zondag 8 maart 2026

John H. Smith • 9 maart 1900

John Henry Smith (1848-1911) was een Amerikaanse politicus. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

[Friday, March 9, 1900 - Salt Lake City]
I was working most of the day on my father’s history.

My sons Winslow, Nicholas, Nathaniel, Joseph and myself plowed up my garden. The horses were quite nervious.

My wife Sarah and I went to the Theatre. The play was The Rivals.


Jules Renard • 8 maart 1891

Jules Renard (1864-1910) was een Franse schrijver. Zijn Dagboek 1887-1899 is verschenen in de Privé Domein-reeks. Vertaling: F. de Haan & M. Kaas.
• De dagboeken van de Franse schrijver Jules Renard (1864-1910) zijn vanwege de hoeveelheid ‘faits divers’ en anekdotes wel eens omschreven als ‘de documentatie’ bij À la recherche du temps perdue van Marcel Proust. De Rodin in het fragment is uiteraard de fameuze beeldhouwer.

8 maart [1891] In Rodins atelier, een openbaring, een verrukking, die Porte de l’Enfer, dat kleine werk, niet groter dan een hand, l’Éternelle idole: een man, met zijn armen op zijn rug, overwonnen, kust een vrouw onder haar borsten, drukt zijn lippen op haar huid, en van de vrouw gaat zo’n droefheid uit. Met moeite maak ik me ervan los. Een oude vrouw in brons, iets gruwelijk moois, met haar platte borsten, haar geteisterde buik en haar gezicht dat nog mooi is. Verder lichamen met elkaar verweven, armen in elkaar verstrengeld, en le Péché originel, de vrouw die zich aan Adam vastklampt, hem met heel haar wezen naar zich toe trekt, en de Sater, die een vrouw in zijn armen klemt en in haar wroet, één hand tussen haar dijen, de tegenstelling tussen mannenkuiten en vrouwendijen. Heer, maak dat ik de kracht heb om dat alles te bewonderen!
Op de binnenplaats wachten blokken marmer om tot leven te worden gewekt, vreemd door hun vorm en, zo lijkt het, door hun verlangen om te leven. Vermakelijk: ik doe alsof ik de man ben die Rodin heeft ontdekt.
Rodin, een soort dominee, de beeldhouwer van de genots-pijn, stelt Daudet naïeve vragen en wil van hem weten welke naam hij aan zijn verbazingwekkende scheppingen moet geven. Zelf vindt hij stereotiepe namen, die hij aan de mythologie bijvoorbeeld ontleent. Een voorstudie van Victor Hugo, naakt... volstrekt grotesk overigens.
[...]

9 maart
Bij Rodin had ik het gevoel dat mijn ogen plotseling openbraken. Tot op dat ogenblik had ik de beeldhouwkunst net zo interessant gevonden als het bewerken van koolraap.

Schrijven zoals Rodin beeldhouwt.

Wanneer iemand me een tekening laat zien, kijk ik net lang genoeg om te bedenken wat ik ervan zal zeggen


Sofia Tolstoj • 7 maart 1898

Sofja Andrejewna Tolstaja (1844-1919) was de echtgenote van de Russische schrijver Leo Tolstoj. Gedeeltes uit haar dagboeken zijn gepubliceerd in Dagboek (vertaling Ton Eekman).

7 maart 1898
Vanochtend had ik een onaangenaam gesprek met Lev Nikolajevitsj [Tolstoj]. Hij wil steeds maar aanvullingen aan zijn artikel toevoegen, maar ik ben bang dat de censuur aanmerkingen op die aanvullingen zal hebben, zodat het de verschijning van het boek weer zal vertragen; ik wil het in dertigduizend exemplaren laten drukken. Van het ene woord kwam het andere, we smeten elkaar verwijten naar het hoofd; ik betichtte hem ervan dat hij mij mijn vrijheid ontneemt, dat hij me niet naar St. Petersburg laat gaan; en hij mij dat ik zijn boeken te gelde maak; waarop ik antwoordde dat ik geen profijt van dat geld heb, maar zijn kinderen in de eerste plaats, die hij aan hun lot heeft overgelaten, die hij niet heeft opgevoed en geen vak heeft laten leren. Daar voegde ik aan toe dat ik hem zijn rijpaard, zijn fruit en asperges, zijn liefdadigheid, zijn fietsen enzovoort enzovoort verschaft had van dat geld, en dat ik er zelf het minst van allen van profiteerde. Dat zou ik hem niet gezegd hebben als hij niet geroepen had dat ik te ver ging en dat hij me kon verbieden die boeken te verkopen. Ik zei: daar zal ik erg blij om zijn, verbied het me maar, dan ga ik voor mezelf werken, als lerares, correctrice of zo. Ik houd van werken en heb een hekel aan mijn huidige leven, dat zo heel anders ingericht is dan mijn smaak zou zijn, door de inertie en door mijn gezin – mijn man en kinderen.

