woensdag 1 juli 2026

Jan Siebelink • 2 juli 1997

• In 1997 nodigde het tijdschrift Optima een aantal schrijvers uit tot het bijhouden van een 'Onhollands dagboek' — als reactie op het populaire 'Hollands Dagboek' uit de NRC. Zo ook Jan Siebelink (1938).

Woensdag 2 juli
John [Jansen van Galen] belt. Hij heeft onverwacht een afspraak in Rheden. We spreken af in een oud Velps café, onder aan de Bergweg. Ver voor de afgesproken tijd wacht hij me aan de bar op. We zijn beiden mensen die altijd te vroeg komen. We begroeten elkaar met een zoen, bestellen een biertje en dan zegt hij: ‘Ik wil iets met je bepraten.’ Hij kijkt ernstig. Ik schrik, denk dat er iets met zijn gezondheid aan de hand is. ‘Je weet dat HP/De Tijd mij een groot portret van Van Mierlo heeft gevraagd, Tot voor kort zou ik tegen zo'n verzoek niet zo gauw nee zeggen. Groot deftig portret met je naam erbij. Vereerd, want ik ben nog steeds de dorpsjongen die toch maar mag meedoen in de grote wereld. En vanmorgen dacht ik ineens: Waarom eigenlijk een groot portret van Van Mierlo? Voor het geld hoef ik het niet te doen. Ik ga liever wandelen. Waar ik over inzit? Die onthechting...! Ken jij dat ook?’ Ik geef toe dat mijn geldingsdrang ook minder geworden is. Tot voor kort probeerde ik de Franse en Nederlandse literatuur bij te houden. Nu koop ik alleen nog de debuten, en mijn hond kent die onthechting ook. Vroeger, als hij bij me in de auto zat, blafte hij naar iedere hond. Nu kijkt hij ze alleen maar na en zie ik hem denken: Wat koop ik voor dat geblaf? Ik kan me beter rustig houden.
Gegeten in La Marmite, de Weverstraat, in de oude binnenstad van Arnhem. Eigenaar is de altijd wat nors kijkende Bob Z. Voormalig bokser. Maar de klant wil gestraft worden. Onder het eten vertel ik John dat ik een mooie novelle van Johanna Speltie gelezen heb. Een debuut.

Donderdag 3 juli
Op de racefiets naar Arnhem. Ik passeer het asielzoekerscentrum Arnhem-Noord, gevestigd in hotel Rosarium, het voormalige gebouw van de Rozenkruisers. Tientallen Ghanezen, Senegalezen, Somaliërs, in grote verveling, achter de hoge hekken. Zou ik minister worden, ik gaf ze allemaal, in een soort generaal pardon, een verblijfsvergunning.

dinsdag 30 juni 2026

Jan Siebelink • 1 juli 1997

• In 1997 nodigde het tijdschrift Optima een aantal schrijvers uit tot het bijhouden van een 'Onhollands dagboek' — als reactie op het populaire 'Hollands Dagboek' uit de NRC. Zo ook Jan Siebelink (1938).

