zondag 18 oktober 2026

Lydia Allen Rudd • 19 oktober 1852

• Lydia Allen Rudd (?-?) trok in 1852 met haar man Harry per huifkar naar Oregon, omdat daar land werd uitgedeeld. Ze hield tijdens de tocht een dagboek bij.

Vertaling onderaan.

Oct. 8 started early this morning without any breakfast for the very good reason that we had nothing to eat - still three miles from the falls - safely landed about eight o clock tired hungry and with a severe cold from last nights exposure - something like civilization here in the shape of three or four houses - there is an excuse here for a railroad of a mile and half on which to convey bagage below the falls where they can again take water for the steamboat landing - Harry packed our bagage down the railroad and the rest of us walked - the car is drawn across the railroad by a mule and they will cary no persons but sick - We again hired an Indian with his canoe to take us from the falls to the steamboat landing - arived about sundown a great many emigrants waiting for a chance to leave the steamboat and several flat boats lying ready to start out in the morning encamped on the shore for the night

October 14 ... I am so anxious to get some place to stop and settle that my patience is not worth much

October 19 ... We have had a very bad day today for traveling - it has rained nearly all the time and it has rained very hard some of the time and we have had a miserable road - the rain has made the hills very slippery and had to get up and down - we have made but eleven miles of travel encamped on the prairie - no water for our stock and not much for ourselves

October 22 ... Traveled three miles this morning and reached the village of Salem - it is quite a pretty town a much handsomer place than Oregon City and larger ... I am afraid that we shall be obliged to pack from here the rest of our journey and it will be a wet job - another wet rainy day I am afraid that the rain will make us all sick I am already begin to feel the affects of it by a bad cold.


Vertaling door ChatGPT

8 oktober Begonnen vanmorgen vroeg, zonder ontbijt, en wel om de heel goede reden dat we niets te eten hadden. We waren nog drie mijl van de watervallen verwijderd. Omstreeks acht uur kwamen we veilig aan land, moe, hongerig en met een flinke verkoudheid door de blootstelling aan de buitenlucht van de afgelopen nacht. Hier is iets wat op beschaving lijkt, in de vorm van drie of vier huizen.

Hier is er een goede reden voor een spoorlijntje van anderhalve mijl, waarover de bagage voorbij de watervallen kan worden vervoerd. Daar kunnen ze weer aan boord gaan van de stoomboot. Harry droeg onze bagage over de spoorlijn naar beneden en de rest van ons liep. Het karretje wordt door een muilezel over de spoorlijn getrokken en ze vervoeren er geen passagiers mee, behalve zieken.

We huurden opnieuw een indiaan met zijn kano om ons van de watervallen naar de aanlegplaats van de stoomboot te brengen. We kwamen tegen zonsondergang aan. Er stonden heel wat emigranten te wachten op een gelegenheid om de stoomboot te verlaten, en er lagen verscheidene platbodems klaar om de volgende ochtend te vertrekken. We sloegen ons kamp op aan de oever voor de nacht.

14 oktober … Ik verlang er zo naar eindelijk ergens aan te komen waar we kunnen blijven en ons vestigen, dat mijn geduld niet veel meer voorstelt.

19 oktober … We hebben vandaag een bijzonder slechte reisdag gehad. Het heeft bijna voortdurend geregend, en een deel van de tijd kwam de regen met bakken uit de lucht. Bovendien was de weg erbarmelijk. Door de regen zijn de heuvels erg glad geworden en we moesten steeds op en af. We hebben maar elf mijl afgelegd en ons kamp opgeslagen op de prairie. Er is geen water voor onze dieren en nauwelijks iets voor onszelf.

