donderdag 22 oktober 2026
Willem Elsschot • 24 oktober 1957
Antwerpen, 24.10.1957
Waarde Vriend,
ik wist natuurlijk dat u geslaagd waart [voor een opleiding tot leraar Nederlands] anders had ik er over gezwegen. Proficiat. En nu hoger op. Naar de volgende etappe.
De lezing in Utrecht heeft plaats op 31 October om 8 uur en is ingericht door de grote boekhandel Broese, Nachtegaalstraat 20, Utrecht. U zult van Broese twee toegangsbewijzen ontvangen. Het is voor u een hele reis, met een hoop onkosten en ik vrees dat het hele ding dat niet waard is. Steeds Carmiggelt en dan ik iets voorlezen* ... Ik ben blij dat het achter de rug is want Utrecht is het slotaccoord. Ik kon het aan Van Kampen [uitgever] niet weigeren, maar ik doe het nooit meer. Hoe prettig ik het ook vind u weer te zien, toch zou ik er in uw plaats nog eens over nadenken, want het is feitelijk een kluchtspel om boeken te verkopen.
Gezondheid IETS beter. Van uw pastilles heb ik enkele gebruikt maar ik zal dat doosje maar weer ter hand nemen. Dank voor de belangstelling.
MET uw teenen is Vlaams. AAN zou verkieslijk zijn**. Verander het maar in uw exemplaar, dat is dan later een souvenir.
Van [het optreden in] Amsterdam heb ik niets begrepen, maar Rotterdam vergeet ik niet licht. Daar was ten minste belangstelling.
Hartelijke groeten, ook aan uw vrouw,
A. De Ridder
* Elsschot deed een tournee langs boekhandels met Simon Carmiggelt als inleider.
** Villerius had gevraagd waarom Elsschot ergens geschreven had "Daar schele Piet reeds met Uw teenen trekt", en niet 'aan uw teenen'.
Gerbrand Bakker • 23 oktober 2015
• Gerbrand Bakker (1962) is een Nederlandse schrijver. Van eind 2014 tot begin 2016 hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jasper en zijn knecht. 19 oktober [Schwarzbach] Ik lees een geweldig boek. Pure van Andrew Miller. Zo'n boek dat je nauwelijks kunt wegleggen, waarin je te lang blijft lezen en dan nauwelijks meer kunt slapen. Niet door de inhoud van het boek, maar domweg door het lezen zelf, het dóór willen lezen. Het gaat over een ingenieur, Jean-Baptiste Baratte, die de opdracht krijgt de begraafplaats Les Innocents in Parijs op te ruimen, een paar jaar voor de Franse Revolutie. Jammer genoeg is het al vertaald (Puur, uitgegeven door Xander Uitgevers), anders zou ik er onmiddellijk aan beginnen. Het boek stond op de shortlist van de IMPAC van 2013, en ik heb alle acht boeken die op die shortlist stonden omdat ik via Twitter een vraag goed beantwoordde. De vraag luidde: wie won vorig jaar de IMPAC? Dat was Jon McGregor voor Even the dogs en ik was een van de eerste drie met het goede antwoord. In 2013 kreeg Kevin Barry de prijs voor City of Bohane. De winnaar was dus niet Tommy Wieringa met Caesarion, een van de andere zeven shortlisters in dat jaar.*
[...]
[Vier dagen later] Tuinmaat Han was hier. Met Jet. Jasper [Bakker's hond] en Jet spelen niet langer met elkaar, misschien zijn ze allebei puber-af. Dat ligt trouwens vooral aan Jasper, die doet ongeïnteresseerd, negeert dat kleine opdondertje. Tuinmaat Han was er om het hek af te maken. Het Jasperhek. Dat is gelukt: als ik de poort dichtdoe, kan hij niet langer ontsnappen. Het heeft even geduurd voor dit project afgerond was en in de tussentijd is Jasper veel rustiger geworden, doet hij eigenlijk nooit meer een poging om zo hard mogelijk ervandoor te rennen. Alleen als er bezoek komt, zo'n moment grijpt hij nog steeds aan, als een soort reflex, om 'm te smeren, terwijl ik verwacht dat hij het bezoek zal gaan begroeten. Ik heb inmiddels Pure uit. Ik was wat beducht voor het einde - het einde van een boek is voor een schrijver het allermoeilijkst - maar dat kwam goed. Geweldig boek. Tuinmaat Han nam vier pakken hagelslag mee, daar had ik ineens vreselijk zin in. Hagelslag is hier nergens te vinden in de supermarkten.