Dinsdag 1 juli 1997
Vannacht gedroomd dat Jeroen Brouwers met uitgestoken hand op me toekwam, me toen meetroonde naar een stil hoekje van de zaal waar een receptie plaatsvond en met zijn arm over mijn schouder een smakelijk verhaal vertelde. Ik piekerde me suf vanmorgen, maar kon me geen woord herinneren.
Telefoontje van John (Jansen van Galen), even voor achten deze ochtend. Een goede kennis van hem, docent aan de vu, is plotseling overleden. Tijdens een college, terwijl hij achter zijn lessenaar stond. De woorden waren in zijn keel gestokt. Hij was van onze leeftijd. Daarna gepraat over alles wat ons kan overkomen. John loopt de tien km nog in 42 minuten, ik doe er tien minuten langer over. Als ik Johns en mijn eigen gedachten goed ken doen we aan sport omdat we het leuk, spannend en bevredigend vinden. Een goede tijd neerzetten geeft de euforie van drugs of drank en we houden er, als prettig bijproduct, ziekte en dood mee op afstand. We maken een afspraak voor de volgende week. Dit keer kom ik naar Amsterdam. Ik ben nog nooit in Het Paleis op de Dam geweest. Hij, tot zijn eigen verbazing, ook niet.
Ik lees het overlijdensbericht van Karel Reynders, waarbij dit citaat van Leopold:
‘O, als ik dood zal, dood zal zijn,
Kom dan en fluister, fluister iets liefs.’
Met Reynders, estheet en bijna-dandy, heb ik voor het eerst kennis gemaakt op 23 november '78, bij de promotie van Frans Kellendonk. Daarna vaker bij Johan Polak, in villa ‘Flevorama’ te Muiderberg. Zijn dissertatie Couperus bij Van Deyssel verscheen fraai gebonden bij Athenaeum Polak & Van Gennep. Hij was, met Harry Prick, een groot kenner van de Tachtigers. Ik bewonderde vooral zijn studie Onder dekmantel van etiket. Hij is nooit hoogleraar geworden. Volgens Johan omdat hij te mooie boeken schreef.
De kippen verzorgd. Ik bezit sinds enkele jaren sebrights, een zeldzaam Engels ras, in drie kleurslagen. Het zijn tierige beesten, met een strenge pikorde. De laagste in rang heeft het erg moeilijk. Een lord Sebright is er aan het begin van deze eeuw in geslaagd het oude ras terug te fokken. Daar is zijn hele leven mee heengegaan. Lord Sebright fokte een leven lang kippen, mijn vader teelde varens in bijzondere variëteiten. Sommigen schrijven boeken. Anderen recensies.
Met Tikker gerend, mijn beige whippet, een klein soort hazewind. Ik heb hem gekocht op de dag (19 april 1984) dat ik mijn moeder ging begraven. Die ochtend vroeg maakte ik een korte wandeling langs de spoordijk van het kippenlijntje Ede-Amersfoort, passeerde een braakliggend terrein waar mannen met hun fiets aan de hand stonden toe te kijken. Ze waren op weg naar de melkfabriek verderop. Ik zag een stuk of zes ravottende hondjes. Soms verdwenen ze in de mist, laag boven de grond. De teef, een zandkleurige windhond, met zwarte snuit en grote, droeve ogen keek ons bezorgd aan. Ik nam de mooiste, die welke op de moeder leek, in mijn handen. Een moment later was ik eigenaar. Impulsieve, compenserende daad, waar ik nooit spijt van heb gehad. Aan mijn hond, voor ik ze opschrijf, vertel ik mijn verhalen. Van mijn plannen voor mijn roman ‘Vera’ was hij al tijden op de hoogte. Hij is ruim dertien jaar. Met 7 vermenigvuldigd zou 91 zijn mensenleeftijd zijn. Onder het rennen vraag ik me af wat Jeroen Brouwers mij toch had mee te delen.
Brief van Gerrit-Jan Kleinrensink, de biograaf van Brakman. Hij geeft mij het adres van Mallarmés huis in Vulaines s/Seine en schrijft: ‘Ik heb een wandeling gemaakt in wat voor mij de achterkant van Arnhem is, namelijk Monnikenhuizen en de aangrenzende heuvels. Schuin tegenover het Thomas à Kempiscollege, in het dal, heeft tot 1572 het Kartuizer klooster Monnikenhuizen gestaan. Onlangs is de kelder blootgelegd. Daar zou Thomas à Kempis zijn Imitatio Christi hebben geschreven.’ Het was mijn vaders geliefdste boek. Op zijn sterfbed heb ik hem daaruit voorgelezen.

maandag 29 juni 2026

Willem Oltmans • 30 juni 2001

Willem Oltmans (1925-2004) was een Nederlandse journalist. Zijn dagboeken (76 delen) zullen in hun geheel online worden gezet bij de DBNL.

30 juni 2001 [Amsterdam]
Corrupt redeneren is nu blijkbaar geaccepteerd in de vooraanstaande Amerikaanse media. Psychische onverantwoordelijkheid is ook veranderd in onethisch corrupte onverantwoordelijkheid. Het is misselijkmakend dat de regering Bush geprezen wordt voor het internationaal afdwingen van ‘norms of justice’, terwijl Powell of Bush vrolijk zij aan zij staan met de schurk Sharon.
Ik kom net terug van de markt en steeds weer als ik thuiskom, ervaar ik dat als het paradijs.
Ik werd gebeld door Evelyne Oltmans, Indisch, 40 jaar: ‘ik ben echt familie van u’. Ik kon het nauwelijks geloven.
Vanavond was ik gewoon bang op straat. Het wemelde van de agressieve kerels, uit alle landen, met hete pikken. Er hing een gevaarlijke sfeer.

zondag 28 juni 2026

Benno Barnard • 13 februari 2022

• Benno Barnard (1954): Het raadsel van de anderen (2026).

