woensdag 15 juli 2026
Andy Warhol • 16 juli 1978
Zondag 16 juli 1978 • Barbara Allen belde mij 's morgens om naar Forest Hills te gaan naar de tennismatches. Ik stond op het punt te gaan, maar zag toen hoe mistig en grijs het was, zodat ik besloot om het op de TV te volgen en thuis wat te werken. Maar ik ging naar de kerk, en keek na mijn thuiskomst naar de wedstrijden op de TV. Het was Nastase tegen Vitas Gerulaitis. Ik was voor Vitas en hij won. Daarna belden Barbara en Bob om te zeggen dat Vitas iedereen uitnodigde om te komen eten in het Rivet Café in Brooklyn, op de boot, en haalden mij over om te komen. Zij zouden mij komen ophalen. Zij waren er om 10 uur. Barbara liet ons de ring zien die Nastase haar heeft gegeven. Toen kwam Nastase binnen met een pracht van een meid, een fotomodel, en Barbara liep naar boven en barstte in tranen uit. Richard Weisman zei hoe dom het van Barbara was om zo overstuur te zijn, hoewel zij wist dat Nastase getrouwd is en kinderen heeft, enz. Truman zei dat hij een echte rijke vent kende voor Barbara, en dat zij dan drie vliegtuigen en al het geld in de wereld en een huis in Mexico zou hebben. Daar knapte zij wat van op.
dinsdag 14 juli 2026
Ursula von Kardorff • 15 juli 1944
15 juli 1944
Toen ik tussen de middag thuiskwam om gauw wat voor mezelf te koken, zat Fritzi op mijn sofa. [...] Hij vertelde dat een van hun belangrijkste mannen het slachtoffer van een spion was geworden en op 5 juli gearresteerd was. Zijn vrouw, Annedore Leber, had zich teruggetrokken in een ziekenhuis bij het Stettiner Bahnhof, en omdat ik door niemand verdacht word, aangezien ik in hetzelfde bedrijf werk als zij, verzocht hij mij een boodschap over te brengen. [...] Toen fietste ik naar het ziekenhuis. Kwam ongehinderd langs de balie en vond de kamer zonder moeite. In bed lag een jonge vrouw met voor zich een tekenbord met modeschetsen. Ze keek me verbaasd aan. Toen ik uitlegde wie ik was en wie me gestuurd had, zei ze enigszins aarzelend: 'Neemt u me alstublieft niet kwalijk, maar kunt u zich op de een of andere manier legitimeren?' Ik liet haar mijn persoonsbewijs zien. 'U hebt er geen idee van hoe voorzichtig ik moet zijn,' zei ze verontschuldigend. De ban was gebroken, ik kon mijn bericht doorgeven. Ze hoorde het beheerst aan, hoewel ze al zo wit zag dat ze moeilijk nog meer had kunnen verbleken.
Toen verzocht ze me aan Fritzi mee te delen dat de huiszoeking bij haar niets had opgeleverd, de Gestapo-mensen waren onverrichterzake weer vertrokken, afgezien van twee flessen schnaps die ze hadden gestolen. Haar had men voor een verhoor meegenomen. [...] Later had men haar, wonder boven wonder, weer laten gaan.540-2020>
maandag 13 juli 2026
Thomas Mann • 14 juli 1955
Donderdag 14 juli 1955
Maandag, 's morgens 11 uur bij de koningin [Juliana]. De Engels sprekende adjudant met vangsnoeren. Met haar in de tuin, koffie. Uitblijven van haar teken om op te stappen, zodat we babbelend 1 1/4 uur zaten. Haar manier van doen eenvoudig en waardig. K. mocht geen kniebuiging maken. Ik zei vaak 'u'. Krantebericht van het bezoek. Ieder weet ervan. Daarna koffie-tafel bij de Meyers, met wier wagen wij reden. Voortreffelijk. Liet het me smaken. De Hollanders drinken koffie op elk uur van de dag, 's morgens, weer om 11, bij de lunch, 's middags en zo mogelijk ook 's avonds. Helemaal naar mijn zin, en het vochtige klimaat staat het toe.
