dinsdag 31 maart 2026

Sonja Paardekooper • 1 april 1945

• Sonja Paardekooper (1930-2009) hield als jong meisje een dagboek bij van haar tijd in het interneringskamp Ambarawa. Dat dagboek is gepubliceerd als Achter het gedek.

1 April Paaschzondag.
Pasen met heerlijk weer. Met lekker eten ( droge rijst met bruine bonen en een stukje vlees van ongeveer 40 gram, met koekjes, drie de persoon). Iedereen is blij en tevreden. Ik had de hele ochtend vrij, omdat ik van 1 tot 4 dienst had. Toen heb ik gebaad en mijn haren gewassen met een hele teil. Vandaag werkt alles mee, het weer, het water, het hout. Vanochtend was er poppekast voor de kinderen en om 1 uur kregen ze van 2 tot 12 een stukje kwetalem. 't Was zoo leuk bedacht en toch gaf zelfs dit aanleiding tot kankeren. Mevrouw van Ham vond, dat haar dochter van 14 ook wel wat mocht hebben. Flauw he? Maar 't is een echt fijne dag, want ik vergat nog, dat we ieder een eendenei krijgen, dat volgens de leiding 40 ct kost, maar dat je kunt gedekken* voor 25 ct.

3 April (Dit stuk is door mijn moeder geschreven).
Voor de vierde keer hebben we nu vorige maand mijn verjaardag en voor de vierde keer pappie's verjaardag "gevierd" zonder elkaar en verlangen naar ons gewone leven, ons huis en alle gezellige dingen wordt hoe langer hoe grooter. Ik heb eindeloos recepten overgeschreven en stel me dan voor hoe we al die heerlijkheden weer samen zullen verorberen aan een goed gedekte tafel met een smaakvol servies, tafelzilver en glazen en geen etensbakken, geen blikjes om uit te drinken en voer, dat je toebedeeld wordt, zooals 't de nip en de leiding goeddunkt. Je vraagt je dagelijks af, of 't nog weer goed kan komen en hoe alles geregeld moet worden, 't duurt zoo eindeloos lang. Maar eerst pappie weer bij ons, dan komt alles wel goed.

* het gedek was de bamboe schutting rond het kamp, waar je dingen kon ruilen met de buitenwereld.

maandag 30 maart 2026

Louis Tas (Loden Vogel) • 31 maart 1945

Louis Tas (1920-2011) publiceerde onder het pseudoniem Loden Vogel Dagboek uit een kamp, over zijn ervaringen in Bergen-Belsen. Na de oorlog werd hij een bekende Amsterdamse psychoanalyticus, die veel kunstenaars en acteurs onder zijn clientèle had. Interview.

31 maart.
Gisteren zilveren bruiloft ouders. Ik was naar Hanke geweest en had — ongelooflijk fraaie buit — een hele kuch [brood] gekregen. Het was een trieste regendag, en ondanks de kuch, en alle verzekeringen van het tegendeel, hadden we honger. Er komt nu alleen brood op dagen zonder soep, dus twee of drie keer per week. Het kwam er dus op neer dat we niet, als anderen, tekortkwamen. Hoe men daarop kan blijven werken? Gisteren viel het eerste slachtoffer van de epidemie, die daarmee officieel begonnen is. Krankzinnige prikkeldraadversperringen maken een doolhof van ons kampje. Alleen tegen de luizen (het Altersheim met name is totaal verluisd) wordt niets gedaan. (Men kan niets verlangen van mensen die zo slecht gevoed worden.) Ik was bang, nu twee collega's hier zijn komen wonen, dat het met mijn lange uitslapen afgelopen zou zijn. Gelukkig begint één van hen ook al lui te worden. De ander wordt wel ziek.
Als ik Hemingway lees meen ik onder mijn vrienden terug te zijn. Gesteld dat ik een dagboek kon schrijven, zo overwegend uit dialoog bestaande als Farewell to Arms... maar dat zou ook Hemingway, die later aan zijn eigen techniek te gronde is gegaan, niet gekund hebben.
Ik ontdekte vier weken geleden in het hemd van een verluisde patiënt, dat ik van zijn lijf geknipt en weggegooid had, een gouden speld met briljanten, een week geleden herinnerde ik mij dat, en vroeg de patiënt of hij de speld verkopen wilde. De laatste dagen was ik verwikkeld in onderhandelingen over tientallen kuchen, zonder zelf een boterham te hebben. Doordat het kamp in quarantaine is, gaat de zaak niet door, zoals ik wel gedacht had.
Luza heeft de zogenaamde Dauerliste klein gekregen, met als resultaat dat het personeel van het ziekenhuis voortaan vaak melk zal krijgen.
Ik had de urine niet kunnen ophouden, en toen ik met natte broek langs het prikkeldraad van de Häftlingen strompelde, waarachter ellendige gedaanten nog rondhobbelden of al dood neerlagen, voelde ik mij een van hen. Zo zal het ook ons gaan, misschien is exanthematicus dan nog beter.

zondag 29 maart 2026

Max de Jong • 30 maart 1948

Max de Jong (1917-1951) was een Nederlandse dichter. Zijn dagboek is in 2015 door Van Oorschot gepubliceerd.

