hoopjes, met sneeuw bedekt, waaronder de dooi een fijne franje wereld van oude verse sneeuw te voorschijn smelt. Vergeet dat nou maar, er is nergens meer sneeuw te vinden, sedert een week.
Ik begrijp de tijd nooit goed, nu lees je dit alweer later dan ik het schrijf, maar in ieder geval maak ik geen kladjes meer. Wel denk ik soms, dat moet ik opschrijven voor later.
Vanochtend bijvoorbeeld had ik het met Gena, mijn assistente, over de slaafsheid van vrouwen in sommige landen en ik zei: In Japan duwen wel veel vrouwen overvolle mestwagens voort, maar er zijn er ook die trekken. Geestig, hè?
Gena, de schoft, zei gisteren tegen haar man (ach ach ze zijn zo jong) dat het toch wel heerlijk moest zijn waar zijn zuster was, in de Virgin Islands. Nou, zei hij, waren we er maar. Nou, zei zij, vooruit. Daag me niet uit zei hij, ja zei zij, - nou, ze zitten al in het vliegtuig en komen zondag terug, straatarm.
Maar ik leef ook wel hoor, soms een hele dag bijna. En nu het lente wordt, heb ik al weer een heel jaar vrij veel geleefd. Hier en daar sta ik terecht aangegeven met (1915-) achter mij. Vul maar in, betekent dat, het doet er niet toe. Ja hoor, dat betekent het, geen flauwe kul.
Als ik uit betrouwbare bron (b.v. in de lucht) zou horen dat ik nog maar een minuut te leven had, dan keek ik eerst op mijn horloge, ging dan wat veiliger zitten om niet al te pijnlijk dood te vallen en tikte verder. Twee weken geleden besloot onze goeie vriendin Ethel, dan ook een biologe, (haar man een fotograaf met een woeste gevoeligheid voor alles wat onoprecht is, Charlie geheten) dat het tijd werd om eens met Tineke te praten, want die kan eigenlijk zoveel met haar hoofd en moest toch eens denken wat te doen als ik eenmaal gestorven en het huis uit ben, goed dus. Tineke naar Manhattan en de twee vrouwen maar praten. Twee dagen later belde Ethel op. Tineke nam de telefoon op, was eerst even stil, zei toen zachtjes ‘o Ethel’ - tja, Charlie dood. Een uur later waren we al, ach dat hoeft hier niet allemaal bij.
Twee dagen later, die dienst, de kinderen hadden al zo gehuild en wilden er toch heen. Misschien is de dood wel goed voor ze, ze zijn toch geen kinderen meer. Een verstrooide jonge dierpsycholoog haalde Tineke en mij op binnen zijn autootje, en naar Peggy's school, een honderd jaar oud donkerrood stenen gebouw met wat withouten vestibule bijna, en een huistuintje min of meer eromheen, alles dungetralied van een hek om de rest van downtown Brooklyn tegen te gaan: de gerechtshoven, de gevangenis, de opschriften Bail Bonded, Bar Ba., B.r., Certified Bonds, een kroeg die The Verdict heet, lachende advocaten, kwade politiebureaus.
In school werd juist een ‘white elephant sale’ gehouden, dat is een liefdadige uitverkoop van bijna nog bruikbare en ook zelfgemaakte leuke dingen, Peggy's ringen van bonte telefoondraadjes lagen daar ook, in de lage kamer, en daar stond ze zelf, bleek als een porseleinen vuurtoren bij dag, de ogen door levende zwarte wereldrampen verlicht.
We reden boven de havens van Manhattan naar het noorden. Schepen lieten zich languit onder ons ledigen. Soms wordt het lichaam tentoongesteld, zei Tineke tegen Peggy, je hoeft nooit te kijken. Maar later, in dat zorgvuldig zielloos gehouden ontvangstportaal, onontkoombaar bekleed, waren de zaaltjes zonder toneel, trilde ze toch, waren de eetzaaltjes zonder eten, de treurenden zonder stemmen.
Ik bleef beneden op Geri wachten terwijl een beroepsheer zei: which service please? Upstairs; or: elevator to your right. Which service please? Straight ahead, which service please?
Geri dan, 18 (Peggy is nu 17), had een lange vakantie want haar college is in Vermont en heeft 's winters te zware sneeuw om in na te denken. En ze moet dan werken, had in het telefoonboek onder Animals gekeken en daar ‘Animal Talent Scouts’ gevonden wat een aardige dame met een huis vol optredende dieren bleek te zijn waar wel een schoonmaakster bij kon met lang haar.
