• Hidde Dirks Kat (1747-1824) was een Nederlandse walvisvaarder die in 1777 schipbreuk leed bij Groenland. Zijn ervaringen tijdens deze schipbreuk en de vele ontberingen die hij moest doorstaan tijdens de hierop volgende overlevingstocht, heeft Kat opgetekend in een dagboek.
[20 en 22 September 1778]
Na verloop van twee dagen vertrok ik op den 20 September van daar met een schip naar Lubeck, alwaar ik den 22 September met mijn gezelschap aan den wal stapte.
[23 September 1778]
Den 23 September kwam ik bij mijnen patroon, den Heer D.H. Rewoel te Hamburg; en vervolgens aldaar bij mijnen zwager, den Kommandeur C.J. Ney komende, vernam ik, tot mijne overgroote blijdschap, dat mijne vrouw met één kind nog in leven en gezond was, zijnde een van mijne kinderen in mijne afwezigheid gestorven.
[27 September 1778]
Daarna kwam ik den 27 September met een vaartuig op het eiland Ameland en ontmoette vrouw en kind in goede gezondheid. Het is mij onmogelijk deze zielroerende blijdschap te beschrijven. De menschen op straat hieven een vreugdegejuich aan en riepen elkander mijne terugkomst toe.
God zij hartgrondig gedankt voor alle onverdiende genade, aan mij Hidde Dirks Kat bewezen!
maandag 21 september 2026
zondag 20 september 2026
Jane Gould • 21 september 1852
• Jane Gould Tourtillott (1833-1917) trok in 1852 per huifkar van Ohio naar Californië, een gevaarlijke tocht.
Vertaling onderaan.
Sunday, September 21 • There are houses and public wells all along on the road to Empire City, which is ten miles from Dayton. We stayed at Empire all night. This town is not as large as Dayton, but the streets are full of freight wagons. We say a great many fruit wagons her from Cal. There is a quartz mill here also. Money seems to be plenty. Buildings going up fast. Here is the place to make money, especially for a man without a family can get fifty dollars per month, and board, for most any kind of work and mechanics get more.
Wednesday, October 1 • Our roads are rather rough. I walked on before the teams two miles or more, called at a farm for a drink and to rest. Had the pleasure of sitting in a large rocking chair, the first time in five months. They have plenty of fruit trees. Albert called for me and bought some fine grapes, and a pail of tomatoes. The lady of the house gave me some roses and verbenas, they were beautiful and fragrant too.
Vertaling door ChatGPT.
Zondag 21 september • Langs de hele weg naar Empire City, dat zestien kilometer van Dayton ligt, staan huizen en openbare waterputten. We bleven de hele nacht in Empire. Dit stadje is niet zo groot als Dayton, maar de straten staan vol vrachtwagens en huifkarren. We zien hier heel veel fruitkarren uit Californië. Er is hier ook een kwartsmaalderij. Er lijkt volop geld te zijn. Er wordt snel gebouwd. Dit is dé plek om geld te verdienen. Vooral een man zonder gezin kan hier voor vrijwel elk soort werk vijftig dollar per maand verdienen, plus kost en inwoning. Vaklieden verdienen nog meer.
Woensdag 1 oktober • Onze wegen zijn nogal hobbelig. Ik liep twee mijl of meer vooruit op de wagens en hield halt bij een boerderij om wat te drinken en uit te rusten. Ik had het genoegen plaats te nemen in een grote schommelstoel — de eerste keer in vijf maanden. Ze hebben daar volop fruitbomen. Albert kwam me ophalen en kocht heerlijke druiven en een emmer tomaten. De vrouw des huizes gaf me enkele rozen en ijzerhardplanten; ze waren prachtig en bovendien heerlijk geurend.
Vertaling onderaan.
Sunday, September 21 • There are houses and public wells all along on the road to Empire City, which is ten miles from Dayton. We stayed at Empire all night. This town is not as large as Dayton, but the streets are full of freight wagons. We say a great many fruit wagons her from Cal. There is a quartz mill here also. Money seems to be plenty. Buildings going up fast. Here is the place to make money, especially for a man without a family can get fifty dollars per month, and board, for most any kind of work and mechanics get more.