22 oktober … Vanmorgen hebben we drie mijl afgelegd en bereikten we het dorp Salem. Het is een heel aardig plaatsje, een veel mooiere plek dan Oregon City en bovendien groter. … Ik vrees dat we vanaf hier de rest van onze reis onze bagage zullen moeten dragen, en dat wordt een natte onderneming. Weer een regenachtige dag. Ik ben bang dat de regen ons allemaal ziek zal maken. Zelf begin ik de gevolgen al te merken: ik heb een flinke verkoudheid.

Sergej Prokofjev • 18 oktober 1917

• Sergej Prokofjev (1891-1953) was een Russische musicus en componist. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij, waaruit gedeeltes in het Nederlands zijn gepubliceerd onder de titel Dagboek 1907-1933.

[14 oktober]

Vier dagen later was mijn tweede concert. Er was nog minder publiek, het stond me gewoon tegen om te spelen, maar ik dwong me ertoe mezelf te vermannen: dit was immers geen concert, maar een repetitie voor Moskou, voor Moskou ja, niet voor Petrograd - in Petrograd ben ik bekend en geliefd, terwijl ik Moskou nog moet veroveren. De lauweren van de jeugdige pianist Orlov, de lieveling van het Moskouse publiek en een gracieuze, maar leeghoofdige pianist, laten me niet met rust. Nou ja, en na Orlov moet ik ook met Rachmaninov de strijd aanbinden.
Dit concert speelde ik heel goed en subtiel. Mama, altijd streng en ontevreden, was verrukt. De oude Safonov, die dwars door het voor hem onbekende modernisme heen de zachtheid en tederheid van mijn nuanceringen beluisterde, prees me zeer. Asja Lesnaja zat op de eerste rij en kwam na afloop van het concert naar de kleedkamer. Het was geen gymnasiummeisje, maar een leerlinge van Meyerholds dramastudio, een jaar of twintig oud, van het Pools-joodse type, eerder origineel dan leuk, zij het dat ook wel, lang en lenig, gekleed met een hang naar originaliteit en met een rood mutsje op (men kende haar in Kislovodsk dan ook onder de naam 'Roodkapje'; ze heette Chmelnitskaja, Lesnaja was een pseudoniem). Toen we uit artiestenfoyer naar buiten liepen, kreeg ik een ovatie, maar we sloegen meteen af, liepen het bruggetje over, de Kruisberg op en gingen wandelen.