[...]
* Gerbrand Bakker won de IMPAC zelf in 2010, voor The Twin, de vertaling van Boven is het stil.274-2016>
Jacob Bicker Raye • 22 oktober 1751
22 October, 's middags om twee uur, was hier de droevige en onaangename tijding uit den Haag gekomen, dat in den afgeloopen nacht om twee uur, Zijn Doorluchtige Hoogheid Willem Karel Hendrik Friso, Prinse van Oranje en Nassau, onzen Erfstadhouder, na een ziekte van zes à zeven dagen, van hoofd- en keelpijn, vergezeld van koortsen en ijlhoofdigheid, dit tijdelijke voor het Eeuwige verwisseld had.
Wij krijgen nog eenige bijzonderheden. Zijnde voort een deputatie uit Haar Edl. Groot Mogende Vergadering, de Staten van Holland, ‘gedepieseert’ om Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouwe de Prinsesse te condoleeren. Nadat de weduwe van den Prins den eed als gouvernante en voogdesse van den jongen Prins had afgelegd, gingen de heeren weer heen. Maar om zeven uur was de Prinses wederom verplicht een plechtige deputatie te ontvangen; ditmaal was het er een uit het midden van de Hoog Mogenden, die met hetzelfde doel kwam. Aan deze heeren had Hare Koninklijke Hoogheid den eed als gouvernante van de Unie afgelegd.
‘Denzelfden dag werd het lichaam van Zijne Hoogvorstelijke Doorlugtighyt geopent en gebalsemt; men had seer weynig ontsteking of verderfinge in de ingewanden bevonden, hoewel de herssenen zeer geinflameert waren. Door een benauwthijt en een inflamatie was den Vorst verstikt en versmoort’.
Over dat droevige sterfgeval moesten de klokken in alle steden en dorpen acht dagen na elkander geluid worden en verder nog drie dagen voor de begrafenis en op dien dag. Driemaal daags gedurende een uur.338-2018>
dinsdag 20 oktober 2026
M.C. • 21 oktober 1915
20 Oct. • Waarom is men in Duitsch-Zwitserland toch van zoo'n fellen haat tegen Engeland bezield? Eigenlijk heb ik het nooit recht begrepen. Want in den goeden tijd, toen er nog voor pleizier gereisd werd, brachten vooral de Engelschen veel geld in 't land.
Maar vandaag had ik geluk... Luisterend naar een tafelgesprek, ving ik de volgende redeneering op, redeneering - dat moet ik er bij voegen - van den middenstands-Zwitser, hotelier en winkelier: ‘Was Engeland niet tusschenbeide gekomen, dan had Duitschland dadelijk overwonnen, zoowel Frankrijk als Rusland. De oorlog was al lang ten einde geweest. En wij, Zwitsers, hadden weer geld kunnen verdienen.’
Werkelijk! Nergens heeft de Duitsche propaganda zulke successen te boeken gehad als hier in Duitsch-Zwitserland. Ze weet ook zoo handig, den hefboom te zetten in 's menschen zwakheden. En des Zwitsers zwakheid is zoo duidelijk zijn begeerte naar geld.
21 Oct. • Bern is, wat men een mooie stad noemt: twee armen van de groene, wit-schuimende Aar snijden haar in drie deelen; bloeiende, villagekroonde heuvels omkransen haar, als een dikke vlecht het bolle gezicht van een boerenmeisje. Ja, Bern is een boerendochter... Bazel is een interessante stad, de oude stad der Kaufherren, met één' blik ten minste langs den Rijn in de wijde verte, vol van dat ouderwetsch-strenge in zich besloten intellectueele leven, dat, naar buiten het masker toonend van droge geestigheid, ondanks je zelf, bezighoudt, boeit en trekt. Zürich is de stad van het werk, van de industrie en de fabrieken, moderne stad, open voor alle invloeden. Bern is de stad van beren en boeren, door de bergen ingesloten en afgesloten, met iets in de lucht, dat neerdrukt, iets laags en zwaars in alle verhoudingen.
