donderdag 17 september 2026

Jeanne Meeter Endt • 19 september 1944

• Jeanne Meeter-Endt (1880-1971) was een Nederlandse huisvrouw die ten tijde van de slag om Arnhem een dagboek bijhield.

Dinsdag, 19 September. [Oosterbeek]
De nacht was onrustig, veel lawaai. Sietske en Onno zijn om 11 uur maar weer naar beneden gehaald. ’t Dorp zit weer vol Duitsers en bij Station-Hoog schijnen ze zich te verschansen in een groot huis; ‘k vrees dat het Waldfriede is, waar de Kochs zitten of zaten. De brug bij Arnhem schijnt telkens van bezitter te wisselen en Arnhem heeft veel te lijden. Achter ons kerkje is een zwaarder kaliber-kanon bijgezet dat ons zojuist heftig verschrikt heeft, zodat we allemaal weer naar ’t trapgat vlogen. Tegen twaalven verschenen er Duitse jagers die boven ons een poosje bleven cirkelen. We waren bang voor een luchtgevecht, maar Engelsche jagers waren zoo gauw niet hier, dus bleef ’t bij kanongebulder. Op straat is ’t doodstil; alleen Engelsche soldaten komen nu en dan voorbij. Elektra is er weer; gas nog niet. Friso heeft een kookkachel van zolder gehaald, waar nu voor beide partijen samen op gekookt wordt. En het schieten gaat maar onophoudelijk door.

6 uur

De middag begon in angstige spanning. De Tommies, met wie velen nu in contact zijn, vertellen dat ze versterking zéér nodig hebben, anders houden ze ’t hier niet. Vanmiddag verwachten ze Polen. Intusschen hooren we dat Waldfriede afgebrand is, evenals verschillende andere huizen o.a. van Crayenhage, die met zijn gezin opgenomen is bij de Brevée’s. Arnhem brandt ook op verschillende plaatsen: Lombok, Klinkelbeek, Heyenoord. Of ’t huis van de Mijnlieffs nog staat? Om een uur of drie komen er troepjes losgelaten gevangenen uit de “Koepel” in Arnhem. Ze komen om kleeren en hulp vragen, en vertellen dat de gevangenis doorzeefd is met kogels; het heeft een paar bewakers ’t leven gekost; de directeur heeft de gevangenen toen losgelaten. Friso met z’n vrinden spant er zich voor om de menschen voort te helpen. Na ze van kleeren voorzien te hebben heeft hij ze over ‘t Drielsche veer gezet; hoewel de veerman riep dat het verboden was, heeft hij zelf de veerboot maar bediend. De Betuwsche boeren moeten hen maar weer verder helpen. In de lucht is ’t een poosje stil, behalve eenige Duitsche jagers op verkenning. Daar ineens, tegen half 5, komt er weer een heele troep zware 4-motorige vliegtuigen uit Engeland aanzetten. Toen ze ongeveer boven Oosterbeek Hoog waren, poef – daar lieten ze een heele bende parachutes los: rood, wit, blauw, bruin, oranje, groen – een prachtig gezicht. We konden alles duidelijk door de ramen zien; telkens weer meer, de lucht was er vol van. Zwaar kanongebulder was ’t antwoord er op – en we krompen weer inéén van schrik. Maar je went toch langzamerhand aan de helsche geluiden. Of ’t soldaten waren of munitie dat er uit de parachutes neerdaalde, konden we toen nog niet uitmaken, maar later vertelden de Tommies ons, dat er voornamelijk voorraden neerdaalden en dat er aan de kleur van de parachute te zien was, of het munitie of mondvoorraad of verbandmiddelen enz. waren. Één van de vliegtuigen werd getroffen en zagen we brandend neerkomen. Ze gooiden toch nog twee parachutes uit, waarschijnlijk de piloten.