Tegelijk met 'Roodkapje' verschenen er andere personen, zeer interessante: de anarchist Zmijev. Hij kwam in de salon van het Grand Hotel naar me toe en vroeg een vuurtje. We raakten aan de praat. Naar eigen zeggen was hij onlangs uit Londen gearriveerd. Het was een heel jonge man, levendig, geestig en met een voor mij uitermate ongewone wereldbeschouwing. Hij noemde zich lid van de Petrogradse raad van arbeidersafgevaardigden van de partij der anarchisten. Dat was buitengemeen pikant, ook al sta ik er niet voor in dat het inderdaad zo was. Menigeen zag hem domweg als een affairist, maar dat bestrijd ik. Een avonturier, ongetwijfeld. Een anarchist, zeer wel mogelijk, in elk geval wist hij op dat gebied heel verbazingwekkende dingen. Hij was buitengewoon op me gesteld, terwijl ik mijn tijd met plezier in zijn gezelschap doorbracht, omdat zijn anarchistische wereldbeschouwing - zoiets als de wereld op zijn kop - mij wel intrigeerde. Afgezien daarvan had hij, zoals ik al zei, een rake en levendige geest. Zodoende verliep mijn tijd in gezelschap van Asja en Zmijev en week daarmee wat af van zijn eerdere contemplatieve loop: nu eens vroeg Asja me uit wandelen, dan weer vertelde de anarchist mij over het leven van Kropotkin. Het weer en de lucht in Kislovodsk waren betoverend en trokken je naar buiten. Maar toch werkte ik een uur of twee per dag aan het andante van de Vierde sonate en besteedde een uur of anderhalf aan Kant, in een poging zijn hels moeilijke transcendentale logica onder de knie te krijgen. 's Avonds ging ik dikwijls naar de operette, in de Kursaal, waar op de eerste rij een stoel voor me was gereserveerd. Tot dan toe was ik vrijwel nooit in de operette geweest, omdat ik daar een hartgrondige hekel aan had, maar nu was ik er wel geïnteresseerd in geraakt, omdat ik het hele repertoire" vanuit een kritisch oogpunt bezag, niet voor wat de muziek betreft natuurlijk, maar voor het levendige en toneelmatige karakter. En wat denk je? Mijn vonnis: ze kunnen geen operettes schrijven. De levendigheid zit voornamelijk, in de scènes met dialoog en zonder muziek. Het ontbreekt de auteurs aan techniek en toneelmatige verbeelding om die met muziek te schrijven. Op sommige plaatsen is het wel levendig, en scenisch, soms is er wel sprake van elegantie (van een niet al te hoge kwaliteit), maar het kan allemaal duizendmaal beter. Het verlangen bekroop me zelfs - nee, niet om een operette te schrijven, daar zou ik niet brutaal genoeg voor zijn, maar wel een lichtvoetige, levendige en vrolijke opera. Voorlopig heb ik die gedachte laten varen, maar ik kom er nog op terug. En naast dat idee had ik een ander project: een opera op een onderwerp uit het leven van de anarchisten. De opera De anarchist. Over dat thema praatte ik tamelijk vaak met Zmijev. We konden echter niets afspreken, gezien het volgende: uit Petrograd kwamen berichten over een opstand van de bolsjewieken. De regering zit opgesloten in het Winterpaleis en probeert zich met kanonnen de aanvallende roodgardisten van het lijf te houden. Kerenski is behendig uit Petrograd weggeglipt en schiet aan het hoofd van trouw gebleven troepen te hulp. Volgens de laatste berichten hebben de bolsjewieken zich overgegeven en is de muiterij de kop in gedrukt. Toen had Zmijev het als anarchist niet meer en verdween spoorslags naar Rostov, waar fabrieken zijn en dus anarchistische partijen. Met Zmijev verdwenen ook de gesprekken over de opera, mijn honderd roebel die hij in gedeelten van me geleend had en mijn ondergoed, dat hij als verschoning had gevraagd.

Jean Cocteau • 17 oktober 1942

• Jean Cocteau (1889–1963) was een Frans dichter, romanschrijver, toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. Een selectie uit de dagboeken die hij tussen 1942 en 1954 bijhield zijn in het Nederlands verschenen onder de titel Dagboek van een duizendkunstenaar (vertaald door Joop van Helmond).

17 oktober 1942
De gebeurtenis van de maand was de toetreding van Picasso tot de communistische partij, de dag voor de Herfstsalon.
L’Humanité wijdt de hele voorpagina aan hem. De oorlog kwam pas daarna. Artikel van Cachin [directeur L'Humanité], ingegeven door Aragon, over het genoegen waarmee de communistische familie haar armen heeft uitgestrekt naar de grootste schilder ter wereld. Daarmee is het eerste antirevolutionaire gebaar van Picasso een feit. De eerste adhesie van een trust (want is Picasso dat eigenlijk niet in zijn eentje?) aan de communistische partij.
Zeshonderd miljoen (zijn rijkdom op het ogenblik) en zijn werk, waarover hij verklaart dat het geen schilderkunst is, maar dat het gewelddaden zijn (aanslagen op anderen, op zichzelf, op het doek, op de kleuren, op de oude en moderne schilderkunst, op de kunst, op de menselijke gestalte, op het leven, op de dood).
Zeshonderd miljoen, zei ik, en dat prikkeldraad zodat iedereen er zijn nek over breekt, doen via een triomfboog hun intrede in een nederige familie waar men alleen houdt van burgerlijke schilderijen.
Het communisme is geen religie. Het is een therapie. Het volk dat het werk van Marx heel slecht kent, maar zijn krant als de bijbel beschouwt, ontdekt het bestaan van Picasso. Cachin bericht dat de grootste schilder ter wereld op de Herfstsalon tentoon wordt gesteld en dat hij deel uitmaakt van de familie. Wat doet het volk? Het stroomt en masse naar het palais de Tokyo.Tot aan de place de l’Alma staan ze zwijgend in de rij.

