donderdag 23 juli 2026

Alma Mahler • 24 juli 1901

Alma Mahler was in het begin van de twintigste eeuw de it-girl van Wenen. Haar dagboeken over die tijd zijn verschenen als Het is een vloek een meisje te zijn.

Woensdag 24.7
's Ochtends B. Hij zei me dat hij de regen had getrotseerd om nog met me te praten voordat de anderen arriveerden. Daarna waren alle Molls er. Ik speelde quatre-mains met Rudolf - hield de kinderen zoet door hun snoepjes te geven, maakte grapjes, was spraakzaam, kortom - een voorbeeldige meid. Maar nu de keerzijde!
Gretl, Wilhelm en ik gingen wandelen. B. kwam achterop, en bracht me naar huis. We waren alleen... Hij begon lief tegen me te doen. Ik weerde beslist af, ging op de vensterbank zitten. Zei hem dat zijn ogen berekenend, boosaardig en geniepig waren. Dat vergaf hij me niet. 'Ik pas er wel voor op iets uit uw ogen af te lezen. Dan zou misschien nog wel iets ergers aan het licht treden.' [...]
Ik moet zeggen, ik zou zijn vriendschap deerlijk missen. Ik hou niet van hem, zal dat ook nooit doen! Maar zijn aanwezigheid windt me op. Ik zou er veel voor geven als ik het weer in de juiste banen kon leiden. Ik moet tegenover mezelf erkennen dat ik er helemaal alleen voor verantwoordelijk ben dat onze verhouding niet meer zo onschuldig is als tevoren - ik helemaal alleen! Ik heb hem verliefde blikken toegeworpen, liet mijn hand langer dan nodig in de zijne. Kortom, gaf hem te kennen: treed nader. En nu hij nauwer contact met me zoekt, voeg ik hem toe: loop naar de hel. Ik heb er enorm veel spijt van - ik kan het alleen maar herhalen. Waarom ben ik ook zo mateloos zinnelijk? -
Ik hunker naar verkrachting! - Wie het ook is!
B. ben ik kwijt! Hij had een koude, doorborende blik in zijn ogen. Zijn stem was rauw. O - laat dat niet gebeuren! Als Alex het te weten kwam! Ik zou me dood moeten schamen. Hoezeer hou ik ondanks alles van je. Ik voel me onteerd, mijn lichaam is geschonden. In zijn ogen moet ik nu wel een hoer lijken. Kon ik me maar op een of andere manier rehabiliteren!-?



B. = theaterdirecteur Max Burckhard
Alex = de componist Alexander von Zemlinsky, met wie ze toen een verhouding had. Gustav Mahler zou ze drie maanden later pas leren kennen. Ze besloten vrijwel onmiddellijk tot een huwelijk.<476-2015>

woensdag 22 juli 2026

Alma Mahler • 23 juli 1901

Alma Mahler was in het begin van de twintigste eeuw de it-girl van Wenen. Haar dagboeken over die tijd zijn verschenen als Het is een vloek een meisje te zijn.

