zondag 5 juli 2026

Gustave Flaubert • 6 juli 1852

• De Franse schrijver Gustave Flaubert (1821-1880) aan zijn minnares, de Franse dichteres Louise Colet (1810-1876). Hij spreekt zich uit over haar ontluikende affaire met de flamboyante dichter Alfred de Musset. Uit: De kluizenaar en zijn muze. Brieven aan Louise Colet [vertaald door Edu Borger].

Croisset, dinsdag 6 juli 1852 
Ik heb in mijn eentje en op mijn gemak je laatste lange brief met het verhaal van je uitstapje in de maneschijn herlezen. [...] Je zou me verkeerd begrijpen als je meende dat ik je iets verweet. – Je kunt je daden meester zijn, maar je gevoelens nooit. Ik vind alleen dat je er verkeerd aan gedaan hebt nog een keer met hem uit rijden te gaan. Je hebt dat in alle onschuld gedaan, dat wil ik best geloven. Maar als ik in zijn schoenen stond, zou ik het je niet vergeven. Hij zou je voor een flirt kunnen aanzien. – Het is nu eenmaal een conventie dat je niet met een man een ritje in een rijtuig maakt om de maan te bewonderen. En het heerschap Musset is allemachtig conventioneel. – Zijn ijdelheid is van burgerlijke komaf. Ik denk niet (wat jij denkt) dat hij vooral gevoel voor kunst had. – Hij had het meeste gevoel voor zijn eigen hartstochten. Musset is meer dichter dan kunstenaar, en op dit moment meer mens dan dichter – en een armzalig mens. Musset heeft de kunst nooit gescheiden van de sensaties waarvan zij het complement vormt. Muziek is naar zijn idee geschapen voor serenades, de schilderkunst voor het portret en de poëzie om de harten te vertroosten. Wanneer je zo de zon in je broek wilt stoppen, verbrand je je broek en pis je op de zon. En dat is hem overkomen. 

Vilgot Sjöman • 5 juli 1962

Vilgot Sjöman (1924-2006) was een Zweedse schrijver en regisseur. In 1963 was hij assistent van Ingmar Bergman bij de opnames van diens film De avondmaalsgasten. Van die periode hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als L136. Dagboek met Ingmar Bergman.

Donderdag 5 juli 1962
De voorbereidingen voor de mixage gaan voort. Rol na rol wordt nagekeken.
Het ene geluidseffect wordt dertig seconden naar achteren verschoven (beter zo). Een ander wordt eruit gelicht (mooi). Sommige rollen zijn merkwaardig gemakkelijk, die zijn vlug klaar. Andere zijn tegen de draad in en veroorzaken een klein soort hersenbloeding. Voor de geluidsafdeling een aanvaardbare klokslag van een plattelandskerk geleverd had, heeft IB [Ingmar Bergman] zijn geduld al vier maal verloren. De hond die blaft in de schemering op visser Perssons erf ('en dat moet niet het een of andere schoothondje zijn, maar een soort wolf') is al even moeilijk te vinden. Keer op keer wordt zijn stem dof van ongeduld:
- Dat is een echte archiefhond. Die kunnen we niet gebruiken! Evald zoekt in het geluidsarchief en vindt een andere hond die misschien wat beter is.
- Nog zo'n archiefhond... Nee, jongens, nu moeten jullie me godverdomme een echte hond verschaffen. Zo kunnen we toch niet door blijven gaan.
Olle Jacobsson draait elke rol samen met Evald en Stig tot hij elk effect dat daarin voorkomt beheerst.
Vandaag kunnen we Ingmar ophalen, dan kan hij rol 5 en 7 zien.
Ingmar komt. Rol 7 lijkt klaar: daar is niets op aan te merken. Goed bevonden. Maar rol 5 bevat nog een paar kleinigheden die mooier kunnen. Die wil hij nog eens zien.
De mixer oefent een artistiek handwerk uit en Olle Jacobsson is ook een artiest. Hij studeert elke rol in, zoals een pianist een stuk voor piano; dan voert hij het uit vanachter het klavier van zijn regelpaneel. Soms scheldt hij op zijn eigen slechte spel: het was bij de eerste inzet al mis. Soms voelt hij dat hij goed in vorm is: nergens iets dat hem tegen zat, alles liep vlot - 'nu had Ingmar hier moeten zijn.' Als Ingmar er eenmaal is gaat het spel hem misschien niet zo goed af.
Al dit werk is nog niet de mixage in de eigenlijke betekenis; het zijn enkel maar voorbereidingen. Het mixen begint als Ingmar Olle's hele vertolking van de geluidspartituur goedgekeurd leeft. Dan pas brengt Olle de geluidseffecten van de magnetische geluidsband over op een optische geluidsband (dat is de band die later langs de beeldstrook loopt op de filmrol wanneer deze gereed is.)


