maandag 13 juli 2026

Thomas Mann • 14 juli 1955

Thomas Mann (1875-1955) was een Duitse schrijver. Hij hield zijn leven lang een dagboek bij. Gedeeltes daaruit zijn in het Nederlands vertaald (door Paul Beers) in Roem en verliefdheid. Dagboeken 1949-1955.

Donderdag 14 juli 1955
Maandag, 's morgens 11 uur bij de koningin [Juliana]. De Engels sprekende adjudant met vangsnoeren. Met haar in de tuin, koffie. Uitblijven van haar teken om op te stappen, zodat we babbelend 1 1/4 uur zaten. Haar manier van doen eenvoudig en waardig. K. mocht geen kniebuiging maken. Ik zei vaak 'u'. Krantebericht van het bezoek. Ieder weet ervan. Daarna koffie-tafel bij de Meyers, met wier wagen wij reden. Voortreffelijk. Liet het me smaken. De Hollanders drinken koffie op elk uur van de dag, 's morgens, weer om 11, bij de lunch, 's middags en zo mogelijk ook 's avonds. Helemaal naar mijn zin, en het vochtige klimaat staat het toe.


Het bezoek van de Duitse schrijver Thomas Mann (1875-1955) aan koningin Juliana lag in het verlengde van zijn onderscheiding als commandeur in de orde van Oranje-Nassau, die hem op 1 juli ten deel was gevallen. Een week na het bezoek bleek hij ernstig ziek. Mann overleed op 12 augustus.

zondag 12 juli 2026

Søren Kierkegaard • 13 juli 1837

Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Dagboeken.

13 juli
Dat ik me op dit moment zo voor Justinus Kerner interesseer, is omdat ik bij hem, hoewel hij een veel groter genie is, dezelfde artistieke onproduktiviteit bespeur als bij mezelf. Tevens zie ik dat er iets aan gedaan kan worden, ook al ontbreekt de feitelijke continuïteit; deze kan alleen maar compleet gemaakt worden door de continuïteit van de gemoedstoestand, waarvan ieder ideetje een bloempje, een soort novellistisch aforisme, een plastische studie is. Terwijl zijn eigen Dichtungen heel veel voortreffelijke, fantastische ideeën bevatten, zijn zijn berichten aus dem Nachtgebiete der Natur zo gortdroog dat je alleen daaruit al het indirecte bewijs voor de waarheid ervan zou kunnen aanvoeren.

13 juli
* Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik zo'n grote afkeer heb van het maken van losse notities; hoe beter ik sommige grote mannen leer kennen in wier geschriften men geen kaleidoscopische opeenstapeling van ideeën aantreft (misschien dat Jean Paul me in dit opzicht door zijn voorbeeld voortijdig huiverig heeft gemaakt), en hoe meer ik me herinner dat een zo'n verfrissend schrijver als Hoffmann notities maakte en dat Lichtenberg adviseerde het te doen, hoe meer ik erachter wil komen waarom een op zich onschuldige bezigheid me zo tegen de borst stuitte, ja me bijna afkeer inboezemde. Ongetwijfeld omdat ik aan een eventuele publikatie dacht, wat inhoudt dat ik ze nader uit zou moeten werken, iets waar ik me maar niet toe kan zetten en, uitgeput door een dergelijke, abstracte mogelijkheid (een zekere literaire oprisping en walging), vervluchtigde het aroma van mijn inval en stemming. Ik denk echter wel dat het goed zou zijn door vaak notities te maken, mèt de navelstreng van de eerste stemming, gedachten te laten opkomen en het plan ze ooit te gebruiken zoveel mogelijk uit mijn hoofd te zetten, omdat ik er toch nooit toe zou komen wat ik geschreven heb te raadplegen; wel zou ik, door uit te hoesten zoals je in een brief aan een goede vriend doet, mezelf althans gedeeltelijk de kans geven op zelfkennis op een later tijdstip, op een soepele schrijfstijl, op de vaardigheid me schriftelijk uit te drukken, iets waar ik tot op zekere hoogte mondeling toe in staat ben, op het aanleren van een arsenaal aan kleine trekjes, waaraan ik tot nu toe slechts vluchtig aandacht heb geschonken en ten slotte, als wat Hamann zegt ook elders van toepassing is, op het profiteren van invallen die iemand maar één keer in zijn leven krijgt. Dit soort oefenen achter de schermen is voor iedereen, die niet zo begaafd is dat zijn ontwikkeling zich in het openbaar voltrekt, zonder twijfel noodzakelijk.