Zondag
Op verzoek van het vogeltijdschrift De scharrelaar schrijf ik vogelgedichten. Ik weet in ornithologische zin bedroevend weinig over vogels – en dus worden mijn papieren vogels mythisch, om te beginnen de uil, die al eeuwen in gedichten heeft doorgebracht. Er is ook een uit het nest gevallen mereljong, een ‘Ongerijmd vogeltje’: 
Buiten de keukendeur ligt iets:
een (zodra je je hebt gebukt)
uit Darwin gedonderd
van cellen gemaakt onvoltooid ding… 
Zo’n mereltje bestaat uit een paar miljoen geprogrammeerde cellen, tot het doodvalt en de cellen zinloos worden. Je moet dat soort zaken als een klein kind bekijken: eerst kon het vliegen, toen nooit meer. Maar wat is er dan met dat vliegvermogen gebeurd? Dat was de ziel, anachronistisch uitgedrukt. Het vliegvermogen is universeel onder merels. Dat is de idee ‘vliegvermogen’. De ziel is de individuele uitwerking daarvan (net als de zang, enzovoorts). De idee splitst zich dus op; maar zodra dat gebeurt, zodra er een vogeltje ontstaat, is het vliegen, zingen enzovoorts geen idee meer; en als het geen idee meer is, is het dus een werkelijkheid. Het doodvallen doet daar niets aan af: een herinnerde werkelijkheid is nog steeds een werkelijkheid. Sterker nog, het doodvallen zelf is een werkelijkheid.
Het is onbegrijpelijk, maar niet erg moeilijk.

Etty Hillesum • 29 juni 1943

Etty Hillesum (1914–1943), geboren in een Nederlands-joodse familie, kreeg bekendheid door de publicatie van haar dagboek, 38 jaar nadat zij in Auschwitz werd vermoord. De brief hieronder schreef ze kort nadat ze in Westerbork was aangekomen. Uit Het denkend hart van de barak. Brieven van Etty Hillesum.

29 juni 1943 
Vadertje Han, Kathe, Maria, Hans, even een telegramstijlberichtje aan jullie, zomaar in het wilde weg. Vannacht op wacht gestaan om Jaap op te vangen. Hij was er niet bij. Dolgelukkig waren we. In de vroegte weer een groot transport van hier weggegaan. Om 5 uur was ik nog in het ziekenhuis om te kijken of ze vader niet per ongeluk meenamen, er komen vergissingen genoeg voor. Toen naar de grote barak van moeder. Ze lag op haar smalle benauwde soldatenbed en was gelukkig met het bericht over Jaap. Mijn ouders nemen de zaak groots op, ik ben heel trots op ze. Tegen Polen zien ze ook niet meer op - zeggen ze. Ik hoop ze hier te houden, maar niets is hier zeker. Men drijft hier in enkele dagen ver af van z'n oude basis en er varen nieuwe en grote krachten in een mens, ook om een eigen ondergang te kunnen accepteren heeft men innerlijke kracht nodig.
Van Leguit kreeg ik een brief die me zeer gegrepen heeft, hij behoort ook tot de mensen, voor wie men z'n best zou willen doen om erdoor te komen, en hem dan later terug te kunnen zien. Hij sloot van dr. Korff in: 'en toch is God liefde'. Ik onderschrijf dit ten volle en het geldt nu meer dan ooit. Mijnheer Leguit schreef me o.a.: 'Het zou me verbazen als u zoveel lenigheid van geest zoudt hebben om meer dan een half oor over te hebben voor wat achter is gebleven.' Ik heb al m'n oren en al m'n aandacht voor jullie over, ik leef met jullie verder net als vroeger en rust af en toe bij jullie uit van al het overstelpende hier. Voor jullie is het moeilijker het gebeuren hier te verwerken dan voor ons. Ik merk dat in iedere situatie, ook in de moeilijkste, de mens nieuwe organen toegroeien, waardoor hij toch weer verder leven kan. Wat dat betreft is God barmhartig genoeg. En voor de rest: verschillende zelfmoorden vannacht voor het transport, met scheermesjes en zo.
Vanochtend, terwijl ik me samen met een collega stond te wassen, zei ik tegen haar uit het diepst van m'n hart ongeveer het volgende: de gebieden van ziel en geest zijn zo groot en oneindig, dat dat beetje lichamelijk ongemak en lijden er toch eigenlijk niet zoveel toe doet, ik heb niet het gevoel dat ik van m'n vrijheid beroofd ben en in wezen kan toch ook eigenlijk niemand mij kwaad doen. Ja kinderen, zo is het, ik heb zo'n merkwaardig soort van bedroefde tevredenheid over me. Als ik jullie wel eens een wanhopige brief geschreven heb, neem hem dan niet al te zwaar, dat was dan maar zo'n ogenblikje, men kan wel lijden, maar daarom hoeft men nog niet wanhopig te zijn. En nu spring ik weer in de diepte en ga naar het ziekenhuis, met een trommeltje onder m'n arm voor m'n dierbare papa en m'n ambtenarenmap onder m'n andere arm. Ik zal vele lege bedden in het ziekenhuis vinden na dit transport. Houden jullie je taai, beste braven! Hoe is het met de neef Wegerif? En Käthe, ben je braaf? En is mijnheer niet al te zwijgzaam? De moeder van Hannes is niet naar Theresienstadt. Een groet aan Adri van Ilse B. Dag!