Klaartje de Zwarte-Walvisch • 4 juli 1943

Klaartje de Zwarte-Walvisch (1911-1943) werd begin 1943 gevangen gezet in kamp Vught. Later werd ze overgebracht naar Westerbork , en ten slotte omgebracht in Sobibor. Van de eerste maanden van haar gevangenschap hield ze een dagboek bij.

4 juli
Aankomst op Westerbork
Hoe een geheel andere aankomst ondervond ik hier in vergelijking met de aankomst destijds in Vught. Op het perron stonden mannen en vrouwen ons op te wachten en dag te zwaaien. Iets wat ons zeer vertrouwelijk aandeed. Mannen en vrouwen tezamen. Dit was iets waaraan wij Vughtenaren niet meer gewend waren. De eerste indruk die ik van Westerbork kreeg, was zeer zeker niet de slechtste. Ik had zelfs het gevoel weer in de bewoonde wereld teruggekeerd te zijn. In werkelijkheid was dat natuurlijk helemaal niet het geval, want ik kwam van het ene kamp in het andere. Maar nooit had ik sterker het gevoel gehad uit een concentratiekamp te zijn gekomen. Geen schreeuwers, geen NSB-sters die ons opjoegen en afsnauwden, maar behoorlijke mensen die heel vriendelijk voor ons waren en onmiddellijk bereid te helpen daar waar het nodig was. We werden nog eens netjes opgesteld in rijen van vijf en toen gingen we naar de registratie. Ik maakte de opmerking ik dat ik nog wel eens geregistreerd wilde worden, want dat zoiets in lange tijd niet gebeurd was. Ik had werkelijk nog succes ook, want de marechaussees die ons begeleid hadden, begonnen erom te lachen. Zij namen hartelijk afscheid van ons en terwijl hij me de hand drukte, wenste hij me een spoedig weerzien in Amsterdam: 'Wat naïef bent u nog,' antwoordde ik. Maar hij zei dat hij het werkelijk meende, 'Dan zal ik u maar geloven,' riep ik nog terug. Gelukkig, de reis was tenminste achter de rug. Einde van de eerste etappe.

donderdag 2 juli 2026

Tommy Wieringa • 3 juli 2017

• Tommy Wieringa is een Nederlandse schrijver. Uit: Schrijversdagboek.

Maandag 3 juli 2017
Op het aanrecht staan kaarten met vosjes en paarden, uitnodigingen voor verjaardagsfeestjes van de kinderen. Als ouder heb je maar één enkele, pathetische wens: dat je kind populair is. Dat het zich in de gunst van anderen mag verheugen. Je weet maar al te goed hoe het was om niet gevraagd te worden voor partijtjes. Hoe je bij gym als laatste overbleef als de groepjes moesten worden verdeeld. De grimassen van verveling of zelfs weerzin als je je bij het groepje voegde waarbij je door de grillige wil van het ostracisme was ingedeeld. De gedurige afwijzing als een wond waar de korst elke dag weer af getrokken werd.
Je zou een vinger geven om je kind daarvoor te behoeden.
H. wordt afgewezen door M., die plotseling niet meer met haar wil spelen.
H. lijdt, ze probeert op alle mogelijke manieren weer bij M. in de gunst te komen.
M. laat zich pas overhalen als H. haar een plaktatoeage belooft.
H. koopt vriendschap voor een middag en neemt genoegen met het bedrog.
M. schort haar weerzin voor een middag op voor een slangentattoo.
H. en M. lijken beiden tevreden met de transactie.
T. kijkt hoe zijn dochter zich in bochten wringt om geliefd te worden; hij probeert uit alle macht het vriendinnetje niet te haten.

woensdag 1 juli 2026

Jan Siebelink • 2 juli 1997

• In 1997 nodigde het tijdschrift Optima een aantal schrijvers uit tot het bijhouden van een 'Onhollands dagboek' — als reactie op het populaire 'Hollands Dagboek' uit de NRC. Zo ook Jan Siebelink (1938).

