donderdag 2 april 2020

José Saramago • 3 april 1996

• De Portugese schrijver (en Nobelprijswinnaar) José Saramago (1922-2010) hield vijf jaar lang, van 1993 tot en met 1997, een dagboek bij dat gepubliceerd werd onder de titel Cadernos de Lanzarote. Een keuze daaruit werd (vertaald door Harrie Lemmens) gepubliceerd in Bzzletin.

11 augustus 1993
We hebben een hond in huis, god weet waarvandaan. Ineens was hij er, uit het niets, alsof hij op zoek was naar een baasje en dat ten slotte had gevonden. Hij gedraagt zich niet als een zwerfhond, is piepjong en je kunt zien dat hij goed is afgericht. Hij doemde op bij de keukendeur toen we zaten te lunchen. Op de drempel bleef hij zitten kijken, langzaam zijn kop heen en weer bewegend, zoals alleen honden dat kunnen: een ware verhandeling over de als nederigheid vermomde verleiding. Ik ben geen hondenkenner, zeker niet als het gaat om minder gangbare rassen, maar dit lijkt me een kruising tussen een poedel en een foxterriër. Als zijn eigenaar niet komt opdagen (het kan ook dat hij moedwillig achtergelaten is, dat gebeurt zo vaak in de vakantietijd), moeten we met hem naar de dierenarts om hem te laten onderzoeken, inenten en registreren. En hij moet een naam krijgen: Pepe heb ik al geopperd, het Spaanse verkleinwoord voor José... Morgen wordt hij gewassen en ontluisd. Hij blaft, voorlopig tenminste, zachtjes, alsof hij niet wil storen, maar hij lijkt duidelijke ideeën te hebben omtrent zijn bedoelingen: dit is mijn huis, ik ga hier niet meer weg.

7 november 1995
Gisteravond, toen ik aan de telefoon de gelukwensen van een vriend in ontvangst nam [voor de toekenning van de Prémio Camões, de hoogste literaire onderscheiding in de Portugeestalige wereld - HL], hoorde ik een vrouw op het braakliggend veld naast het huis gillen: ‘Een dolle hond, een dolle hond!...’ Zo gauw ik vrij was haastte ik me naar de tuin, maar Pilar was me al voor. Aan haar voeten zag ik een donkere vlek die verdacht veel op een hond leek... Dat was het ook, maar van hondsdolheid vertoonde het arme beestje geen kenmerken. De gillende vrouw was gewoon geschrokken, meer niet. De hond kwispelde langzaam met zijn staart en hief zijn kop op, smekend om hulp. Hongerig, dorstig, vuil, zoals iedere zwerfhond. We namen hem mee naar binnen en zetten hem water en eten voor, maar zoals altijd in dat soort gevallen verlamde de angst hem. Pepe gromde, niks blij met de indringer. De vacht van de nieuwkomer, dik en wollig, had grijstinten, een tikkeltje zwart, grauw en bruin, hier en daar wat vaal geel en, als onverwacht sierlijk toefje, een witte vlek op de borst, als een stropdas. Op het eerste gezicht zou je zeggen een poedel, vanwege de vacht, maar zijn stevige kop, zijn brede kaken, zijn scheve ogen en ook de lengte van zijn poten deden eerder denken aan een Canarische jachthond. Pilar stelde de vraag die voor de hand lag: ‘Houden we hem?’ Het was duidelijk van wel, dat we hem zouden houden, en ze voegde eraan toe: ‘Hij is opgedoken op de dag van je prijs, laten we hem Camões noemen.’ Op het moment dat ik dit schrijf lijkt Camões al een ander: hij is naar de dierenarts geweest, gewassen, getrimd, vrijgemaakt van parasieten. Ongetwijfeld wordt dit het huis waar de naam van de dichter dagelijks het vaakst wordt uitgesproken. Dat zou gebrek aan respect zijn als we niet wisten dat hij vele malen slechter is behandeld dan een hond...

3 april 1996
Camões is gegroeid, hij is volwassen geworden. Zijn tanden, die toen hij hier vijf maanden geleden kwam aanwaaien niet meer waren dan een fijne zaag, zijn veranderd in machtige wapens, en zijn hoge stelten, die eerder niet allemaal tegelijk dezelfde kant op leken te kunnen lopen, hebben geleerd hard en trefzeker uit te halen, in staat om welke tegenstander ook te verslaan. Hij kruipt niet meer onder het bed wanneer Pepe last krijgt van zijn Oteliaanse* jaloezie. Nu bijt hij van zich af en hun ruzies zijn vreselijk. Pepe wil zijn gezag van primus occupans niet verliezen en naar het zich laat aanzien wil Camões dat gezag opeisen, hoewel hij er als laatste bijgekomen is. Camões is groter, Pepe is robuuster. Alleen heeft Pepe de gewoonte zijn kop wat scheef te houden onder het vechten en dat is slecht voor hem. Bovendien betekent het, als het handboek gelijk heeft, een eerste teken van zwakte: als een karateka met zwarte band deelt Camões bliksemende trappen uit die Pepe al meer dan eens hebben verwond aan zijn rechteroog. Het is moeilijk ze uit elkaar te halen wanneer ze vechten, het lijkt alsof ze alle woede van de wereld in zich hebben verenigd. Ik word bijna wanhopig van de pogingen ze aan het verstand te brengen dat er voor iedereen plaats is in dit huis.


* Othelliaans? Of misschien verwijst dit naar Otelo Saraiva de Carvalho.

woensdag 1 april 2020

Jiddu Krishnamurti • 2 april 1975

Jiddu Krishnamurti (1895-1986) was een Indiase spiritueel leraar. Op latere leeftijd publiceerde hij een boekje met dagboeknotities.