Wednesday, October 1 • Our roads are rather rough. I walked on before the teams two miles or more, called at a farm for a drink and to rest. Had the pleasure of sitting in a large rocking chair, the first time in five months. They have plenty of fruit trees. Albert called for me and bought some fine grapes, and a pail of tomatoes. The lady of the house gave me some roses and verbenas, they were beautiful and fragrant too.
Vertaling door ChatGPT.
Zondag 21 september • Langs de hele weg naar Empire City, dat zestien kilometer van Dayton ligt, staan huizen en openbare waterputten. We bleven de hele nacht in Empire. Dit stadje is niet zo groot als Dayton, maar de straten staan vol vrachtwagens en huifkarren. We zien hier heel veel fruitkarren uit Californië. Er is hier ook een kwartsmaalderij. Er lijkt volop geld te zijn. Er wordt snel gebouwd. Dit is dé plek om geld te verdienen. Vooral een man zonder gezin kan hier voor vrijwel elk soort werk vijftig dollar per maand verdienen, plus kost en inwoning. Vaklieden verdienen nog meer.
Woensdag 1 oktober • Onze wegen zijn nogal hobbelig. Ik liep twee mijl of meer vooruit op de wagens en hield halt bij een boerderij om wat te drinken en uit te rusten. Ik had het genoegen plaats te nemen in een grote schommelstoel — de eerste keer in vijf maanden. Ze hebben daar volop fruitbomen. Albert kwam me ophalen en kocht heerlijke druiven en een emmer tomaten. De vrouw des huizes gaf me enkele rozen en ijzerhardplanten; ze waren prachtig en bovendien heerlijk geurend.
Frida Vogels • 20 september 1970
• Frida Vogels (1930-2026) was een Nederlandse schrijfster. Haar door kritiek en publiek gewaardeerde dagboeken 1954-1971 zijn gepubliceerd in 8 delen.
20 sept. • Zondag. Vader en S. slapen nog. Ik heb ontbeten en zit nu aan S.'s tafel, wat ik niet prettig vind.
Gisteren lette ik er voortdurend op of S. niet weer uit zijn humeur zou raken, wat tot resultaat had dat ik hem daar alle aanleiding toe gaf, maar hij bleef in zijn humeur. Terwijl we wandelden bleef hij geregeld staan om invallen voor zijn vertalingen van de sonnetten van Shakespeare op papiertjes te schrijven.
Voor het eten speelde hij op het clavecymbel. Dat was mieters. Weliswaar was ik niet in de stemming om het op prijs te kunnen stellen, ik hoorde weinig, maar het was toch mieters, het gaf een gevoel van verbondenheid.
Vader was even praatgraag als de dag ervoor. Hij is er zich wel bewust van dat hij zulke verschrikkelijk wijdlopige verhalen doet en roept zichzelf van tijd tot tijd tot de orde. Hij praatte de hele dag, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, en hoefde nu niet op zijn bed te gaan liggen om ervan te bekomen.
Ik voor mij ben al flink moe geworden van deze twee dagen; gisteren merkte ik herhaaldelijk dat ik moet oppassen. Ik kon gevoelens van irritatie en vijandigheid tegenover vader soms maar met moeite beheersen; in Urbino zal ik dat zeker niet altijd kunnen. Ik moet het zo inrichten dat ik eerder opsta dan hij, zodat ik voor de dag begint een poosje rustig in mijn kamer kan zitten. Ik schreef gisteren een briefkaart aan S.'s moeder om haar te bedanken voor de taralli. Vader merkte op dat ik zo razend vlug schrijf, hij had nog nooit iemand gezien die zo vlug schrijft, zei hij. Dat verbaasde me.