donderdag 15 oktober 2026

Susan Sontag • 16 oktober 1962

• Reborn bevat (dagboek)notities van schrijfster Susan Sontag (1933-2004) uit de periode 1947-1963.

Vertaling onderaan.

[Loose-leaf page found among SS's papers]
10/16/62 • Sentimentality. The inertia of the emotions. They are not light buoyant. — I am sentimental. I cling to my emotional states. Or do they cling to me?

I wish I could think I. [Irene, haar geliefde] simply takes me for granted. The massive refusal of intimacy in her letters, the occasional touches of condescending affection.

Not once "I miss you," not once a word from inside.

But I cannot explain it except by the utter collapse, the painless dissolution of any feeling for me. All the lines are down.

Tiemmi, tiemmi. [From Dante's Purgatorio, Canto XXXI: "Poi, quando il cor virtu di fuor rendemmi," / la donna ch'io avea trovata sola / sopra me vidi, e dicea: 'Tiemmi, tiemmi'" ("Hold me, hold me.")]

I thought I. had the key, and only she. That all my sexuality was bound to her. Now I know that, technically, that's not so. But, still, I don't believe in the reality of anyone else.

I do not believe she will come back to me. Those who go away never come back.

— How I lie in my letters to her! I want her to believe I am tranquil and hopeful — my final magic spell to bring her back.

Vertaling door ChatGPT

[Los ingelegde bladzijde gevonden tussen de papieren van SS]

16-10-1962 • Sentimentaliteit. De traagheid van de emoties. Ze zijn niet licht en veerkrachtig. — Ik ben sentimenteel. Ik klamp me vast aan mijn emotionele toestanden. Of klampen die zich aan mij vast?

Ik zou willen kunnen denken dat I. [Irene, haar geliefde] me eenvoudigweg als vanzelfsprekend beschouwt. De massale weigering van intimiteit in haar brieven, de sporadische aanrakingen van neerbuigende genegenheid.

Niet één keer: ‘Ik mis je’, niet één woord dat van binnenuit komt.

Maar ik kan het alleen verklaren door de volkomen ineenstorting, het pijnloze oplossen van elk gevoel voor mij. Alle lijnen liggen eruit.

Tiemmi, tiemmi. [Uit Dantes Louteringsberg, zang XXXI: ‘"Poi, quando il cor virtu di fuor rendemmi," / la donna ch'io avea trovata sola / sopra me vidi, e dicea: 'Tiemmi, tiemmi'" ("Hou me vast, hou me vast.")]

Ik dacht dat ik de sleutel had, en alleen zij. Dat mijn hele seksualiteit aan haar gebonden was. Nu weet ik dat dit technisch gezien niet zo is. Maar toch geloof ik niet in de werkelijkheid van iemand anders.

Ik geloof niet dat ze bij me terug zal komen. Wie weggaat, komt nooit terug.

— Wat lieg ik tegen haar in mijn brieven! Ik wil dat ze gelooft dat ik kalm ben en hoopvol gestemd — mijn laatste magische bezwering om haar terug te brengen.

woensdag 14 oktober 2026

Benoîte Groult • 15 oktober 1941

• Benoîte Groult (1920-2016) was een Franse schrijfster. In 1963 publiceerde ze een oorlogsdagboek, dat ze samen met haar zus Flora geschreven had: Journal à quatre mains, in het Nederlands door Nini Wielink vertaald als Dagboek voor vier handen.