2 april 1975
[...] Er is geen kennis van het innerlijk, alleen van het uiterlijke. Kennis van het uiterlijke wekt abusievelijk de suggestie dat er ook kennis van het innerlijk moet zijn. Zelfkennis is weinig omvattend en mager; de geest is er zo doorheen, alsof je een rivier oversteekt. Je maakt bij dit oversteken een hoop lawaai en als je dit lawaai voor zelfkennis aanziet betekent dat dat de armoede nog groter wordt. Deze verruiming van bewustzijn is de handeling van armoede. Religies, cultuur, kennis kunnen deze armoede op geen enkel wijze minder maken.
Het is de kunst van intelligentie, kennis op zijn juiste waarde te schatten. Zonder kennis is het niet mogelijk in deze technologische en haast mechanisch geworden beschaving te leven, maar het zal de mens en zijn maatschappij niet transformeren. Kennis is niet de hoogste uiting van intelligentie; intelligentie kan en moet gebruik maken van kennis en transformeert daardoor de mens en zijn maatschappij. Intelligentie is niet louter het cultiveren van het intellect en de integriteit ervan. Het ontstaat uit het inzicht in de totaliteit van bewustzijn, van de mens, jezelf en niet van een deel, een bepaald segment van jezelf. Het bestuderen en begrijpen van de beweging van je geest en hart laat deze intelligentie geboren worden. Je bent de inhoud van je bewustzijn; door jezelf te kennen zal je het universum kennen. Deze kennis gaat het woord te boven want het woord is niet het ding. Vrijheid van het bekende, elke minuut, is de essentie van intelligentie. Deze intelligentie opereert in het universum als je haar met rust laat. Je vernietigt deze heilige orde door onwetendheid omtrent jezelf. Deze onwetendheid wordt nooit verdreven door anderen die jou of zichzelf hebben onderzocht. Je moet de inhoud van je bewustzijn zelf onderzoeken. Het onderzoek dat anderen naar zichzelf, en dus naar jou, hebben verricht, berust op beschrijvingen en dus niet op het beschrevene. Het woord is niet het ding.
Alleen in relaties kun je jezelf leren kennen, niet door abstractie en zeker niet door afzondering. Zelfs in een klooster sta je in relatie met de orde, die het klooster als een vluchtmiddel heeft geschapen, of de deuren naar de vrijheid heeft dichtgedaan. De beweging van gedrag is een betrouwbare gids voor jezelf; het is een spiegel van je bewustzijn; deze spiegel zal haar inhoud onthullen, de voorstellingen, de gehechtheid, de angsten, de eenzaamheid, de vreugde en het verdriet. Armoede is het vluchten hiervoor in identiteit of de sublimatie ervan. Het negeren van deze inhoud zonder weerstand te bieden is de schoonheid en compassie van intelligentie.

dinsdag 31 maart 2020

Esther van Vriesland • 1 april 1942

• Esther van Vriesland (1926-1942) was een Joods meisje dat in 1942 een dagboek bijhield, dat is gepubliceerd als Esther. Een dagboek. 1942.

Gorkum; 1-4-1942 (trein naar Dordt)
Hiep hiep hoera! V.A.K.A.N.T.I.E. De morgen was niet door te komen. We hebben van gym theorie gehad. Ieder om de beurt moesten we voor de klas gaan staan en dan werd er gezegd, wat er aan je mankeerde. Mijn nek moest meer naar achteren (!) meer niet.
De elektrische was vanmorgen 25 minuten over tijd, zodat ik lekker laat bij Hamburger binnenviel. Ik kreeg voor de verandering weer een standje, omdat ik naast Carry was gaan zitten, want Sera was er niet. Ze moest naar de dokter. Onder algebra heeft Clara voorgelezen. Daaronder hebben Sera en ik lol zitten maken, want het was zo'n ernstig verhaal en we waren juist in een vakantiestemming.
Duimel dan toch voor ... De zon schijnt gelukkig. Als zij het maar heel de vakantie volhoudt, dan kunnen we mieters fietsen. Op D.P. was de trein een kwartier over tijd. Iesje is mee gegaan tot Feijenoord, tot zover heeft hij een retourtje genomen. Ik wil ergens aan denken en toch weer niet. Weet je wat dat 'ergens' is? Och, je begrijpt me wel. Wat schrijf ik tegenwoordig in raadselen. Maar als iemand het leest. Toch ben ik anders ook bang om dingen op te schrijven, die ik graag zou willen zien, dat ze gebeuren. Weet je, het komt toch nooit uit.

Gorkum; 5-4-1942
Vrijdag zijn Aty en ik katjes wezen plukken. Wel een half uur lang liepen er twee jongens achter ons aan en eindelijk vroegen ze of ze met ons meemochten. Toen zijn we met z'n vieren gaan plukken en heb ik nog een bosje van één zo'n knul gehad. Ze kwamen uit Rotterdam. De volgende dag weer katjes plukken.
Gisteravond ging mijn hart hevig te keer. Vanmorgen kwam er een hele zwik uit Bommel: Ilse, mej. X, Alex en Henk S. Ik heb van Damen [leraar] huiswerk opgekregen, voor elke dag en moet dat volgende week laten zien.

maandag 30 maart 2020

Alfred Kazin • 31 maart 1934

Alfred Kazin (1915-1998) was een Amerikaanse schrijver en criticus. Delen uit zijn dagboeken zijn gepubliceerd als Alfred Kazin's Journals.