Hij vertelde dat hij op bezoek was geweest bij monna, die nu in een bejaardenflat woont. Hij maakte een schetsje van haar huis, dat vervolgens werd verkreukeld en in de asbak gedeponeerd, want het was slordig en niet op schaal, ‘niet om te bewaren’. Toen hij wegging, had monna hem naar de bushalte gebracht en hij had in het wachthuisje staand gekeken hoe ze terugliep, verwachtend dat ze nog eens om zou kijken om te wuiven; maar nee, ze had al haar aandacht voor het lopen nodig gehad, ‘en dat ging zo langzaam, het duurde zo lang voor ze de hoek om was. Toen dacht ik wel ineens: wat is ze oud’. Dit ontroerde me. Zo ook, toen hij over zijn vroegere chauffeur Vink vertelde, die een paar maanden geleden gestorven is aan een hartinfarct. Hij vertelde zeer uitvoerig over Vinks karakter, over hun onderlinge relatie, over Vinks dood, over zijn troostbezoeken aan Vinks vrouw, enz., en op het laatst had hij vochtige ogen en je hoorde ook iets in zijn stem; maar daarna keerde hij naar het heden terug, zijn sigaar was trouwens op, en hij zei ons een beetje verlegen aankijkend, ‘ja, ja. Als je elkaar zo lang niet ziet, heb je veel te vertellen.’ Dat was na het eten; we gingen nog ‘een blokje om’ en toen naar bed.
Herhaaldelijk bleek weer dat hij niet rust voor hij elk kreukeltje in het sociale weefsel om hem heen heeft gladgestreken, of anders gezegd, hoe ijdel hij is. Zo hield hij bij S.'s clavecymbelconcert een Ricercare van Giovanni Gabrieli voor een Pavane van William Byrd. Dat kwam natuurlijk gewoon doordat hij het programma verkeerd had gelezen. Maar hij putte zich uit in andere verklaringen. Hij trok wijdlopige parallellen tussen de archaïsche stijl van Gabrieli en die van Byrd, beweerde gedacht te hebben ‘wat zijn die Gabrieli en die Byrd aan elkaar verwant’, hoewel, aan de andere kant moest je toegeven dat de muziek van Byrd de Engelse mist en melancholie ademt, terwijl Gabrieli... enz. enz., hij kon er niet over ophouden omdat hij vermoedelijk wel voelde dat er met scepsis naar hem geluisterd werd. Ilse luistert in zulke gevallen helemaal niet en zegt ten slotte ‘Alvertus!’ Ilse vindt trouwens dat ik in dit opzicht op vader lijk. Het zal wel waar zijn.
20 sept. • Zondag. Vader en S. slapen nog. Ik heb ontbeten en zit nu aan S.'s tafel, wat ik niet prettig vind.
Gisteren lette ik er voortdurend op of S. niet weer uit zijn humeur zou raken, wat tot resultaat had dat ik hem daar alle aanleiding toe gaf, maar hij bleef in zijn humeur. Terwijl we wandelden bleef hij geregeld staan om invallen voor zijn vertalingen van de sonnetten van Shakespeare op papiertjes te schrijven.
Voor het eten speelde hij op het clavecymbel. Dat was mieters. Weliswaar was ik niet in de stemming om het op prijs te kunnen stellen, ik hoorde weinig, maar het was toch mieters, het gaf een gevoel van verbondenheid.
Vader was even praatgraag als de dag ervoor. Hij is er zich wel bewust van dat hij zulke verschrikkelijk wijdlopige verhalen doet en roept zichzelf van tijd tot tijd tot de orde. Hij praatte de hele dag, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, en hoefde nu niet op zijn bed te gaan liggen om ervan te bekomen.
Ik voor mij ben al flink moe geworden van deze twee dagen; gisteren merkte ik herhaaldelijk dat ik moet oppassen. Ik kon gevoelens van irritatie en vijandigheid tegenover vader soms maar met moeite beheersen; in Urbino zal ik dat zeker niet altijd kunnen. Ik moet het zo inrichten dat ik eerder opsta dan hij, zodat ik voor de dag begint een poosje rustig in mijn kamer kan zitten. Ik schreef gisteren een briefkaart aan S.'s moeder om haar te bedanken voor de taralli. Vader merkte op dat ik zo razend vlug schrijf, hij had nog nooit iemand gezien die zo vlug schrijft, zei hij. Dat verbaasde me.