In de marge:
* Besluit gedateerd 13 juli 1837 en genomen in onze studeerkamer des middags om 6 uur.

Ernst Jünger • 12 juli 1942

Ernst Jünger (1895-1998) was een Duitse militair en schrijver (en bloemenliefhebber). Uit: Das erste Pariser Tagebuch.

Vertaling onderaan.

Paris, 12, Juli 1942
Mit einer Frau in einem Laden, in dem es eßbare Schlangen zu kaufen gab. Der Händler zog eine Lade auf und griff achtlos hinein, um dann die Tiere zu präsentieren, die er in der Mitte des Leibes anfaßte. Bevor et sie aushändigte, setzte er ihnen einen kleinen Maulkorb auf, aus dem die Vipernhörnchen wie Fühler zitterten. Wir zahlten für ein mittelgroßes Stück zwölf oder vierzehn Mark. Nach dem Erwachen zerbrach ich mir den Kopf darüber, wer denn die Frau gewesen war. Solche Erscheinungen sind unbestimmt vertraut; oft drängen mehrere Wesen wie Schwester, Frau und Mutter sich in ihnen zusammen wie unter einem Tuch — dem Urstoff der Weiblichkeit. Im blinden Gewebe fühlen, doch kennen wir uns nicht.
Nachmittags bei Valentiner — bevor ich bei ihm eintrat, wühlte ich am Quai noch in den Auslagen herum. Ich nahm die 1520 gedruckte >Doctrina Moriendi< mit, die laut einer handschriftlichen Eintragung von Jean Gerson, dem Kanzler der Kirche von Paris, im 14. Jahrhundert verfaßt wurde. Eine weitere Eintragung von Baluze, dem Bibliothekar von Colbert, weist aus, daß dieses Exemplar in der Bibliotheca Colbertina gestanden hat.
Dann mit der Doctoresse im Louvre, Skulpturen zu be-sehen. Wir aßen zusammen zu Abend bei heiterer Plauderei.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

Ik was met een vrouw in een winkel waar eetbare slangen te koop waren. De handelaar trok een lade open en greep er achteloos in. Vervolgens liet hij ons de dieren zien, die hij halverwege hun lichaam vasthield. Voordat hij ze aan ons meegaf, deed hij hun een klein muilkorfje om, waaruit de hoornachtige uitsteeksels van de adders trillend als voelsprieten naar buiten staken. Wij betaalden voor een middelgroot exemplaar twaalf of veertien mark.

Na het ontwaken piekerde ik erover wie die vrouw eigenlijk was geweest. Zulke verschijningen zijn op een onbepaalde manier vertrouwd; vaak lijken meerdere personen – zuster, echtgenote en moeder – erin samen te vloeien, als onder één sluier, tot de oerstof van het vrouwelijke. In dat blinde weefsel voelen wij elkaar wel, maar kennen wij elkaar niet.

's Middags ging ik naar Valentiner. Voordat ik bij hem binnenging, snuffelde ik nog wat tussen de boeken die langs de kade waren uitgestald. Ik kocht de in 1520 gedrukte Doctrina Moriendi, die volgens een handgeschreven aantekening afkomstig zou zijn van Jean Gerson, de kanselier van de Kerk van Parijs, en in de veertiende eeuw zou zijn geschreven. Een tweede aantekening, van Baluze, de bibliothecaris van Colbert, vermeldt dat dit exemplaar zich ooit in de Bibliotheca Colbertina heeft bevonden.

Daarna bezocht ik met de doctoresse het Louvre om beeldhouwwerken te bekijken. We aten vervolgens samen en voerden daarbij een opgewekt gesprek.


Sylvia Plath • 11 juli 1950

Sylvia Plath (1932-1963) was een Amerikaanse dichteres. Onderstaand de eerste drie 'dagen' uit haar dagboek. Meer hier.