March 31, 1934
[...] I know that I am often shocked by the destinctive quality of my sexual affinities. I love coarse women — the women thiat are frank, volatile, daring, and pre-eminently physical. May it be that the cynical remark that Huxley makes somewhere (in Brief Candles) that prostitutes have a definite service in that they make the advances that so many shy men are inable to make for themselves can apply also to men who see a definite and intoxicating beauty in such women? I feel that I am quite forthright enough in my advances to women, and I am anything but shy and yet I love the atmosphere of brothels, the tangible, earthy, rollicking obscenity of it. I love women who can encompass me and make me feel a partner to a great physical energy and robust charm. What has always revolted me in the position of women in conventional morality is the possessive attitude of men — the attitude that women have no sex promptings of their own. Only prostitutes (quelle ironie!) seem to be forthright and thoroughly honest. And I dream the dream of the shimmering and pear-dripping breasts to be held with my face pressed deep downwards in great, white, hanging breasts — my lips on black nipples and my whole body pressed down in the sudden tingling of desire.

zondag 29 maart 2020

Albert Camus • 30 maart 1940

Albert Camus (1913-1960) was een Franse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeknotities 1935-1951 is in het Nederlands uitgegeven onder de titel Dagboek (vertaling Halbo C. Kool)

Parijs. Maart 1940
Wat het verfoeilijke is in Parijs: de weekhartigheid, het gevoel, de afschuwelijke sentimentaliteit die knap vindt wat mooi is, en voor mooi houdt wat knap is. De teerhartigheid en de wanhoop van die vale luchten, die glimmende daken, die eindeloze regen.
Wat er het hart verheft: de gruwelijke eenzaamheid. Als remedie voor de samenleving: de grote stad. Dat is voortaan de enige woestijn waar men heen kan gaan. Het lichaam heeft hier geen bekoring meer. Het is begraven, verstopt onder wanstaltige huiden. Er is alleen nog de ziel, de ziel met al haar uitspattingen, haar zwelgerijen, haar huilerige gemoedsuitbarstingen en de rest. Maar de ziel ook met haar enige grootsheid: de stille eenzaamheid. Wanneer men Parijs boven van de Butte ziet als een monsterlijke nevel onder de regen, als een vormeloos en grijs gezwel van de aarde, en als men dan terugkeert naar de Calvaire van de Saint-Pierre van Montmartre, voelt men de verwantschap tussen een land, een kunst en een religie. Alle lijnen van die stenen trillen, alle gekruisigde of gegeselde lichamen vervullen de ziel met dezelfde hevige en bezoedelde ontroering als de stad zelf.
[...]

Anaïs Nin • 29 maart 1933

Anaïs Nin (1903-1977) was een Franse schrijfster, die vooral bekend is vanwege haar dagboeken. Dit fragment is afkomstig uit Incest (vertaling Aafke van der Made).

[Eind maart 1933]
Henry vindt nu dat mijn gehoorzaamheid aan zijn seksuele verlangen - ik neem nooit de leiding, en verleid hem alleen maar met koketterie als ik voel dat hij verleid wil worden - de gerechtvaardigde houding van een vrouw is. In die zin is hij heer en meester. Ik wacht altijd. En nu voelt hij zich bevrijd, bevrijd van de liefde van een vrouw - eis, wil, behoefte. Hij komt tot bloei als man, een man die heer en meester is in seks, zoals het hoort. Maar tegelijkertijd is deze gehoorzaamheid alleen mogelijk voor de vrouw die door de heer en meester bevredigd wordt. Ik wéét dat ik niet heel lang hoef te wachten; ik kan vertrouwen op de eeuwig rusteloze, eeuwig vurige penis!

Ernesto Che Guevara • 28 maart 1967

Ernesto Guevara (1928-1967) hield tijdens de laatste elf maanden van zijn leven een dagboek bij. Het is in het Nederlands gepubliceerd als Boliviaans dagboek (Vertaling: Tineke Hillegers-Zijlmans en Frieda Kleinjan-van Braam).

28.3.67
De radiostations zenden onophoudelijk allerlei nieuws uit over de guerrillero's. We zijn omringd door 2000 man in een gebied van 120 km2 en de omsingeling wordt steeds nauwer aangehaald, compleet met napalmbombardementen. We hebben 10 tot 15 man verloren.
Ik heb Braulio aan het hoofd van 9 man weggestuurd om te proberen maïs te halen. Vanavond kwamen ze terug met een heleboel vreemde berichten: 1. Coco, die vooruit gegaan was om ons te waarschuwen, is verdwenen; 2. om 16.00 uur kwamen ze bij de boerderij en constateerden dat de kelder doorzocht was. Toen ze zich verspreid hadden om maïs te gaan plukken verschenen er 7 mannen van het Rode Kruis, 2 doktoren en een paar ongewapende militairen. Men nam hen gevangen en vertelde hen dat de wapenstilstand geëindigd was, maar men heeft hen toegestaan hun weg te vervolgen; 3. er kwam een vrachtwagen vol soldaten en in plaats van het bevel om te schieten kregen ze bevel om zich terug te trekken; 4. de soldaten hebben zich gedisciplineerd teruggetrokken en de onzen hebben de gezondheidsdienst vergezeld tot op de plek waar men de lijken, in staat van ontbinding, aantrof, maar hun mannen konden ze niet opladen en zeiden dat ze morgen terug zouden komen om ze te verbranden. De onzen hebben beslag gelegd op 2 paarden van Arganaraz en gingen terug. Ze lieten Antonio, El Rubio en Aniceto achter op de plaats waar de paarden niet meer verder konden. Op het moment dat we Coco wilden gaan zoeken kwam hij juist opdagen; hij schijnt in slaap gevallen te zijn. Er is nog geen nieuws van Benigno.
De Fransman heeft met wat al te veel heftigheid uitgelegd van hoeveel nut hij in het buitenland voor ons zou kunnen zijn.

donderdag 26 maart 2020

Keith Vaughan • 27 maart 1967

Keith Vaughan (1912-1977) was een Britse schilder. Zijn dagboeken zijn in het Nederlands vertaald door Harry Oltheten, onder de titel Dagboek 1939-1977.