Hij vertelde dat hij op bezoek was geweest bij monna, die nu in een bejaardenflat woont. Hij maakte een schetsje van haar huis, dat vervolgens werd verkreukeld en in de asbak gedeponeerd, want het was slordig en niet op schaal, ‘niet om te bewaren’. Toen hij wegging, had monna hem naar de bushalte gebracht en hij had in het wachthuisje staand gekeken hoe ze terugliep, verwachtend dat ze nog eens om zou kijken om te wuiven; maar nee, ze had al haar aandacht voor het lopen nodig gehad, ‘en dat ging zo langzaam, het duurde zo lang voor ze de hoek om was. Toen dacht ik wel ineens: wat is ze oud’. Dit ontroerde me. Zo ook, toen hij over zijn vroegere chauffeur Vink vertelde, die een paar maanden geleden gestorven is aan een hartinfarct. Hij vertelde zeer uitvoerig over Vinks karakter, over hun onderlinge relatie, over Vinks dood, over zijn troostbezoeken aan Vinks vrouw, enz., en op het laatst had hij vochtige ogen en je hoorde ook iets in zijn stem; maar daarna keerde hij naar het heden terug, zijn sigaar was trouwens op, en hij zei ons een beetje verlegen aankijkend, ‘ja, ja. Als je elkaar zo lang niet ziet, heb je veel te vertellen.’ Dat was na het eten; we gingen nog ‘een blokje om’ en toen naar bed.
Herhaaldelijk bleek weer dat hij niet rust voor hij elk kreukeltje in het sociale weefsel om hem heen heeft gladgestreken, of anders gezegd, hoe ijdel hij is. Zo hield hij bij S.'s clavecymbelconcert een Ricercare van Giovanni Gabrieli voor een Pavane van William Byrd. Dat kwam natuurlijk gewoon doordat hij het programma verkeerd had gelezen. Maar hij putte zich uit in andere verklaringen. Hij trok wijdlopige parallellen tussen de archaïsche stijl van Gabrieli en die van Byrd, beweerde gedacht te hebben ‘wat zijn die Gabrieli en die Byrd aan elkaar verwant’, hoewel, aan de andere kant moest je toegeven dat de muziek van Byrd de Engelse mist en melancholie ademt, terwijl Gabrieli... enz. enz., hij kon er niet over ophouden omdat hij vermoedelijk wel voelde dat er met scepsis naar hem geluisterd werd. Ilse luistert in zulke gevallen helemaal niet en zegt ten slotte ‘Alvertus!’ Ilse vindt trouwens dat ik in dit opzicht op vader lijk. Het zal wel waar zijn.
donderdag 17 september 2026
Jeanne Meeter Endt • 19 september 1944
• Jeanne Meeter-Endt (1880-1971) was een Nederlandse huisvrouw die ten tijde van de slag om Arnhem een dagboek bijhield.
Dinsdag, 19 September. [Oosterbeek]
De nacht was onrustig, veel lawaai. Sietske en Onno zijn om 11 uur maar weer naar beneden gehaald. ’t Dorp zit weer vol Duitsers en bij Station-Hoog schijnen ze zich te verschansen in een groot huis; ‘k vrees dat het Waldfriede is, waar de Kochs zitten of zaten. De brug bij Arnhem schijnt telkens van bezitter te wisselen en Arnhem heeft veel te lijden. Achter ons kerkje is een zwaarder kaliber-kanon bijgezet dat ons zojuist heftig verschrikt heeft, zodat we allemaal weer naar ’t trapgat vlogen. Tegen twaalven verschenen er Duitse jagers die boven ons een poosje bleven cirkelen. We waren bang voor een luchtgevecht, maar Engelsche jagers waren zoo gauw niet hier, dus bleef ’t bij kanongebulder. Op straat is ’t doodstil; alleen Engelsche soldaten komen nu en dan voorbij. Elektra is er weer; gas nog niet. Friso heeft een kookkachel van zolder gehaald, waar nu voor beide partijen samen op gekookt wordt. En het schieten gaat maar onophoudelijk door.