Dinsdag 23.7
Mama en Carl in Salzburg. Ik alleen thuis.
Tegen de middag kwam Burckhard. We zaten in de kleine kamer en bekeken een fiets die de fietsenmaker hier (die vertegenwoordiger van de firma Styria is) aangeboden had met bijbetaling van 60 fl. voor de mijne te ruilen.
We zitten daar dus — en opeens pakt hij mijn linkerhand vast en geeft er een kus op, streelt hem, legt zijn hand op mijn schoot, op mijn knie. Kust mijn knie, streelt mijn gezicht, gaat met zijn hand langs mijn knie naar beneden — onder mijn rok en weer naar boven. Tegen die tijd voelde ik me heerlijk week en prettig. Me lichtjes verzettend liet ik alles gebeuren. Maar opeens kreeg ik het gevoel: zo is het genoeg. - Zachtjes maar beslist pakte ik zijn handen en legde ze bij hem in de schoot. En dat terwijl ik honderdmaal liever een kus — en meer van hem had willen hebben... Ik smolt weg van wellust.
Later at ik op het balkon — hij keek toe. Ik keek hem niet meer recht in de ogen.
Alex [Alexander von Zemlinski, de componist] — als je eens wist! Hij mag het nooit weten! — En het was zo mooi. De man weet een sfeer om zich heen te verspreiden — ik werd er helemaal week van en een behaaglijk gevoel kwam over me.
En nu ik erover nadenk: zelfs toen, toen ik op de sofa boven op Alex lag — zijn mannelijk lid verhief zich — zelfs toen had ik het niet zo warm. Alex heeft gelijk... net als ik! Zo vol begeerte en toch vervuld van zulke zuivere gevoelens, dat komt maar één keer in een mensenleven voor.
Het is merkwaardig. Ik zit tegenover B. — zijn persoon laat me volslagen koud, maar mijn zinnen — die vervloekte, tot het uiterste geprikkelde zinnen sissen en zieden. En Alex? Mijn ziel ging net zozeer naar hem uit als mijn zinnen. Hem heb ik werkelijk lief. Vol begeerte en toch zuiver. Ja, duizendmaal 'ja'. Jij, engel van me, jij! — En die afschuwelijke 'verleider', die het alleen maar om mijn knappe gezichtje en mijn weelderig gevormde figuur te doen is, aan hem gaf ik ook niet voor één ogenblik mijn lichaam?
— Schaam je —
Ik gruw van mezelf. En ik kan hem zelfs geen verwijt maken... Ik liet het allemaal maar gebeuren! Ik-ik. Ik, die toch Alex toebehoor, Jij, arme man van me. Wees alsjeblieft niet net zoals ik. Ik zou het een onverdraaglijke gedachte vinden.
Het is ergens ook wel weer komisch. Ook Alex heeft mijn knieën gestreeld, mijn schoot gekust — en ik vond het helemaal niet onterend — integendeel. Ik kwam alleen maar méér in de stemming. Ik liet hem me tongzoenen — liet hem mijn hele lichaam betasten. Ik vond het vanzelfsprekend. En nu, vandaag: spijt als haren op mijn hoofd heb ik! Ik verwens B. met zijn boosaardige (op dat moment keek hij als een dier uit zijn ogen) ogen en zachte handen en al. Verwens mezelf met mijn zinnelijke temperament. Kortom — het hele voorval [de halve ervaring!!]. Vergeef me, mijn Alex — een huurder heeft jouw huis bekeken. Jouw huis: naar jouw kussen hunker ik [Alex], naar jouw omhelzing.
Wilhelm was zojuist hier — beklaagde zich over mama en Carl; dat ze hem te weinig geld geven etc. Ik probeerde hem te sussen zoveel ik maar kon. Wees hem ook op zijn weerspannige gedrag.
Daarna Mie en Hugo. Mie wat koeltjes. Toen ik haar dat zei, was haar antwoord: 'Ik heb mijn vertrouwen in je verloren. Zorg maar dat ik het weer terugkrijg...' Ze maakt mijn beste kant zwart. Mijn liefde tot Alex wil ze me afnemen, mijn een en al. Ze berooft me van mijn mooiste, prachtigste, edelste denken en wil. Ik lachte eens hard en zei: 'Flirt. Ik flirt?...' [Want zo zit de vork mooi niet in de steel!]
Schandalig!
's Avonds stond Burckhard, terwijl het regende dat het goot, opeens onder aan mijn raam, nat tot op de huid. Ik heb hem gesproken, maar was moe en slaperig, koesterde absoluut geen wrok tegen hem. Speelde na zijn vertrek met tegenzin verder.

24.7 hier

dinsdag 21 juli 2026

Piet Hagen • 22 juli 2005

• Journalist Piet Hagen (1942) schreef een biografie over Pieter Jelles Troelstra, en hield in die tijd een dagboek bij. Gedeelten daaruit zijn hier gepubliceerd.