[...]
Men moet evenwel zijn' tijd weten waar te nemen. Want loopt men er rond, zoo tusschen elf en drie, dan bevindt zich straat aan straat in het teeken der etensgeuren. Het eten is nu eenmaal iets hoofdzakelijks hier, zwaar van gewicht als het gehalte der spijzen zelf. En een eethuis is een zaak van publiek belang. Als een oorlogsbulletin prijkt aan de post der deur het menu. Elke dag heeft ook min of meer zijn specialiteit Zoo is vooral de Maandag aan de Bratwurst gewijd.
Er zijn er eethuizen van allerlei soort en voor allerlei beurs. Behalve de chique en dure: alcoholvrije, vegetarische, christelijke... Dan zijn er eethuizen voor arbeiders, studenten, werkende vrouwen enz. enz. In al die gelegenheden krijgt men voor weinig geld goede maaltijden. Een Volkshaus is er ook. Men eet er en hoort er concerten. Naast het menu hangt het muziekprogramma.
Trouwens de combinatie van kunst en keuken is in Zwitserland geen zeldzame. Ik zag het toch met eigen oogen (neen, ik ben niet lichtgeloovig): in Bazel, in de Kunsthalle, waar permanente schilderij-tentoonstellingen zijn, is tevens een restaurant, waar men diners à prix fixe kan krijgen... Profanatie...? Wat?... Van kunst of van keuken?...
In het historisch museum was ik ook. En ook hier trof me de Zwitsersche afgeslotenheid in heden en verleden. Ook het trotsch-daarop-zijn, de zelfgenoegzaamheid en het zich-zelf-alleen-voortreffelijk-vinden. Nergens de wijdere blik in de verte, het open-zijn voor bevruchtende invloeden.
Ze waren zich zelf gebleven door alle tijden: gezond, werkzaam, vrij, maar bekrompen.
maandag 19 oktober 2026
J.C. Villerius • 20 oktober 1958
Rotterdam, 20.10.1958
[...]
Het is een schone stad, Antwerpen. Maar het regent er vaak, en ik zie je in gedachte vaak lopen door de natte straten, alleen, verdrietig. Ondanks je huis, ondanks je franken. Knarsetandend omdat dan toch eindelijk de laatste jaren, de laatste maanden, de laatste dagen zijn aangebroken. Is er ergens troost? 'Priesters zalven en beloven, maar ik kan het niet geloven...' [Citaat uit Elsschot's gedicht 'Spijt'] Troost? Ik wilde dat ik er ièts, maar ièts van zou kunnen geven. ik voel mij schuldig omdat ik nog een heel leven voor me heb. Een zoet bekeringswoord? Toch niet, toch niet. Ik zal niet zalven en beloven, niet zulke poespas.
Want het is anders, denk ik. God is anders en meer dan die gerokte showfiguren ons willen wijsmaken. Hij begrijpt meer van ons en houdt meer van ons, dan wij ons kunnen voorstellen. Dat's precies alles. Dat is precies alles wat het leven het leven waard maakt. Je hoeft maar een stap te doen en Hij doet alle andere. Maar probeer het niet te begrijpen — dat is tien stappen terug. Het is een hopeloze onderneming, een Christus aan het kruis tekenen voor drie vreemdelingen en voor jezelf. [Toespeling op Elsschot's novelle 'Het dwaallicht'.] Geen mèns die van dit alles ièts begrijpt. Vergeet alles wat de mensen zeggen en doen, dan is de weg vrij. Vergeef mij, dat ik dit alles schrijf. Het zou mij zo gelukkig maken als dat 'dwaallicht' geen dwaallicht meer was.
J.C. Villerius
P.S. Beantwoord deze brief maar niet.
