20 April 1934. - Vandaag aan mijn broer in Holland geschreven, dat hij daar als het enigszins kan, maar liever voorlopig moet blijven, zelfs al zijn zijn inkomsten nu feitelijk onvoldoende. Het voornaamste is, dat hij er de gelegenheid heeft zich de westerse wetenschap in het land zelf eigen te maken. In drie maanden tijds kan hij er méér van de Europese samenleving leren begrijpen dan uit alle schoolboekjes, die je hier in de loop van een tiental jaren moet verwerken, — tenminste, als hij zijn ogen goed gebruikt en zijn hart wijd open houdt. Vooral dit laatste is een voorwaarde, want velen van ons komen in Europa met de vaste wil om alles wat westers is te veroordelen en dat gelukt hun meestal heel gemakkelijk. Kort geleden sprak ik nog iemand, een Mr in de Rechten, die het had klaargespeeld om in de ruim vier jaren studietijd, die hij in Holland had doorgebracht, zijn vooroordelen, zijn antipathie, ja, zijn fanatieke haat tegen alles wat westers en Europees is, nog te versterken. Deze houding is betreurenswaardig, want alleen in verband met de samenleving, die haar voortgebracht en gevoed heeft, is het mogelijk de zin van de westerse wetenschap te begrijpen. Dan leert men dat streng gedisciplineerde denken, het rationalisme, zien als een noodzakelijk iets om de veel ingewikkelder en aan verscheidenheid rijker samenleving te ontwarren en in stand te houden. Toen ik voor het eerst in Londen was, voelde ik mij bijna als een kannibaal. Wat een tempo, wat een techniek, wat een menselijk kunnen! In één ogenblik wordt je daar de zin van de wetenschap duidelijk: dit alles is zonder wetenschap eenvoudig niet denkbaar. Daarom geloof ik, dat het ontbreken van wetenschappelijk leven en werkelijke wetenschappelijke interesse bij onze intellectuelen hier in Indonesia niet in de eerste plaats is te wijten aan gemis aan capaciteit, gebrek aan karakter of morele lacunes, maar meer aan het nog niet in voldoende mate aanwezig zijn van de nodige prikkels in onze voorlopig nog zoveel eenvoudiger maatschappij. Voor de meeste van onze ‘titelhouders’ - ik gebruik dit woord in plaats van ‘intellectuelen’, omdat hier immers het criterium niet zozeer is het intellectuele leven als wel de schoolopleiding - blijft het begrip wetenschap een pak, geen innerlijke verworvenheid. Voor hen blijft de wetenschap een dood ding, niet een levend, zich ontwikkelend wezen, dat voortdurend gevoed en onderhouden moet worden. Het is niet hun schuld, vooral niet, wanneer zij niet de gelegenheid hebben gehad kennis met die wetenschap te maken, als levend begrip, in Europa zelf. Overigens weet ik bij ondervinding, dat goed studeren voor ons in Holland niet zo gemakkelijk is. Klimaat en samenleving daar kunnen zeer enerverend op ons werken. Het leven achter muren in bedompte kamers, het rusteloze in de samenleving, alles werkt extra op ons in. Er zijn talentvolle jongelui onder de Indonesische studenten geweest, die mislukt zijn alleen, omdat ze daartegen niet opgewassen waren, die in rusteloosheid al hun energie verspilden en zelfs hun lichaam daardoor te gronde richtten. Ik heb mijn broer hierop gewezen en hem gezegd, dat op een goede manier studeren tegelijk karaktervormend is: er is zelfbeperking, zelfdiscipline voor nodig. Verder heb ik hem aangeraden aandacht te wijden aan het culturele leven in Europa, vooral aan de literatuur. Behalve een betere kijk op het leven en de gedachtenwereld van den westersen mens zal het hem ook de ogen openen voor de levensproblemen die er daar bestaan, voor de veelvormigheid en ingewikkeldheid van het leven daar. Ook sociale en politieke problemen zal hij er op een gemakkelijker en interessanter manier door leren kennen. Tegelijk heb ik M. geschreven hem zoveel mogelijk daarbij te helpen. Dat hij zulke leiding nog nodig heeft is niets bijzonders: onze zogenaamde intellectuelen zijn op dit gebied over het algemeen nog analphabeten! Men leest niet, buiten zijn vakliteratuur en zijn krant en soms nog wat ontspanningslectuur. In de gehele boekerij van Hafil bijvoorbeeld is maar één roman aanwezig, waarover hij zich nota bene verontschuldigde met de opmerking, dat hij die cadeau gekregen had. En Hafil behoort toch zonder twijfel tot de spits van onze Europees-gevormde intellectuelen. Hiermee is feitelijk ook al alles gezegd over de stand van onze eigen literatuur. Er zijn zelfs nog geen intellectuelen in dit land, die schrijven. Er is geen literatuur, noch in het Maleis, noch in een van de vele andere talen die er zijn. Er wordt natuurlijk wel geschreven, en niet weinig zelfs. Er is een Instituut voor Volkslectuur, het geeft boekjes uit voor de massa, meestal vertalingen, ook wel oorspronkelijke geschriften, maar literatuur is dat nog niet. Wij zijn pas zo ver, dat men verhalen schrijft. Men is hier - de weinige uitzonderingen natuurlijk niet te na gesproken - totaal onbekend met het bestaan van een Europese, van een wereldliteratuur en men bestudeert ze dus ook niet. Vandaar dat bijvoorbeeld de pogingen van een paar jonge nationalisten om de schone letteren te bedrijven, al worden zij als renaissance aangekondigd, op het ogenblik nog niet de aandacht waard blijken. Het peil is er nog te laag voor; er is zelfs geen gedachte, geen vorm, geen klank, en wat het ergste is: niet genoeg ernst en eerlijkheid. Er is alleen nog onsmakelijk maakwerk, dat met veel reclame wordt aangekondigd. En zonder romanliteratuur ook geen bekentenissen van levensvraagstukken en daardoor ook weer gebrek aan levenskennis bij ons. Een H.B.S.-abituriënt, een jongen van misschien 17, 18 jaar in Europa, weet soms meer van het leven dan onze intellectuelen, studenten of afgestudeerden!
zondag 19 april 2026
Soetan Sjahrir • 20 april 1934
• Soetan Sjahrir (1909-1966), was een Indonesisch politicus en de eerste premier van dat land. Hij speelde een grote rol in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. In 1934 werd hij gearresteerd. Hij doet verslag van zijn gevangenschap en verbanning in een dagboek, dat is gepubliceerd als Indonesische overpeinzingen.