Di 23 maart.
Marijke groette me niet en vertrok. Jaap Hijmans was nukkig en zwijgzaam, krijgt zeker een beetje tabak van me. En dan Gonnie, wou dat kamertje in dit huis eventueel wel hebben, voor korte tijd, tja, dat is nou ook een vraag. Ik heb haar naar de hospita verwezen, maar ze heeft het adres niet eens goed in zich opgenomen. En zo besteden we de tijd, die ons rest, tot Hilletje terug komt om ons hoofdpijn te bezorgen.

Vrij 26 maart.
Kwitanties Vereniging van Letterkundigen onbetaald terug gestuurd.

Za 27 maart.
Om een uur of twee wakker en gek geworden van het nieuwste: gesnurk naast me, de vader van dat flikkertje slaapt er. Zo heb ik nog nooit horen snurken. Het is of er een olifant met een psychische afwijking woont. Hij schijnt een maand te blijven. Hun huis wordt verbouwd. Zien te bereiken dat de moeder er komt te liggen, die ijlt, maar dat is altijd minder erg dan dit.

Di 30 maart.
Die snurkende vent naast me volkomen onverwacht weer afgereisd. God bestaat dus toch!

J.H. Leopold • 29 maart 1890

• De dichter J.H. Leopold (1865-1925) hield een reisdagboek bij toen hij in 1890 in Italië was.

29 Maart.
[...]
's Middags zijn we naar Buffalo Bill geweest en zijn Cowboy's en Roodhuiden. Dit maakte een sterken indruk op mij. En het zien der Roodhuiden, laatste telgen van een stam die uitstierf, maar ook de personen der veroveraars, de gespierde lichamen, de onverschillige gezichten, de krasse stukjes in het rijden, de mensch in een nauwere betrekking met bedreigende natuurmachten, met een zwaar, bedreigd leven, dat geen tijd geeft voor verfijnd genoten verweekelijking. Minder trof Buffalo Bill, op en top een romanheld, een ‘mooie man’, een gezicht geschikt om zich het leven in het verre westen zoo opgesmukt voor te stellen als in de boeken, in werkelijkheid docht het mij een reeks van eentonige dagen van zware arbeid, en nu en dan een oogenblik van doodsgevaar, niet lang, verheffend, treffend, maar kort, brutaal en beestachtig en bitter ernstig.

Simon Vinkenoog • 28 maart 1964

Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter en schrijver. In 1963/'64 hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte.

zaterdag 28 maart 1964
[de tweeëndertigste dag]
[...]
‘Ik geloof niet in God,’ Huub vanmiddag, ‘wel in 'n duivel: de zwaartekracht. Als ik op m'n hoofd ga staan, tart ik de duivel, hef ik 'm op, raak ik in 'n toestand die high genoemd wordt, dat mag je voor mijn part God noemen.’

*

Ik heb Jan H. jaren geleden gekwetst (vertelt hij me) door op te merken toen iemand 'n toeval kreeg, en languit op de grond lag: ‘Waarom zou 'n mens niet 's mogen gaan liggen?’
Ik heb het, ook toen, niet ‘kwaad’ bedoeld; intuïtief weten dat liggen goed is, vanzelfsprekend leefde ik met het slachtoffer in deze benarde situatie mee. Dat doe ik ook als ik hoor hoe met het meisje M., dat ook bij tijd en wijle afwezig is, gesold werd op 'n feestje. Ze hebben haar aan de haren door de kamers gesleept, haar met het hoofd in de bak van de w.c. gehouden, haar in een auto naar huis gebracht, bonk-bonk-bonk trap af, trap op haar met zich mee voerende.

*

Jetty onder invloed van stramonium. Als alle gewrichten, spieren, fysiologische kommunikatieschakels, ganglions, etc. (wetenschappelijke uiteenzetting binnen handbereik, nu 2) dienstweigeren. Slechts Mel hield zich in stand, een wonder.
Zijn geest wist 'n bovenmenselijke beheersing over het lichaam op te brengen, de taksichauffeur was alleen maar bang dat zij zou gaan overgeven op z'n bekleding. Ze mompelden niet-verstaanbare klanken - ik heb er meer in deze toestand gezien.
Ik durf niet eens m'n eigen stramonium-ervaringen op Ibiza, waar we gevieren het bittere, afschuwelijk bittere, plantenthee-drankje slikten, een verschrikkelijke ervaring, in te zien.