Het bezoek van de Duitse schrijver Thomas Mann (1875-1955) aan koningin Juliana lag in het verlengde van zijn onderscheiding als commandeur in de orde van Oranje-Nassau, die hem op 1 juli ten deel was gevallen. Een week na het bezoek bleek hij ernstig ziek. Mann overleed op 12 augustus.290-2017>
zondag 12 juli 2026
Søren Kierkegaard • 13 juli 1837
13 juli
Dat ik me op dit moment zo voor Justinus Kerner interesseer, is omdat ik bij hem, hoewel hij een veel groter genie is, dezelfde artistieke onproduktiviteit bespeur als bij mezelf. Tevens zie ik dat er iets aan gedaan kan worden, ook al ontbreekt de feitelijke continuïteit; deze kan alleen maar compleet gemaakt worden door de continuïteit van de gemoedstoestand, waarvan ieder ideetje een bloempje, een soort novellistisch aforisme, een plastische studie is. Terwijl zijn eigen Dichtungen heel veel voortreffelijke, fantastische ideeën bevatten, zijn zijn berichten aus dem Nachtgebiete der Natur zo gortdroog dat je alleen daaruit al het indirecte bewijs voor de waarheid ervan zou kunnen aanvoeren.
13 juli
* Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik zo'n grote afkeer heb van het maken van losse notities; hoe beter ik sommige grote mannen leer kennen in wier geschriften men geen kaleidoscopische opeenstapeling van ideeën aantreft (misschien dat Jean Paul me in dit opzicht door zijn voorbeeld voortijdig huiverig heeft gemaakt), en hoe meer ik me herinner dat een zo'n verfrissend schrijver als Hoffmann notities maakte en dat Lichtenberg adviseerde het te doen, hoe meer ik erachter wil komen waarom een op zich onschuldige bezigheid me zo tegen de borst stuitte, ja me bijna afkeer inboezemde. Ongetwijfeld omdat ik aan een eventuele publikatie dacht, wat inhoudt dat ik ze nader uit zou moeten werken, iets waar ik me maar niet toe kan zetten en, uitgeput door een dergelijke, abstracte mogelijkheid (een zekere literaire oprisping en walging), vervluchtigde het aroma van mijn inval en stemming. Ik denk echter wel dat het goed zou zijn door vaak notities te maken, mèt de navelstreng van de eerste stemming, gedachten te laten opkomen en het plan ze ooit te gebruiken zoveel mogelijk uit mijn hoofd te zetten, omdat ik er toch nooit toe zou komen wat ik geschreven heb te raadplegen; wel zou ik, door uit te hoesten zoals je in een brief aan een goede vriend doet, mezelf althans gedeeltelijk de kans geven op zelfkennis op een later tijdstip, op een soepele schrijfstijl, op de vaardigheid me schriftelijk uit te drukken, iets waar ik tot op zekere hoogte mondeling toe in staat ben, op het aanleren van een arsenaal aan kleine trekjes, waaraan ik tot nu toe slechts vluchtig aandacht heb geschonken en ten slotte, als wat Hamann zegt ook elders van toepassing is, op het profiteren van invallen die iemand maar één keer in zijn leven krijgt. Dit soort oefenen achter de schermen is voor iedereen, die niet zo begaafd is dat zijn ontwikkeling zich in het openbaar voltrekt, zonder twijfel noodzakelijk.
In de marge:
* Besluit gedateerd 13 juli 1837 en genomen in onze studeerkamer des middags om 6 uur. 339-2016>
Ernst Jünger • 12 juli 1942
Vertaling onderaan.
Paris, 12, Juli 1942
Mit einer Frau in einem Laden, in dem es eßbare Schlangen zu kaufen gab. Der Händler zog eine Lade auf und griff achtlos hinein, um dann die Tiere zu präsentieren, die er in der Mitte des Leibes anfaßte. Bevor et sie aushändigte, setzte er ihnen einen kleinen Maulkorb auf, aus dem die Vipernhörnchen wie Fühler zitterten. Wir zahlten für ein mittelgroßes Stück zwölf oder vierzehn Mark. Nach dem Erwachen zerbrach ich mir den Kopf darüber, wer denn die Frau gewesen war. Solche Erscheinungen sind unbestimmt vertraut; oft drängen mehrere Wesen wie Schwester, Frau und Mutter sich in ihnen zusammen wie unter einem Tuch — dem Urstoff der Weiblichkeit. Im blinden Gewebe fühlen, doch kennen wir uns nicht.