Maar deze dag was Geri gaan werken toen het nog donker was; de Amazonereiger in de hanebalken, de schuwe Wallaby die nooit voor iets speelde, de Deense doggen en de hazewinden voor de Rosenkavalier, de kikkers die de rol van prinses hadden vertolkt, de eekhoorn van de potato-chipsreclame, de donzige katten moesten tot hun verbazing alle elkaar voor dag en dauw verschoond en gevoerd zien worden door een vandaag zo ernstige Geri.
Ik wachtte. ‘Where is that darned Jeffrey,’ brulde iemand gedempt in een kantoortje. De straatdeur ging open. Een late heer keek mij vragend aan, hij kwam me bekend voor, ‘upstairs or elevator to your right’ zei ik dus. Weer de straatdeur, ditmaal Geri goddank.
We liepen de trap op, ik kuste haar koude kruin. Er was een volle zaal, tweehonderd mensen, en vooraan een lessenaartje, maar zelfs daar leek iedereen, van achteren gezien ten minste, levend. Een magere man vertelde hoe Charlie schoolbuschauffeur was, en het vereiste bekertje naast zich moest ophangen voor fooien, tegen zijn zin, en daar dus op schreef: Help me, I am blind.
De man ging weer zitten, en daar stond ineens Charlie zelf nog eens, alleen wat ingevallen en wat wilderrood haar en praatte over zich zelf, maar nee, hij had immers een broer.
‘Het is zijn broer,’ zei een dame achter mij. Wanneer mompel mompel, mompelde ze toen. De crematie, antwoordde een vrouw naast haar, maar die is vanochtend al geweest, de crematie, die is al voorbij.
De doden springen vaak zo vreemd en haastig achteruit het verleden in, dat is toch niet nodig, wie doet ze wat. Later droomde ik van grote zwarte vogels, hun groen en rood gezoomde ogen wimperden, ze daalden ook aan de verkeerde kant van het hek, de onderste onder hen konden niet langer en riepen orrr orrr maar het werd more, more en menselijk alles. Ach Charlie.
Alles zal wel anders zijn, we zijn het bangst voor niets.
Hartelijke groeten, Leo Vroman
Beste Allen,
[12 april 1969]
Nu is het al afgelopen met maart, en ik had begin maart willen schrijven. Hier heb ik nog een kladje dat begint met: 11maart. De sneeuw die over de vuile sneeuw gevallen was ligt hier en daar nog in hoopjes, met sneeuw bedekt, waaronder de dooi een fijne franje wereld van oude verse sneeuw te voorschijn smelt. Vergeet dat nou maar, er is nergens meer sneeuw te vinden, sedert een week.
Ik begrijp de tijd nooit goed, nu lees je dit alweer later dan ik het schrijf, maar in ieder geval maak ik geen kladjes meer. Wel denk ik soms, dat moet ik opschrijven voor later.
Vanochtend bijvoorbeeld had ik het met Gena, mijn assistente, over de slaafsheid van vrouwen in sommige landen en ik zei: In Japan duwen wel veel vrouwen overvolle mestwagens voort, maar er zijn er ook die trekken. Geestig, hè?
Gena, de schoft, zei gisteren tegen haar man (ach ach ze zijn zo jong) dat het toch wel heerlijk moest zijn waar zijn zuster was, in de Virgin Islands. Nou, zei hij, waren we er maar. Nou, zei zij, vooruit. Daag me niet uit zei hij, ja zei zij, - nou, ze zitten al in het vliegtuig en komen zondag terug, straatarm.
Maar ik leef ook wel hoor, soms een hele dag bijna. En nu het lente wordt, heb ik al weer een heel jaar vrij veel geleefd. Hier en daar sta ik terecht aangegeven met (1915-) achter mij. Vul maar in, betekent dat, het doet er niet toe. Ja hoor, dat betekent het, geen flauwe kul.