Benoîte Groult • 18 september 1940

Benoîte Groult (1920-2016) was een Franse schrijfster. In 1963 publiceerde ze een oorlogsdagboek, dat ze samen met haar zus Flora geschreven had: Journal à quatre mains, in het Nederlands door Nini Wielink vertaald als Dagboek voor vier handen.

18 september '40 • Je moet trouwen, al was het alleen maar om niet op je dertigste een 'oude vrijster' te zijn, maar een 'jonge vrouw'. Er bestaat maar één formulering om een man van dertig jaar aan te duiden, wat voor privé-leven hij ook heeft. Maar een vrouw wordt gekwalificeerd naar het gebruik dat ze heeft gemaakt van een man en in verhouding tot hem. Wat doe je aan zoiets ongehoords? Een man heeft maar één leven. Een vrouw heeft er drie, vol tegenstrijdigheden. De moeder wint onvermijdelijk veld ten opzichte van de vrouw, in de echtelijke betekenis, en allebei oefenen ze zware druk uit op eventuele prestaties in een beroep. Een vrouw moet zichzelf negen van de tien keer vormen door afstand te doen van een deel van zichzelf, van een deel van wat het leven haar bood. Ik weet pertinent zeker dat het huwelijk geen antwoord of oplossing is, maar ik wil het domweg graag alsof het een oplossing zou kunnen bieden voor mijn tegenstrijdigheden. Ik heb geen zin om me volledig aan mijn kinderen te wijden en toch zou ik graag kinderen willen hebben. Ik heb zin om een eigen leven en eigen werk te hebben en toch zal ik kinderen krijgen die me dat zullen beletten. Ik zou geld moeten hebben om verscheidene levens naast elkaar te kunnen leiden en volgens de kansrekening en mijn natuurlijke geneigdheid trouw ik hoogst waarschijnlijk met een arme man. Mijn toekomst is absurd en ik weet geen manier om haar harmonieus te maken. Gelukkig, gelukkig denken vrouwen niet ver vooruit!

woensdag 16 september 2026

Beb Vuyk • 17 september 1945

• De Nederlandse schrijfster Beb Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.

Half september 1945 • Via het Rode Kruis komen lijsten binnen met de namen van overzeese krijgsgevangenen. Bij de thee-uitdeling om vier uur worden twee vrouwen bij het kamphoofd geroepen. Ze komen huilend terug. Nu weten de anderen wat hun te wachten staat en huilen al bij de oproep. Om vijf uur moeten we ons op het voetbalveld verzamelen. Dan worden eindeloze lijsten met namen voorgelezen. Eerst van de levenden, dan van de doden. Onder die namen familieleden en kennissen. Mijn man en zoontje leven!

Eind september 1945 • We krijgen een persbericht in stencilvorm, en er komen Rode-Kruisbrieven uit Nederland. Behalve in berichten van 'thuis' zijn de meesten niet erg geïnteresseerd in wat er in de rest van de wereld gebeurd is en gebeurt. De kampbewoners concentreren zich voornamelijk op het eigen lot en maken zich bezorgd over de revolutionaire situatie. Ik probeer hun iets uit te leggen over de achtergrond en idealen van de Indonesische nationalisten. Sommigen zijn wel geïnteresseerd, voornamelijk mijn naaste buren, die mij goed kennen. Gisteravond was er een incident. Eén van de vrouwen, die een meter of tien verder woonde, het was de moeder van Sofietje, kwam zeggen dat het maar eens uit moest zijn! Indië behoorde aan Nederland toe en zo zou dat blijven. En toen ik haar spottend vroeg: 'Nu en tot in alle eeuwigheid,' begon ze te schelden en noemde mij een landverrader.

dinsdag 15 september 2026

Adriaan Morriën • 16 september 1986

Adriaan Morriën (1912-2002) was een Nederlandse schrijver. In Plantage Muidergracht zijn ook dagboeknotities van hem opgenomen.
In 1986 maakte hij een vakantiereis naar Portugal. Hieronder het verslag van de vierde dag. Dag een - dag twee - dag drie - dag vier.