20 April 1934. - Vandaag aan mijn broer in Holland geschreven, dat hij daar als het enigszins kan, maar liever voorlopig moet blijven, zelfs al zijn zijn inkomsten nu feitelijk onvoldoende. Het voornaamste is, dat hij er de gelegenheid heeft zich de westerse wetenschap in het land zelf eigen te maken. In drie maanden tijds kan hij er méér van de Europese samenleving leren begrijpen dan uit alle schoolboekjes, die je hier in de loop van een tiental jaren moet verwerken, — tenminste, als hij zijn ogen goed gebruikt en zijn hart wijd open houdt. Vooral dit laatste is een voorwaarde, want velen van ons komen in Europa met de vaste wil om alles wat westers is te veroordelen en dat gelukt hun meestal heel gemakkelijk. Kort geleden sprak ik nog iemand, een Mr in de Rechten, die het had klaargespeeld om in de ruim vier jaren studietijd, die hij in Holland had doorgebracht, zijn vooroordelen, zijn antipathie, ja, zijn fanatieke haat tegen alles wat westers en Europees is, nog te versterken. Deze houding is betreurenswaardig, want alleen in verband met de samenleving, die haar voortgebracht en gevoed heeft, is het mogelijk de zin van de westerse wetenschap te begrijpen. Dan leert men dat streng gedisciplineerde denken, het rationalisme, zien als een noodzakelijk iets om de veel ingewikkelder en aan verscheidenheid rijker samenleving te ontwarren en in stand te houden. Toen ik voor het eerst in Londen was, voelde ik mij bijna als een kannibaal. Wat een tempo, wat een techniek, wat een menselijk kunnen! In één ogenblik wordt je daar de zin van de wetenschap duidelijk: dit alles is zonder wetenschap eenvoudig niet denkbaar. Daarom geloof ik, dat het ontbreken van wetenschappelijk leven en werkelijke wetenschappelijke interesse bij onze intellectuelen hier in Indonesia niet in de eerste plaats is te wijten aan gemis aan capaciteit, gebrek aan karakter of morele lacunes, maar meer aan het nog niet in voldoende mate aanwezig zijn van de nodige prikkels in onze voorlopig nog zoveel eenvoudiger maatschappij. Voor de meeste van onze ‘titelhouders’ - ik gebruik dit woord in plaats van ‘intellectuelen’, omdat hier immers het criterium niet zozeer is het intellectuele leven als wel de schoolopleiding - blijft het begrip wetenschap een pak, geen innerlijke verworvenheid. Voor hen blijft de wetenschap een dood ding, niet een levend, zich ontwikkelend wezen, dat voortdurend gevoed en onderhouden moet worden. Het is niet hun schuld, vooral niet, wanneer zij niet de gelegenheid hebben gehad kennis met die wetenschap te maken, als levend begrip, in Europa zelf. Overigens weet ik bij ondervinding, dat goed studeren voor ons in Holland niet zo gemakkelijk is. Klimaat en samenleving daar kunnen zeer enerverend op ons werken. Het leven achter muren in bedompte kamers, het rusteloze in de samenleving, alles werkt extra op ons in. Er zijn talentvolle jongelui onder de Indonesische studenten geweest, die mislukt zijn alleen, omdat ze daartegen niet opgewassen waren, die in rusteloosheid al hun energie verspilden en zelfs hun lichaam daardoor te gronde richtten. Ik heb mijn broer hierop gewezen en hem gezegd, dat op een goede manier studeren tegelijk karaktervormend is: er is zelfbeperking, zelfdiscipline voor nodig. Verder heb ik hem aangeraden aandacht te wijden aan het culturele leven in Europa, vooral aan de literatuur. Behalve een betere kijk op het leven en de gedachtenwereld van den westersen mens zal het hem ook de ogen openen voor de levensproblemen die er daar bestaan, voor de veelvormigheid en ingewikkeldheid van het leven daar. Ook sociale en politieke problemen zal hij er op een gemakkelijker en interessanter manier door leren kennen. Tegelijk heb ik M. geschreven hem zoveel mogelijk daarbij te helpen. Dat hij zulke leiding nog nodig heeft is niets bijzonders: onze zogenaamde intellectuelen zijn op dit gebied over het algemeen nog analphabeten! Men leest niet, buiten zijn vakliteratuur en zijn krant en soms nog wat ontspanningslectuur. In de gehele boekerij van Hafil bijvoorbeeld is maar één roman aanwezig, waarover hij zich nota bene verontschuldigde met de opmerking, dat hij die cadeau gekregen had. En Hafil behoort toch zonder twijfel tot de spits van onze Europees-gevormde intellectuelen. Hiermee is feitelijk ook al alles gezegd over de stand van onze eigen literatuur. Er zijn zelfs nog geen intellectuelen in dit land, die schrijven. Er is geen literatuur, noch in het Maleis, noch in een van de vele andere talen die er zijn. Er wordt natuurlijk wel geschreven, en niet weinig zelfs. Er is een Instituut voor Volkslectuur, het geeft boekjes uit voor de massa, meestal vertalingen, ook wel oorspronkelijke geschriften, maar literatuur is dat nog niet. Wij zijn pas zo ver, dat men verhalen schrijft. Men is hier - de weinige uitzonderingen natuurlijk niet te na gesproken - totaal onbekend met het bestaan van een Europese, van een wereldliteratuur en men bestudeert ze dus ook niet. Vandaar dat bijvoorbeeld de pogingen van een paar jonge nationalisten om de schone letteren te bedrijven, al worden zij als renaissance aangekondigd, op het ogenblik nog niet de aandacht waard blijken. Het peil is er nog te laag voor; er is zelfs geen gedachte, geen vorm, geen klank, en wat het ergste is: niet genoeg ernst en eerlijkheid. Er is alleen nog onsmakelijk maakwerk, dat met veel reclame wordt aangekondigd. En zonder romanliteratuur ook geen bekentenissen van levensvraagstukken en daardoor ook weer gebrek aan levenskennis bij ons. Een H.B.S.-abituriënt, een jongen van misschien 17, 18 jaar in Europa, weet soms meer van het leven dan onze intellectuelen, studenten of afgestudeerden!