Als ik uit betrouwbare bron (b.v. in de lucht) zou horen dat ik nog maar een minuut te leven had, dan keek ik eerst op mijn horloge, ging dan wat veiliger zitten om niet al te pijnlijk dood te vallen en tikte verder. Twee weken geleden besloot onze goeie vriendin Ethel, dan ook een biologe, (haar man een fotograaf met een woeste gevoeligheid voor alles wat onoprecht is, Charlie geheten) dat het tijd werd om eens met Tineke te praten, want die kan eigenlijk zoveel met haar hoofd en moest toch eens denken wat te doen als ik eenmaal gestorven en het huis uit ben, goed dus. Tineke naar Manhattan en de twee vrouwen maar praten. Twee dagen later belde Ethel op. Tineke nam de telefoon op, was eerst even stil, zei toen zachtjes ‘o Ethel’ - tja, Charlie dood. Een uur later waren we al, ach dat hoeft hier niet allemaal bij.
Twee dagen later, die dienst, de kinderen hadden al zo gehuild en wilden er toch heen. Misschien is de dood wel goed voor ze, ze zijn toch geen kinderen meer. Een verstrooide jonge dierpsycholoog haalde Tineke en mij op binnen zijn autootje, en naar Peggy's school, een honderd jaar oud donkerrood stenen gebouw met wat withouten vestibule bijna, en een huistuintje min of meer eromheen, alles dungetralied van een hek om de rest van downtown Brooklyn tegen te gaan: de gerechtshoven, de gevangenis, de opschriften Bail Bonded, Bar Ba., B.r., Certified Bonds, een kroeg die The Verdict heet, lachende advocaten, kwade politiebureaus.
In school werd juist een ‘white elephant sale’ gehouden, dat is een liefdadige uitverkoop van bijna nog bruikbare en ook zelfgemaakte leuke dingen, Peggy's ringen van bonte telefoondraadjes lagen daar ook, in de lage kamer, en daar stond ze zelf, bleek als een porseleinen vuurtoren bij dag, de ogen door levende zwarte wereldrampen verlicht.
We reden boven de havens van Manhattan naar het noorden. Schepen lieten zich languit onder ons ledigen. Soms wordt het lichaam tentoongesteld, zei Tineke tegen Peggy, je hoeft nooit te kijken. Maar later, in dat zorgvuldig zielloos gehouden ontvangstportaal, onontkoombaar bekleed, waren de zaaltjes zonder toneel, trilde ze toch, waren de eetzaaltjes zonder eten, de treurenden zonder stemmen.
Ik bleef beneden op Geri wachten terwijl een beroepsheer zei: which service please? Upstairs; or: elevator to your right. Which service please? Straight ahead, which service please?
Geri dan, 18 (Peggy is nu 17), had een lange vakantie want haar college is in Vermont en heeft 's winters te zware sneeuw om in na te denken. En ze moet dan werken, had in het telefoonboek onder Animals gekeken en daar ‘Animal Talent Scouts’ gevonden wat een aardige dame met een huis vol optredende dieren bleek te zijn waar wel een schoonmaakster bij kon met lang haar.
Maar deze dag was Geri gaan werken toen het nog donker was; de Amazonereiger in de hanebalken, de schuwe Wallaby die nooit voor iets speelde, de Deense doggen en de hazewinden voor de Rosenkavalier, de kikkers die de rol van prinses hadden vertolkt, de eekhoorn van de potato-chipsreclame, de donzige katten moesten tot hun verbazing alle elkaar voor dag en dauw verschoond en gevoerd zien worden door een vandaag zo ernstige Geri.
Ik wachtte. ‘Where is that darned Jeffrey,’ brulde iemand gedempt in een kantoortje. De straatdeur ging open. Een late heer keek mij vragend aan, hij kwam me bekend voor, ‘upstairs or elevator to your right’ zei ik dus. Weer de straatdeur, ditmaal Geri goddank.
We liepen de trap op, ik kuste haar koude kruin. Er was een volle zaal, tweehonderd mensen, en vooraan een lessenaartje, maar zelfs daar leek iedereen, van achteren gezien ten minste, levend. Een magere man vertelde hoe Charlie schoolbuschauffeur was, en het vereiste bekertje naast zich moest ophangen voor fooien, tegen zijn zin, en daar dus op schreef: Help me, I am blind.
De man ging weer zitten, en daar stond ineens Charlie zelf nog eens, alleen wat ingevallen en wat wilderrood haar en praatte over zich zelf, maar nee, hij had immers een broer.
‘Het is zijn broer,’ zei een dame achter mij. Wanneer mompel mompel, mompelde ze toen. De crematie, antwoordde een vrouw naast haar, maar die is vanochtend al geweest, de crematie, die is al voorbij.