(Dinsdag, 16 september)
[...] Over de brug, bij de grenscontrole, moesten wij een formuliertje invullen met onze namen, adressen en geboortedatums. Terwijl Janneke de ingevulde formulieren afleverde, bleef ik in de auto zitten. Janneke kwam terug en zei dat ze ook mij wilden zien. Ik stapte uit en meldde mij. Een van de beide mannen in uniform die buiten voor het douanekantoor stonden, vroeg mij in het Frans: 'Bent u naar Portugal gekomen om te sterven?' Ik keek hem een beetje verbluft aan. Ik begreep zijn vraag niet. Maakte hij een grapje? De mannen stonden er gemoedelijk bij en lachten. Was het een toespeling op het gezegde over Napels? Of was de man verwonderd over het verschil in leeftijd tussen Janneke en mij, gezien onze geboortedatums? Ik antwoordde dat ik naar Portugal was gekomen om vakantie te houden. De douanier zette zijn uniformpet op, ging in de houding staan en salueerde.
Zijn vraag had mij een beetje verschrikt, merkte ik later. hoewel er uiteraard geen dag voorbijgaat dat ik mij niet van mijn leeftijd bewust ben, een besef dat mijn dagen uiteraard met een avondlijk licht overstraalt. Natuurlijk zou ook ik, net als de neerlandicus, elk ogenblik kunnen omvallen.
Vannacht werd ik om halfvier wakker. Ik had gedroomd dat ik in een Encyclopedie van de vermoeidheid had zitten bladeren. De wetenswaardigheden waren alfabetisch gerangschikt, zoals het hoort, maar van mijn lectuur kon ik mij, helaas, niets meer herinneren. Ik was wel aardig uitgerust.

maandag 14 september 2026

Harry Graf Kessler • 15 september 1927

Harry Graf Kessler (1868-1937) was een Duitse kunstverzamelaar, museumdirecteur, schrijver, publicist, politicus, diplomaat en pacifist. Hij hield 57 jaar lang een dagboek bij.

De arme Isadora Duncan is gisteravond in haar auto door haar eigen shawl, die in een achterwiel verstrikt geraakt was, gewurgd. Een tragische, noodlottige dood: de shawl, die een zo essentieel onderdeel was van haar danskunst, heeft haar dood bewerkt. Haar rekwisiet en slaaf heeft zich op haar gewroken. Zelden is een kunstenares met zo'n waas van tragiek omgeven geweest en door zo'n onvervreemdbaar levenslot tragisch aan haar eind gekomen: haar beide kleine kinderen zijn bij een catastrofaal auto-ongeluk om het leven gekomen, haar man Jessenin door zelfmoord aan zijn eind gekomen, zijzelf nu op deze manier door haar eigen rekwisiet, je zou bijna zeggen uit wraak, omgebracht.
Ooit aan het prille begin van haar carrière trof ik haar bij Luise Begas in Berlijn toen er sneeuw lag en het dooide. We kwamen elkaar tegen in de hal, zij kwam net aan en ik ging weg. Ik denk dat dat de eerste keer was dat ik haar zag. Ze had een wijde lila jas aan die van haar schouders tot de grond reikte, een soort habijt, en daaronder blote voeten, die weliswaar in rubberschoenen staken. Ze trok de rubberschoenen in de hal uit en liep toen tot mijn grote verbazing (dat was toen absoluut nieuw) blootsvoets de salon in.
Nadien was ze de protégé van gravin Harrach, destijds de mooiste vrouw van het Berlijnse hof en de vriendin van de uiterst preutse keizerin. Deze liet de oude Spitzemberg opdraven en vroeg haar of dat rondlopen op blote voeten van de dames niet onzedelijk was. Mevrouw Spitzemberg, die me de volgende dag over de aangelegenheid vertelde, stelde haar gerust, en zo werd een soort christelijke damesvereniging ter ondersteuning van Isadora in het leven geroepen, die floreerde tot plotseling op een dag het feit niet meer te loochenen was dat de Vestaalse maagd op zeer korte termijn een kind verwachtte; waarop de vereniging onder bliksem en donder uit elkaar spatte en Isadora Berlijn moest verlaten.
Arme Isadora! Ze heeft zich nooit helemaal weten te bevrijden van bepaalde bekrompen-pedante trekjes, hoezeer ze ook door de vrije liefde het puriteins-Amerikaanse poogde te overstijgen. En toch was ze een kunstenares. De dans, die we in zijn hedendaagse vorm als grote kunst appreciëren, en ook het Russische ballet, zou zonder haar niet denkbaar geweest zijn.