11.
Emile. There it is; his name. And what can I say? I can say he called for me at nine Saturday night, that I was still weak from having two wisdom teeth out that morning. I can say that we went on a double date dancing at Ten Acres, that I drank five glasses, in the course of the evening, to the bottom, of sparkling tawny gingerale, while the others drank beer. But that's not it. Not at all. This is how it was. I dressed slowly, smoothing, perfuming, powdering. I sat upstairs in the moist gray twilight, with the rain trickling down outside, while the family talked and laughed with company down on the porch. This is I, I thought, the American virgin, dressed to seduce. I know I'm in for an evening of sexual pleasure. We go on dates, we play around, and if we're nice girls, we demure at a certain point. And so it goes. We walked into the bar and sat down, two by two. E. and I had the initial strangeness to rub off. We began to talk - about the funeral he went to this morning, about his twenty year old cousin who broke his back and is paralyzed for life, about his sister who died of pneumonia at twelve years. "Good lord, we're morbid tonight," he shuddered. And then, "You know something I've always liked ... I mean wanted to like? Dark eyes and blonde hair." So we talked about little things, how words lose their meaning when you repeat them over and over; how all people of the Negro race look alike until you get to know them individually; how we always liked the age we were at best. "I pity Warrie," he said, nodding at the other boy. "He's twenty-two, out of Amherst, and he has to work the rest of his life. When I figure ... only two more years of college."

"I know, I've always dreaded birthdays."
"You don't look as young as you are."
"I don't see," I said, "how people stand being old. Your insides all dry up. When you're young you're so self-reliant. You don't even need much religion."
"You're not by any chance a Catholic?" He asked as if it were quite unlikely.
"No. You?"
"Yes." He said it very low.

There was more small talk, more laughing, sidelong glances, more of the unspoken physical friction that makes each new conquest so delightful. In the air was the strong smell of masculinity which creates the ideal medium for me to exist in. There was something in Emile tonight, a touch of seriousness, a chemical magnetism, that met my mood the way two pieces of a child's puzzle fit together. He has a fine face, dark hair, and eyes with enormous black pupils; a straight nose, a one-sided flashing grin, a clean-cut chin. He is neatly made, with small, sensitive hands. I knew it would be the way it was. On the dance floor he held me close to him, the hard line of his penis taut against my stomach, my breasts aching firm against his chest. And it was like warm wine flooding through me, a sleepy, electric drowsiness. He nuzzled his face in my hair; kissed my cheek. "Don't look at me," he said. "I've just come out of a swimming pool, hot and wet." (God, I knew it would be like this.) He was looking at me intently, searchingly, and our eyes met. I went under twice; I was drowning; and he flicked his gaze away. On the way to Warrie's at midnight, Emile kissed me in the car, his mouth wet and gentle on mine. At Warrie's, more gingerale, more beer, and dancing with the dim light from the porch, Emile's body warm and firm against mine, rocking back and forth to the soft, erotic music. (Dancing is the normal prelude to intercourse. All the dancing classes when we are too young to understand, and then this.) "You know," Emile looked at me, "we ought to sit down." I shook my head. "No?" he said. "How about some water, then. Feel all right?" (Feel all right. Oh, yes. Yes, thank you.) He steered me out to the kitchen, cool, smelling of linoleum, with the sound of the rain falling outside. I sat and sipped the water he brought me, while he stood looking down, his features strange in the half-light. I put the glass down. "That was quick," he said. "Should I have taken longer?" I stood up and his face moved in, his arms about me. After a while I pushed him away. "The rain's rather nice. It makes you feel good inside, elemental, just to listen." I was backed against the sink; Emile was close, warm, his eyes glittering, his mouth sensuous and lovely. "You," I said deliberately, "don't give a damn about me except physically." Any boy would deny that; any gallant boy; any gallant lier. But Emile shook me, his voice was urgent, "You know, you shouldn't have said that. You know? You know? The truth always hurts." (Even clichés can come in handy.) He grinned, "Don't be bitter; I'm not. Come away from the sink, and watch." He stepped back, drawing me toward him, slapping my stomach away, he kissed me long and sweetly. At last he let go. "There," he said with a quiet smile. "The truth doesn't always hurt, does it?" And so we left. It was pouring rain. In the car he put his arm around me, his head against mine, and we watched the streetlights coming at us, blurred and fluid in the watery dark. As we ran up the walk in the rain, as he came in and had a drink of water, as he kissed me goodnight, I knew that something in me wanted him, for what I'm not sure: He drinks, he smokes, he's Catholic, he runs around with one girl after another, and yet ... I wanted him. "I don't have to tell you it's been nice," I said at the door. "It's been marvelous," he smiled. "I'll call you. Take care." And he was gone. So the rain comes down hard outside my room, and like Eddie Cohen, I say, "... fifteen thousand years - of what? We're still nothing but animals." Somewhere, in his room, Emile lies, about to sleep, listening to the rain. God only knows what he's thinking.