Etty

Arthur Japin • 28 juni 2009

Arthur Japin (1956) is een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken 2008-2018 zijn gepubliceerd als Geluk, een geheimtaal.

Juni 2009
Gisteren vond Lex een dode vogel voor de deur. Toen hij hem wilde oppakken, merkte hij dat hij aan de onderkant al helemaal was verworden tot een krioelende hoop wormen. Vies! is je eerste idee. Maar je kunt het ook mooi vinden dat die wormen de rotzooi opruimen en dat karkas keurig schoonmaken. Hierdoor werd ik vanochtend wakker met dit inzicht over de milieuproblemen: wat als we er helemaal verkeerd tegen aankijken en wij juist op aarde zijn om de planeet helemaal leeg te vreten en op te gebruiken als een karkas? De worm op het lijk denkt er niet over zorgvuldig met de grondstoffen om te springen. Die doet gewoon wat hij het beste kan: alles wegwerken. Misschien zijn wij hier neergezet als wormen om die oude planeet kaal op te leveren. De mensheid is een ziekte die zich verspreidt en alles wegvreet. Ik ben een van de bacteriën, maar wel een van de vrolijkste.

André Gide • 27 juni 1937

• De Franse schrijver André Gide (1869 -1951) biedt in zijn dagboeken “een caleidoscopisch portret van een man die over zichzelf beweerde: ‘Alle absurde dingen in mijn leven heb ik altijd gedaan uit naam van het verstand.’” Uit: Het innerlijk blauw. Een keuze uit het dagboek 1918-1939 (vertaald door Mirjam de Veth).

27 juni
Voelen dat je anders bent; ik snikte van ontsteltenis toen ik dat voor het eerst ontdekte, maar ik moest me erbij neerleggen en ik had het anders-zijn al genoeg geaccepteerd om niet erg verbaasd te zijn toen ik op seksueel gebied hetzelfde moest constateren. Nee, mijn verbazing kwam pas later, toen ik ontdekte dat op dat gebied het uitzonderlijke (ik bedoel: wat men mij als zodanig wijsmaakte) uiteindelijk vrij veelvuldig voorkwam. Het gevoel een uitzondering te zijn ervoer ik toen ik nog heel jong was en constateerde dat ik dikwijls niet zo reageerde als de anderen, als het merendeel van de anderen. En hoe je later ook je best doet jezelf te vernederen, geringschattend over jezelf te doen en graag bij het volk wilt horen, hoezeer je juist geen uitzondering wilt zijn en probeert op te gaan in de massa en je daar prettig bij te voelen — je blijft toch anders. Dat gevoel anders te zijn kan het kind hebben als het nog erg jong is, afgewisseld met droefheid, zelfs met angst, en maar heel zelden met vreugde.