15 oktober '41 • We gaan niet meer naar het bos, de laurierbomen zijn omgehakt ... Concarneau wordt verkocht.
Grootmoeder hield niet meer van dat huis, want het is voortaan haar ideaal om de Bon Marché binnen handschoenbereik te hebben. In Parijs ben je beschut tegen de natuur. Grootvader zal zijn jekker met de ronde kraag niet meer vuil maken en geen aarde meer aan zijn knieën hebben of doorns in zijn vinger: hij mag zijn leven lang niet meer tuinieren, is beroofd van zijn tuberozen, zijn pteris aquilinas, scolopendrium officinale en andere liefdes waarop de bidsprinkhaan jaloers was. Nu is de droom van de bidsprinkhaan werkelijkheid geworden: grootvader de hele dag thuis, zittend in zijn fauteuil, nietsdoend dus onberispelijk. De boot wordt natuurlijk samen met het huis verkocht.
'Wat heeft Paul op zijn leeftijd nou op een boot te zoeken?'
Grootvader is helemaal naakt, helemaal leeg, met open handen en dode vingers. Grootmoeder daarentegen is weer jong geworden: ze ordent, ze ruimt op en bergt haar herinneringen in een kaartsysteem op. Haar leven is eindelijk afgesloten; je kunt het in een la stoppen; storende verrassingen zullen er niet meer komen. We hebben met ontroering het visboek nog eens gelezen dat ze haar hele leven had bijgehouden: grootvader had in juli 1938 zeshonderd makrelen gevist! Wat mag grootmoeder ze graag zien, zo liggend in dat grote boek! Eindelijk netjes en reukloos. 'Ieder zijn meug' zoals de Bretons zeggen.

Soetan Sjahrir • 14 oktober 1936

• Soetan Sjahrir (1909-1966), was een Indonesisch politicus en de eerste premier van dat land. Hij speelde een grote rol in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. In 1934 werd hij gearresteerd. Hij doet verslag van zijn gevangenschap en verbanning in een dagboek, dat is gepubliceerd als Indonesische overpeinzingen.


14 Oct. 1936 • In vele opzichten is Neira een min of meer ideale samenleving, vergeleken dan met de rest van de wereld. Natuurlijk is zelfs in zulk een paradijs niet alles even mooi, en zo heb je hier ook alle kleine kanten van een dorpssamenleving, alleen minder hevig en minder scherp, omdat Neira een soort van paradijs is. ‘De mensen schijnen hier nauwelijks armoede te kennen’, heb ik eerder geschreven. Dat is maar ten dele waar.

Wel is waar, dat de mensen die in Neira zelf of in de kampong wonen, meestal hun eigen hutje hebben of inwonen bij anderen als personeel en niet ondervoed zijn, ja meestal nog geld over hebben voor mooie kleren en feesten. Maar op de perken zijn de mensen toch wel een beetje ondervoed. Dr Soeribno bijvoorbeeld heeft nu een jongen in huis, die heel erg ondervoed is, hij komt van Goenoeng Api. Die hongerlijders op de perken, op de Goenoeng Api verdienen nauwelijks een dubbeltje per dag, àls ze iets verdienen kunnen.

Velen van hen proberen het met het verbouwen van groenten, maar zonder kapitaal gaat dat natuurlijk ook niet al te best en de vruchtbaarste plekken zijn altijd al eigendomsgronden. In de perken wonen de koelies. Vroeger hebben zij meer verdiend: 40 tot 50 cent per dag, maar nu is het al veel als zij 12 of 15 cent krijgen; deze mensen zien er dan ook over het algemeen heel slecht uit. Toch zijn de perkeniers geen uitbuiters. De meesten kunnen niet meer betalen, omdat de notemuskaat helemaal geen prijzen meer maakt. Vele perkeniers werken met verlies maar ze moeten doorgaan, omdat verwaarlozing van hun perken nog groter verlies zou betekenen.