20 April 1934. - Vandaag aan mijn broer in Holland geschreven, dat hij daar als het enigszins kan, maar liever voorlopig moet blijven, zelfs al zijn zijn inkomsten nu feitelijk onvoldoende. Het voornaamste is, dat hij er de gelegenheid heeft zich de westerse wetenschap in het land zelf eigen te maken. In drie maanden tijds kan hij er méér van de Europese samenleving leren begrijpen dan uit alle schoolboekjes, die je hier in de loop van een tiental jaren moet verwerken, — tenminste, als hij zijn ogen goed gebruikt en zijn hart wijd open houdt. Vooral dit laatste is een voorwaarde, want velen van ons komen in Europa met de vaste wil om alles wat westers is te veroordelen en dat gelukt hun meestal heel gemakkelijk. Kort geleden sprak ik nog iemand, een Mr in de Rechten, die het had klaargespeeld om in de ruim vier jaren studietijd, die hij in Holland had doorgebracht, zijn vooroordelen, zijn antipathie, ja, zijn fanatieke haat tegen alles wat westers en Europees is, nog te versterken. Deze houding is betreurenswaardig, want alleen in verband met de samenleving, die haar voortgebracht en gevoed heeft, is het mogelijk de zin van de westerse wetenschap te begrijpen. Dan leert men dat streng gedisciplineerde denken, het rationalisme, zien als een noodzakelijk iets om de veel ingewikkelder en aan verscheidenheid rijker samenleving te ontwarren en in stand te houden. Toen ik voor het eerst in Londen was, voelde ik mij bijna als een kannibaal. Wat een tempo, wat een techniek, wat een menselijk kunnen! In één ogenblik wordt je daar de zin van de wetenschap duidelijk: dit alles is zonder wetenschap eenvoudig niet denkbaar. Daarom geloof ik, dat het ontbreken van wetenschappelijk leven en werkelijke wetenschappelijke interesse bij onze intellectuelen hier in Indonesia niet in de eerste plaats is te wijten aan gemis aan capaciteit, gebrek aan karakter of morele lacunes, maar meer aan het nog niet in voldoende mate aanwezig zijn van de nodige prikkels in onze voorlopig nog zoveel eenvoudiger maatschappij. Voor de meeste van onze ‘titelhouders’ - ik gebruik dit woord in plaats van ‘intellectuelen’, omdat hier immers het criterium niet zozeer is het intellectuele leven als wel de schoolopleiding - blijft het begrip wetenschap een pak, geen innerlijke verworvenheid. Voor hen blijft de wetenschap een dood ding, niet een levend, zich ontwikkelend wezen, dat voortdurend gevoed en onderhouden moet worden. Het is niet hun schuld, vooral niet, wanneer zij niet de gelegenheid hebben gehad kennis met die wetenschap te maken, als levend begrip, in Europa zelf. Overigens weet ik bij ondervinding, dat goed studeren voor ons in Holland niet zo gemakkelijk is. Klimaat en samenleving daar kunnen zeer enerverend op ons werken. Het leven achter muren in bedompte kamers, het rusteloze in de samenleving, alles werkt extra op ons in. Er zijn talentvolle jongelui onder de Indonesische studenten geweest, die mislukt zijn alleen, omdat ze daartegen niet opgewassen waren, die in rusteloosheid al hun energie verspilden en zelfs hun lichaam daardoor te gronde richtten. Ik heb mijn broer hierop gewezen en hem gezegd, dat op een goede manier studeren tegelijk karaktervormend is: er is zelfbeperking, zelfdiscipline voor nodig. Verder heb ik hem aangeraden aandacht te wijden aan het culturele leven in Europa, vooral aan de literatuur. Behalve een betere kijk op het leven en de gedachtenwereld van den westersen mens zal het hem ook de ogen openen voor de levensproblemen die er daar bestaan, voor de veelvormigheid en ingewikkeldheid van het leven daar. Ook sociale en politieke problemen zal hij er op een gemakkelijker en interessanter manier door leren kennen. Tegelijk heb ik M. geschreven hem zoveel mogelijk daarbij te helpen. Dat hij zulke leiding nog nodig heeft is niets bijzonders: onze zogenaamde intellectuelen zijn op dit gebied over het algemeen nog analphabeten! Men leest niet, buiten zijn vakliteratuur en zijn krant en soms nog wat ontspanningslectuur. In de gehele boekerij van Hafil bijvoorbeeld is maar één roman aanwezig, waarover hij zich nota bene verontschuldigde met de opmerking, dat hij die cadeau gekregen had. En Hafil behoort toch zonder twijfel tot de spits van onze Europees-gevormde intellectuelen. Hiermee is feitelijk ook al alles gezegd over de stand van onze eigen literatuur. Er zijn zelfs nog geen intellectuelen in dit land, die schrijven. Er is geen literatuur, noch in het Maleis, noch in een van de vele andere talen die er zijn. Er wordt natuurlijk wel geschreven, en niet weinig zelfs. Er is een Instituut voor Volkslectuur, het geeft boekjes uit voor de massa, meestal vertalingen, ook wel oorspronkelijke geschriften, maar literatuur is dat nog niet. Wij zijn pas zo ver, dat men verhalen schrijft. Men is hier - de weinige uitzonderingen natuurlijk niet te na gesproken - totaal onbekend met het bestaan van een Europese, van een wereldliteratuur en men bestudeert ze dus ook niet. Vandaar dat bijvoorbeeld de pogingen van een paar jonge nationalisten om de schone letteren te bedrijven, al worden zij als renaissance aangekondigd, op het ogenblik nog niet de aandacht waard blijken. Het peil is er nog te laag voor; er is zelfs geen gedachte, geen vorm, geen klank, en wat het ergste is: niet genoeg ernst en eerlijkheid. Er is alleen nog onsmakelijk maakwerk, dat met veel reclame wordt aangekondigd. En zonder romanliteratuur ook geen bekentenissen van levensvraagstukken en daardoor ook weer gebrek aan levenskennis bij ons. Een H.B.S.-abituriënt, een jongen van misschien 17, 18 jaar in Europa, weet soms meer van het leven dan onze intellectuelen, studenten of afgestudeerden!
