dinsdag 20 oktober 2026

M.C. • 21 oktober 1915

• Uit: Een reis naar de Rievière in den jare 1915, door M.C.

20 Oct. • Waarom is men in Duitsch-Zwitserland toch van zoo'n fellen haat tegen Engeland bezield? Eigenlijk heb ik het nooit recht begrepen. Want in den goeden tijd, toen er nog voor pleizier gereisd werd, brachten vooral de Engelschen veel geld in 't land.
Maar vandaag had ik geluk... Luisterend naar een tafelgesprek, ving ik de volgende redeneering op, redeneering - dat moet ik er bij voegen - van den middenstands-Zwitser, hotelier en winkelier: ‘Was Engeland niet tusschenbeide gekomen, dan had Duitschland dadelijk overwonnen, zoowel Frankrijk als Rusland. De oorlog was al lang ten einde geweest. En wij, Zwitsers, hadden weer geld kunnen verdienen.’
Werkelijk! Nergens heeft de Duitsche propaganda zulke successen te boeken gehad als hier in Duitsch-Zwitserland. Ze weet ook zoo handig, den hefboom te zetten in 's menschen zwakheden. En des Zwitsers zwakheid is zoo duidelijk zijn begeerte naar geld.

21 Oct. • Bern is, wat men een mooie stad noemt: twee armen van de groene, wit-schuimende Aar snijden haar in drie deelen; bloeiende, villagekroonde heuvels omkransen haar, als een dikke vlecht het bolle gezicht van een boerenmeisje. Ja, Bern is een boerendochter... Bazel is een interessante stad, de oude stad der Kaufherren, met één' blik ten minste langs den Rijn in de wijde verte, vol van dat ouderwetsch-strenge in zich besloten intellectueele leven, dat, naar buiten het masker toonend van droge geestigheid, ondanks je zelf, bezighoudt, boeit en trekt. Zürich is de stad van het werk, van de industrie en de fabrieken, moderne stad, open voor alle invloeden. Bern is de stad van beren en boeren, door de bergen ingesloten en afgesloten, met iets in de lucht, dat neerdrukt, iets laags en zwaars in alle verhoudingen.
[...]
Men moet evenwel zijn' tijd weten waar te nemen. Want loopt men er rond, zoo tusschen elf en drie, dan bevindt zich straat aan straat in het teeken der etensgeuren. Het eten is nu eenmaal iets hoofdzakelijks hier, zwaar van gewicht als het gehalte der spijzen zelf. En een eethuis is een zaak van publiek belang. Als een oorlogsbulletin prijkt aan de post der deur het menu. Elke dag heeft ook min of meer zijn specialiteit Zoo is vooral de Maandag aan de Bratwurst gewijd.
Er zijn er eethuizen van allerlei soort en voor allerlei beurs. Behalve de chique en dure: alcoholvrije, vegetarische, christelijke... Dan zijn er eethuizen voor arbeiders, studenten, werkende vrouwen enz. enz. In al die gelegenheden krijgt men voor weinig geld goede maaltijden. Een Volkshaus is er ook. Men eet er en hoort er concerten. Naast het menu hangt het muziekprogramma.
Trouwens de combinatie van kunst en keuken is in Zwitserland geen zeldzame. Ik zag het toch met eigen oogen (neen, ik ben niet lichtgeloovig): in Bazel, in de Kunsthalle, waar permanente schilderij-tentoonstellingen zijn, is tevens een restaurant, waar men diners à prix fixe kan krijgen... Profanatie...? Wat?... Van kunst of van keuken?...
In het historisch museum was ik ook. En ook hier trof me de Zwitsersche afgeslotenheid in heden en verleden. Ook het trotsch-daarop-zijn, de zelfgenoegzaamheid en het zich-zelf-alleen-voortreffelijk-vinden. Nergens de wijdere blik in de verte, het open-zijn voor bevruchtende invloeden.
Ze waren zich zelf gebleven door alle tijden: gezond, werkzaam, vrij, maar bekrompen.

maandag 19 oktober 2026

J.C. Villerius • 20 oktober 1958

• Elsschot-bewonderaar Jan C. Villerius (1933-1996) kreeg een vriendschapsband met de grote schrijver aan het eind van diens leven (1882-1960). Ze schreven elkaar regelmatig; hun correspondentie is gebundeld in Elsschot leest voor. Hieronder een deel van een brief van Villerius aan Elsschot.