Woensdag 2 juli
John [Jansen van Galen] belt. Hij heeft onverwacht een afspraak in Rheden. We spreken af in een oud Velps café, onder aan de Bergweg. Ver voor de afgesproken tijd wacht hij me aan de bar op. We zijn beiden mensen die altijd te vroeg komen. We begroeten elkaar met een zoen, bestellen een biertje en dan zegt hij: ‘Ik wil iets met je bepraten.’ Hij kijkt ernstig. Ik schrik, denk dat er iets met zijn gezondheid aan de hand is. ‘Je weet dat HP/De Tijd mij een groot portret van Van Mierlo heeft gevraagd, Tot voor kort zou ik tegen zo'n verzoek niet zo gauw nee zeggen. Groot deftig portret met je naam erbij. Vereerd, want ik ben nog steeds de dorpsjongen die toch maar mag meedoen in de grote wereld. En vanmorgen dacht ik ineens: Waarom eigenlijk een groot portret van Van Mierlo? Voor het geld hoef ik het niet te doen. Ik ga liever wandelen. Waar ik over inzit? Die onthechting...! Ken jij dat ook?’ Ik geef toe dat mijn geldingsdrang ook minder geworden is. Tot voor kort probeerde ik de Franse en Nederlandse literatuur bij te houden. Nu koop ik alleen nog de debuten, en mijn hond kent die onthechting ook. Vroeger, als hij bij me in de auto zat, blafte hij naar iedere hond. Nu kijkt hij ze alleen maar na en zie ik hem denken: Wat koop ik voor dat geblaf? Ik kan me beter rustig houden.
Gegeten in La Marmite, de Weverstraat, in de oude binnenstad van Arnhem. Eigenaar is de altijd wat nors kijkende Bob Z. Voormalig bokser. Maar de klant wil gestraft worden. Onder het eten vertel ik John dat ik een mooie novelle van Johanna Speltie gelezen heb. Een debuut.

Donderdag 3 juli
Op de racefiets naar Arnhem. Ik passeer het asielzoekerscentrum Arnhem-Noord, gevestigd in hotel Rosarium, het voormalige gebouw van de Rozenkruisers. Tientallen Ghanezen, Senegalezen, Somaliërs, in grote verveling, achter de hoge hekken. Zou ik minister worden, ik gaf ze allemaal, in een soort generaal pardon, een verblijfsvergunning.

dinsdag 30 juni 2026

Jan Siebelink • 1 juli 1997

• In 1997 nodigde het tijdschrift Optima een aantal schrijvers uit tot het bijhouden van een 'Onhollands dagboek' — als reactie op het populaire 'Hollands Dagboek' uit de NRC. Zo ook Jan Siebelink (1938).