De rijkaards hier zijn ook geen onsympathieke mensen. Héél rijke lieden heb je hier niet meer, maar zeer gegoede families, die het brengen tot een vermogen van een paar ton en een inkomen van vier of vijfhonderd gulden per maand voor privé-doeleinden, zijn er wel enige. Ook zij leven eenvoudig, versmijten hun geld niet en nemen ook geen geld-aristocratische allures aan. Zij hebben de Bandase verdraagzaamheid en vriendelijkheid.

De landbouwers op Goenoeng Api zijn voor een groot deel afkomstig van Boeton, ten Zuiden van Celebes. Zij komen hierheen in hun zeilscheepjes, bij elkaar gepakt als haringen in een ton, zó dat ze gedurende de gehele reis niet kunnen gaan liggen, terwijl die reis, wanneer de wind niet meewerkt, wel een maand kan duren. Dan eten, slapen, ze doen alles staand of hurkend. Van ongelukken op zee hoor je niet; het moeten wel heel goede zeevaarders zijn.

Ze pakken hier van alles aan en zelfs als ze maar twintig cent per dag verdienen spelen ze het nog klaar om er wat van opzij te leggen. Als ze naar hun mening genoeg gespaard hebben, dat is zo tussen de tien en vijf-en-twintig gulden, stappen ze weer in zo'n zeilscheepje, betalen drie gulden voor de hele reis, die meestal korter duurt dan een week, maar soms, als het tegenvalt, ook wel eens veel en veel langer.

Een luilekkerland is het hier dus niet precies, en men kan hier zien, dat de ‘luie inlander’ levensgevaar trotseert om een paar centjes te kunnen verdienen, waar hij dan bovendien nog voor moet ploeteren. Het verdiende geld is meestal voor de familie, ook wel om een nestje te kunnen bouwen. Al die Boetonnese jongemannen zijn hier ongetrouwd, omdat ze nog geen huishouding op kunnen zetten - nog geen huishouding van tien cent per dag -, daar de kleren van de vrouw te veel kosten.

Hier op Banda heb je dat verschijnsel trouwens ook en men zegt, dat het ook op Java nu zo toegaat. Zo ziet men, dat wat nog geen probleem vormde een tiental jaren geleden - hèt Europese probleem - dat nu ook geworden is voor ons Indonesiërs. Het leven is nu zelfs in dit gemakkelijke land, waar je toch maar zo weinig kleren aan je lichaam nodig hebt, zó geworden dat de mensen vanzelf aan het rekenen moeten gaan, rationeel moeten worden. Niet trouwen, omdat de vrouw hem de helft van zijn bordje rijst - zo hij dit heeft - zou kosten.

maandag 12 oktober 2026

De heer B. • 13 oktober 1960

• Uit het 12e dagboek van de heer B. 1960. Collectie Nederlands Dagboekarchief.

Donderdag 13-10-60 • Vanaf Dinsdagavond zes uur storm en buitengewone regenval. Vele landerijen staan geheel of gedeeltelijk onder water. Vooral in Noord Holland is het erg. Er zal spoedig verandering moeten komen anders wordt het een ramp.

Nadat er zoveel natuurrampen gebeuren begrijp ik niet dat de mensen zich niet bezinnen en eens ophouden met oorlog voeren, elkaar vermoorden in opstanden en dergelijke misdaden. Want als er mensen omkomen bij rampen of andere gebeurtenissen dan wordt er veel ophef over gemaakt. Doch bij binnenlandse opstanden of onlusten of ergo bij oorlog vallen er vele doden; dan is dat vanzelfsprekend en zelfs niet eens strafbaar. Dat gaat boven mijn verstand, maar ja zeggen geleerde en zelfs Domine’s en Pastoors en dergelijke lieden; dat is heel wat anders, dan een gewone misdaad, dat is noodzaak. Wat een goedkope uitvlucht is dat. Maar ik ben ook slechts een proleet en beslist niet intulectueel!