25 maart 1967 Paaszaterdag. H.H. met M. en R. Kwam op woensdag. Van de vorige woensdag tot dinsdagavond de volmaaktste Karezza* ooit. Buitengewoon elan en vitaliteit door de dag heen gevolgd door sessies (elektrisch) van vier tot vijf uren 's avonds. 3 gram Tuinol - perfecte slaap - de volgende dag weer fris. Geen bijeffecten na een milde pijn in de lies die na 48 uur verdween. Ik noteer dit maar om vast te leggen dat dit proces iets unieks en ongelooflijk bevredigends behelst zoals vaak wordt gezegd. Dat ligt vooral in het gevoel datje meester bent over jezelf en in het fantastisch gecontroleerde genot. Het heeft natuurlijk ook te maken met iemands initiële instelling want het werkt niet altijd zo.

27 maart 1967 Vond gisteren een klein wieltje van een stuk speelgoed. Spaken weg, afgebroken, zijn nu nog slechts stompjes - perfecte corona**. Herinneringen aan mijn kindertijd - zelfde vliegwiel voor een masochistisch spelletje. En dit? Had een andere jongen...? Het is een vreemde en ontroerende gedachte. Ik zou graag willen dat het zo was gebruikt. Waarom zou ik de enige zijn geweest? Misschien kwam het wel vaker voor dan je dacht. J.W. 's urethrale fetisj? Had ik hier niet eens over gelezen bij psychiater J. Ik zou zeker gedacht hebben, zoals hij ook deed, dat hij uniek was.


Karezza = Vorm van seksueel verkeer waarin de man niet tot een orgasme wil komen maar zolang mogelijk in de zogenaamde 'plateaufase' blijft verkeren.

Corona = (hier) cockring (corona is de onderrand van de eikel).

woensdag 25 maart 2020

André Van Damme • 26 maart 1951

• André Van Damme (1924-2014) was in de jaren veertig en vijftig militair in het Belgische leger. Hij werd uitgezonden naar Korea, en hield over die periode een dagboek bij.

25 MAART 1951
Het is vandaag Pasen en het was ook een echt hondenweer zoals men dat in de volksmond zegt. Tegenover onze stellingen deed er zich een hevig gevecht voor. Het waren de Porto Ricanen die nu slag leverden.

26 MAART 1951
Vanuit onze stelling werden er drie Chinezen gevonden die zich verscholen hadden, maar toch werden gedood.

27 MAART 1951
Wij verlieten onze stellingen en namen er 8 km verder nieuwe in. Als CQMS zijnde was ik verantwoordelijk voor het eten t.t.z. R+R rantsoenen, later meer hierover ...

28 MAART 1951
Ik bad koffie laten maken en naar de stellingen gebracht. Daar ik een zeer goed contact had met de Amerikanen, kreeg ik in ruil voor Whisky zoveel etenswaren als we maar konden laden van hen. Op de middag kregen de manschappen een menu van aardappelen, tomaten, vlees en koffie, waarbij iedereen tevreden was. Vandaag deed de 187de Airborne Divisie een aanval op berg 607. Het gevecht was hevig en hard waarbij er langs Amerikaanse zijde veel gekwetsten waren.

29 MAART 1951
Het was 09.00 uur en we verlieten onze stellingen en namen de stelling van de Airborne over. Het was een droevig zicht, rechts kwamen de Para's met hun doden en gekwetsten de berg af, terwijl we ons links naar boven verplaatsten. De ontmoediging van deze dappere Airborne mannen was duidelijk waar te nemen. Het herinnerde ons eraan dat deze oorlog ook menselij ke slachtoffers opeiste. Zulke dingen blijven in het geheugen hangen en deze tasten ook het moreel van de manschappen aan. Persoonlijk zal ik dat nooit vergeten. Wij hebben hierbij een 300 tal dode Chinezen geteld en ook nog eens vijf Chinezen gevangen genomen. De Para's hadden 60 man verloren en 400 gekwetsten.

dinsdag 24 maart 2020

Alexander Ver Huell • 25 maart 1863

Alexander Ver Huell (1822-1897) was een Nederlandse tekenaar en schrijver. Uit: Het dagboek van Alexander Ver Huell 1860-1865.

Woensdag 25.
Mijne moeder wordt zwakker. Ik wandel met Marie naar de Zijp. Lieve ontvangst van Mev.w Brandsen en haar jongste dochter. Drinken een glas melk aan de koepel van de Zijp. - Krijg een gouden potlood cadeau van Marie. - Ik gaf haar een bracelet. Van avond is mijn arme moeder zeer zwak. Dr. Everts begint het niet goed in te zien.
11¾. Spreek alleen met mijne Moeder aan haar ziekbed. - Onuitsprekelyke droefheid en gedruktheid van mijn gemoed. Ik had zoo gehoopt dat de ziekte een gunstige keer zoude nemen. - De toekomst is weder donker. Zij verlangt dat wij stil trouwen en spoedig.

Donderdag 26
Gisteren nacht eerst om 3 uur naar bed. Van morgen is mijn moeder iets beter. Ik ga een morgen visite maken bij den burgemeester van Pallandt. Schoone schilderijen Achenbach, Colonna, Bosboom, Lieste enz - Mijnheer stond op (11¼) om mij te ontvangen. Mevrouw de freule ‘en profond négligé’. Rijden visites van 1¾ - 4. Bij Alewijn Cercle wegens de Verjaardag van Mevrouw.
6 uur mijn Moeder weder wat zwakker.

Maandag 30 Maart. Mijne Moeder is weder zwakker. [...]

Dingsdag 31 Maart. Mijne Moeder verkeert in hoogst bedenkelyken toestand. De Doct.r verklaart dat ik mij op het ergste moet voorbereiden. - Wandel met Marie langs Zonsbeek en langs den Spoorweg terug. Schrikkelyke uren, die komen moeten. -

Woensdag 1 April.
Mijne Moeder lydt veel en is zeer zwak.

Donderdag 2 April.
Mijne Moeder wordt zwakker en zwakker. [...]

