maandag 2 maart 2026

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski • 3 maart 1886

• De Russische componist Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) hield onregelmatig een dagboek bij.

Vertaling onderaan.

Wednesday 19 February/3 March 1886*
Slept very little. Woken by [petekind] Boris. Sent a telegram to S. M. Tretyakov to say that I would not be coming. [Beschermeling] Votya Sangursky's sketches. Departure. Priests in the railway carriage. From Podsolnechnaya to Klin there was a pretty woman from the bourgeoisie. Home. Dinner. Paced about the room. Slept. Tea. Out of sorts. Anguish and vacillation regarding the journey. Almost to the point of despair. Wrote letters. Went into the kitchen. Cards. Supper. Organised supper for the guests. Wrote in my diary after many days.

Thursday 20 February/4 March 1886
The wind is howling through the trees worse than ever; how can one believe that spring is so near. The frost was sharp. After a splendid night's sleep I felt more cheerful today, and decided, come what may, to go as intended. Strolling, composed Mackar's piece [een stuk in opdracht]. [Bediende] Alyosha brought letters from N. D. Kondratyev in Nizy, amongst others. I read the newspaper. Some pancakes instead of dinner. Even these were difficult to obtain. Straight after dinner, despite the cruel wind, I walked to the railway station to telegraph Laroche and tell him not to come. I was exhausted, but then my digestion was eased. I was drowsy all the time before and after tea. However, I still wrote six letters and worked a little. After supper I played Nero [opera van Anton Rubinstein]. The impudence of the author is worthy of astonishment, but not of imitation.

* De Russische kalender liep toen nog dertien dagen achter.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

Woensdag 19 februari / 3 maart 1886
Weinig geslapen. Wakker gemaakt door Boris. Een telegram gestuurd aan S. M. Tretyakov om te zeggen dat ik niet zou komen. Schetsen van Votja Sangurski. Vertrek. Priesters in de treinwagon. Van Podsolnetsjnaja tot Klin zat er een knappe vrouw uit de burgerij. Thuis. Diner. Door de kamer heen en weer gelopen. Geslapen. Thee. Niet in mijn doen. Angst en besluiteloosheid over de reis. Bijna tot wanhoop toe. Brieven geschreven. Naar de keuken gegaan. Kaarten. Avondmaal. Het avondmaal voor de gasten georganiseerd. Na vele dagen weer in mijn dagboek geschreven.

Donderdag 20 februari / 4 maart 1886
De wind huilt erger dan ooit door de bomen; hoe kan men geloven dat de lente zo nabij is. Het vroor scherp. Na een heerlijke nachtrust voelde ik mij vandaag opgewekter en besloot, wat er ook zou gebeuren, te gaan zoals gepland. Tijdens een wandeling Mackars stuk gecomponeerd. Aljosja bracht onder andere brieven van N. D. Kondratjev uit Nizy. Ik las de krant. Enkele pannenkoeken in plaats van een diner. Zelfs die waren moeilijk te verkrijgen. Meteen na het diner ben ik, ondanks de wrede wind, naar het station gelopen om Laroche te telegrammeren dat hij niet moest komen. Ik was uitgeput, maar daarna werd mijn spijsvertering beter. Voor en na de thee was ik voortdurend slaperig. Toch heb ik nog zes brieven geschreven en een beetje gewerkt. Na het avondmaal speelde ik Nero. De onbeschaamdheid van de auteur is verbazingwekkend, maar niet navolgenswaardig.

Adriaan Roland Holst • 2 maart 1910

• Uit de correspondentie die Adriaan Roland Holst (1888-1976), een van de drie Nederlanders die de eretitel ‘prins der dichters’ is toegekend, in de periode 1908-1913 voerde met Marius Brinkgreve, toen nog student klassieke letteren en veelbelovend. Later ging deze het bedrijfsleven in en sloot zich aan bij verschillende fascistische organisaties. Brieven aan Marcus Brinkgreve 1908-1914 (bezorgd door Margaretha H. Schenkeveld).