donderdag 9 juli 2026

Roel van Duyn • 10 juli 1971

Roel van Duyn (1943) was in 1971 gemeenteraadslid in Amsterdam voor de Kabouterpartij, nadat hij eerder al een van de trekkers van de Provo-beweging was. Panies dagboek verscheen eind 1971.

zondagmiddag 10 juli [briefje]
Lieve Rik, gisteravond heb ik je opgebeld en hoewel je niet thuis was heeft het gesprek dat ik had mijn bewustzijn over de oorsprong van de dingen verscherpt. Iemand nam op en zei dat hij zou kijken of je er was. Toen hoorde ik een tijdje niets. Ik luisterde gekonsentreerd naar dit kostelijke niets. Daarna hoorde ik het piepen van open-gaande deuren op de achtergrond. Het was alsof ik de stilte van het niets zichzelf hoorde binnentreden. De leegte die erop volgde duurde een spannende tijd. Weer hoorde ik het geknars van deuren en het niets. Het niets was door het niets gegaan en was er herboren uit tevoorschijn gekomen. Ik voelde me alsof de dood in me gestorven was. Tenslotte sprak een onbetaalbare stem tot me: 'Er is niemand.' Ik was verheerlijkt en zei dan ook: 'Goedenavond.' Ik had het gevoel dat ik in een onmetelijk diepe put gekeken had en dat de cent die ik erin gegooid had als een gouden tientje in mijn hand teruggesprongen was. • • •

woensdag 8 juli 2026

Ernst Jünger • 9 juli 1942

Ernst Jünger (1895-1998) was een Duitse militair en schrijver (en bloemenliefhebber). Uit: Das erste Pariser Tagebuch.

Vertaling onderaan.

Paris, 9. Juli 1942
Wenn ich die Augen schlieβe, erblicke ich zuweilen eine dunkle Landschaft mit Steinen, Klippen und Bergen am Rande der Unendlichkeit. Im Hintergrund, am Ufer eines schwarzen Meeres, erkenne ich mich selbst, ein winziges Figürchen, das wie mit Kreide aufgezeichnet ist. Das ist mein Vorposten, ganz hart am Nichts — dort unten am Abgrund kämpfe ich für mich.
Die Lindenblüte in diesen Tagen — mir scheint, daβ ich sie niemals so stark und innig roch.

Ich las in der Baudelaire-Übersetzung von Carlo Schmid 'Die Katzen', von denen der zweite Vers besonders gelungen ist:
Nach Wissen gierig und nach tiefen Lüsten,
Sind ihnen lieb das Schweigen und die Nacht;
Zu Rennern hätte Hades sie gemacht,
Wenn sie der Knechtschaft sich zu beugen wüssten.
Die beiden letzten Strophen schildern schön nicht nur den Vorrang der Katzen vor den Hunden, sondern der Ruhe vor der Bewegung überhaupt.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

Parijs, 9 juli 1942
Wanneer ik mijn ogen sluit, zie ik soms een donker landschap voor me, met stenen, klippen en bergen aan de rand van de oneindigheid. Op de achtergrond, aan de oever van een zwarte zee, herken ik mijzelf: een piepklein figuurtje, dat eruit ziet alsof het met krijt is getekend. Dat is mijn voorpost, pal aan de grens van het niets — daar beneden, aan de afgrond, strijd ik voor mijzelf.
De lindebloesem van deze dagen — het lijkt mij alsof ik haar geur nooit eerder zo sterk en zo intens heb waargenomen.

Ik las in de Baudelaire-vertaling van Carlo Schmid het gedicht 'De katten', waarvan vooral het tweede couplet bijzonder geslaagd is:
Bezig met het vergaren van kennis en gedreven door diepe verlangens,
houden zij van de stilte en van de nacht.
Hades zou hen tot zijn renpaarden hebben gemaakt,
als zij zich maar aan knechtschap hadden weten te onderwerpen.
De laatste twee strofen schilderen op fraaie wijze niet alleen de superioriteit van de katten boven de honden, maar ook die van de rust boven de beweging in het algemeen.