Donderdag. Schynbaar is het lijden mijner Moeder minder. 's avonds dragen wij haar op de canapé. - Nu en dan heeft zij benaauwdheden uit de maag voor[t]komende. - Tegen tien uren dacht ik dat alles een einde nam. Later bragten wij mijne Moeder weder op haar bed. - Noch ik, noch de meiden gaan even als den vorigen nacht naar bed. - Tegen twaalf uur tracht ik voor den kagchel zittende in mijn ouden studenten-mantel gewikkeld wat te slapen. - Kon het niet doen. - Telkens sloeg mijn moeder den gordijn open om te zien of ik wel bij haar stond. - Tegen de morgen was ik een half uur met haar alleen - zij vroeg mij of ik haar ook nog iets te vragen had - ik had wel een vraag te doen doch verzweeg die, en ben blijde het gedaan te hebben - ik antwoordde ‘neen niets heb ik te vragen dan om vergeving zoo ik u ooit verdriet mogt gegeven hebben.’ ‘O spreek daar niet eens van’ antwoordde moeder ‘en ik vraag u Moeder mij geluk toe te wenschen in mijn verder leven’ ‘Ja geluk, geluk![’] fluisterde zij. Zij bleef kalm en volkomen helder van hoofd. - Sprak over de meiden, verlangde een slaapdrank. - Tegen tien ure kwam de Doctor die mij zeide een poeyer om te slapen te zullen zenden - mijn Moeder begeerde druppels.

3 april
- Naauwlyks was de Doc.r vertrokken toen mijn oom H. de Vaynes kwam. - Mietje was bij mijn Moeder; in de nevenkamer stond ik met mijn oom te spreken, toen wij hoorden dat mijn Moeder weder een kuch van benaauwdheid had - wij gingen naar het bed - het was de doodstuip.
Vreesselyke uren, vreesselyke oogenblikken - het is niet de dood in de romans op het Tooneel. - horror! Maar daarachter ligt de Eeuwigheid. - Mietje zeide mij later dat mijne Moeder naar eene boodschap had gevraagd van freule Bentinck - en daarop om een teug water .. - meenende dat het eene benaauwdheid was gelyk aan de vroegere, had zij mij niet terstond geroepen.
Ik sloot mijne Moeder de ogen.
Hoevele herinneringen mijner Jeugd sterven niet weg met haar. - Zonder broeders of zusters sta ik thans alleen. - Gelukkig is de lieve Marie mij tot een toespraak en troost. -
Verscheiden souvenirs heeft mijne Moeder voor haar famille afgezonderd. - Voor de kleine Louise Aberson eenig geld jaarlyks tot haar 18e jaar. - Ik zal dit kind in mijn bijzondere protectie nemen.

Dingsdag 7 April.
Treurige paaschdagen. - Lieve deelneming van vele zijden. - Ellendige beslommeringen geven gedwongen afleiding. - Schrijf met Marie de communicatie-brieven. - Maak tweemaal in den donker een eenzame buitenwandeling. - Het huis leeg waarin ik geen dag was zonder Mama te zien. - [...]

maandag 23 maart 2020

Boudewijn Büch • 24 maart 1999

Boudewijn Büch was een Nederlandse schrijver en programmamaker. Een boekenkast op reis is zijn 'persoonlijke kroniek' over 1998.

24 maart
Op zoek naar mijn Schrofer-archiefje. Ik kan het niet gemakkelijk vinden. P. zou het zó hebben kunnen opsporen, maar die is er niet meer. Wat ik mij de afgelopen twee dagen vooral herinner: dat ik in de Schrofer-tijd ook al zo ongelukkig en diep melancholisch was.

Nijmegen en Amsterdam, 25 maart
Optreden in Nijmeegse schouwburg. Verschrikkelijk. Ik heb er na tien minuten al geen zin meer in. Vooraf even naar De Slegte. Koop daar wat en laat een veeldelig biografisch woordenboek naar het Amsterdamse filiaal verslepen. Antiquariaat Van Hoorn is altijd leuk. Een van de mannen daar roept: ‘Ik heb twee boeken over het Vierlandenpunt voor je!’ Grapje, maar aardig dat hij het nog weet. Had hem daar een jaar geleden om gevraagd toen ik bezig was het televisieprogramma over het Drie-/Vierlandenpunt bij Vaals te maken. Maar wel heeft hij een ansichtkaart van het (voormalige) Vierlandenpunt. Alleen kan hij de kaart niet meer vinden... Hij zal hem zoeken en later opsturen. Enkele Napoléon-dingen gekocht.

Zwolle, Emmen en Amsterdam, 26 maart
Uit droevigheid naar Zwolle. Waanders is een verdomd leuke boekhandel. Bij De Slegte een curieus ding: Selected speeches van Haile Selassie (1967). Naar Emmen, wat een verdomd eind rijden is dat! Boekhandel Vermeer (Noorderstraat 38-40) is een uitzonderlijk goede boekhandel. Koop wat boeken over het turfsteken en de ontvening van Drenthe, iets dat mij mateloos interesseert. Ik houd van Drenthe. Vroeger kwam ik graag bij meesterdrukker Ger Kleis (die prachtige boekjes van mijn werk heeft gemaakt). We hadden daar enige weken. Ik hield van die man. Nog steeds, overigens, al zien we elkaar nooit meer, maar dat komt door mijn mensenschuwheid. Topoptreden in de Muzeval. Het is en blijft een rare zaal, maar ik ben dol op dat Drentse publiek. De lange reis terug. Moe. Stukjes typen omdat ik voorraad moet maken vanwege de reis naar Amerika. Typ met vermoeide ogen tot aan de ochtend.

zondag 22 maart 2020

Curzio Malaparte • 23 maart 1948

• De Italiaanse schrijver Curzio Malaparte (1898-1957) voelde zich in 1947 bedreigd door het ‘fascisme van het antifascisme’ in Italië, en vertrok naar Parijs - waar hij zich ook niet heel erg thuis voelde. Zijn dagboek uit die tijd geeft een tijdsbeeld van een grote Europese stad vlak na de oorlog, waar schrijvers en kunstenaars nieuw artistiek en ideologisch houvast proberen te vinden. Een vreemdeling in Parijs, vertaald door Jan van der Haar.