Rotterdam, 20.10.1958
[...]
Het is een schone stad, Antwerpen. Maar het regent er vaak, en ik zie je in gedachte vaak lopen door de natte straten, alleen, verdrietig. Ondanks je huis, ondanks je franken. Knarsetandend omdat dan toch eindelijk de laatste jaren, de laatste maanden, de laatste dagen zijn aangebroken. Is er ergens troost? 'Priesters zalven en beloven, maar ik kan het niet geloven...' [Citaat uit Elsschot's gedicht 'Spijt'] Troost? Ik wilde dat ik er ièts, maar ièts van zou kunnen geven. ik voel mij schuldig omdat ik nog een heel leven voor me heb. Een zoet bekeringswoord? Toch niet, toch niet. Ik zal niet zalven en beloven, niet zulke poespas.

Want het is anders, denk ik. God is anders en meer dan die gerokte showfiguren ons willen wijsmaken. Hij begrijpt meer van ons en houdt meer van ons, dan wij ons kunnen voorstellen. Dat's precies alles. Dat is precies alles wat het leven het leven waard maakt. Je hoeft maar een stap te doen en Hij doet alle andere. Maar probeer het niet te begrijpen — dat is tien stappen terug. Het is een hopeloze onderneming, een Christus aan het kruis tekenen voor drie vreemdelingen en voor jezelf. [Toespeling op Elsschot's novelle 'Het dwaallicht'.] Geen mèns die van dit alles ièts begrijpt. Vergeet alles wat de mensen zeggen en doen, dan is de weg vrij. Vergeef mij, dat ik dit alles schrijf. Het zou mij zo gelukkig maken als dat 'dwaallicht' geen dwaallicht meer was.
J.C. Villerius

P.S. Beantwoord deze brief maar niet.

zondag 18 oktober 2026

Lydia Allen Rudd • 19 oktober 1852

• Lydia Allen Rudd (?-?) trok in 1852 met haar man Harry per huifkar naar Oregon, omdat daar land werd uitgedeeld. Ze hield tijdens de tocht een dagboek bij.

Vertaling onderaan.

Oct. 8 started early this morning without any breakfast for the very good reason that we had nothing to eat - still three miles from the falls - safely landed about eight o clock tired hungry and with a severe cold from last nights exposure - something like civilization here in the shape of three or four houses - there is an excuse here for a railroad of a mile and half on which to convey bagage below the falls where they can again take water for the steamboat landing - Harry packed our bagage down the railroad and the rest of us walked - the car is drawn across the railroad by a mule and they will cary no persons but sick - We again hired an Indian with his canoe to take us from the falls to the steamboat landing - arived about sundown a great many emigrants waiting for a chance to leave the steamboat and several flat boats lying ready to start out in the morning encamped on the shore for the night

October 14 ... I am so anxious to get some place to stop and settle that my patience is not worth much

October 19 ... We have had a very bad day today for traveling - it has rained nearly all the time and it has rained very hard some of the time and we have had a miserable road - the rain has made the hills very slippery and had to get up and down - we have made but eleven miles of travel encamped on the prairie - no water for our stock and not much for ourselves

October 22 ... Traveled three miles this morning and reached the village of Salem - it is quite a pretty town a much handsomer place than Oregon City and larger ... I am afraid that we shall be obliged to pack from here the rest of our journey and it will be a wet job - another wet rainy day I am afraid that the rain will make us all sick I am already begin to feel the affects of it by a bad cold.