Oxford, 2 maart 1910
Denk verder nóóit dat ik jouw vriendschap verkeerd voor hem [Jaap van Gelder, een gemeenschappelijke vriend] vind. Integendeel, ik weet dat je hem een groote steun bent, hoewel ik ook vind dat jullie twee levens niet bepaald gunstig op elkaar kunnen wisselwerken—maar dat ligt voornamelijk in jullie omgeving, die aan jouw ontwikkeling niet veel schade kan doen, maar aan J.’s heel veel. – Jij bent in je beschouwing van iemand dien je een dichter vindt te veel... … een 80-er! Al dat sentimenteele gezanik van ‘als een dichter maar één vers heeft gemaakt dat mooi is, dan... etc.’ – heeft mij altijd kotserig gemaakt door zijn kwijlerige burgerlijkheid, en juist daarom deed een waarachtig kunstenaarsmilieu als ‘Laren’ mij zoo goed, waar wij ons dikwijls slap lachten om diverse ‘schoonheids’-veréérders, die er wel eens over de vloer kwamen, en waar al dergelijk gekwezel altijd heel hartelijk en prozaïsch wordt de deur gewezen. Ik zeg ’t je zoo ronduit omdat ik weet dat jij er au fond te goed voor bent, en ook omdat je mij toch niet zult beschouwen als een mensch die alleen naar hoeveelheid kijkt.

J.H. Leopold • 1 maart 1890

• De dichter J.H. Leopold hield een reisdagboek bij toen hij in 1890 in Italië was.


1 Maart.
Van middag hebben wij een grootere wandeling gemaakt. Eerst den ouden weg, door de stad omhoog naar de Madonna della Costa, de witte kerk op het hoogste punt, waar ik eergisteren ook al was geweest. Deze kerk staat op een groote open plek, langs een hospitaal leidt een glooiende weg, waarvan de keien in mozaiekfiguren zijn geplaveid, er heen. De kerk zelf heeft noch van binnen noch van buiten veel bijzonders. Maar het uitzicht, dat men van het terras er om heen heeft is ver reikend, men overziet er den geheelen ring bergen, die de stad insluit en wegvloeit in de zee. Van hier ziet men meer dan gewoonlijk boven op de zee en heeft het water een licht blauwe kleur.
Terug ging de weg zacht neerwaarts hellend door een dal, eerst aan de zonzijde, dan met een korten draai aan de overzijde terug in de schaduw. Hier was men dadelijk buiten, op het land, een ander land dan het onze, maar hoe vreemd ook, toch overweldigde de schoonheid van het landschap mij en op een oogenblik werd de borst mij beklemd door al het genot, dat ik niet op kon. Want welk een vredige liefelijkheid is er in zulk een dal, dat ik te Nice wel eerder had gezien, maar welks schoon mij van middag sterker trof door den zonneschijn. Er groeien links en rechts olijven berg op, berg af, op kleine terrassen, binnen ruwe steenen muren opgehoogd, en daartusschen citroenboomen vol gele vrucht en achter in omspant een hooge berg met pijnboomen begroeid het dal. Onder de olijven is het donker op het welige gras, waar de vogels slaan, en in de diepte dwaalt over de breede dorre bedding van grijze steenen een karige stroom. Aan de oever staan hier en daar woningen en waterleidingen ter besproeiing der hoven. Vrouwen komen langs den weg met groote takkenbosschen of bundels pijnappels op het hoofd en langs de smalle paden waarover de olijven hangen, klinkt op de steenen het geklikklak van den ezel, op wiens pakzadel vaatjes met wijn zijn vastgesjord.

donderdag 26 februari 2026

Nausicaa Marbe • 28 februari 1998

Nausicaa Marbe (1963) is een Nederlands schrijfster, columniste en journaliste van Roemeense/Griekse komaf. Nadat haar moeder was overleden, bezocht ze het ouderlijk huis in Boekarest.