6 uur
De middag begon in angstige spanning. De Tommies, met wie velen nu in contact zijn, vertellen dat ze versterking zéér nodig hebben, anders houden ze ’t hier niet. Vanmiddag verwachten ze Polen. Intusschen hooren we dat Waldfriede afgebrand is, evenals verschillende andere huizen o.a. van Crayenhage, die met zijn gezin opgenomen is bij de Brevée’s. Arnhem brandt ook op verschillende plaatsen: Lombok, Klinkelbeek, Heyenoord. Of ’t huis van de Mijnlieffs nog staat? Om een uur of drie komen er troepjes losgelaten gevangenen uit de “Koepel” in Arnhem. Ze komen om kleeren en hulp vragen, en vertellen dat de gevangenis doorzeefd is met kogels; het heeft een paar bewakers ’t leven gekost; de directeur heeft de gevangenen toen losgelaten. Friso met z’n vrinden spant er zich voor om de menschen voort te helpen. Na ze van kleeren voorzien te hebben heeft hij ze over ‘t Drielsche veer gezet; hoewel de veerman riep dat het verboden was, heeft hij zelf de veerboot maar bediend. De Betuwsche boeren moeten hen maar weer verder helpen. In de lucht is ’t een poosje stil, behalve eenige Duitsche jagers op verkenning. Daar ineens, tegen half 5, komt er weer een heele troep zware 4-motorige vliegtuigen uit Engeland aanzetten. Toen ze ongeveer boven Oosterbeek Hoog waren, poef – daar lieten ze een heele bende parachutes los: rood, wit, blauw, bruin, oranje, groen – een prachtig gezicht. We konden alles duidelijk door de ramen zien; telkens weer meer, de lucht was er vol van. Zwaar kanongebulder was ’t antwoord er op – en we krompen weer inéén van schrik. Maar je went toch langzamerhand aan de helsche geluiden. Of ’t soldaten waren of munitie dat er uit de parachutes neerdaalde, konden we toen nog niet uitmaken, maar later vertelden de Tommies ons, dat er voornamelijk voorraden neerdaalden en dat er aan de kleur van de parachute te zien was, of het munitie of mondvoorraad of verbandmiddelen enz. waren. Één van de vliegtuigen werd getroffen en zagen we brandend neerkomen. Ze gooiden toch nog twee parachutes uit, waarschijnlijk de piloten. 274-2017>
Dinsdag, 19 September. [Oosterbeek]
De nacht was onrustig, veel lawaai. Sietske en Onno zijn om 11 uur maar weer naar beneden gehaald. ’t Dorp zit weer vol Duitsers en bij Station-Hoog schijnen ze zich te verschansen in een groot huis; ‘k vrees dat het Waldfriede is, waar de Kochs zitten of zaten. De brug bij Arnhem schijnt telkens van bezitter te wisselen en Arnhem heeft veel te lijden. Achter ons kerkje is een zwaarder kaliber-kanon bijgezet dat ons zojuist heftig verschrikt heeft, zodat we allemaal weer naar ’t trapgat vlogen. Tegen twaalven verschenen er Duitse jagers die boven ons een poosje bleven cirkelen. We waren bang voor een luchtgevecht, maar Engelsche jagers waren zoo gauw niet hier, dus bleef ’t bij kanongebulder. Op straat is ’t doodstil; alleen Engelsche soldaten komen nu en dan voorbij. Elektra is er weer; gas nog niet. Friso heeft een kookkachel van zolder gehaald, waar nu voor beide partijen samen op gekookt wordt. En het schieten gaat maar onophoudelijk door.