Mart Smeets • 8 juli 2012

Mart Smeets (1947) is sportverslaggever en -commentator. In 2012 schreef hij Dagboek van een sportgek. Foto: Iris vetter.

Zondag 8 juli
's Avonds komt, via via, het bericht door dat Taeke Taekema voor de tweede maal de deur is gewezen is door de coach van de nationale mannenhockeyploeg, Paul van Ass. Ik schrik als ik het lees. Hoewel volger op afstand ben ik licht op de hand van Taekema, een kerel die ik zeer acht. Of hij nou een hockeyspeler of strafcorner-inrammer is, daar ben ik nooit uitgekomen. Ik vond zijn robuuste optreden vaak sympathiek overkomen.
Hoe was het ook alweer? Hij was buiten de deur gezet met die andere veteraan, Teun de Nooijer. Van Ass had ze vergeleken met hoge bomen die ervoor zorgen dat de 'lagere struikgewassen en plantjes' te weinig zon krijgen. Daar kon ik Van Ass nog wel in volgen, hoewel zijn woordkeus komisch was. Ik vroeg daarna aan twee bevriende kenners of Taekema in de Indian Summer van zijn loopbaan was of al in zijn late herfst. Beiden twijfelden. Eerder Indian Summer, meenden ze. Ik vroeg: meenemen naar de Spelen? Beiden zeiden: voor de strafcorner, ja. Maar over de verdediger Taekema hadden ze twijfels. Een moeilijke beslissing dus. Op zeker moment vroeg Van Ass Teuntje en Taeke weer terug. Beiden trainden weer mee. De rimpelingen leken uit de vijver, niemand gooide nog steentjes.
Maar nu, vier weken voor het begin van de Spelen in Londen, mietert Van Ass alsnog Taekema eruit en houdt hij vast aan Teuntje. Ik zit in de Tour en lees de tekst van Taeke. Hij heeft lang getwijfeld of hij zijn gevoel in een soort persbericht moest neerleggen. Hij is boos en zegt in best nette taal wat hij van dit alles vindt. Hij laat het belang van het team voorgaan.
Wie heeft hier gelijk, of bestaat er geen gelijk in zo'n situatie? Ik vind dat de coach soeverein moet kunnen beslissen over zijn selectie. Bij de eerste verwijdering uit de selectie vond ik Van Ass' redenering verkeerd geformuleerd. Ik was best blij toen de twee mastodonten terug konden komen in de trainingsgroep.
Dat Van Ass Taeke er nu weer uit gooit omdat hij 'toch niet in het speltype' past, is moeilijker te begrijpen. Deze selectie speelt al twee jaar op deze manier hockey. Was Taekema wellicht vervelend binnen de ploeg? Had hij sterallures? Zat hij in zijn eentje hamburgers te eten, terwijl de rest van de ploeg aan tafel zat? Was hij asociaal? Nee toch? Of was hij niet meer in staat gaten in de verdediging dicht te lopen of snel op te komen op de zwakke zijde van de tegenstander? Of wil Van Ass de selectie wakker schudden met deze actie? Ik noem maar wat.
Ik heb er ambivalente gevoelens over. Ik vind het niet chique gedaan. Zo ga je niet met mensen om en zeker niet met (voormalige) grote steunpilaren van de nationale ploeg. Maar de coach heeft gekozen en rightly so. Dat is namelijk zijn pakkie-an. Van Ass zal straks in Londen moeten bewijzen dat dit speltactisch de juiste beslissing is geweest.
Ik kijk op een betaalkanaal in mijn hotel naar Federer tegen Murray en zie de Zwitser soeverein winnen. Murray huilt zijn verlies weg. In de koers wint de jonge Fransman Thibaut Pinot. De Franse commentatoren schreeuwen zich een weg naar de finish. 's Avonds zitten Marianne Vos en Annemiek van Vleuten aan tafel. Van Vleuten heeft net haar sleutelbeen gebroken. Vos is als winnares van de Giro voor vrouwen op doorreis naar huis. Voor beiden lonkt Londen. Voor Murray en Federer ook, voor Van Ass evenzo. Voor Taekema dus niet. Dat idee knelt omdat ik niet weet waarom Van Ass zo heeft gehandeld.