• In haar dagboeken beschrijft Sofia Tolstoj haar 48 jaar durende huwelijk met Lev Tolstoj (1828-1910). Hoewel ze een sterke en artistieke persoonlijkheid was (ze schreef en fotografeerde), stelde ze haar leven volledig in dienst van de grote schrijver met al zijn nukken.

donderdag 5 maart 2026

Søren Kierkegaard • 6 maart 1850

Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Uit: Kierkegaard. Een keuze uit zijn dagboeken (vertaald door H.A. van Munster).

Maart 1850
Zoals het een vrouw juist met betrekking tot haar ware geliefde kan overkomen, dat zij — juist omdat zij al te sterk door die ene gedachte vastgehouden wordt — plotseling bijna een afschuw krijgt van de geliefde, die toch werkelijk de geliefde is, zo is er ook een godsdienstige aanvechting, die men ook door oude schrijvers beschreven vindt, waarbij men een hekel krijgt aan het godsdienstige, terwijl dit toch de hoogste werkelijkheid voor de aangevochten mens blijft; maar hij heeft er zich te veel mee bezig gehouden. Hier kan men niets anders doen dan geduld en stilte beoefenen, dan komt de zaligheid weer terug en des te sterker.

woensdag 4 maart 2026

Honoré Blijdenstijn • 5 maart 1941

• Op vrijdag 10 mei 1940 begon de 57-jarige directeur van de Rijkskweekschool in Amersfoort, Honoré Blijdenstijn, in een eenvoudig schriftje, dagelijks te noteren wat hem bezighield. Vijf jaar en 23 schriftjes later hield hij daar mee op.

5 maart 1941 (woensdag)
Een brief van Linneweber, een rector, verbonden aan ’t Dept. v. Opv. W. en C. en inspirator voor Duitse ideeën „an höchster Stelle”. Gerard had hem over mij gesproken als man die van de opleiding wat af wist. Ik had G. gezegd, dat ik graag eens met hem zou willen spreken. Nu kondigt hij mij zijn komst aan of, juister gezegd, vraagt mij mij in de Kweekschool te kunnen bezoeken tussen 10 en 15 Maart „Besuch rein privater Art und daher Bedenken politischer Art so gut wie ausgeschlössen”.

Natuurlijk is zo iets nooit mijn bedoeling geweest. Bij de tegenwoordige stemming tegen de Duitsers, die door de gebeurtenissen te Amsterdam tot kookhitte is gestegen, kan men een bezoek van een Duitser niet goed praten; in mijn functie zou ik in ieders ogen een landverrader zijn.

Evenwel er is nog een andere reden, die de kennismaking belet. De Secretaris-generaal V Dam heeft een paar weken geleden zijn reorganisatie - plan der Kweekscholen bekend gemaakt. Ik mag nu alleen nog in ambtelijk verband handelen. Ik heb Linneweber in dien geest geschreven; ik hoop, dat hij het inziet. Wij leven snel; 3 maanden geleden was loyale samenwerking nog iets, waarover gesproken kon worden.

Albert en Greet Polak komen bridgen. Zij vertellen: „De Kattenburgers in Amsterdam voegden de Duitsers toe: Wat jullie met je eigen joden doet, moet je zelf weten, maar van onze smousjes blijf je af.” Dat tekent de gevoelens van ’t ogenblik; als men er maar niet uit concludeert, dat de Amsterdammers thans pro-semiet zijn!

dinsdag 3 maart 2026

Frances D'Arblay • 4 maart 1789

Frances d'Arblay (1752-1840) was een Britse schrijfster. Haar dagboeken zijn gepubliceerd als The Diary and Letters of Madame D'Arblay.

Vertaling onderaan

AN AIRING AND ITS CONSEQUENCES.
Wednesday, March 4.-A message from Mrs. Schwellenberg this morning, to ask me to air with her, received my most reluctant acquiescence; for the frost is so severe that any air, without exercise, is terrible to me; though, were her atmosphere milder, the rigour of the season I might not regard.