22 juli 2005 • Een reis langs de Romantische Straße door het vroegere Oost-Duitsland. Troelstra was een romanticus en een bewonderaar van Heinrich Heine. Hij heeft deze streek vaak bezocht. In Dresden bekijk ik de voormalige kliniek van Anna Fischer-Dückelmann, waar Sjoukje verbleef om te herstellen van haar neurasthenische aandoeningen. Ik vind ook het adres waar Pieter Jelles logeerde toen hij haar bezocht. Dit deel van de stad is bij de bombardementen van 1945 gespaard.
In een boekhandel koop ik Volker Ullrichs Die nervöse Großmacht 1871-1918, Aufstieg und Untergang des deutschen Kaiserreichs. Ineens snap ik beter hoe Troelstra tegen Duitsland aangekeken moet hebben. En ook waarom hij zo vaak leed aan zenuwinzinkingen. Het lag niet alleen aan zijn zwakke gestel, maar ook aan het nervöse Zeitalter.
In Ilsenburg, in de Harz, bracht Troelstra zijn zoon Jelle naar het Land-Erziehungsheim van Hermann Lietz. Ik stel me voor hoe het gegaan is: na een treinreis van twee dagen laat de vader hier in 1903 zijn twaalfjarige zoon achter op een progressieve Duitse kostschool, ver van huis.
In Eisenach bekijk ik de plek waar in 1869 de Duitse Sociaal-Demokratische partij werd opgericht. Hier waart nog de geest van August Bebel rond. Hij en Wilhelm Liebknecht waren Troelstra's grote voorbeelden en met beiden was hij bevriend. Thuis pak ik de autobiografie van Bebel uit de kast. Zou Troelstra die in gedachten hebben gehad toen hij zijn eigen Gedenkschriften schreef?

maandag 20 juli 2026

Luise Rinser • 21 juli 1969

Luise Rinser (1911-2002) was een Duitse schrijfster en politiek activiste. Ze publiceerde verschillende boeken met dagboekaantekeningen.

21 juli • Ik doe mijn best belangstelling te voelen voor de landing op de maan. Ik kom niet verder dan: nou, goed dan, ze zijn op de maan geweest. Maar ik span me in om er tenminste over na te denken wat deze zaak nu eigenlijk te betekenen heeft.
Misschien komt het allemaal voort uit duivelse bedoelingen: de maan voor te bereiden als strategisch punt voor een toekomstige oorlogsvoering. Van de maan uit een deel van de aarde te vernietigen. Of een deel van de mensheid naar de maan over te brengen en dan de rest, die niet gewenst is, van de maan uit te doden. Dat kan allemaal. Atoombommen zijn vroeger ook utopische invallen geweest. De gruwelijke dingen die de mens bedenkt, brengt hij meestal ook ten uitvoer.
Het ligt meer op mijn weg om te denken dat deze tocht naar de maan niets anders is dan de vlucht uit een maatschappelijke conflictsituatie. Als een mens geen raad meer weet in zijn privé-leven, vervalt hij tot apathie of raakt hij aan de drank, óf hij ontwikkelt op een of ander wonderlijk terrein een koortsachtige activiteit van meestal agressief karakter. Bij huisvrouwen die zoals men dat noemt gefrustreerd zijn, heb ik al vaak gemerkt dat ze ware schoonmaak-orgieën in hun huizen vieren. Ze hinderen zichzelf en hun gezin ermee en proberen tegelijkertijd zichzelf en anderen de illusie te verschaffen dat zij iets zinvols doen waarmee zij hun bestaansrecht bevestigd willen zien.
De agressie bij de maanvlucht schuilt in de fanatieke eerzucht om de Russen de baas te blijven.
Ik kan ook spreken van een opzettelijke afleidingsmanoeuvre: een zakenman die bang is voor het bankroet probeert door een avontuurlijke zet zijn crediteuren aan het lijntje te houden.
Of: iemand die merkt dat alles misloopt, pakt zijn koffers en gaat ervandoor, in de hoop dat de problemen zichzelf oplossen.
Hoe dan ook: heel dit laankzinnig dure project heeft het karakter van een vlucht uit de reële, niet verwerkte problemen.


zondag 19 juli 2026

W.F. Hermans • 20 juli 1974

• Willem Frederik Hermans (1921-1995) was beroemd/berucht om zijn villeine teksten, waarin hij reputaties niet spaarde. Zoals in deze brief die gepubliceerd werd in het tijdschrift Raster.