23 maart, Chamonix.
Van tien uur ’s avonds tot twee uur ’s nachts ben ik op de drempel blijven zitten om met de honden mee te blaffen.
Nu kennen ze me, praten ze met me. Ook Tommy, de hond van **** die niet wilde reageren, kent me nu, hij praat, reageert.
De maan hing recht boven de Aiguille de Blaitière, en de sneeuw bezat een fantastische transparantie, de lucht had dezelfde transparantie van de zee onder de maan. De Aiguille du Midi en de Aiguille du Goûter werden zachtgroen in de lucht weerkaatst, de sterren schitterden op de gletsjers, de geduchte bergen bezaten een fantastische transparantie en lichtheid, ze leken gemaakt van ongrijpbaar materiaal, van hetzelfde zeeschuim als waar Venus van was gemaakt.
Op de drempel van mijn huis blaf ik langdurig en de honden reageren overal vandaan, van het chalet boven de teleski, van het huis voor de familie Plans: het zijn de honden van Roger Demarchi, Greppon de gids, de honden Mireille en Diane van de broer van Roger Demarchi, die vlakbij woont, in het huis na de fontein van de Plans. Het is de hond van Gérard Simond, de maffe, mooie Tex, die reageert vanuit het huis van de Plans, bij de rivier. Ik ken ze allemaal, een voor een, en zij kennen mij allemaal, ze kennen mijn stem en ze reageren, praten met me, verstaan precies wat ik zeg, want ik ken hun taal. Het is mijn enige genoegen in het leven, ’s nachts de honden roepen en met ze praten.
Op Lipari heb ik met honden leren praten, ik had alleen maar honden om mee te praten, ’s nachts ging ik het terras op van mijn sombere huis aan zee, op de helling van Santa Teresa bij het kerkje, naast de weggetjes van het Inferno, van Diana, Mars, Pluto, Neptunus, Proserpina, de weggetjes met de mooie klassieke namen. Ik leunde tegen de balustrade van het terras en ik riep Eolo, de broer van mijn hond Febo, ik riep Vulcano en Apollo, en Stromboli, allemaal honden met klassieke namen, en de hond van Valastro, de hond van Nicosia, de honden van mijn vissersvrienden, die zelf ook klassieke namen hebben, Nicosia, Valastro, Amendola, Fenech, Griekse namen, Fenicische namen. Urenlang bleef ik op het terras blaffen naar de honden, die reageerden, en de vissers van Marina Corta noemden me ‘de hond’. Ze deden hun beklag bij de carabinieri, en ik werd gesommeerd af te zien van het nachtelijk blaffen naar de honden, omdat de vissers bang waren me te horen blaffen naar de honden.
Ook op Capri praat ik met de honden van Matromania, die ’s nachts naar Matromania komen om met me te praten, en de inwoners van Matromania noemen me de dwaas. En toen de Amerikanen op Capri waren geland, deden ze hun beklag bij de Amerikanen, ik werd ontboden door de gouverneur, hij vroeg of ik het was die ’s nachts blafte. Ik zei van ja, dat ik het was. En de Amerikanen sommeerden me af te zien van het nachtelijk blaffen naar de honden. Maar ik klaagde erover bij de Engelse admiraal Morse, de bevelhebber van de vlootbasis op het eiland, en admiraal Morse zei: ‘U hebt het recht om te blaffen, als u dat prettig vindt, want Italië is nu vrij. Er is geen Mussolini meer. U mag blaffen.’
Ook in Parijs blafte ik naar de honden, vanaf mijn terras in de Rue Galilée, maar het waren geen honden die reageerden, maar katten, de kat van mijn conciërge, Madame Campio, de kat van de directeur van France Dimanche, Monsieur Max **, die tegenover mij op nummer 59 woonde, de kat van de eigenaar van Bar Triolet, Corso, en de kat van Hôtel **, die van Hôtel **, en ik moest ophouden in de hondentaal tegen de katten te praten, want de katten wilden er niets van weten en scholden me uit.
Maar hier in Chamonix mag ik de hele nacht blaffen, als ik dat wil, want de inwoners zijn welgemanierd, ze houden van honden en weten dat niets een man alleen gelukkiger maakt dan blaffen naar de honden. Toen Ruskin in Chamonix woonde, blafte ook hij ’s nachts naar de honden, het is in Chamonix overbekend dat vreemdelingen ’s nachts graag mogen meeblaffen met de honden.
Niettemin kwam gisteravond de grote herder van de boerderij die boven de kabelbaan ligt, bij de steen van Ruskin, de steen waarop Ruskin graag urenlang zat te kijken naar de kleine gletsjer onder aan de Aiguille de Blaitière, (‘onder aan de Aiguille de Blaitière ligt een kleine gletsjer die door de schitterende welving van zijn omtrek goed lijkt te passen bij de rotsen die hij domineert’), gisteravond kwam de grote herder, Tom, op mij af. Ik hoorde zijn stem vlakbij, hij vroeg: ‘Wat heb je?’ Ik zei dat ik niets had, maar hij vertrouwde het niet, hij geloofde me niet en kwam naar me kijken, hij liep op me af, besnuffelde me, ging in de sneeuw naast me zitten en samen hebben we alle anderen geroepen, die overal vandaan reageerden door de transparante nacht in het licht van de wonderbaarlijk zuivere sneeuw.
Er is immers geen zuiverder genoegen dan ’s nachts meeblaffen met de honden, op een mooie vriesnacht in het zachte, transparante schijnsel van de sneeuw.

I.S. Toergenjev • 22 maart 1861

• Uit een brief van de Russische schrijver Ivan Sergejevitsj Toergenjev (1818-1883) aan zijn vakbroeder Leo Tolstoj. Uit: Brieven (vertaald door Tom Eekman).