When we came to the passage the carriage was not ready. She murmured most vehemently; and so bitterly cold was I, I could heartily have joined, had it answered any purpose. In this cold passage we waited in this miserable manner a full quarter of an hour; Mrs. Schwellenberg all the time scolding the servants, threatening them with exile, sending message after message, repining, thwarting, and contentious.

Now we were to go, and wait in the king's rooms—now in the gentlemen's—now in Dr. Willis's—her own—and this, in the end, took place.

In our way we encountered Mr. Fairly. He asked where we were going. "To my own parlour!" she answered.

He accompanied us in; and, to cheer the gloom, seized some of the stores of Dr. Willis,—sandwiches, wine and water, and other refreshments,—and brought them to us, one after another in a sportive manner, recommending to us to break through common rules, on such an occasion, and eat and drink to warm ourselves. Mrs. Schwellenberg stood in stately silence, and bolt upright, scarce deigning to speak even a refusal; till, upon his saying, while he held a glass of wine in his hand, "Come, ma'am, do something eccentric for once—it will warm you," she angrily answered, "You been reely—what you call—too much hospital!"

Neither of us could help laughing. "Yes," cried he, "with the goods of others;—that makes a wide difference in hospitality!" Then he rattled away upon the honours the room had lately received, of having had Mr. Pitt, the Chancellor, Archbishop of Canterbury, etc., to wait in it. This she resented highly, as seeming to think it more honoured in her absence than presence.

At length we took our miserable airing, in which I was treated with as much fierce harshness as if I was being conveyed to some place of confinement for the punishment of some dreadful offence!

She would have the glass down on my side; the piercing wind cut my face; I put my muff up to it: this incensed her so much, that she vehemently declared "she never, no never would trobble any won to air with her again but go always selfs."—And who will repine at that? thought I.

Yet by night I had caught a violent cold, which flew to my face, and occasioned me dreadful pain.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

EEN LUCHTJE SCHEPPEN EN DE GEVOLGEN ERVAN

Woensdag 4 maart. — Vanmorgen ontving ik een boodschap van mevrouw Schwellenberg met het verzoek met haar een luchtje te gaan scheppen; met de grootste tegenzin stemde ik toe, want de vorst is zo streng dat elke blootstelling aan de buitenlucht, zonder beweging, voor mij verschrikkelijk is; al zou ik de strengheid van het seizoen wellicht minder erg vinden als haar stemming milder was.
Toen wij in de gang kwamen, was de koets nog niet gereed. Zij mopperde uiterst heftig; en zo bitter koud had ik het, dat ik van harte had kunnen meedoen, als het enig nut had gehad. In deze koude gang wachtten wij op deze ellendige wijze een vol kwartier; mevrouw Schwellenberg al die tijd de bedienden berispend, hen met verbanning dreigend, de ene boodschap na de andere zendend, klagend, tegensprekend en twistziek.
Nu zouden wij gaan en wachten in de vertrekken van de koning — dan weer in die van de heren — dan weer in die van dr. Willis — haar eigen vertrek — en uiteindelijk gebeurde dit laatste.
Onderweg kwamen wij meneer Fairly tegen. Hij vroeg waar wij heengingen.
“Naar mijn eigen salon!” antwoordde zij.
Hij vergezelde ons naar binnen en nam, om de somberheid te verdrijven, wat van de voorraden van dr. Willis — sandwiches, wijn met water en andere versnaperingen — en bracht ze ons één voor één op speelse wijze, waarbij hij ons aanraadde om bij zo’n gelegenheid de gewone regels eens te doorbreken en te eten en te drinken om ons te verwarmen. Mevrouw Schwellenberg stond in statige stilte, kaarsrecht, nauwelijks waardig zelfs een weigering uit te spreken; tot hij, terwijl hij een glas wijn in de hand hield, zei: “Kom, mevrouw, doe eens iets excentrieks voor één keer — het zal u verwarmen,” waarop zij boos antwoordde: “U bent werkelijk — wat u noemt — al te gastvrij!”
Wij konden allebei niet nalaten te lachen.
“Ja,” riep hij, “met andermans goederen — dat maakt een groot verschil in gastvrijheid!” Vervolgens ratelde hij door over de eer die de kamer onlangs had genoten doordat meneer Pitt, de kanselier, de aartsbisschop van Canterbury enzovoort er hadden gewacht. Dit nam zij hem zeer kwalijk, alsof hij wilde suggereren dat de kamer in haar afwezigheid meer eer genoot dan in haar aanwezigheid.
Eindelijk maakten wij ons ellendige tochtje, waarbij ik met zo’n felle hardheid werd behandeld alsof ik naar een plaats van opsluiting werd gebracht ter bestraffing van een verschrikkelijk misdrijf!
Zij liet aan mijn kant het raam zakken; de snijdende wind geselde mijn gezicht; ik hield mijn mof ervoor. Dat maakte haar zo kwaad dat zij heftig verklaarde dat zij “nooit, nee nooit meer iemand lastig zou vallen om met haar een luchtje te scheppen, maar voortaan altijd alleen zou gaan.” — En wie zou daarover klagen? dacht ik.
Toch had ik tegen de avond een zware verkoudheid opgelopen, die naar mijn gezicht trok en mij hevige pijn bezorgde.