zondag 18 oktober 2026
Lydia Allen Rudd • 19 oktober 1852
Oct. 8 started early this morning without any breakfast for the very good reason that we had nothing to eat - still three miles from the falls - safely landed about eight o clock tired hungry and with a severe cold from last nights exposure - something like civilization here in the shape of three or four houses - there is an excuse here for a railroad of a mile and half on which to convey bagage below the falls where they can again take water for the steamboat landing - Harry packed our bagage down the railroad and the rest of us walked - the car is drawn across the railroad by a mule and they will cary no persons but sick - We again hired an Indian with his canoe to take us from the falls to the steamboat landing - arived about sundown a great many emigrants waiting for a chance to leave the steamboat and several flat boats lying ready to start out in the morning encamped on the shore for the night
October 14 ... I am so anxious to get some place to stop and settle that my patience is not worth much
October 19 ... We have had a very bad day today for traveling - it has rained nearly all the time and it has rained very hard some of the time and we have had a miserable road - the rain has made the hills very slippery and had to get up and down - we have made but eleven miles of travel encamped on the prairie - no water for our stock and not much for ourselves
October 22 ... Traveled three miles this morning and reached the village of Salem - it is quite a pretty town a much handsomer place than Oregon City and larger ... I am afraid that we shall be obliged to pack from here the rest of our journey and it will be a wet job - another wet rainy day I am afraid that the rain will make us all sick I am already begin to feel the affects of it by a bad cold.
Hier is er een goede reden voor een spoorlijntje van anderhalve mijl, waarover de bagage voorbij de watervallen kan worden vervoerd. Daar kunnen ze weer aan boord gaan van de stoomboot. Harry droeg onze bagage over de spoorlijn naar beneden en de rest van ons liep. Het karretje wordt door een muilezel over de spoorlijn getrokken en ze vervoeren er geen passagiers mee, behalve zieken.
We huurden opnieuw een indiaan met zijn kano om ons van de watervallen naar de aanlegplaats van de stoomboot te brengen. We kwamen tegen zonsondergang aan. Er stonden heel wat emigranten te wachten op een gelegenheid om de stoomboot te verlaten, en er lagen verscheidene platbodems klaar om de volgende ochtend te vertrekken. We sloegen ons kamp op aan de oever voor de nacht.
14 oktober … Ik verlang er zo naar eindelijk ergens aan te komen waar we kunnen blijven en ons vestigen, dat mijn geduld niet veel meer voorstelt.
19 oktober … We hebben vandaag een bijzonder slechte reisdag gehad. Het heeft bijna voortdurend geregend, en een deel van de tijd kwam de regen met bakken uit de lucht. Bovendien was de weg erbarmelijk. Door de regen zijn de heuvels erg glad geworden en we moesten steeds op en af. We hebben maar elf mijl afgelegd en ons kamp opgeslagen op de prairie. Er is geen water voor onze dieren en nauwelijks iets voor onszelf.
22 oktober … Vanmorgen hebben we drie mijl afgelegd en bereikten we het dorp Salem. Het is een heel aardig plaatsje, een veel mooiere plek dan Oregon City en bovendien groter. … Ik vrees dat we vanaf hier de rest van onze reis onze bagage zullen moeten dragen, en dat wordt een natte onderneming. Weer een regenachtige dag. Ik ben bang dat de regen ons allemaal ziek zal maken. Zelf begin ik de gevolgen al te merken: ik heb een flinke verkoudheid.
Sergej Prokofjev • 18 oktober 1917
[14 oktober]
Vier dagen later was mijn tweede concert. Er was nog minder publiek, het stond me gewoon tegen om te spelen, maar ik dwong me ertoe mezelf te vermannen: dit was immers geen concert, maar een repetitie voor Moskou, voor Moskou ja, niet voor Petrograd - in Petrograd ben ik bekend en geliefd, terwijl ik Moskou nog moet veroveren. De lauweren van de jeugdige pianist Orlov, de lieveling van het Moskouse publiek en een gracieuze, maar leeghoofdige pianist, laten me niet met rust. Nou ja, en na Orlov moet ik ook met Rachmaninov de strijd aanbinden.
Dit concert speelde ik heel goed en subtiel. Mama, altijd streng en ontevreden, was verrukt. De oude Safonov, die dwars door het voor hem onbekende modernisme heen de zachtheid en tederheid van mijn nuanceringen beluisterde, prees me zeer. Asja Lesnaja zat op de eerste rij en kwam na afloop van het concert naar de kleedkamer. Het was geen gymnasiummeisje, maar een leerlinge van Meyerholds dramastudio, een jaar of twintig oud, van het Pools-joodse type, eerder origineel dan leuk, zij het dat ook wel, lang en lenig, gekleed met een hang naar originaliteit en met een rood mutsje op (men kende haar in Kislovodsk dan ook onder de naam 'Roodkapje'; ze heette Chmelnitskaja, Lesnaja was een pseudoniem). Toen we uit artiestenfoyer naar buiten liepen, kreeg ik een ovatie, maar we sloegen meteen af, liepen het bruggetje over, de Kruisberg op en gingen wandelen.