Mina Kruseman • 19 april 1873
• Mina Kruseman (1839-1922) was een Nederlandse feministe, voordrachtskunstenares, schrijfster, actrice en zangeres. Mijn leven is een bundeling van haar brieven. In de onderstaande brief aan een onbekende mevrouw beklaagt ze zich over haar uitgever.
Mevrouw ***.
Groningen, 19 April 1873.
In Assen hebben wij schik gehad; daar hebben wij dadelijk een open rijtuigje besteld om een toertje te maken en de beelderige environs eens te gaan zien, die wij aankomende reeds bewonderd hadden. Wij zaten nog aan ons beefsteakje, toen men ons zeggen kwam dat ons rijtuigje er was. Een flinke jan-pleizier voor negen personen!! - En dáár moesten wij met ons beidjes de stad eens mee doortoeren! Betsy wist geen raad, ik amuseerde mij dol! Juist toen ik den trap afkwam, vond ik beneden een heer staan met eenige paperassen onder den arm, hij keek mij aan, ik keek hem aan, tegelijkertijd noemden wij elkanders namen; en zonder veel complimenten inviteerde ik ons correspondentie-vriendje B. om mee te toeren en nam hij de invitatie aan, tot groote verbazing van B.P. die, achteraan komende, mij daar in eens met een cavalier vond, en den hemel dankte dat wij niet zoo alleen behoefden te toeren!
In Assen, Groningen en hier heb ik énorm veel succès gehad, hier heeft men mij zelfs terug geroepen. Welk een vertooning, voor een lezing!
Met Nijhoff lig ik franchement overhoop; dat monster beweert dat hij mijn 100 ex. wel naar mijn zin wil drukken, maar dat zijn 500 die voor den handel bestemd zijn, gedrukt zullen worden zoo als hij het verlangt.
't Mannetje vergeet dat ik hem in mijn macht heb, of hij begrijpt 't niet, hetgeen nog veel erger voor hem is. Nu heeft hij Vosmaer in den arm genomen om mij te temmen, als 't mogelijk is! Hij weet dat ik van Vosmaer meer verdraag dan van de andere leden dier Spectator-club, omdat Vosmaer een man van talent is, en ik dien juge ['rechter'] alleen het recht van oordeelen heb toegekend. Maar hier vallen mijnheer's berekeningen toch in 't water, want als mijn opinie tegenover die van een ander staat, houd ik de mijne natuurlijk vol, zooals die andere de zijne volhoudt, en moet in dit geval mijn haan koning kraaien, omdat 't hier mijn werk geldt en niet dat van een ander! Enfin, ik ben benieuwd te zien hoe die oorlog af zal loopen. Ik heb besloten vol te houden ten einde toe, en mijn werk in de wereld te brengen zoo als ik het gedacht heb. Mina.
Mevrouw ***.
Groningen, 19 April 1873.
In Assen hebben wij schik gehad; daar hebben wij dadelijk een open rijtuigje besteld om een toertje te maken en de beelderige environs eens te gaan zien, die wij aankomende reeds bewonderd hadden. Wij zaten nog aan ons beefsteakje, toen men ons zeggen kwam dat ons rijtuigje er was. Een flinke jan-pleizier voor negen personen!! - En dáár moesten wij met ons beidjes de stad eens mee doortoeren! Betsy wist geen raad, ik amuseerde mij dol! Juist toen ik den trap afkwam, vond ik beneden een heer staan met eenige paperassen onder den arm, hij keek mij aan, ik keek hem aan, tegelijkertijd noemden wij elkanders namen; en zonder veel complimenten inviteerde ik ons correspondentie-vriendje B. om mee te toeren en nam hij de invitatie aan, tot groote verbazing van B.P. die, achteraan komende, mij daar in eens met een cavalier vond, en den hemel dankte dat wij niet zoo alleen behoefden te toeren!
In Assen, Groningen en hier heb ik énorm veel succès gehad, hier heeft men mij zelfs terug geroepen. Welk een vertooning, voor een lezing!
Met Nijhoff lig ik franchement overhoop; dat monster beweert dat hij mijn 100 ex. wel naar mijn zin wil drukken, maar dat zijn 500 die voor den handel bestemd zijn, gedrukt zullen worden zoo als hij het verlangt.
't Mannetje vergeet dat ik hem in mijn macht heb, of hij begrijpt 't niet, hetgeen nog veel erger voor hem is. Nu heeft hij Vosmaer in den arm genomen om mij te temmen, als 't mogelijk is! Hij weet dat ik van Vosmaer meer verdraag dan van de andere leden dier Spectator-club, omdat Vosmaer een man van talent is, en ik dien juge ['rechter'] alleen het recht van oordeelen heb toegekend. Maar hier vallen mijnheer's berekeningen toch in 't water, want als mijn opinie tegenover die van een ander staat, houd ik de mijne natuurlijk vol, zooals die andere de zijne volhoudt, en moet in dit geval mijn haan koning kraaien, omdat 't hier mijn werk geldt en niet dat van een ander! Enfin, ik ben benieuwd te zien hoe die oorlog af zal loopen. Ik heb besloten vol te houden ten einde toe, en mijn werk in de wereld te brengen zoo als ik het gedacht heb. Mina.
A.F.Th. van der Heijden • 18 april 1986
• A.F.Th. van der Heijden (1951) is een Nederlandse schrijver. In Engelenplaque. Notities van alledag publiceerde hij dagboekfragmenten uit de periode 1966-2003.