maandag 2 maart 2026

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski • 3 maart 1886

• De Russische componist Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) hield onregelmatig een dagboek bij.

Vertaling onderaan.

Wednesday 19 February/3 March 1886*
Slept very little. Woken by [petekind] Boris. Sent a telegram to S. M. Tretyakov to say that I would not be coming. [Beschermeling] Votya Sangursky's sketches. Departure. Priests in the railway carriage. From Podsolnechnaya to Klin there was a pretty woman from the bourgeoisie. Home. Dinner. Paced about the room. Slept. Tea. Out of sorts. Anguish and vacillation regarding the journey. Almost to the point of despair. Wrote letters. Went into the kitchen. Cards. Supper. Organised supper for the guests. Wrote in my diary after many days.

Thursday 20 February/4 March 1886
The wind is howling through the trees worse than ever; how can one believe that spring is so near. The frost was sharp. After a splendid night's sleep I felt more cheerful today, and decided, come what may, to go as intended. Strolling, composed Mackar's piece [een stuk in opdracht]. [Bediende] Alyosha brought letters from N. D. Kondratyev in Nizy, amongst others. I read the newspaper. Some pancakes instead of dinner. Even these were difficult to obtain. Straight after dinner, despite the cruel wind, I walked to the railway station to telegraph Laroche and tell him not to come. I was exhausted, but then my digestion was eased. I was drowsy all the time before and after tea. However, I still wrote six letters and worked a little. After supper I played Nero [opera van Anton Rubinstein]. The impudence of the author is worthy of astonishment, but not of imitation.

* De Russische kalender liep toen nog dertien dagen achter.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

Woensdag 19 februari / 3 maart 1886
Weinig geslapen. Wakker gemaakt door Boris. Een telegram gestuurd aan S. M. Tretyakov om te zeggen dat ik niet zou komen. Schetsen van Votja Sangurski. Vertrek. Priesters in de treinwagon. Van Podsolnetsjnaja tot Klin zat er een knappe vrouw uit de burgerij. Thuis. Diner. Door de kamer heen en weer gelopen. Geslapen. Thee. Niet in mijn doen. Angst en besluiteloosheid over de reis. Bijna tot wanhoop toe. Brieven geschreven. Naar de keuken gegaan. Kaarten. Avondmaal. Het avondmaal voor de gasten georganiseerd. Na vele dagen weer in mijn dagboek geschreven.

Donderdag 20 februari / 4 maart 1886
De wind huilt erger dan ooit door de bomen; hoe kan men geloven dat de lente zo nabij is. Het vroor scherp. Na een heerlijke nachtrust voelde ik mij vandaag opgewekter en besloot, wat er ook zou gebeuren, te gaan zoals gepland. Tijdens een wandeling Mackars stuk gecomponeerd. Aljosja bracht onder andere brieven van N. D. Kondratjev uit Nizy. Ik las de krant. Enkele pannenkoeken in plaats van een diner. Zelfs die waren moeilijk te verkrijgen. Meteen na het diner ben ik, ondanks de wrede wind, naar het station gelopen om Laroche te telegrammeren dat hij niet moest komen. Ik was uitgeput, maar daarna werd mijn spijsvertering beter. Voor en na de thee was ik voortdurend slaperig. Toch heb ik nog zes brieven geschreven en een beetje gewerkt. Na het avondmaal speelde ik Nero. De onbeschaamdheid van de auteur is verbazingwekkend, maar niet navolgenswaardig.