28 Februari
Een Nederlandse vriendin logeert al een paar dagen in mijn huis. Ze wilde me niet de hele tijd alleen laten in dit land.
Ook kwam ze over om te helpen met het sjouwen van meubels, het sorteren van boeken, partituren en manuscripten, het inpakken van schilderijen en andere kunstwerken. Samen hebben we de afgelopen nacht de werkkamer van mijn moeder leeggehaald. Alles staat netjes in een ander vertrek dat vanaf nu ‘de muziekkamer’ heet. De nieuwe bewoners zullen ervoor zorgen dat daarin geen partituur door ongecrediteerde handen wordt aangeraakt.
Tegen vieren waren we bijna klaar. Doodop. Terwijl we vanochtend om half negen mijn oom zouden ontmoeten bij het familiegraf waar mijn moeder in ligt. Hij zou de sleutel meebrengen, wij de urnen met de as van mijn grootouders van moeders kant. Die had mijn moeder in huis gehaald, na een onplezierig incident met de directie van het crematorium waar ze ooit bewaard werden. De afgelopen dagen hebben mijn vriendin en ik er tevergeefs naar gezocht. Maar vannacht, in de bijna lege kamer, was het raak. Er was slechts een mooie archiefkast overgebleven. Vol papieren, dacht ik. Toen ik de sleutel vond en de deur opende, zag ik de twee bulten onder een antiek Chinees zijden kleed. Daarnaast een piepklein envelopje met het handschrift van mijn oma erop. Ik haalde er twee papiertjes uit. Het een was een korte brief van mijn opa aan zijn vrouw. Een paar woorden van liefde, zo eenvoudig en tegelijk machtig dat ik bijna duizelig werd. Op het andere papier las ik de laatste wens van mijn oma: ‘Leg dit alsjeblieft in mijn kist, samen met een foto van pappa. Opdat ik de herinneringen van geluk met me meeneem!’
Mijn vriendin en ik trokken samen het kleed van de urnen af en aaiden over het koude metaal. Zo'n grote liefde hebben we geen van beiden gekend, toch vult een bizar gevoel van geluk de kale kamer.
We tilden de urnen voorzichtig op, de inhoud rammelde. Zouden er stukjes bot inzitten? We kregen de slappe lach. Van ontroering, van vermoeidheid, van onwetendheid. Moest ik het briefje van oma naast de urn in de vieze, natte graftombe leggen? Had ze dat gewild?
‘Ze zou het fantastisch hebben gevonden om te weten dat het bij jou bleef, als jij niet dicht bij haar graf kon blijven,’ oppert mijn vriendin. Ik geef haar gelijk. Wat maakt die afstand tussen Noord- en Zuid-Europa nog uit?!
Een paar uur later zitten we slaapdronken in de rammelende metro naar de buitenwijk waar de begraafplaats ligt. Bij een zwerfkind hebben we bosjes sneeuwklokjes gekocht. Die leggen we straks in de nis met de urnen. We worden heen en weer geschud op de harde banken. Mijn vriendin houdt opa vast, ik heb oma op schoot. Beiden ingepakt in de enige plastic tassen die we in huis konden vinden: See Buy Fly's van Schiphol. Het is hun eerste reis met de metro, bedenk ik. En hun laatste. Het schiet me te binnen dat mijn boek precies zo eindigt: de dochter des huizes brengt as van haar voorouders naar de laatste bestemming. Je kunt het zo gek niet verzinnen of het gebeurt echt. Deze keer vind ik het niets griezeligs hebben. Een cirkel is rond.
‘Hoe laat is het?’ vraagt mijn vriendin. We zijn vanochtend beslist niet snel geweest en mijn oom komt, heel on-Roemeens, altijd op de afgesproken tijd.
Ik werp een blik op mijn horloge, we zijn op tijd. Dan kijk ik voor het eerst sinds dagen naar het vakje van de datum: het is 28 februari. Hoe kon ik het in godsnaam vergeten! Vandaag komt in Nederland mijn boek in de winkel te liggen.

Willem Janszoon Verwer • 27 februari 1573

Willem Janszoon Verwer (ca. 1533-ca. 1595) was advocaat en regent van het Weeshuis en van het Leprozenhuis te Haarlem. Van 1572-1581 hield hij een 'Memoriaelbouck' bij van gebeurtenissen te Haarlem, onder meer van het beleg van de stad door de Spanjaarden in 1572-1573.

[27 Februari 1573] Den 27 hebben die galijen an malckanderen geweest. Die van buijten namen de vlucht, zoedat die van der stat weder het gat [4 voet diep en 30 breed], dat sij gedolven ende gemaect hadden ant Veer op die Meer of an die cant, weder gestopt hebben.
Op denselfden dach sijnder veel sceepen met scuijten victalie [levensmiddelen] in de Fuijcke aengecomen.
Op den laesten Februarii hebben die van der stadt smorgens omtrent thuschen 7 ende 8 uuren een duijlvels hol of mijne doen springen, zoedat zij omhooch in den lucht vloogen. Zij daelden needer als molenstenen, die niet en mogen hangen in den lucht.
Onbegrepen den dach stonst een cuijpers huijsvrouwe in haer huijs in die Cruijsstraet met besloten doeren, als die bevresden menschen, met een jonge dochter mij wel beckent, en koutede aen een bierton. Ende daer quam een groote cloot doer die deure ghevlogen thuschen haer beijden doer ende bleeff in de selfste tonne leggen. Zijet hoe wonderlicken, dat God in sijn wercken is, als den prophet seijt, daer dese vrouwen aen stonden, zonder enich van hen beijden ghequest te zijne ofte geracht, anders dan dat die joncxste dochter een stucken van den poste ofte cossijn des deurs op haer hooft viel, sonder gequest te zijne.