Vertaling door ChatGPT

8 oktober Begonnen vanmorgen vroeg, zonder ontbijt, en wel om de heel goede reden dat we niets te eten hadden. We waren nog drie mijl van de watervallen verwijderd. Omstreeks acht uur kwamen we veilig aan land, moe, hongerig en met een flinke verkoudheid door de blootstelling aan de buitenlucht van de afgelopen nacht. Hier is iets wat op beschaving lijkt, in de vorm van drie of vier huizen.

Hier is er een goede reden voor een spoorlijntje van anderhalve mijl, waarover de bagage voorbij de watervallen kan worden vervoerd. Daar kunnen ze weer aan boord gaan van de stoomboot. Harry droeg onze bagage over de spoorlijn naar beneden en de rest van ons liep. Het karretje wordt door een muilezel over de spoorlijn getrokken en ze vervoeren er geen passagiers mee, behalve zieken.

We huurden opnieuw een indiaan met zijn kano om ons van de watervallen naar de aanlegplaats van de stoomboot te brengen. We kwamen tegen zonsondergang aan. Er stonden heel wat emigranten te wachten op een gelegenheid om de stoomboot te verlaten, en er lagen verscheidene platbodems klaar om de volgende ochtend te vertrekken. We sloegen ons kamp op aan de oever voor de nacht.

14 oktober … Ik verlang er zo naar eindelijk ergens aan te komen waar we kunnen blijven en ons vestigen, dat mijn geduld niet veel meer voorstelt.

19 oktober … We hebben vandaag een bijzonder slechte reisdag gehad. Het heeft bijna voortdurend geregend, en een deel van de tijd kwam de regen met bakken uit de lucht. Bovendien was de weg erbarmelijk. Door de regen zijn de heuvels erg glad geworden en we moesten steeds op en af. We hebben maar elf mijl afgelegd en ons kamp opgeslagen op de prairie. Er is geen water voor onze dieren en nauwelijks iets voor onszelf.

22 oktober … Vanmorgen hebben we drie mijl afgelegd en bereikten we het dorp Salem. Het is een heel aardig plaatsje, een veel mooiere plek dan Oregon City en bovendien groter. … Ik vrees dat we vanaf hier de rest van onze reis onze bagage zullen moeten dragen, en dat wordt een natte onderneming. Weer een regenachtige dag. Ik ben bang dat de regen ons allemaal ziek zal maken. Zelf begin ik de gevolgen al te merken: ik heb een flinke verkoudheid.

Sergej Prokofjev • 18 oktober 1917

• Sergej Prokofjev (1891-1953) was een Russische musicus en componist. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij, waaruit gedeeltes in het Nederlands zijn gepubliceerd onder de titel Dagboek 1907-1933.

[14 oktober]

Vier dagen later was mijn tweede concert. Er was nog minder publiek, het stond me gewoon tegen om te spelen, maar ik dwong me ertoe mezelf te vermannen: dit was immers geen concert, maar een repetitie voor Moskou, voor Moskou ja, niet voor Petrograd - in Petrograd ben ik bekend en geliefd, terwijl ik Moskou nog moet veroveren. De lauweren van de jeugdige pianist Orlov, de lieveling van het Moskouse publiek en een gracieuze, maar leeghoofdige pianist, laten me niet met rust. Nou ja, en na Orlov moet ik ook met Rachmaninov de strijd aanbinden.
Dit concert speelde ik heel goed en subtiel. Mama, altijd streng en ontevreden, was verrukt. De oude Safonov, die dwars door het voor hem onbekende modernisme heen de zachtheid en tederheid van mijn nuanceringen beluisterde, prees me zeer. Asja Lesnaja zat op de eerste rij en kwam na afloop van het concert naar de kleedkamer. Het was geen gymnasiummeisje, maar een leerlinge van Meyerholds dramastudio, een jaar of twintig oud, van het Pools-joodse type, eerder origineel dan leuk, zij het dat ook wel, lang en lenig, gekleed met een hang naar originaliteit en met een rood mutsje op (men kende haar in Kislovodsk dan ook onder de naam 'Roodkapje'; ze heette Chmelnitskaja, Lesnaja was een pseudoniem). Toen we uit artiestenfoyer naar buiten liepen, kreeg ik een ovatie, maar we sloegen meteen af, liepen het bruggetje over, de Kruisberg op en gingen wandelen.