Dinsdag 1 juli 1997
Vannacht gedroomd dat Jeroen Brouwers met uitgestoken hand op me toekwam, me toen meetroonde naar een stil hoekje van de zaal waar een receptie plaatsvond en met zijn arm over mijn schouder een smakelijk verhaal vertelde. Ik piekerde me suf vanmorgen, maar kon me geen woord herinneren.
Telefoontje van John (Jansen van Galen), even voor achten deze ochtend. Een goede kennis van hem, docent aan de vu, is plotseling overleden. Tijdens een college, terwijl hij achter zijn lessenaar stond. De woorden waren in zijn keel gestokt. Hij was van onze leeftijd. Daarna gepraat over alles wat ons kan overkomen. John loopt de tien km nog in 42 minuten, ik doe er tien minuten langer over. Als ik Johns en mijn eigen gedachten goed ken doen we aan sport omdat we het leuk, spannend en bevredigend vinden. Een goede tijd neerzetten geeft de euforie van drugs of drank en we houden er, als prettig bijproduct, ziekte en dood mee op afstand. We maken een afspraak voor de volgende week. Dit keer kom ik naar Amsterdam. Ik ben nog nooit in Het Paleis op de Dam geweest. Hij, tot zijn eigen verbazing, ook niet.
Ik lees het overlijdensbericht van Karel Reynders, waarbij dit citaat van Leopold:
‘O, als ik dood zal, dood zal zijn,
Kom dan en fluister, fluister iets liefs.’
Met Reynders, estheet en bijna-dandy, heb ik voor het eerst kennis gemaakt op 23 november '78, bij de promotie van Frans Kellendonk. Daarna vaker bij Johan Polak, in villa ‘Flevorama’ te Muiderberg. Zijn dissertatie Couperus bij Van Deyssel verscheen fraai gebonden bij Athenaeum Polak & Van Gennep. Hij was, met Harry Prick, een groot kenner van de Tachtigers. Ik bewonderde vooral zijn studie Onder dekmantel van etiket. Hij is nooit hoogleraar geworden. Volgens Johan omdat hij te mooie boeken schreef.
De kippen verzorgd. Ik bezit sinds enkele jaren sebrights, een zeldzaam Engels ras, in drie kleurslagen. Het zijn tierige beesten, met een strenge pikorde. De laagste in rang heeft het erg moeilijk. Een lord Sebright is er aan het begin van deze eeuw in geslaagd het oude ras terug te fokken. Daar is zijn hele leven mee heengegaan. Lord Sebright fokte een leven lang kippen, mijn vader teelde varens in bijzondere variëteiten. Sommigen schrijven boeken. Anderen recensies.
Met Tikker gerend, mijn beige whippet, een klein soort hazewind. Ik heb hem gekocht op de dag (19 april 1984) dat ik mijn moeder ging begraven. Die ochtend vroeg maakte ik een korte wandeling langs de spoordijk van het kippenlijntje Ede-Amersfoort, passeerde een braakliggend terrein waar mannen met hun fiets aan de hand stonden toe te kijken. Ze waren op weg naar de melkfabriek verderop. Ik zag een stuk of zes ravottende hondjes. Soms verdwenen ze in de mist, laag boven de grond. De teef, een zandkleurige windhond, met zwarte snuit en grote, droeve ogen keek ons bezorgd aan. Ik nam de mooiste, die welke op de moeder leek, in mijn handen. Een moment later was ik eigenaar. Impulsieve, compenserende daad, waar ik nooit spijt van heb gehad. Aan mijn hond, voor ik ze opschrijf, vertel ik mijn verhalen. Van mijn plannen voor mijn roman ‘Vera’ was hij al tijden op de hoogte. Hij is ruim dertien jaar. Met 7 vermenigvuldigd zou 91 zijn mensenleeftijd zijn. Onder het rennen vraag ik me af wat Jeroen Brouwers mij toch had mee te delen.
Brief van Gerrit-Jan Kleinrensink, de biograaf van Brakman. Hij geeft mij het adres van Mallarmés huis in Vulaines s/Seine en schrijft: ‘Ik heb een wandeling gemaakt in wat voor mij de achterkant van Arnhem is, namelijk Monnikenhuizen en de aangrenzende heuvels. Schuin tegenover het Thomas à Kempiscollege, in het dal, heeft tot 1572 het Kartuizer klooster Monnikenhuizen gestaan. Onlangs is de kelder blootgelegd. Daar zou Thomas à Kempis zijn Imitatio Christi hebben geschreven.’ Het was mijn vaders geliefdste boek. Op zijn sterfbed heb ik hem daaruit voorgelezen.

maandag 29 juni 2026

Willem Oltmans • 30 juni 2001

Willem Oltmans (1925-2004) was een Nederlandse journalist. Zijn dagboeken (76 delen) zullen in hun geheel online worden gezet bij de DBNL.

30 juni 2001 [Amsterdam]
Corrupt redeneren is nu blijkbaar geaccepteerd in de vooraanstaande Amerikaanse media. Psychische onverantwoordelijkheid is ook veranderd in onethisch corrupte onverantwoordelijkheid. Het is misselijkmakend dat de regering Bush geprezen wordt voor het internationaal afdwingen van ‘norms of justice’, terwijl Powell of Bush vrolijk zij aan zij staan met de schurk Sharon.
Ik kom net terug van de markt en steeds weer als ik thuiskom, ervaar ik dat als het paradijs.
Ik werd gebeld door Evelyne Oltmans, Indisch, 40 jaar: ‘ik ben echt familie van u’. Ik kon het nauwelijks geloven.
Vanavond was ik gewoon bang op straat. Het wemelde van de agressieve kerels, uit alle landen, met hete pikken. Er hing een gevaarlijke sfeer.