Parijs, 22 maart 1861
Ik kan je zonder omhaal zeggen, beste Tolstoj, dat je brief me erg blij maakte – hij betekende het einde van de, zoal niet vijandige, dan toch koele verhouding die tussen ons bestond. Ons laatste weerzien in Parijs wees daar al op – ik schreef daarover juist gisteren aan je zuster; maar wat wij beiden al beseften, ieder voor zichzelf, is nu uitgesproken – en het is uit met de misverstanden van het verleden. Ik ben er zeker van dat wij elkaar in Rusland als goede vrienden zullen ontmoeten en dat zullen blijven zolang God ons laat leven. Alleen de jeugd staat het vrij het (d.w.z. het leven) te bederven, maar jij en ik zijn niet zo jong meer. Nogmaals mijn dank dat je op het idee kwam mij deze brief te schrijven, die met één slag en voorgoed de vroegere ontwrichting heeft rechtgetrokken.
De lang verbeide, maar toch nog plotselinge berichten uit Rusland hebben nog sterker het verlangen in mij gewekt naar huis terug te gaan. [...] De gedachte aan de aanstaande reis en mijn verblijf in Rusland houdt me bijna onophoudelijk bezig; ik zie mezelf in mijn verbeelding al met Fet, Borisov, en sinds vandaag ook met jou, in onze velden en bossen en houten huisjes – ik droom over op jacht gaan enz. enz. Eén ding is tragisch: je goede en onvergetelijke broer Nikolaj zal er niet meer bij zijn!

Sofia Tolstoj • 21 maart 1981

Sofja Andrejewna Tolstaja (1844-1919) was de echtgenote van de Russische schrijver Leo Tolstoj. Gedeeltes uit haar dagboeken zijn gepubliceerd in Dagboek (vertaling Tom Eekman).

21 maart
[...] Ljovotsjka [Leo Tolstoj] is bijzonder lief, opgewekt en mild. Dat heeft, helaas, een oorzaak: als degenen die met zoveel eerbied De Kreutzersonate lezen maar een ogenblik het liefdeleven konden observeren dat Ljovotsjka leidt - en alleen dat maakt hem opgewekt en goedgeluimd -, wat zouden ze dan hun afgod van het voetstuk gooien waarop ze hem gezet hebben! Maar ik houd van hem zoals hij is, gewoon, met zijn goede en minder goede gewoonten. Een mens moet geen dier zijn, maar ook niet met alle geweld een prediker van waarheden die hij zelf niet kan hooghouden.
[...]

• In haar dagboeken beschrijft Sofia Tolstoj haar 48 jaar durende huwelijk met Leo Tolstoj (1828-1910). Hoewel ze een sterke en artistieke persoonlijkheid was (ze schreef en fotografeerde), stelde ze haar leven volledig in dienst van de grote schrijver met al zijn nukken.

donderdag 19 maart 2020

Marko Fondse • 20 maart 1984

Marko Fondse (1932-1999) was vertaler van (vooral) Russisch en (vooral ) Vladimir Majakovski. Over het vertalen van die laatste schreef hij in De tweede ronde.

Amsterdam, 20 maart 1984
Nico Slothouwer brengt me de drukproeven van Ik heb lief. Hij wijst me op de regels Maar ik had/voor één flakkertje geel/op de muur toen/de wereld overgehad. Dan stopt hij me Adriaan van Dis' stuk ‘Kleurbeneveling’ (NRC Handelsblad 5-3-'84) onder de neus, een interview met Breyten Breytenbach. Een schokkend stuk over de kleurhonger van een langdurig gevangene. Breytenbach zat meer dan zeven jaar, Majakovski maar vier maanden achtereen geïsoleerd. Wat een reliëf krijgt zo'n stukje tekst opeens. Luister:
‘Als je op de luchtplaats een overgewaaid fladdertje papier zag - een rode of blauwe toffiewikkel - dan was dat voor ons als de vondst van een exotische bloem. Wat in zo'n omgeving telt, is de aardse waarde van kleur. Het is niet meer verbonden aan een bepaald object. Een snipper kleur was net zo belangrijk als onze wekelijkse vrucht. Als gevangene ben je een slachtoffer van zintuiglijke verhongering. Je ervaart kleur zonder associatieve echo's, zonder waardebepaling. Blauw als blauw, rood als rood.’ (...)
‘Een ex-gevangene herken je aan zijn uitspattend taalgebruik (mijn cursivering, mf). (...) Als een ontsnapte gevangene opnieuw werd binnengebracht, droeg hij vaak de bontste kleren. Je verliest na zo'n grauwe tijd je kleurinhibities. Je stoort je niet meer aan esthetische regels. De meest kokende kleuren zijn welkom.’
Breytenbach en Majakovski, beiden schilders, beiden dichters, beiden ex-gevangenen. De jonge Majakovski over wiens uitspattend taalgebruik Chodasevitsj zo valt, maakte schandaal door in een kakelgeel hemd te flaneren. Ik moet dit stuk naar de Literatoernaja Gazeta sturen.

[...]

woensdag 18 maart 2020

Jozef van Walleghem • 19 maart 1795

Jozef van Walleghem (1757-1801), een Brugs handelaar in garen en linten die een winkel hield op de Eiermarkt, hield van 1787 tot 1800 een journaal bij, dat eind vorige eeuw door het Stadsarchief van Brugge gepubliceerd is. Zijn dagboeken gaan over de cruciale periode van de Franse Tijd te Brugge.