Tegelijk met 'Roodkapje' verschenen er andere personen, zeer interessante: de anarchist Zmijev. Hij kwam in de salon van het Grand Hotel naar me toe en vroeg een vuurtje. We raakten aan de praat. Naar eigen zeggen was hij onlangs uit Londen gearriveerd. Het was een heel jonge man, levendig, geestig en met een voor mij uitermate ongewone wereldbeschouwing. Hij noemde zich lid van de Petrogradse raad van arbeidersafgevaardigden van de partij der anarchisten. Dat was buitengemeen pikant, ook al sta ik er niet voor in dat het inderdaad zo was. Menigeen zag hem domweg als een affairist, maar dat bestrijd ik. Een avonturier, ongetwijfeld. Een anarchist, zeer wel mogelijk, in elk geval wist hij op dat gebied heel verbazingwekkende dingen. Hij was buitengewoon op me gesteld, terwijl ik mijn tijd met plezier in zijn gezelschap doorbracht, omdat zijn anarchistische wereldbeschouwing - zoiets als de wereld op zijn kop - mij wel intrigeerde. Afgezien daarvan had hij, zoals ik al zei, een rake en levendige geest. Zodoende verliep mijn tijd in gezelschap van Asja en Zmijev en week daarmee wat af van zijn eerdere contemplatieve loop: nu eens vroeg Asja me uit wandelen, dan weer vertelde de anarchist mij over het leven van Kropotkin. Het weer en de lucht in Kislovodsk waren betoverend en trokken je naar buiten. Maar toch werkte ik een uur of twee per dag aan het andante van de Vierde sonate en besteedde een uur of anderhalf aan Kant, in een poging zijn hels moeilijke transcendentale logica onder de knie te krijgen. 's Avonds ging ik dikwijls naar de operette, in de Kursaal, waar op de eerste rij een stoel voor me was gereserveerd. Tot dan toe was ik vrijwel nooit in de operette geweest, omdat ik daar een hartgrondige hekel aan had, maar nu was ik er wel geïnteresseerd in geraakt, omdat ik het hele repertoire" vanuit een kritisch oogpunt bezag, niet voor wat de muziek betreft natuurlijk, maar voor het levendige en toneelmatige karakter. En wat denk je? Mijn vonnis: ze kunnen geen operettes schrijven. De levendigheid zit voornamelijk, in de scènes met dialoog en zonder muziek. Het ontbreekt de auteurs aan techniek en toneelmatige verbeelding om die met muziek te schrijven. Op sommige plaatsen is het wel levendig, en scenisch, soms is er wel sprake van elegantie (van een niet al te hoge kwaliteit), maar het kan allemaal duizendmaal beter. Het verlangen bekroop me zelfs - nee, niet om een operette te schrijven, daar zou ik niet brutaal genoeg voor zijn, maar wel een lichtvoetige, levendige en vrolijke opera. Voorlopig heb ik die gedachte laten varen, maar ik kom er nog op terug. En naast dat idee had ik een ander project: een opera op een onderwerp uit het leven van de anarchisten. De opera De anarchist. Over dat thema praatte ik tamelijk vaak met Zmijev. We konden echter niets afspreken, gezien het volgende: uit Petrograd kwamen berichten over een opstand van de bolsjewieken. De regering zit opgesloten in het Winterpaleis en probeert zich met kanonnen de aanvallende roodgardisten van het lijf te houden. Kerenski is behendig uit Petrograd weggeglipt en schiet aan het hoofd van trouw gebleven troepen te hulp. Volgens de laatste berichten hebben de bolsjewieken zich overgegeven en is de muiterij de kop in gedrukt. Toen had Zmijev het als anarchist niet meer en verdween spoorslags naar Rostov, waar fabrieken zijn en dus anarchistische partijen. Met Zmijev verdwenen ook de gesprekken over de opera, mijn honderd roebel die hij in gedeelten van me geleend had en mijn ondergoed, dat hij als verschoning had gevraagd.