6 uur
De middag begon in angstige spanning. De Tommies, met wie velen nu in contact zijn, vertellen dat ze versterking zéér nodig hebben, anders houden ze ’t hier niet. Vanmiddag verwachten ze Polen. Intusschen hooren we dat Waldfriede afgebrand is, evenals verschillende andere huizen o.a. van Crayenhage, die met zijn gezin opgenomen is bij de Brevée’s. Arnhem brandt ook op verschillende plaatsen: Lombok, Klinkelbeek, Heyenoord. Of ’t huis van de Mijnlieffs nog staat? Om een uur of drie komen er troepjes losgelaten gevangenen uit de “Koepel” in Arnhem. Ze komen om kleeren en hulp vragen, en vertellen dat de gevangenis doorzeefd is met kogels; het heeft een paar bewakers ’t leven gekost; de directeur heeft de gevangenen toen losgelaten. Friso met z’n vrinden spant er zich voor om de menschen voort te helpen. Na ze van kleeren voorzien te hebben heeft hij ze over ‘t Drielsche veer gezet; hoewel de veerman riep dat het verboden was, heeft hij zelf de veerboot maar bediend. De Betuwsche boeren moeten hen maar weer verder helpen. In de lucht is ’t een poosje stil, behalve eenige Duitsche jagers op verkenning. Daar ineens, tegen half 5, komt er weer een heele troep zware 4-motorige vliegtuigen uit Engeland aanzetten. Toen ze ongeveer boven Oosterbeek Hoog waren, poef – daar lieten ze een heele bende parachutes los: rood, wit, blauw, bruin, oranje, groen – een prachtig gezicht. We konden alles duidelijk door de ramen zien; telkens weer meer, de lucht was er vol van. Zwaar kanongebulder was ’t antwoord er op – en we krompen weer inéén van schrik. Maar je went toch langzamerhand aan de helsche geluiden. Of ’t soldaten waren of munitie dat er uit de parachutes neerdaalde, konden we toen nog niet uitmaken, maar later vertelden de Tommies ons, dat er voornamelijk voorraden neerdaalden en dat er aan de kleur van de parachute te zien was, of het munitie of mondvoorraad of verbandmiddelen enz. waren. Één van de vliegtuigen werd getroffen en zagen we brandend neerkomen. Ze gooiden toch nog twee parachutes uit, waarschijnlijk de piloten. 274-2017>
Benoîte Groult • 18 september 1940
• Benoîte Groult (1920-2016) was een Franse schrijfster. In 1963 publiceerde ze een oorlogsdagboek, dat ze samen met haar zus Flora geschreven had: Journal à quatre mains, in het Nederlands door Nini Wielink vertaald als Dagboek voor vier handen.
18 september '40 • Je moet trouwen, al was het alleen maar om niet op je dertigste een 'oude vrijster' te zijn, maar een 'jonge vrouw'. Er bestaat maar één formulering om een man van dertig jaar aan te duiden, wat voor privé-leven hij ook heeft. Maar een vrouw wordt gekwalificeerd naar het gebruik dat ze heeft gemaakt van een man en in verhouding tot hem. Wat doe je aan zoiets ongehoords? Een man heeft maar één leven. Een vrouw heeft er drie, vol tegenstrijdigheden. De moeder wint onvermijdelijk veld ten opzichte van de vrouw, in de echtelijke betekenis, en allebei oefenen ze zware druk uit op eventuele prestaties in een beroep. Een vrouw moet zichzelf negen van de tien keer vormen door afstand te doen van een deel van zichzelf, van een deel van wat het leven haar bood. Ik weet pertinent zeker dat het huwelijk geen antwoord of oplossing is, maar ik wil het domweg graag alsof het een oplossing zou kunnen bieden voor mijn tegenstrijdigheden. Ik heb geen zin om me volledig aan mijn kinderen te wijden en toch zou ik graag kinderen willen hebben. Ik heb zin om een eigen leven en eigen werk te hebben en toch zal ik kinderen krijgen die me dat zullen beletten. Ik zou geld moeten hebben om verscheidene levens naast elkaar te kunnen leiden en volgens de kansrekening en mijn natuurlijke geneigdheid trouw ik hoogst waarschijnlijk met een arme man. Mijn toekomst is absurd en ik weet geen manier om haar harmonieus te maken. Gelukkig, gelukkig denken vrouwen niet ver vooruit!