zondag 13 september 2026

Henk Romijn Meijer • 14 september 1992

Henk Romijn Meijer (1929-2008) was een Nederlandse schrijver. Nazomer in La Coutonnade.

14 sept. '92 • Je ziet ze al van een afstand, de uitpuilende, bolstaande halve garen op de heuvel naar Nadaillac, gehuld in hun zware laarzen en geoliede regenkledij, rondhangend op drie passen afstand van de gedeukte auto's waarmee ze de weg versperren - volgevreten kobolden, doorzakkend en wankel ter been, een wezenloze uitdrukking op het gezicht en vol van hun taak: het in stand houden van het evenwicht in de natuur. Ze hangen zwijgend rond in de miezerige regen, de jagers, onder hoge bomen, tot de tanden gewapend om een halfziek verregend konijntje mores te leren. Soms zijn ze broodmager en soms hebben ze haast geen mond, neus en oren, alleen een onpeilbaar soort ongeschorenheid boven op de bochel waarmee ze bij hun geboorte zijn gezegend, elk oog is bloedig doorlopen. Ze zijn van hetzelfde allooi, de jagers, vet of uitgehongerd, samengedreven door een passie om groot wild te executeren. Soms winnen ze het van een wild zwijn dat net als de mens tegen overmacht niet is opgewassen.
Hoe lang geleden is de zondag dat we tegen het eind van de middag ons dorp binnenreden en iemand ons in alle staten toeriep kom eens kijken, kom eens kijken! We lieten ons meetronen naar de erf van Alexis' boerderij waar een groepje bezwete rode hoofden in uiterste triomf handenwrijvend bijeenstond, bloedige oogjes samengeknepen, de monden grijnzend in woordeloze triomf, een bestiale, dreigende opwinding uitstralend, sigaretten draaiend op het erf, de ruggen gekeerd naar de schuur waarin ze een hert hadden opgehangen, net gevild, nog dampend van het verbrijzelde leven, glanzend als speeksel.