Parijs, 351 * 20. juli 1974
Geachte Heer Ros,
U bent bijzonder goed op mij. Niet alleen een lange brief, maar ook een grote stapel Nederlandse boeken stuurt u. Hartelijk dank. Bij de verhuizing heb ik bijna alle Nederlandse boeken weggedaan, ook mijn eigen boeken, met uitzondering van de laatste drukken. Nu kan ik opnieuw boeken gaan wegdoen. Toppunt van goedheid is uw mededeling dat mijn opmerking (in mijn vorige brief) over een fout in uw vertaling ‘natuurlijk geheel juist was’.

Misschien bent u al te goed. U honoreert al mijn grillige invallen. Een ‘conditionnel 2e forme’ waar ik in mijn vorige brief over repte, bestaat namelijk volgens alle andere grammatici helemaal niet.
Er zou nu nog gedacht kunnen worden dat u die volzin van Mirbeau vertaald heeft alsof er een conditionnel passé 2 e forme stond (want die bestaat, niet alleen volgens mij, maar ook volgens de andere grammatici) maar ook dat is toch eigenlijk niet waarschijnlijk, want daar lijkt ‘fîtes’ niet op en ‘fissiez’ evenmin.

Ik krijg de indruk dat u graag een bijdrage voor Maatstaf zou ontvangen. Ik ben erin geslaagd aan twee mijner spookschrijvers een gedicht te ontwringen. Het honorarium daarvoor kunt u t.z.t. op mijn postgiro 810042 doen storten.
Op reis

Mensje van Keulen en Aapje van Aken
Besloten tezamen een pandje te kraken.
Ze pakten hun rugzak en gingen op reis.
Natuurlijk per bromfiets. Het doel was Parijs.
Het is alleen een lelijk ding
Dat men niet weet hoe 't verder ging.

Bulletje & Bonestaak
Mocht u dit wat kort vinden, dan mag u deze brief ook in zijn geheel publiceren.
Ik ben minder geestdriftig dan u, over het feit dat er nergens in het buitenland, behalve in Nederland, zoveel Léautaud vertaald wordt. Hieruit blijkt dat Nederland ook uit het buitenland die dingen aantrekt, die verwant zijn aan de eigen nationale litteraire fouten en die maar soms en heel zelden iets met echte litteratuur te maken hebben. Ik heb het al eens eerder gezegd: Nederland wil alleen dat, wat het al eerder in zijn eigen huiskamer is tegengekomen. Toppunt van bekrompenheid.

Ook ik heb, moet ik u bekennen, uit de periode waarin ik die dingen nog niet zo helder zag, het Journal Littéraire van Léautaud overgehouden in mijn boekenkast.

Maar wat is het nu eigenlijk: gezanik over een leventje van niks, door een mannetje van niks, dat van niks wist, behalve dat Diderot en Stendhal grote schrijvers waren — alsof voordien niemand dat nog wist. Een zielig baasje met een huis vol verwaarloosde katten in Fontenay-aux-Roses aan de Ligne de Sceaux. Op z'n zeventigste jaar verbeeldde hij zich nog, als een winkeljuffrouw haar lachen niet kon houden omdat hij er zo idioot uitzag, dat hij groot succes bij de vrouwen had.

De eerste delen van het Journal en de boekjes die hij in zijn jeugd schreef zijn niet onverdienstelijk, maar daarna: zestig jaar hetzelfde gezanik, onsmakelijk als een pornoblaadje volgeschreven door een afvallige pastoor, jaar in jaar uit herhaald, dikwijls letterlijk.

Léautaud, in Frankrijk gelukkig maar een uitzondering, vertegenwoordigt helemaal de haat van de kleine zeurkous tegen echte litteratuur, haat die in Nederland inheems is bij mensen met litteraire ambities die geen fantasie hebben en dat zijn er nogal wat in Nederland. Slotsom van zijn oeuvre: als je precies gaat beschrijven hoe het leven van kleine schrijvertjes is, waarin niets gebeurt, maar wel eindeloos wordt geroddeld met andere mislukte schrijvertjes, wordt de litteratuur net zo vervelend als die leventjes zelf.

Met vriendelijke groeten
W.F. Hermans

Eva Braun • 19 juli 1941

• Eva Braun (1912-1945) was de vriendin van Adolf Hitler. Ze schreef een echt dagboek, waar 22 pagina's van bewaard zijn gebleven. Het onderstaande fragment komt uit het fictieve Het intieme Dagboek van Eva Braun.