18 september '40 • Je moet trouwen, al was het alleen maar om niet op je dertigste een 'oude vrijster' te zijn, maar een 'jonge vrouw'. Er bestaat maar één formulering om een man van dertig jaar aan te duiden, wat voor privé-leven hij ook heeft. Maar een vrouw wordt gekwalificeerd naar het gebruik dat ze heeft gemaakt van een man en in verhouding tot hem. Wat doe je aan zoiets ongehoords? Een man heeft maar één leven. Een vrouw heeft er drie, vol tegenstrijdigheden. De moeder wint onvermijdelijk veld ten opzichte van de vrouw, in de echtelijke betekenis, en allebei oefenen ze zware druk uit op eventuele prestaties in een beroep. Een vrouw moet zichzelf negen van de tien keer vormen door afstand te doen van een deel van zichzelf, van een deel van wat het leven haar bood. Ik weet pertinent zeker dat het huwelijk geen antwoord of oplossing is, maar ik wil het domweg graag alsof het een oplossing zou kunnen bieden voor mijn tegenstrijdigheden. Ik heb geen zin om me volledig aan mijn kinderen te wijden en toch zou ik graag kinderen willen hebben. Ik heb zin om een eigen leven en eigen werk te hebben en toch zal ik kinderen krijgen die me dat zullen beletten. Ik zou geld moeten hebben om verscheidene levens naast elkaar te kunnen leiden en volgens de kansrekening en mijn natuurlijke geneigdheid trouw ik hoogst waarschijnlijk met een arme man. Mijn toekomst is absurd en ik weet geen manier om haar harmonieus te maken. Gelukkig, gelukkig denken vrouwen niet ver vooruit!
woensdag 16 september 2026
Beb Vuyk • 17 september 1945
• De Nederlandse schrijfster Beb Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.
Half september 1945 • Via het Rode Kruis komen lijsten binnen met de namen van overzeese krijgsgevangenen. Bij de thee-uitdeling om vier uur worden twee vrouwen bij het kamphoofd geroepen. Ze komen huilend terug. Nu weten de anderen wat hun te wachten staat en huilen al bij de oproep. Om vijf uur moeten we ons op het voetbalveld verzamelen. Dan worden eindeloze lijsten met namen voorgelezen. Eerst van de levenden, dan van de doden. Onder die namen familieleden en kennissen. Mijn man en zoontje leven!
Eind september 1945 • We krijgen een persbericht in stencilvorm, en er komen Rode-Kruisbrieven uit Nederland. Behalve in berichten van 'thuis' zijn de meesten niet erg geïnteresseerd in wat er in de rest van de wereld gebeurd is en gebeurt. De kampbewoners concentreren zich voornamelijk op het eigen lot en maken zich bezorgd over de revolutionaire situatie. Ik probeer hun iets uit te leggen over de achtergrond en idealen van de Indonesische nationalisten. Sommigen zijn wel geïnteresseerd, voornamelijk mijn naaste buren, die mij goed kennen. Gisteravond was er een incident. Eén van de vrouwen, die een meter of tien verder woonde, het was de moeder van Sofietje, kwam zeggen dat het maar eens uit moest zijn! Indië behoorde aan Nederland toe en zo zou dat blijven. En toen ik haar spottend vroeg: 'Nu en tot in alle eeuwigheid,' begon ze te schelden en noemde mij een landverrader.
Half september 1945 • Via het Rode Kruis komen lijsten binnen met de namen van overzeese krijgsgevangenen. Bij de thee-uitdeling om vier uur worden twee vrouwen bij het kamphoofd geroepen. Ze komen huilend terug. Nu weten de anderen wat hun te wachten staat en huilen al bij de oproep. Om vijf uur moeten we ons op het voetbalveld verzamelen. Dan worden eindeloze lijsten met namen voorgelezen. Eerst van de levenden, dan van de doden. Onder die namen familieleden en kennissen. Mijn man en zoontje leven!
Eind september 1945 • We krijgen een persbericht in stencilvorm, en er komen Rode-Kruisbrieven uit Nederland. Behalve in berichten van 'thuis' zijn de meesten niet erg geïnteresseerd in wat er in de rest van de wereld gebeurd is en gebeurt. De kampbewoners concentreren zich voornamelijk op het eigen lot en maken zich bezorgd over de revolutionaire situatie. Ik probeer hun iets uit te leggen over de achtergrond en idealen van de Indonesische nationalisten. Sommigen zijn wel geïnteresseerd, voornamelijk mijn naaste buren, die mij goed kennen. Gisteravond was er een incident. Eén van de vrouwen, die een meter of tien verder woonde, het was de moeder van Sofietje, kwam zeggen dat het maar eens uit moest zijn! Indië behoorde aan Nederland toe en zo zou dat blijven. En toen ik haar spottend vroeg: 'Nu en tot in alle eeuwigheid,' begon ze te schelden en noemde mij een landverrader.
dinsdag 15 september 2026
Adriaan Morriën • 16 september 1986
• Adriaan Morriën (1912-2002) was een Nederlandse schrijver. In Plantage Muidergracht zijn ook dagboeknotities van hem opgenomen.