Nachmittags bei Valentiner — bevor ich bei ihm eintrat, wühlte ich am Quai noch in den Auslagen herum. Ich nahm die 1520 gedruckte >Doctrina Moriendi< mit, die laut einer handschriftlichen Eintragung von Jean Gerson, dem Kanzler der Kirche von Paris, im 14. Jahrhundert verfaßt wurde. Eine weitere Eintragung von Baluze, dem Bibliothekar von Colbert, weist aus, daß dieses Exemplar in der Bibliotheca Colbertina gestanden hat.
Dann mit der Doctoresse im Louvre, Skulpturen zu be-sehen. Wir aßen zusammen zu Abend bei heiterer Plauderei.
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.
Ik was met een vrouw in een winkel waar eetbare slangen te koop waren. De handelaar trok een lade open en greep er achteloos in. Vervolgens liet hij ons de dieren zien, die hij halverwege hun lichaam vasthield. Voordat hij ze aan ons meegaf, deed hij hun een klein muilkorfje om, waaruit de hoornachtige uitsteeksels van de adders trillend als voelsprieten naar buiten staken. Wij betaalden voor een middelgroot exemplaar twaalf of veertien mark.
Na het ontwaken piekerde ik erover wie die vrouw eigenlijk was geweest. Zulke verschijningen zijn op een onbepaalde manier vertrouwd; vaak lijken meerdere personen – zuster, echtgenote en moeder – erin samen te vloeien, als onder één sluier, tot de oerstof van het vrouwelijke. In dat blinde weefsel voelen wij elkaar wel, maar kennen wij elkaar niet.
's Middags ging ik naar Valentiner. Voordat ik bij hem binnenging, snuffelde ik nog wat tussen de boeken die langs de kade waren uitgestald. Ik kocht de in 1520 gedrukte Doctrina Moriendi, die volgens een handgeschreven aantekening afkomstig zou zijn van Jean Gerson, de kanselier van de Kerk van Parijs, en in de veertiende eeuw zou zijn geschreven. Een tweede aantekening, van Baluze, de bibliothecaris van Colbert, vermeldt dat dit exemplaar zich ooit in de Bibliotheca Colbertina heeft bevonden.
Daarna bezocht ik met de doctoresse het Louvre om beeldhouwwerken te bekijken. We aten vervolgens samen en voerden daarbij een opgewekt gesprek.
Sylvia Plath • 11 juli 1950
11.
Emile. There it is; his name. And what can I say? I can say he called for me at nine Saturday night, that I was still weak from having two wisdom teeth out that morning. I can say that we went on a double date dancing at Ten Acres, that I drank five glasses, in the course of the evening, to the bottom, of sparkling tawny gingerale, while the others drank beer. But that's not it. Not at all. This is how it was. I dressed slowly, smoothing, perfuming, powdering. I sat upstairs in the moist gray twilight, with the rain trickling down outside, while the family talked and laughed with company down on the porch. This is I, I thought, the American virgin, dressed to seduce. I know I'm in for an evening of sexual pleasure. We go on dates, we play around, and if we're nice girls, we demure at a certain point. And so it goes. We walked into the bar and sat down, two by two. E. and I had the initial strangeness to rub off. We began to talk - about the funeral he went to this morning, about his twenty year old cousin who broke his back and is paralyzed for life, about his sister who died of pneumonia at twelve years. "Good lord, we're morbid tonight," he shuddered. And then, "You know something I've always liked ... I mean wanted to like? Dark eyes and blonde hair." So we talked about little things, how words lose their meaning when you repeat them over and over; how all people of the Negro race look alike until you get to know them individually; how we always liked the age we were at best. "I pity Warrie," he said, nodding at the other boy. "He's twenty-two, out of Amherst, and he has to work the rest of his life. When I figure ... only two more years of college."
"I know, I've always dreaded birthdays."
"You don't look as young as you are."
"I don't see," I said, "how people stand being old. Your insides all dry up. When you're young you're so self-reliant. You don't even need much religion."
"You're not by any chance a Catholic?" He asked as if it were quite unlikely.
"No. You?"
"Yes." He said it very low.