Vrijdag 18 april 1986
Literatuur en geld – dat is een merkwaardig tweetal. Wat een schrijver ook verdient, het staat nooit, tenzij toevallig, in enige verhouding tot de geleverde prestatie. Het is meestal onevenredig weinig (een dubbeltje per werkuur, als je het zou uitrekenen), een doodenkele keer buiten proportie (in het geval van een onopzettelijk geschreven bestseller die tientallen jaren de persen in beweging blijft houden) en zelden – alweer: alleen bij toeval – redelijk. De schrijver van boeken blijft met het gevoel zitten dat werk en inkomen volledig langs elkaar heen gaan, niets met elkaar uitstaande hebben, behalve misschien waar het de verwervingskosten betreft. Dit kan leiden tot extreme gierigheid, maar ook, en dat is dan iets wat dichter bij mijn eigen ervaring ligt, tot spilzucht. Immers – en dan heb ik het over de spilzucht – anders dan mensen met een vast salaris hoeft een schrijver, wanneer er een honderdje over de toonbank gaat, nooit te verzuchten: ‘Daar heb ik nu een hele dag (of ochtend) voor moeten ploeteren.’ Hij weet eenvoudig niet hoe lang hij daarvoor heeft moeten ploeteren. Sterker, met zijn geploeter heeft dat honderdje niets te maken.
Ieder moet maar voor zichzelf uitmaken of een dergelijke (persoonlijke) ‘geldontwaarding’ in z’n voor- of in z’n nadeel werkt. Mij althans geeft het een gevoel van vrijheid, zij het een wat rillerig gevoel van vrijheid.
[...]285-2017>
Vrijdag 18 april 1986
Literatuur en geld – dat is een merkwaardig tweetal. Wat een schrijver ook verdient, het staat nooit, tenzij toevallig, in enige verhouding tot de geleverde prestatie. Het is meestal onevenredig weinig (een dubbeltje per werkuur, als je het zou uitrekenen), een doodenkele keer buiten proportie (in het geval van een onopzettelijk geschreven bestseller die tientallen jaren de persen in beweging blijft houden) en zelden – alweer: alleen bij toeval – redelijk. De schrijver van boeken blijft met het gevoel zitten dat werk en inkomen volledig langs elkaar heen gaan, niets met elkaar uitstaande hebben, behalve misschien waar het de verwervingskosten betreft. Dit kan leiden tot extreme gierigheid, maar ook, en dat is dan iets wat dichter bij mijn eigen ervaring ligt, tot spilzucht. Immers – en dan heb ik het over de spilzucht – anders dan mensen met een vast salaris hoeft een schrijver, wanneer er een honderdje over de toonbank gaat, nooit te verzuchten: ‘Daar heb ik nu een hele dag (of ochtend) voor moeten ploeteren.’ Hij weet eenvoudig niet hoe lang hij daarvoor heeft moeten ploeteren. Sterker, met zijn geploeter heeft dat honderdje niets te maken.
Ieder moet maar voor zichzelf uitmaken of een dergelijke (persoonlijke) ‘geldontwaarding’ in z’n voor- of in z’n nadeel werkt. Mij althans geeft het een gevoel van vrijheid, zij het een wat rillerig gevoel van vrijheid.
[...]285-2017>
donderdag 16 april 2026
Rutger Kopland • 17 april 1996
• Rutger Kopland (1934-2012) was een Nederlandse dichter en hoogleraar. In 1996 gaf hij na zijn emeritaat colleges over poëzie in enige Oost-Europese landen. Hij hield over die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jonge sla in het Oosten. Het onderstaande fragment beschrijft de eerste dag van de reis naar Boedapest en Bratislava.
17 april 1996
Op twee kilometer hemelsbreed van ons huis stijgen we op. Het is een beetje mistig, windstil lenteweer. Nederland ligt er keurig bij. Afgezien van wat kromme riviertjes en wat rommelige stukjes 'natuur'—wanneer ruimen ze die nu eens op - is ons land geheel in vierkanten en rechthoeken opgedeeld. Hoeken van negentig graden zijn de mooiste. Het vliegtuigje vliegt laag, en de wereld is zo mooi plat en vlak dat ik onze schaduw zie meegaan over de aarde. Voor de landing zie ik tot mijn geruststelling dat onze wieltjes zijn uitgeklapt. Alles is onder controle.
Op Schiphol begint altijd dat licht eufore gevoel van vervreemding. Al die mensen met die gezichten, die benen die allemaal een andere kant op lopen, al die rare namen die naar informatiedesks worden geroepen, zouden wij ook van die mensen zijn, die daar lopen, dat gevoel. Onze Malev staat eindeloos ver weg, een kwartiertje over transportbanden. In het grote vliegtuig zit een handjevol mensen. Tja, wat moetje daar ook in Midden-Europa?
Maar een paar uur later zitten we gewoon waar we zitten, op een terrasje in Boedapest met Birgit Lijmbach, een Groningse docente Nederlands, voor een jaar werkzaam in het instituut waar ik het over poëzie zal gaan hebben. Groningen, ach, het is in een paar uur tijd al helemaal weg. Het is aangenaam vreemd in alle opzichten, de conversatie, het weer, het pilsje, de Parijsachtige straat.
De eerste wandeling. Naar de Donau, die alles beheersende, enorme, kolkende rivier, langs een kade met uitzichten op Boeda met het Habsburgse kasteel en op Pest, die prachtige laat negentiende-eeuwse stad, naar Hotel Gellert. Ik logeerde daar ooit een jaar of tien geleden. Hier ben je echt ver weg. Lederen fauteuils waarin men wegzinkt met uitzicht op een klaterend fonteintje, marmeren zuilen, kleurige boogconstructies, duistere lambrizeringen, wijnrode tapijten. Wat is dit? Grandeur of kitsch, allure of decadentie, operette of werkelijkheid? We kijken elkaar aan: wie zijn we?
Op de terugweg naar het hotel komen we voorbij een schitterend gigantisch Jugendstil warenhuis. Door de hoge in gietijzer gevatte ramen valt het licht in brede bundels over de duizenden winkelende mensen, de tot in de nok opgetaste koopwaar. Zware geuren van mensen, worst en manufacturen. Vooral het strijklicht over de salami en de flessen Palinka, de abrikozenjenever, treft ons. Bijna vanzelf gaat mijn hand naar de portemonnaie.