woensdag 25 februari 2026

Typiste, 29 jaar - Amsterdam • 26 februari 1945

• Typiste, 29 jaar - Amsterdam. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945, geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening

26 Februari 1945
- ... op die bewuste zwarte Woensdag [zou ik] weer starten, wat toen niet doorging. Ik kreeg toen achter elkaar twee massieve banden, wat me, of beter gezegd Vader, ƒ130.- kostte plus de fooien en extra kosten wel ƒ140-. Dat voor een fiets, die met goede banden tien jaar geleden ƒ55.- kostte. Enfin, ik ging Dinsdag, 20 Febr. op pad, met mijn klompen en Joop z'n kaplaarzen. Het was een zware trap, tegenwind en harde banden. Doodmoe kwam ik aan. De volgende dag ging ik de boer op. Boerderij op, boerderij af. Na enige tijd raakte ik m'n klompen kwijt voor 10 p. tarwe. Bij de Vlaskamp een stukje scheerzeep voor 2 p. bruine bonen. 's Middags de laarzen van Joop die jammer genoeg over 't algemeen te klein waren, voor 40 p. tarwe + 10 p. bruine bonen. Misschien te weinig of zeker te weinig maar ik was blij eindelijk beet te hebben. Jannetje stopte weer 't nodige in mijn rugzak allemaal van die nuttige kleine artikelen, zoals taptemelkpoeder, een zakje tapioca, een pakje koffiesurrogaat (daar gaan de stedelingen de boer mee op!) een klein pakje theesurrogaat, ik weet 't niet eens meer. Donderdag ging ik terug. Eerst kreeg ik van Jannetje een pannetje bruine bonen met flink wat jus en een klont boter er in. En vier boterhammen mee. Er stond een harde tegenwind en moeizaam kwam ik vooruit. Om half 11 startte ik en om half zes was ik thuis. Toen had ik de helft bij me en moest ik dus weer op stap, wat ik gauw wilde doen aangezien ik een offensief van de Geallieerden vreesde en ik dan alles binnen wilde hebben. Bovendien moest ik er meteen weer op uit, want ik heb zowaar weer een baan. Terwijl ik op stap was, kwam Nolten bij me thuis of ik er voor voelde vertegenwoordigster te worden bij een in- en exporteur van zilverwerken en bijouterieën. Salaris .... ± ƒ500.- à ƒ600 - in de maand als ik middelmatig was. Anders kwam ik gauw tot ƒ1000.- De baas was een jongeman van mijn leeftijd, die er wegens de razzia's niet op uit kon en de zaak aan een jonge vrouw moest overlaten, een beschaafde jonge vrouw met flair. En toen dacht Nolten aan mij!! Vleiend. De jongeman in kwestie was een oud-scholier, ik kende hem wel, maar hij noemde geen naam. Ik moest Zaterdag maar eens bij hem komen praten. Dat deed ik. En die oud-scholier bleek Geert Vinkesteyn te zijn. Geertje, een van m'n vijf aanbidders, die melige gedichten op m'n ogen maakte! Hij is nu gelukkig getrouwd. Wie had dat ooit gedacht! Het kan toch grappig gaan in de wereld. Geert heeft 't ver geschopt in die branche nadat hij in de journalistiek in de malaise te weinig verdiende om van te bestaan. Hij is nu steenrijk. Ik 's middags naar Geert, met wien ik 't direct eens werd. ƒ30.- in de week, 5% provisie. Z'n vrouw is z'n compagnon ..... Ik zou Donderdag 1 Maart begonnen. Geert was nog niets veranderd, de gezellige, een beetje melige Geert, dien ik vroeger een beetje spottend op de hak nam. Maar een handige zakenman en dus een waardig leerling van onze Handelsschool. Hij liet me de collectie zien. Pruldingen nu, waaraan ze nu schatten verdienen, maar nog netjes voor deze tijd. En 't zijn toch nog verzilverde koperen wapentjes en leuke speldjes, vooral voor kinderen. Gedachtig aan H. Hugowaard nam ik er direct een paar mee.


[lees verder]

dinsdag 24 februari 2026

Robert Morris • 25 februari 1784

The Papers of Robert Morris 1781-184
* Robert Morris (1734-1806)

February 25, 1784
Genl. Hazen about the Papers left in this Office. Told him the Determination to send Copy of his Complaint against the Pay Master Genl. to that Gentleman and then Copies of it and of his answer to Congress.
Colo. Pickering with an estimate for money.
Wrote a Letter to John Pierce Esqr. Pay master General.
Wrote a Letter to The Honble. Mr. Jefferson Chairman of a grand Committee of Congress.