Jean Cocteau • 17 oktober 1942

• Jean Cocteau (1889–1963) was een Frans dichter, romanschrijver, toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. Een selectie uit de dagboeken die hij tussen 1942 en 1954 bijhield zijn in het Nederlands verschenen onder de titel Dagboek van een duizendkunstenaar (vertaald door Joop van Helmond).

17 oktober 1942
De gebeurtenis van de maand was de toetreding van Picasso tot de communistische partij, de dag voor de Herfstsalon.
L’Humanité wijdt de hele voorpagina aan hem. De oorlog kwam pas daarna. Artikel van Cachin [directeur L'Humanité], ingegeven door Aragon, over het genoegen waarmee de communistische familie haar armen heeft uitgestrekt naar de grootste schilder ter wereld. Daarmee is het eerste antirevolutionaire gebaar van Picasso een feit. De eerste adhesie van een trust (want is Picasso dat eigenlijk niet in zijn eentje?) aan de communistische partij.
Zeshonderd miljoen (zijn rijkdom op het ogenblik) en zijn werk, waarover hij verklaart dat het geen schilderkunst is, maar dat het gewelddaden zijn (aanslagen op anderen, op zichzelf, op het doek, op de kleuren, op de oude en moderne schilderkunst, op de kunst, op de menselijke gestalte, op het leven, op de dood).
Zeshonderd miljoen, zei ik, en dat prikkeldraad zodat iedereen er zijn nek over breekt, doen via een triomfboog hun intrede in een nederige familie waar men alleen houdt van burgerlijke schilderijen.
Het communisme is geen religie. Het is een therapie. Het volk dat het werk van Marx heel slecht kent, maar zijn krant als de bijbel beschouwt, ontdekt het bestaan van Picasso. Cachin bericht dat de grootste schilder ter wereld op de Herfstsalon tentoon wordt gesteld en dat hij deel uitmaakt van de familie. Wat doet het volk? Het stroomt en masse naar het palais de Tokyo.Tot aan de place de l’Alma staan ze zwijgend in de rij.

donderdag 15 oktober 2026

Susan Sontag • 16 oktober 1962

• Reborn bevat (dagboek)notities van schrijfster Susan Sontag (1933-2004) uit de periode 1947-1963.

Vertaling onderaan.

[Loose-leaf page found among SS's papers]
10/16/62 • Sentimentality. The inertia of the emotions. They are not light buoyant. — I am sentimental. I cling to my emotional states. Or do they cling to me?

I wish I could think I. [Irene, haar geliefde] simply takes me for granted. The massive refusal of intimacy in her letters, the occasional touches of condescending affection.

Not once "I miss you," not once a word from inside.

But I cannot explain it except by the utter collapse, the painless dissolution of any feeling for me. All the lines are down.

Tiemmi, tiemmi. [From Dante's Purgatorio, Canto XXXI: "Poi, quando il cor virtu di fuor rendemmi," / la donna ch'io avea trovata sola / sopra me vidi, e dicea: 'Tiemmi, tiemmi'" ("Hold me, hold me.")]

I thought I. had the key, and only she. That all my sexuality was bound to her. Now I know that, technically, that's not so. But, still, I don't believe in the reality of anyone else.

I do not believe she will come back to me. Those who go away never come back.