In 1986 maakte hij een vakantiereis naar Portugal. Hieronder het verslag van de vierde dag. Dag een - dag twee - dag drie - dag vier.
(Dinsdag, 16 september)
[...] Over de brug, bij de grenscontrole, moesten wij een formuliertje invullen met onze namen, adressen en geboortedatums. Terwijl Janneke de ingevulde formulieren afleverde, bleef ik in de auto zitten. Janneke kwam terug en zei dat ze ook mij wilden zien. Ik stapte uit en meldde mij. Een van de beide mannen in uniform die buiten voor het douanekantoor stonden, vroeg mij in het Frans: 'Bent u naar Portugal gekomen om te sterven?' Ik keek hem een beetje verbluft aan. Ik begreep zijn vraag niet. Maakte hij een grapje? De mannen stonden er gemoedelijk bij en lachten. Was het een toespeling op het gezegde over Napels? Of was de man verwonderd over het verschil in leeftijd tussen Janneke en mij, gezien onze geboortedatums? Ik antwoordde dat ik naar Portugal was gekomen om vakantie te houden. De douanier zette zijn uniformpet op, ging in de houding staan en salueerde.
Zijn vraag had mij een beetje verschrikt, merkte ik later. hoewel er uiteraard geen dag voorbijgaat dat ik mij niet van mijn leeftijd bewust ben, een besef dat mijn dagen uiteraard met een avondlijk licht overstraalt. Natuurlijk zou ook ik, net als de neerlandicus, elk ogenblik kunnen omvallen.
Vannacht werd ik om halfvier wakker. Ik had gedroomd dat ik in een Encyclopedie van de vermoeidheid had zitten bladeren. De wetenswaardigheden waren alfabetisch gerangschikt, zoals het hoort, maar van mijn lectuur kon ik mij, helaas, niets meer herinneren. Ik was wel aardig uitgerust.462-2019>
In 1986 maakte hij een vakantiereis naar Portugal. Hieronder het verslag van de vierde dag. Dag een - dag twee - dag drie - dag vier.
(Dinsdag, 16 september)
[...] Over de brug, bij de grenscontrole, moesten wij een formuliertje invullen met onze namen, adressen en geboortedatums. Terwijl Janneke de ingevulde formulieren afleverde, bleef ik in de auto zitten. Janneke kwam terug en zei dat ze ook mij wilden zien. Ik stapte uit en meldde mij. Een van de beide mannen in uniform die buiten voor het douanekantoor stonden, vroeg mij in het Frans: 'Bent u naar Portugal gekomen om te sterven?' Ik keek hem een beetje verbluft aan. Ik begreep zijn vraag niet. Maakte hij een grapje? De mannen stonden er gemoedelijk bij en lachten. Was het een toespeling op het gezegde over Napels? Of was de man verwonderd over het verschil in leeftijd tussen Janneke en mij, gezien onze geboortedatums? Ik antwoordde dat ik naar Portugal was gekomen om vakantie te houden. De douanier zette zijn uniformpet op, ging in de houding staan en salueerde.
Zijn vraag had mij een beetje verschrikt, merkte ik later. hoewel er uiteraard geen dag voorbijgaat dat ik mij niet van mijn leeftijd bewust ben, een besef dat mijn dagen uiteraard met een avondlijk licht overstraalt. Natuurlijk zou ook ik, net als de neerlandicus, elk ogenblik kunnen omvallen.
Vannacht werd ik om halfvier wakker. Ik had gedroomd dat ik in een Encyclopedie van de vermoeidheid had zitten bladeren. De wetenswaardigheden waren alfabetisch gerangschikt, zoals het hoort, maar van mijn lectuur kon ik mij, helaas, niets meer herinneren. Ik was wel aardig uitgerust.462-2019>
Abonneren op:
Posts (Atom)