In ons eigen hotel in het centrum van Pest, heerst de gezellige sfeer die de Mercure-keten all over the world zo feilloos weet te treffen. In de duistere lobby een pianist aan een witte vleugel: tea for two, ain't she sweet, blue moon, met dat timbre datje het gevoel geeft dat er slagroom door de muziek zit. Marmeren trappen naar boven, een nieuwe lobby met vitrines vol roze gebak, tafeltjes en fauteuiltjes, uitzicht op de nachtclub Aphrodite, waar in de etalage een meisje staat te dansen, met de motoriek van een eenzaam dier in een kooi van een dierentuin. Mannen in pakken, altijd een hard koffertje naast zich, vrouwen in iets te krappe jurken, diensters in namaak folklore, de zakenwereld dus. Onze kamer hetzelfde vierkante vertrek waarin ik nu al dertig jaar op mijn reizen over deze aardbol heb geslapen.378-2018>
17 april 1996
Op twee kilometer hemelsbreed van ons huis stijgen we op. Het is een beetje mistig, windstil lenteweer. Nederland ligt er keurig bij. Afgezien van wat kromme riviertjes en wat rommelige stukjes 'natuur'—wanneer ruimen ze die nu eens op - is ons land geheel in vierkanten en rechthoeken opgedeeld. Hoeken van negentig graden zijn de mooiste. Het vliegtuigje vliegt laag, en de wereld is zo mooi plat en vlak dat ik onze schaduw zie meegaan over de aarde. Voor de landing zie ik tot mijn geruststelling dat onze wieltjes zijn uitgeklapt. Alles is onder controle.
Op Schiphol begint altijd dat licht eufore gevoel van vervreemding. Al die mensen met die gezichten, die benen die allemaal een andere kant op lopen, al die rare namen die naar informatiedesks worden geroepen, zouden wij ook van die mensen zijn, die daar lopen, dat gevoel. Onze Malev staat eindeloos ver weg, een kwartiertje over transportbanden. In het grote vliegtuig zit een handjevol mensen. Tja, wat moetje daar ook in Midden-Europa?
Maar een paar uur later zitten we gewoon waar we zitten, op een terrasje in Boedapest met Birgit Lijmbach, een Groningse docente Nederlands, voor een jaar werkzaam in het instituut waar ik het over poëzie zal gaan hebben. Groningen, ach, het is in een paar uur tijd al helemaal weg. Het is aangenaam vreemd in alle opzichten, de conversatie, het weer, het pilsje, de Parijsachtige straat.
De eerste wandeling. Naar de Donau, die alles beheersende, enorme, kolkende rivier, langs een kade met uitzichten op Boeda met het Habsburgse kasteel en op Pest, die prachtige laat negentiende-eeuwse stad, naar Hotel Gellert. Ik logeerde daar ooit een jaar of tien geleden. Hier ben je echt ver weg. Lederen fauteuils waarin men wegzinkt met uitzicht op een klaterend fonteintje, marmeren zuilen, kleurige boogconstructies, duistere lambrizeringen, wijnrode tapijten. Wat is dit? Grandeur of kitsch, allure of decadentie, operette of werkelijkheid? We kijken elkaar aan: wie zijn we?
Op de terugweg naar het hotel komen we voorbij een schitterend gigantisch Jugendstil warenhuis. Door de hoge in gietijzer gevatte ramen valt het licht in brede bundels over de duizenden winkelende mensen, de tot in de nok opgetaste koopwaar. Zware geuren van mensen, worst en manufacturen. Vooral het strijklicht over de salami en de flessen Palinka, de abrikozenjenever, treft ons. Bijna vanzelf gaat mijn hand naar de portemonnaie.
In ons eigen hotel in het centrum van Pest, heerst de gezellige sfeer die de Mercure-keten all over the world zo feilloos weet te treffen. In de duistere lobby een pianist aan een witte vleugel: tea for two, ain't she sweet, blue moon, met dat timbre datje het gevoel geeft dat er slagroom door de muziek zit. Marmeren trappen naar boven, een nieuwe lobby met vitrines vol roze gebak, tafeltjes en fauteuiltjes, uitzicht op de nachtclub Aphrodite, waar in de etalage een meisje staat te dansen, met de motoriek van een eenzaam dier in een kooi van een dierentuin. Mannen in pakken, altijd een hard koffertje naast zich, vrouwen in iets te krappe jurken, diensters in namaak folklore, de zakenwereld dus. Onze kamer hetzelfde vierkante vertrek waarin ik nu al dertig jaar op mijn reizen over deze aardbol heb geslapen.378-2018>
woensdag 15 april 2026
Astrid Lindgren • 16 april 1944
• Astrid Lindgren (1907-2002) was een Zweedse kinderboekenauteur. Vorig jaar is haar oorlogsdagboek gepubliceerd (Nederlandse vertaling).
16 april
De slag om Sebastopol, het laatste bolwerk van de Duitsers op de Krim, is begonnen. Het zuidfront ziet er echt bedenkelijk uit; de Russen zitten in Roemenië en bedreigen binnenkort de olietoevoer naar Duitsland. Ook de Tsjecho-Slowaakse grens is overschreden.
De geallieerden zijn boos op ons en op andere neutrale staten omdat we aan Duitsland leveren. En geven ons op ons donder. Maar vragen doen we d'r niet om.
Pasen hebben we op de gebruikelijke manier gevierd. Er is veel voedsel in het land der Zweden, en ik zal opschrijven wat we hebben gehad, als houvast voor toekomstige Pasens. Op Goede Vrijdag absoluut traditieloos kalfslever, op paaszaterdag zoals gewoonlijk eieren en een broodmaaltijd (met huisgemaakte leverpastei, haringsalade, ingemaakte Oostzeeharing, ingekookte Oostzeeharing, ingemaakte haring, gerookt rendiervlees, 'ingekookte' ham met rode bieten en verder weet ik het niet meer) en ijs toe. En een erg mooie sherry hebben Sture en ik gedronken, omdat we in plaats van op de 4de, op paaszaterdag onze trouwdag hebben gevierd. Op eerste paasdag hadden we gebraden kip en op tweede paasdag varkenskarbonades.