[...]

donderdag 26 maart 2026

Frederik van Eeden • 27 maart 1917

Frederik van Eeden (1860-1932) publiceerde in 1920 een soort aforismedagboek, Gedachten geheten.

dinsdag 27 maart
N.O. wind - maar wat zon. ▫ Gister het ouderwetsche ganzebord gespeeld met de kinderen.
De papoea's interesseeren mij zeer, zooals ook de menschapen mij interesseeren. Hun leeven dat al eeuwen en eeuwen zoo voortgezet is - hun kinderlijkheid, vroolijkheid en blijmoedigheid, hun kracht en handigheid - en dan hun ongevoeligheid, - wat is dat alles leerrijk en merkwaardig. Het zijn eigenlijk weezens van vóór het paradijs, of liever vóór den zondenval, want ook de schaamte kennen ze niet of nauwelijks. ▫ Daarom is ook de weetenschappelijke belangstelling in hen zoo groot.

vrijdag 30 maart
Buyig en koud. ▫ Het ging mij weer bitter slecht. Ik sprak in Rotterdam voor een groote zaal vol menschen. Maar ik had met van Vrieslant gegeeten in een duur restaurant en onder mijn reede voelde ik mij verlaten en verward. Met moeite kwam ik weer op dreef. Ik was zeer ontevreeden op mezelf. En gisteren kwam bericht dat Bertha zich niet meer beschikbaar stelt. Dus zijn we van onze vrienden afgesneeden, nog eer de twijfel geheel is vernietigd. Het is een droeve tijd. Mijn arme lieve vrouw is er zoo bedroefd onder. Ze schreide in den nacht. Het was voor haar zulk een steun. En wij weeten niet hoe we op nieuw contact zullen krijgen. ▫ Van de ‘helpers’ bemerken wij nog niets. Wat is het alles vreemd en raadselig.

woensdag 25 maart 2026

Sir Walter Scott • 26 maart 1826

• Sir Walter Scott (1771-1832) was een Schots dichter en schrijver, vooral bekend door zijn historische romans, zoals Ivanhoe. Van 1825 tot 1832 hield hij een dagboek bij.

Vertaling onderaan.

March 26.— Here is a disagreeable morning, snowing and hailing, with gleams of bright sunshine between, and all the ground white, and all the air frozen. I don't like this jumbling of weather. It is ungenial, and gives chilblains. Besides, with its whiteness, and its coldness, and its glister, and its discomfort, it resembles that most disagreeable of all things, a vain, cold, empty, beautiful woman, who has neither mind nor heart, but only features like a doll. I do not know what is so like this disagreeable day, when the sun is so bright, and yet so uninfluential, that

"One may gaze upon its beams
Till he is starved with cold."

No matter, it will serve as well as another day to finish Woodstock. Walked out to the lake, and coquetted with this disagreeable weather, whereby I catch chilblains in my fingers and cold in my head. Fed the swans.

Finished Woodstock, however, cum tota sequela of title-page, introduction, etc., and so, as Dame Fortune says in Quevedo,

"Go wheel, and may the devil drive thee."




Ongecorrigeerde vertaling doorChatGPT:
26 maart.— Hier is een onaangename ochtend, met sneeuw en hagel, afgewisseld door flitsen van felle zonneschijn, terwijl de hele grond wit is en de lucht ijzig koud. Ik houd niet van deze warboel van weer. Het is onvriendelijk en bezorgt je wintertenen. Bovendien lijkt het, met zijn witheid, zijn kilte, zijn glinstering en zijn ongemak, op het meest onaangename van alles: een ijdele, kille, lege, mooie vrouw, die noch verstand noch hart heeft, maar alleen gelaatstrekken als een pop. Ik weet niet wat zo lijkt op deze onaangename dag, waarop de zon zo fel schijnt en toch zo weinig invloed heeft, dat

"Men kan naar haar stralen staren
Tot men van de kou verhongert."

Maar goed, deze dag zal net zo geschikt zijn als elke andere om Woodstock af te maken. Ik heb een wandeling naar het meer gemaakt en geflirt met dit onaangename weer, waardoor ik wintertenen aan mijn vingers en verkoudheid in mijn hoofd heb opgelopen. De zwanen gevoerd.
Toch Woodstock voltooid, inclusief alles wat erbij hoort — titelpagina, inleiding, enzovoort — en dus, zoals Vrouwe Fortuna zegt bij Quevedo:

"Draai maar rond, en moge de duivel je voortdrijven."