De doden springen vaak zo vreemd en haastig achteruit het verleden in, dat is toch niet nodig, wie doet ze wat. Later droomde ik van grote zwarte vogels, hun groen en rood gezoomde ogen wimperden, ze daalden ook aan de verkeerde kant van het hek, de onderste onder hen konden niet langer en riepen orrr orrr maar het werd more, more en menselijk alles. Ach Charlie.
Alles zal wel anders zijn, we zijn het bangst voor niets.
Hartelijke groeten, Leo Vroman
Wim Hazeu • 11 april 2006
• Wim Hazeu (1940-2024) was een Nederlandse schrijver en biograaf. In het tijdschrift Liter publiceerde hij Een jaar voorafgaande aan de Lucebertbiografie
Fragmenten uit een dagboek.
11 april 2006
- In de trein op weg naar het atelier van Lucebert vertel ik uitgeefster Suzanne Holtzer over mijn twijfels. Er is al zoveel bekend... Zij raadt mij aan een biografie van Marten Toonder te overwegen. In het atelier tref ik een aardig gezelschap aan, in verband met de overdracht van tweehonderd werken van Lucebert aan de Nederlandse Staat. Staatssecretaris Medy van der Laan neemt het geschenk symbolisch (één schilderij) in ontvangst van weduwe Tony. Ik spreek met Tony, met haar zoon Brecht, twee dochters en een schoonzoon van Lucebert en met de zoon van de overleden verzamelaar Groenendijk (die zijn collectie aan het Stedelijk Museum schonk. Degene die voor mij deze collectie in het Museum toegankelijk zal maken, Suzanna Héman, spreek ik ook). De middag wordt almaar geanimeerder. Anja de Feijter, die op Lucebert promoveerde, stelt zich voor en geeft aan dat er zeker nog ruimte is voor een echte biografie. Een mening die de kinderen en Tony delen. Ik blijf voorzichtig, houd afstand, maar toon mij nieuwsgierig. In de boekenkast snuffel ik in de boeken van Bert Schierbeek, allemaal voorzien van een mooie, uitgebreide opdracht. Ik mag met alle genoemden komen praten, ook met schilder-collega David Kouwenaar. Op de terugweg vertel ik Suzanne dat ik nu vier mogelijkheden zie: Lucebert, Jan de Hartog, Marten Toonder en Co Westerik en een onmogelijkheid: Nijhoff. In elk geval zal ik een afspraak maken met David Kouwenaar, omdat ik nu eenmaal graag met schilders praat.
11 april 2006
- In de trein op weg naar het atelier van Lucebert vertel ik uitgeefster Suzanne Holtzer over mijn twijfels. Er is al zoveel bekend... Zij raadt mij aan een biografie van Marten Toonder te overwegen. In het atelier tref ik een aardig gezelschap aan, in verband met de overdracht van tweehonderd werken van Lucebert aan de Nederlandse Staat. Staatssecretaris Medy van der Laan neemt het geschenk symbolisch (één schilderij) in ontvangst van weduwe Tony. Ik spreek met Tony, met haar zoon Brecht, twee dochters en een schoonzoon van Lucebert en met de zoon van de overleden verzamelaar Groenendijk (die zijn collectie aan het Stedelijk Museum schonk. Degene die voor mij deze collectie in het Museum toegankelijk zal maken, Suzanna Héman, spreek ik ook). De middag wordt almaar geanimeerder. Anja de Feijter, die op Lucebert promoveerde, stelt zich voor en geeft aan dat er zeker nog ruimte is voor een echte biografie. Een mening die de kinderen en Tony delen. Ik blijf voorzichtig, houd afstand, maar toon mij nieuwsgierig. In de boekenkast snuffel ik in de boeken van Bert Schierbeek, allemaal voorzien van een mooie, uitgebreide opdracht. Ik mag met alle genoemden komen praten, ook met schilder-collega David Kouwenaar. Op de terugweg vertel ik Suzanne dat ik nu vier mogelijkheden zie: Lucebert, Jan de Hartog, Marten Toonder en Co Westerik en een onmogelijkheid: Nijhoff. In elk geval zal ik een afspraak maken met David Kouwenaar, omdat ik nu eenmaal graag met schilders praat.
Abonneren op:
Reacties (Atom)