Buurman Roger is een jager, ik mag hem graag. Hij houdt van een net huis, een nette tuin, een smetteloos grasperk. Elke zaterdagochtend zien we Roger in een stemming van boosheid en melancholie de molshopen in ogenschouw nemen die in de loop van de week tijdens zijn afwezigheid zijn opgekomen. Zijn huis naast het onze is een weekend huis, zijn aanval vindt plaats op zaterdag of zondag. En hoe we ook roepen: laat ze toch hun gang gaan Roger, ze brengen mooi kruimig zand aan de oppervlakte, ideaal voor de composthoop, hij blijft zijn verdelgingsoorlog voeren met de grootst mogelijke vastberadenheid. Zijn streven heeft iets van het platbombarderen waaraan onze grote mogendheden nog steeds hun hart hebben verpand, in het heilig geloof dat grote macht aan almacht gelijkstaat (zelfs God meende dat voordat Hij de zaak uit de hand zag lopen). Roger de tuinier, niet de jager, besteedt zijn vrije zaterdag aan het inbrengen van het gemeenste gif in elke molshoop die zijn grasveld ontregelt en een week later blijken de mollen op allerlei gifvrije plekken te zijn opgebloeid. Een gestorven mol tref je niet aan: de dieren zijn gewoon om het gif heen gelopen.
Techniek en wetenschap staan niet stil: Roger heeft zich een apparaat aangeschaft dat eruitziet als een piepkleine buitenboordmotor en dat Anti-Rongeurs A Ultra-Son heet. Het belooft: ‘Eloigne de vos jardins et de vos cours definitivement tous les rongeurs
telsque les taupes, écureuils, mulots, rats...’ Maar wat het op batterijen van 1,5 volt lopende apparaat ook voor paniek zou zaaien onder de eekhoorns, veldmuizen en ratten die op het veldje niet voorkomen, de mollen moeten zich wonderwel voelen bij deze ultrasonische bestrijding, als op een zonnebank of in een sauna, want een week na plaatsing van de Anti-Rongeurs zijn de molshopen hoger dan ooit.
‘Misschien waren de batterijen niet goed,’ veronderstellen we bij wijze van troost. Roger lacht melancholisch. Ik zou zo graag willen dat hij de mol niet als vijand zag. Ik vertel hem dat ik eens op de weg naar Cieurac stopte om een dode mol op te rapen. Ik pakte hem op en zag nog een flauwe beweging, zoals wel voorkomt bij dieren die nog niet lang dood zijn. Ik nam de tijd om de rode neus te bekijken en de binnenstebuiten gekeerde voetjes en het bontvel waarom ze worden doodgeknuppeld en glasscherven ingejaagd enzovoort. Ik zette het dier in de aarde aan de kant van de weg, waar hij snel als de bliksem, zonder terugblik of bedankje, wegschoot, de grond in. ‘Hij was hulpeloos geworden op het hete asfalt,’ zeg ik. Het verhaal slaat niet aan bij Roger. Ik wijs Roger op de pracht van de mol en op zijn nut en wat doen een paar hoopjes zand ertoe in een grasveld dat toch nooit voor een prijs in aanmerking zal komen? Roger lacht een beetje en verdubbelt zijn aanval, een zet waarop de dieren een gezamenlijke tegenzet hebben ingestudeerd: het volgend weekend wordt Roger verrast door een ware gordelroos van molshopen, het grasveld melaats van dissidente pelsdragers en hun strooiklare aarde. Roger is razend, we zien ervan komen dat hij nog eens naar zijn jachtgeweer grijpt om zijn woede te koelen op wat hij niet naar zijn hand kan zetten.

Julien Piraña • 13 september 1975

Kees Wielemaker (1938) publiceerde in de jaargang 1975/'76 van Maatstaf onder het pseudoniem Julien Piraña een Afrika-dagboek.

Accra, 13 September 1975 • Een post- of bankbediende is gister voor 't gerecht gedaagd. Hij wordt er van beschuldigd een bedrag van ongeveer 9000 gulden te hebben ontvreemd of verduisterd. Hoe zoiets heten mag. Hij voert als verdediging aan dat het een paar maanden geleden is begonnen. Eerst raakten er kleine bedragen kwijt, van een paar gulden. Maar al gauw werden ze groter. Hij raadpleegde een ‘spiritualist’ die hem zei dat het een ‘slecht kantoor’ was. En dat er geesten aan het werk waren. ‘U weet misschien,’ zei ie tegen de rechter, ‘dat ze de gewoonte hebben om niet meer terug te geven wat ze eenmaal weggenomen hebben’. Het lottowezen is hier een van de belangrijkste bronnen, zoniet van inkomsten dan toch van uitgaven. ‘Lottodoctors’ en ‘Lottoprofessors’ laten zich fors betalen omdat zij en zij alleen weten dat deze week 't winnende lot op 328 eindigt of op 34 en ook waarom dat zo is. Al zijn er nog meer krachten aan 't werk. ‘God moves in mysterious ways’ staat er met grote letters op één van de lottokantoren. Hij hangt overal rond. ‘Trust in God’ adverteert de dichtstbije dranktent op de vrije ruimte boven 't verkoopluik en daaronder ‘Coca-cola refreshes you best’.