Op paaszaterdag beweerde Lasse dat hij door een meisje in Tureberg voor een dansavond was uitgenodigd; hij moest uiterlijk om 1 uur thuis zijn, zei ik. Maar hij kwam om 4 uur thuis, en toen was ik buiten mezelf en had ik een heleboel mensen wakker gebeld en van Göran te horen gekregen dat hij in Vinterpalatset [dansgelegenheid] was geweest met een meisje dat Britta-Kajsa Falk heet.
Karin is nerveus en heeft de hele Pasen erg veel aandacht gevraagd. En het is nu nog steeds niet beter; volgens mij is het de nasleep van de mazelen, ofschoon ze natuurlijk daarvoor ook tamelijk dwaas was. Omdat ik dankzij mijn voet aan huis gekluisterd ben, kan ze nou niet bepaald om mij zo angstig zijn, maar haar gemoedstoestand is vreselijk labiel, wisselend tussen nerveuze uitbundigheid, diepe neerslachtigheid en gezeur over school en pianospelen. Momenteel ben ik zelf erg melancholiek, ik neem aan dat dat komt doordat ik drie weken niet buiten ben geweest. Ik zou wel kunnen huilen. En ik hoop bij God dat Karin snel opknapt, want het is vreselijk om haar zo te hebben en het is voor haarzelf ook zielig. Lasse leeft erop los en wordt veel buitenshuis uitgenodigd; heeft thuis ook geen rust, vind ik, wat me verdriet doet.240-2017>
16 april
De slag om Sebastopol, het laatste bolwerk van de Duitsers op de Krim, is begonnen. Het zuidfront ziet er echt bedenkelijk uit; de Russen zitten in Roemenië en bedreigen binnenkort de olietoevoer naar Duitsland. Ook de Tsjecho-Slowaakse grens is overschreden.
De geallieerden zijn boos op ons en op andere neutrale staten omdat we aan Duitsland leveren. En geven ons op ons donder. Maar vragen doen we d'r niet om.
Pasen hebben we op de gebruikelijke manier gevierd. Er is veel voedsel in het land der Zweden, en ik zal opschrijven wat we hebben gehad, als houvast voor toekomstige Pasens. Op Goede Vrijdag absoluut traditieloos kalfslever, op paaszaterdag zoals gewoonlijk eieren en een broodmaaltijd (met huisgemaakte leverpastei, haringsalade, ingemaakte Oostzeeharing, ingekookte Oostzeeharing, ingemaakte haring, gerookt rendiervlees, 'ingekookte' ham met rode bieten en verder weet ik het niet meer) en ijs toe. En een erg mooie sherry hebben Sture en ik gedronken, omdat we in plaats van op de 4de, op paaszaterdag onze trouwdag hebben gevierd. Op eerste paasdag hadden we gebraden kip en op tweede paasdag varkenskarbonades.
Op paaszaterdag beweerde Lasse dat hij door een meisje in Tureberg voor een dansavond was uitgenodigd; hij moest uiterlijk om 1 uur thuis zijn, zei ik. Maar hij kwam om 4 uur thuis, en toen was ik buiten mezelf en had ik een heleboel mensen wakker gebeld en van Göran te horen gekregen dat hij in Vinterpalatset [dansgelegenheid] was geweest met een meisje dat Britta-Kajsa Falk heet.
Karin is nerveus en heeft de hele Pasen erg veel aandacht gevraagd. En het is nu nog steeds niet beter; volgens mij is het de nasleep van de mazelen, ofschoon ze natuurlijk daarvoor ook tamelijk dwaas was. Omdat ik dankzij mijn voet aan huis gekluisterd ben, kan ze nou niet bepaald om mij zo angstig zijn, maar haar gemoedstoestand is vreselijk labiel, wisselend tussen nerveuze uitbundigheid, diepe neerslachtigheid en gezeur over school en pianospelen. Momenteel ben ik zelf erg melancholiek, ik neem aan dat dat komt doordat ik drie weken niet buiten ben geweest. Ik zou wel kunnen huilen. En ik hoop bij God dat Karin snel opknapt, want het is vreselijk om haar zo te hebben en het is voor haarzelf ook zielig. Lasse leeft erop los en wordt veel buitenshuis uitgenodigd; heeft thuis ook geen rust, vind ik, wat me verdriet doet.240-2017>
dinsdag 14 april 2026
Frans Kellendonk • 15 april 1986
• De Nederlandse schrijver Frans Kellendonk (1951-1990) vond zijn dagboeken niet het publiceren waard, maar De Revisor publiceerde er wel een selectie uit.
15 april 1986
Mijn boek, Mystiek lichaam, is af en wordt momenteel gedrukt. Nog een paar weken, en het ligt in de boekhandel. Dit zijn voor mij de mooiste dagen in het leven van een boek. Het manuscript ligt in de kast en is ongeldig geworden - het is immers al gedrukt. Maar het boek is er nog niet en de tekst is er momenteel een die ik niet kan opslaan, die ik 's nachts kan dromen. En die gedroomde tekst, harde werkelijk geschreven zinnen maar rokerig en pastel van onnauwkeurig herinneren, is de mooiste die ik ooit geschreven heb - misschien is mijn herinnering wél nauwkeurig, alleen heeft de tekst niet het onherroepelijke van zwart op wit, ze zou, als het moet, nog alle kanten op kunnen.
30 mei 1986
De bloeddorst van onze weldenkende opiniemakers [naar aanleiding van Mystiek lichaam] is ongelooflijk. Eerst de Volkskrant - Willem Kuipers, Martin Ruyter, Aad Nuis, Piet Grijs, toen Carel Peeters, een onbekende briefschrijver (ook in VN), Beatrijs Rjtsema in NRC/H - en nu ben ik Koot en Bie nog vergeten. Zonder te weten waar ze het over hebben hollen ze achter elkaar aan en stellen ‘principiële kwesties’ - altijd een manier om het niet over het geval zelf te hoeven hebben. Wanneer je je verdedigt, zoals ik in een interview met VN heb gedaan, wordt dat opgevat als een teken van zwakte. Wie een rein geweten heeft verdedigt zich toch niet? Het geweten van je beschuldigers is altijd zo rein als een formica tafel.
Ik heb kennelijk een aantal kwesties aangeroerd waaraan mensen liever niet herinnerd worden. Wanneer je religie ziet als iets levends - iets dat de levens van alle mensen doordringt en niet zomaar een liefhebberij is van een paar zotten - dan krijgen de verlichte geesten die in de kranten schrijven ontzettend veel kriebels. Blijf van mijn lijf!
