• Lady Dorothy Katherine Barclay Kennard verbleef in de jaren 1915-1917 in Roemenië en schreef over die periode een
dagboek.
Vertaling onderaan.
July 1916. — A month has passed and we are
still here, still neutral, still on tenterhooks.
There is no news from Russia, but troops are
said to have crossed the Danube.
All the ladies have been requested to report
themselves at the Headquarters of the Rou-
manian Red Cross. We Englishwomen can
go and work where we like, and I have offered
myself to one of the big military hospitals.
I was asked whether I had ever done any
nursing, and was obliged to give a negative
reply. But I was told that it "did not
matter," my hands would be useful. I work
there feverishly every day trying to accumu-
late as much knowledge and nursing informa-
tion as is possible. Nurses are even more
completely non-existent than I had realised.
There is not a woman in the place who knows
the first principles of hospital training such
as we have in England, and I feel just as com-
petent as are any of the others to use lavish
quantities of disinfectants and to do exactly
as I am told. The doctor who is to be my
immediate chief is a very clever man; he
knows how to teach me my job, and now it is
only a question of time.
The days fly past. Each evening the conflagration seems inevitable within the next
twenty-four hours, every morning sees us
sunk in apathy and summer stupor. And the
heat is indescribable. We avoid meeting peo-
ple ; where 's the use ? They know now more
than we do ourselves, and talking about the
situation only aggravates the tension. 307-2015>
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.
Juli 1916. — Er is een maand verstreken en we zijn nog altijd hier: nog steeds neutraal, nog steeds in gespannen afwachting. Uit Rusland komt geen nieuws, maar naar verluidt zijn er troepen de Donau overgestoken.
Alle dames zijn verzocht zich te melden bij het hoofdkwartier van het Roemeense Rode Kruis. Wij, Engelse vrouwen, mogen zelf kiezen waar we willen werken, en ik heb mij aangemeld bij een van de grote militaire ziekenhuizen. Mij werd gevraagd of ik ooit verpleegwerk had gedaan, waarop ik noodgedwongen ontkennend moest antwoorden. Maar men verzekerde mij dat dit „niet uitmaakte”; mijn handen zouden hoe dan ook van nut zijn.
Sindsdien werk ik er elke dag met grote ijver, in een poging zoveel mogelijk kennis en ervaring in de verpleging op te doen. Er blijken nog veel minder verpleegsters te zijn dan ik mij had voorgesteld. Er is geen enkele vrouw in het ziekenhuis die ook maar de eerste beginselen van een verpleegkundige opleiding kent, zoals wij die in Engeland hebben. Ik voel mij dan ook minstens zo bekwaam als ieder ander om overvloedig gebruik te maken van ontsmettingsmiddelen en verder precies te doen wat mij wordt opgedragen.
De arts onder wie ik rechtstreeks zal werken, is een bijzonder bekwaam man. Hij weet mij goed in mijn taak in te wijden; vanaf nu is het eigenlijk alleen nog een kwestie van tijd.
De dagen vliegen voorbij. Elke avond lijkt het onvermijdelijk dat de vlam binnen vierentwintig uur in de pan zal slaan; iedere ochtend verzinken we opnieuw in apathie en de loomheid van de zomer. En de hitte is onbeschrijfelijk. We vermijden het om mensen te ontmoeten; wat heeft het voor zin? Zij weten nu evenveel als wijzelf, en praten over de situatie maakt de spanning alleen maar groter.