— How I lie in my letters to her! I want her to believe I am tranquil and hopeful — my final magic spell to bring her back.

Vertaling door ChatGPT

[Los ingelegde bladzijde gevonden tussen de papieren van SS]

16-10-1962 • Sentimentaliteit. De traagheid van de emoties. Ze zijn niet licht en veerkrachtig. — Ik ben sentimenteel. Ik klamp me vast aan mijn emotionele toestanden. Of klampen die zich aan mij vast?

Ik zou willen kunnen denken dat I. [Irene, haar geliefde] me eenvoudigweg als vanzelfsprekend beschouwt. De massale weigering van intimiteit in haar brieven, de sporadische aanrakingen van neerbuigende genegenheid.

Niet één keer: ‘Ik mis je’, niet één woord dat van binnenuit komt.

Maar ik kan het alleen verklaren door de volkomen ineenstorting, het pijnloze oplossen van elk gevoel voor mij. Alle lijnen liggen eruit.

Tiemmi, tiemmi. [Uit Dantes Louteringsberg, zang XXXI: ‘"Poi, quando il cor virtu di fuor rendemmi," / la donna ch'io avea trovata sola / sopra me vidi, e dicea: 'Tiemmi, tiemmi'" ("Hou me vast, hou me vast.")]

Ik dacht dat ik de sleutel had, en alleen zij. Dat mijn hele seksualiteit aan haar gebonden was. Nu weet ik dat dit technisch gezien niet zo is. Maar toch geloof ik niet in de werkelijkheid van iemand anders.

Ik geloof niet dat ze bij me terug zal komen. Wie weggaat, komt nooit terug.

— Wat lieg ik tegen haar in mijn brieven! Ik wil dat ze gelooft dat ik kalm ben en hoopvol gestemd — mijn laatste magische bezwering om haar terug te brengen.

woensdag 14 oktober 2026

Benoîte Groult • 15 oktober 1941

• Benoîte Groult (1920-2016) was een Franse schrijfster. In 1963 publiceerde ze een oorlogsdagboek, dat ze samen met haar zus Flora geschreven had: Journal à quatre mains, in het Nederlands door Nini Wielink vertaald als Dagboek voor vier handen.

15 oktober '41 • We gaan niet meer naar het bos, de laurierbomen zijn omgehakt ... Concarneau wordt verkocht.
Grootmoeder hield niet meer van dat huis, want het is voortaan haar ideaal om de Bon Marché binnen handschoenbereik te hebben. In Parijs ben je beschut tegen de natuur. Grootvader zal zijn jekker met de ronde kraag niet meer vuil maken en geen aarde meer aan zijn knieën hebben of doorns in zijn vinger: hij mag zijn leven lang niet meer tuinieren, is beroofd van zijn tuberozen, zijn pteris aquilinas, scolopendrium officinale en andere liefdes waarop de bidsprinkhaan jaloers was. Nu is de droom van de bidsprinkhaan werkelijkheid geworden: grootvader de hele dag thuis, zittend in zijn fauteuil, nietsdoend dus onberispelijk. De boot wordt natuurlijk samen met het huis verkocht.
'Wat heeft Paul op zijn leeftijd nou op een boot te zoeken?'
Grootvader is helemaal naakt, helemaal leeg, met open handen en dode vingers. Grootmoeder daarentegen is weer jong geworden: ze ordent, ze ruimt op en bergt haar herinneringen in een kaartsysteem op. Haar leven is eindelijk afgesloten; je kunt het in een la stoppen; storende verrassingen zullen er niet meer komen. We hebben met ontroering het visboek nog eens gelezen dat ze haar hele leven had bijgehouden: grootvader had in juli 1938 zeshonderd makrelen gevist! Wat mag grootmoeder ze graag zien, zo liggend in dat grote boek! Eindelijk netjes en reukloos. 'Ieder zijn meug' zoals de Bretons zeggen.