3 juni 1986
Het gemoed zoekt evenwicht. Het mijne is een paar weken in hevige beroering geweest en komt nu tot bedaren. Maar is het huidige evenwicht hetzelfde als dat van voorheen? Er is minder vertrouwen in de wereld waarop het kan steunen en mogelijkerwijs is het wat wankel geworden.294-2018>
15 april 1986
Mijn boek, Mystiek lichaam, is af en wordt momenteel gedrukt. Nog een paar weken, en het ligt in de boekhandel. Dit zijn voor mij de mooiste dagen in het leven van een boek. Het manuscript ligt in de kast en is ongeldig geworden - het is immers al gedrukt. Maar het boek is er nog niet en de tekst is er momenteel een die ik niet kan opslaan, die ik 's nachts kan dromen. En die gedroomde tekst, harde werkelijk geschreven zinnen maar rokerig en pastel van onnauwkeurig herinneren, is de mooiste die ik ooit geschreven heb - misschien is mijn herinnering wél nauwkeurig, alleen heeft de tekst niet het onherroepelijke van zwart op wit, ze zou, als het moet, nog alle kanten op kunnen.
30 mei 1986
De bloeddorst van onze weldenkende opiniemakers [naar aanleiding van Mystiek lichaam] is ongelooflijk. Eerst de Volkskrant - Willem Kuipers, Martin Ruyter, Aad Nuis, Piet Grijs, toen Carel Peeters, een onbekende briefschrijver (ook in VN), Beatrijs Rjtsema in NRC/H - en nu ben ik Koot en Bie nog vergeten. Zonder te weten waar ze het over hebben hollen ze achter elkaar aan en stellen ‘principiële kwesties’ - altijd een manier om het niet over het geval zelf te hoeven hebben. Wanneer je je verdedigt, zoals ik in een interview met VN heb gedaan, wordt dat opgevat als een teken van zwakte. Wie een rein geweten heeft verdedigt zich toch niet? Het geweten van je beschuldigers is altijd zo rein als een formica tafel.
Ik heb kennelijk een aantal kwesties aangeroerd waaraan mensen liever niet herinnerd worden. Wanneer je religie ziet als iets levends - iets dat de levens van alle mensen doordringt en niet zomaar een liefhebberij is van een paar zotten - dan krijgen de verlichte geesten die in de kranten schrijven ontzettend veel kriebels. Blijf van mijn lijf!
3 juni 1986
Het gemoed zoekt evenwicht. Het mijne is een paar weken in hevige beroering geweest en komt nu tot bedaren. Maar is het huidige evenwicht hetzelfde als dat van voorheen? Er is minder vertrouwen in de wereld waarop het kan steunen en mogelijkerwijs is het wat wankel geworden.294-2018>
maandag 13 april 2026
Frederik van Eeden • 14 april 1919
• Frederik van Eeden (1860-1932) publiceerde in 1920 een soort aforismedagboek, Gedachten geheten.
14 april
Heevige storm en reegen. ▫ Gisteren, Zondag, was ik zeer somber bij 't opstaan en in den morgen. Toen kwam als lieve troosteres, Annie Bosch [medium] met een bericht van Paul [Van Eeden's zoon die in 1913 overleed]. Een mooi, heerlijk bericht, dat mij zoo steunde als geen ander te vooren had gedaan. Hij mocht nu tot mij spreeken. En hij vertelde wat hij gezien had bij zijn oovergang, en hoe een stem gezegd had: ‘Wie is eenzaam die Christus kent.’ En hoe hij gericht was door Jezus en hoe die de zonde van ons ooverneemt en draagt en hoe hij, Paul, leed om zijn eigen zonden door het zien hoe Jezus leed daaronder. ▫ Ik voel nu hoe dat alles goed is en waar.
Toen werd het een goede dag, gisteren. Eerst kwam Moe de Jong met haar dochters, en wij roeiden en zeilden met de jongens en plukten dotterbloemen. Het was zonnig, frisch en opwekkend weer, na zeegenrijke reegenbuyen.
's Middags kwam Jet Wolterbeek.
Vandaag weer eenige uuren op 't land gewerkt. Het gaat nog goed.
16 april
Mijn lieve vrouw jarig. Het is grijs en koel weer. Ik kreeg het groote boek van [schrijver Israël] Querido present. Ik vond er in het geheugen, de werkkracht, de geleerdheid die mij tot mijn smart ontbreekt en dit maakt mij zeer neerslachtig.
14 april
Heevige storm en reegen. ▫ Gisteren, Zondag, was ik zeer somber bij 't opstaan en in den morgen. Toen kwam als lieve troosteres, Annie Bosch [medium] met een bericht van Paul [Van Eeden's zoon die in 1913 overleed]. Een mooi, heerlijk bericht, dat mij zoo steunde als geen ander te vooren had gedaan. Hij mocht nu tot mij spreeken. En hij vertelde wat hij gezien had bij zijn oovergang, en hoe een stem gezegd had: ‘Wie is eenzaam die Christus kent.’ En hoe hij gericht was door Jezus en hoe die de zonde van ons ooverneemt en draagt en hoe hij, Paul, leed om zijn eigen zonden door het zien hoe Jezus leed daaronder. ▫ Ik voel nu hoe dat alles goed is en waar.
Toen werd het een goede dag, gisteren. Eerst kwam Moe de Jong met haar dochters, en wij roeiden en zeilden met de jongens en plukten dotterbloemen. Het was zonnig, frisch en opwekkend weer, na zeegenrijke reegenbuyen.
's Middags kwam Jet Wolterbeek.
Vandaag weer eenige uuren op 't land gewerkt. Het gaat nog goed.
16 april
Mijn lieve vrouw jarig. Het is grijs en koel weer. Ik kreeg het groote boek van [schrijver Israël] Querido present. Ik vond er in het geheugen, de werkkracht, de geleerdheid die mij tot mijn smart ontbreekt en dit maakt mij zeer neerslachtig.
Abonneren op:
Reacties (Atom)