Tegelijk met 'Roodkapje' verschenen er andere personen, zeer interessante: de anarchist Zmijev. Hij kwam in de salon van het Grand Hotel naar me toe en vroeg een vuurtje. We raakten aan de praat. Naar eigen zeggen was hij onlangs uit Londen gearriveerd. Het was een heel jonge man, levendig, geestig en met een voor mij uitermate ongewone wereldbeschouwing. Hij noemde zich lid van de Petrogradse raad van arbeidersafgevaardigden van de partij der anarchisten. Dat was buitengemeen pikant, ook al sta ik er niet voor in dat het inderdaad zo was. Menigeen zag hem domweg als een affairist, maar dat bestrijd ik. Een avonturier, ongetwijfeld. Een anarchist, zeer wel mogelijk, in elk geval wist hij op dat gebied heel verbazingwekkende dingen. Hij was buitengewoon op me gesteld, terwijl ik mijn tijd met plezier in zijn gezelschap doorbracht, omdat zijn anarchistische wereldbeschouwing - zoiets als de wereld op zijn kop - mij wel intrigeerde. Afgezien daarvan had hij, zoals ik al zei, een rake en levendige geest. Zodoende verliep mijn tijd in gezelschap van Asja en Zmijev en week daarmee wat af van zijn eerdere contemplatieve loop: nu eens vroeg Asja me uit wandelen, dan weer vertelde de anarchist mij over het leven van Kropotkin. Het weer en de lucht in Kislovodsk waren betoverend en trokken je naar buiten. Maar toch werkte ik een uur of twee per dag aan het andante van de Vierde sonate en besteedde een uur of anderhalf aan Kant, in een poging zijn hels moeilijke transcendentale logica onder de knie te krijgen. 's Avonds ging ik dikwijls naar de operette, in de Kursaal, waar op de eerste rij een stoel voor me was gereserveerd. Tot dan toe was ik vrijwel nooit in de operette geweest, omdat ik daar een hartgrondige hekel aan had, maar nu was ik er wel geïnteresseerd in geraakt, omdat ik het hele repertoire" vanuit een kritisch oogpunt bezag, niet voor wat de muziek betreft natuurlijk, maar voor het levendige en toneelmatige karakter. En wat denk je? Mijn vonnis: ze kunnen geen operettes schrijven. De levendigheid zit voornamelijk, in de scènes met dialoog en zonder muziek. Het ontbreekt de auteurs aan techniek en toneelmatige verbeelding om die met muziek te schrijven. Op sommige plaatsen is het wel levendig, en scenisch, soms is er wel sprake van elegantie (van een niet al te hoge kwaliteit), maar het kan allemaal duizendmaal beter. Het verlangen bekroop me zelfs - nee, niet om een operette te schrijven, daar zou ik niet brutaal genoeg voor zijn, maar wel een lichtvoetige, levendige en vrolijke opera. Voorlopig heb ik die gedachte laten varen, maar ik kom er nog op terug. En naast dat idee had ik een ander project: een opera op een onderwerp uit het leven van de anarchisten. De opera De anarchist. Over dat thema praatte ik tamelijk vaak met Zmijev. We konden echter niets afspreken, gezien het volgende: uit Petrograd kwamen berichten over een opstand van de bolsjewieken. De regering zit opgesloten in het Winterpaleis en probeert zich met kanonnen de aanvallende roodgardisten van het lijf te houden. Kerenski is behendig uit Petrograd weggeglipt en schiet aan het hoofd van trouw gebleven troepen te hulp. Volgens de laatste berichten hebben de bolsjewieken zich overgegeven en is de muiterij de kop in gedrukt. Toen had Zmijev het als anarchist niet meer en verdween spoorslags naar Rostov, waar fabrieken zijn en dus anarchistische partijen. Met Zmijev verdwenen ook de gesprekken over de opera, mijn honderd roebel die hij in gedeelten van me geleend had en mijn ondergoed, dat hij als verschoning had gevraagd.256-2016>