There was more small talk, more laughing, sidelong glances, more of the unspoken physical friction that makes each new conquest so delightful. In the air was the strong smell of masculinity which creates the ideal medium for me to exist in. There was something in Emile tonight, a touch of seriousness, a chemical magnetism, that met my mood the way two pieces of a child's puzzle fit together. He has a fine face, dark hair, and eyes with enormous black pupils; a straight nose, a one-sided flashing grin, a clean-cut chin. He is neatly made, with small, sensitive hands. I knew it would be the way it was. On the dance floor he held me close to him, the hard line of his penis taut against my stomach, my breasts aching firm against his chest. And it was like warm wine flooding through me, a sleepy, electric drowsiness. He nuzzled his face in my hair; kissed my cheek. "Don't look at me," he said. "I've just come out of a swimming pool, hot and wet." (God, I knew it would be like this.) He was looking at me intently, searchingly, and our eyes met. I went under twice; I was drowning; and he flicked his gaze away. On the way to Warrie's at midnight, Emile kissed me in the car, his mouth wet and gentle on mine. At Warrie's, more gingerale, more beer, and dancing with the dim light from the porch, Emile's body warm and firm against mine, rocking back and forth to the soft, erotic music. (Dancing is the normal prelude to intercourse. All the dancing classes when we are too young to understand, and then this.) "You know," Emile looked at me, "we ought to sit down." I shook my head. "No?" he said. "How about some water, then. Feel all right?" (Feel all right. Oh, yes. Yes, thank you.) He steered me out to the kitchen, cool, smelling of linoleum, with the sound of the rain falling outside. I sat and sipped the water he brought me, while he stood looking down, his features strange in the half-light. I put the glass down. "That was quick," he said. "Should I have taken longer?" I stood up and his face moved in, his arms about me. After a while I pushed him away. "The rain's rather nice. It makes you feel good inside, elemental, just to listen." I was backed against the sink; Emile was close, warm, his eyes glittering, his mouth sensuous and lovely. "You," I said deliberately, "don't give a damn about me except physically." Any boy would deny that; any gallant boy; any gallant lier. But Emile shook me, his voice was urgent, "You know, you shouldn't have said that. You know? You know? The truth always hurts." (Even clichés can come in handy.) He grinned, "Don't be bitter; I'm not. Come away from the sink, and watch." He stepped back, drawing me toward him, slapping my stomach away, he kissed me long and sweetly. At last he let go. "There," he said with a quiet smile. "The truth doesn't always hurt, does it?" And so we left. It was pouring rain. In the car he put his arm around me, his head against mine, and we watched the streetlights coming at us, blurred and fluid in the watery dark. As we ran up the walk in the rain, as he came in and had a drink of water, as he kissed me goodnight, I knew that something in me wanted him, for what I'm not sure: He drinks, he smokes, he's Catholic, he runs around with one girl after another, and yet ... I wanted him. "I don't have to tell you it's been nice," I said at the door. "It's been marvelous," he smiled. "I'll call you. Take care." And he was gone. So the rain comes down hard outside my room, and like Eddie Cohen, I say, "... fifteen thousand years - of what? We're still nothing but animals." Somewhere, in his room, Emile lies, about to sleep, listening to the rain. God only knows what he's thinking.283-2015>
donderdag 9 juli 2026
Roel van Duyn • 10 juli 1971
zondagmiddag 10 juli [briefje]
Lieve Rik, gisteravond heb ik je opgebeld en hoewel je niet thuis was heeft het gesprek dat ik had mijn bewustzijn over de oorsprong van de dingen verscherpt. Iemand nam op en zei dat hij zou kijken of je er was. Toen hoorde ik een tijdje niets. Ik luisterde gekonsentreerd naar dit kostelijke niets. Daarna hoorde ik het piepen van open-gaande deuren op de achtergrond. Het was alsof ik de stilte van het niets zichzelf hoorde binnentreden. De leegte die erop volgde duurde een spannende tijd. Weer hoorde ik het geknars van deuren en het niets. Het niets was door het niets gegaan en was er herboren uit tevoorschijn gekomen. Ik voelde me alsof de dood in me gestorven was. Tenslotte sprak een onbetaalbare stem tot me: 'Er is niemand.' Ik was verheerlijkt en zei dan ook: 'Goedenavond.' Ik had het gevoel dat ik in een onmetelijk diepe put gekeken had en dat de cent die ik erin gegooid had als een gouden tientje in mijn hand teruggesprongen was. • • •