Obersalzberg, Juli, 1941 • Ik lag moedernaakt op het bovenste balcon languit op mijn buik mij in de volle zon te koesteren en deed alsof ik sliep. Hij is begonnen met me lang te bekijken, dan is hij naast mij komen zitten en heeft mij heel zachtjes geaaid, heel teder geliefkoosd. Hij mag mij zo graag strelen, hij houdt er van altijd weer mijn rug te aaien; daar kan hij nooit genoeg van krijgen. Altijd van achteren, zo heeft hij mij ook gefotografeerd, de rug. Hij heeft natuurlijk bij hoog en laag verzekerd, dat op die manier niemand mij op de foto zou herkennen ingeval dat deze in verkeerde handen zou vallen, iets, wat natuurlijk mogelijk is. Eerst ben ik innerlijk in opstand gekomen bij de gedachte mij zo te laten fotograferen, maar dan heb ik gedacht: het is misschien te prefereren, wanneer hij op reis is, dat hij zo'n beeld van mij heeft, liever dan een andere vrouw te nemen....
En zo draagt hij mijn portret steeds bij zich, een naaktfoto, genomen van achteren. Welke man doet zoiets? Hij alleen is tot iets dergelijks in staat, niemand anders.

Josep Pla • 18 juli 1918

• De journalen van de Catalaanse schrijver Josep Pla i Casadevall (1897-1981) omvatten zo’n 30.000 bladzijden vol dagboekaantekeningen, reisimpressies, invallen en literaire portretten. Het grijze schrift (vertaald door Adri Boon) bestrijkt de jaren 1918-1920, voordat de jonge Pla als dagbladcorrespondent naar Parijs vertrok.

18 juli • Ciset Vilá, een handelaar in hout, net als generaal Savalls geboortig uit Pera, vertelt vaak dat toen de generaal tijdens de tweede Carlistische oorlog het land doorkruiste, deze zich op een dag aandiende in zijn geboortedorp, ge-zeten op zijn beroemde schimmel die, omgeven door de voornaamste kopstukken uit de streek, op de lithografieën prijkt. De moeder van de generaal, die in Pera een armoedig bestaan leidde, stak bij het horen van het galop van de cavalerie haar hoofd uit het raam. Nadat het eerste moment van schrik en verbazing die haar zoon met zijn verschijning bij haar teweegbracht voorbij was, reageerde zij met heftige verontwaardiging.
`Ben jij het, verkwister?' schreeuwde zij, hem een minachtende blik toewerpend. 'Alsof we al niet genoeg ellende hebben! Schaam je je niet dat er zoveel over je gepraat wordt? Al ons land ligt er onbewerkt bij... Draaf maar rond van hot naar her, stuk onverlaat, voer maar oorlog en haal maar dwaasheden uit...'
Zonder van zijn paard af te stijgen liet Savalls met een lachje de oude opvliegende boerin, die in het raamkozijn luidkeels tekeerging, uitrazen.
`Houdt uw rok op, moeder!' zei hij toen het hem toescheen dat de woedeaanval over het hoogtepunt heen was. `Bespaar me je grappen, ellendeling...'
`Houdt uw rok op, zeg ik!' schreeuwde de generaal stralend met het glunderende gezicht van een tevreden dier.
En terwijl hij het bevel herhaalde wierp hij een handvol gouden munten door het raam naar binnen.
Het silhouet van de oude vrouw verdween even: de tijd die nodig was om de over de vloer verspreid liggende munten bijeen te rapen. Toen zij daarna weer in het kozijn ver-scheen zei zij met een opvallende verandering in haar stem en een vriendelijk gezicht: 'Kom binnen! Dan eten we wat... We hebben elkaar zo lang niet gezien! Dit jaar is de worst overheerlijk.'
De generaal steeg af en moeder en zoon vielen elkaar liefdevol in de armen. Niet alleen gebruikte hij het middagmaal in zijn ouderlijk huis, maar ook bleef hij er 's avonds eten en slapen. In feite bleef hij er zolang zijn persoonlijke veiligheid dat toeliet. De vreugde van zijn moeder duurde al die tijd en nog iets langer — totdat de gouden oorlogsmunten op waren.