(19 maerte 1795)
Op den 19 maerte verneemt men dat geduerende den gepasseerden nagt wederom op de parochie van Lichtervelde een overgroote moetwilligheijd plaetse gehadt heeft. Twee moorders en dieven, een voorduer van een hofstede ingestooten hebbende, zouden man en vrouw, bewoonders van het huijs, teenemael vermoort hebben, die reets zeer geslaegen zijn, zoo de honden door hun gebas de naestwonende gebuers niet hadden ontwakt, die de moorders hebben verdreven, een gelaeden pistool en ander moortuijg agterlaetente in hunne haestige vlugt, zonder welke die twee persoonen vermoort waeren.

(20 maerte 1795)
Op den 20 maerte [...] zaeg men wederom aen alle de huijsen deser stadt het drijcaleurig vaendel waeijen, dog op 't carilion wiert niet gespeelt, ter oorsaeke dat den commandant Lacombe der stadt Brugge zig onpasselijk bevint, waerom sedert agt daegen ook is verboden geworden dat er op d'uren en half uren op 't carilion gespeelt wordt, zoodat alles nu zoo stil is alsof het in de goede week zoude zijn.

dinsdag 17 maart 2020

Miroslav Krleža • 18 maart 1916

Miroslav Krleža (1893-1981) was een Kroatische schrijver. Raster wijdde in 1996 een themanummer aan hem, waarin ook dagboekfragmenten waren opgenomen.

18 III 1916
Neem Chopin, de Bijbel, het Partenon of Baudelaire, van Gogh, Rimbaud. Zo geformuleerd krijgt het leven zin. Vanochtend brak een zonnige, harmonische, heldere, kalme ochtend aan, alsof alles rondom ons niet bestond.

De leegte in de Hongaarse feuilletons. De Boedapester driehoek overheerst. Hij en zij en hij. Of hij en twee zij's. Niet meer. Alleen dit. En altijd hetzelfde. Wie zal met wie slapen? Zij met hem, of hij met die andere? De derde schrijft brieven, reist of pleegt zelfmoord. Over het algemeen: de derde lijdt.

maandag 16 maart 2020

Paul van Ostaijen • 17 maart 1928

• De Vlaamse dichter Paul van Ostaijen (1896-1928) overleed op jonge leeftijd aan tbc. De brieven die hij schreef toen hij voor zijn ziekte behandeld werd, zijn gebundeld als Brieven uit Miavoye. Dit is zijn laatste brief; hij overleed een dag later.

Miavoye, 17-3-28
Mijn beste Oscar,

Gij zult er niet aan twijfelen dat de brief die gij mij stuurt er een is moeilik te beantwoorden voor mensen van onze stempel.
Zeker zeg ik het volgende: ik moet nu terug. Ik kan niet mijn twee laatste duizend frank verteren. Ik heb er nu reeds tien duizend verteerd, waarvan twee duizend van de staat, ze mogen het weten. Ik moet er dus iets op vinden. De goede maanden ga ik te Antwerpen doorbrengen, zodat ik rond 1 September terug naar Miavoye kom en dat is nog zo geen kwaad systeem voor mensen die geen onuitputtelike fond hebben en wellicht intussen te Antwerpen ook een stuiver kunnen verdienen.
Maar gij spreekt daar stout: ‘de vrienden en ik zullen er wel iets op vinden’. Beste Oscar, wat uw offervaardigheid betreft, daaraan twijfel ik niet, stel die nochtans buiten vraag, want wij zijn mensen die 't allemaal nodig hebben. Maar dan de vrienden! Pas toch op ze te veel te binden.
Maar dat is niets, ik moet nu toch 25 Maart naar A. voor zaken. Moesten ondertussen de staat of enig ander organisme goed nieuws brengen, moest gij iets kunnen doen, ik ben bereid terug te vertrekken. Maar er zijn van de andere kant officiele mensen genoeg die al lang weten dat ik ziek ben en hoe ziek ik ben nu en die niet bewegen.
Zoniet is mijn systeem het beste, het goede seizoen te Antwerpen, het andere buiten. En het is reeds goed indien ik dat realiseren kan.
Met de hartelikste groeten, beste Oscar en liefste Mia, en mijn dank voor de bekommernis in mijn aangelegenheden van tans.

je Paul

zondag 15 maart 2020

Sergej Prokofjev • 16 maart 1927

Sergej Prokofjev (1891-1953) was een Russische musicus en componist. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij, waaruit gedeeltes in het Nederlands zijn gepubliceerd onder de titel Dagboek 1907-1933 (vertaling Arie van der Ent). Prokofjev (1891-1953) verliet Rusland in 1918 – om er in 1936 definitief terug te keren. Hij overleed op dezelfde dag als Stalin, een uurtje later.

16 maart 1927
’s Morgens kwam de zus van Gortsjakov langs. De revolutie en de opmars van de bolsjewieken naar het zuiden hadden haar van haar familie gescheiden. Destijds had ze geprobeerd naar Roemenië over te steken, de grensrivier over te zwemmen, maar dat was misgegaan. Nu volgde ze een of andere medische opleiding, had amper te eten en zag er verwilderd en wantrouwig uit, zodat het heel wat vriendelijke woorden kostte om een menselijk woord uit haar te krijgen. Ze bleek vooral bang te zijn na afloop van haar studie ergens naar het platteland te worden gestuurd. Daarom beloofde ik mijn best voor haar te doen bij de heren doktoren uit de directie van de Filharmonie.
[…] Tot nu toe hadden we vergeleken met Kiev in Odessa weinig verwoestingen gezien [...] Maar nu, op weg naar Arkadia, kwamen we juist op de boulevard waarlangs de bolsjewieken destijds hadden aangevallen en waar de artillerie van beide kanten te keer was gegaan. Hier lagen heel veel destijds buitengewoon deftige huizen en villa’s in puin. [...] Op het station werden we uitgezwaaid door min of meer dezelfde mensen die ons afgehaald hadden, hoofdzakelijk doktoren, omdat het OFG (Odessitisch Filharmonisch Genootschap) om een of andere reden onderhouden wordt door doktoren. Ook Gortsjakova was er, met een bosje viooltjes, en ik vertrouwde haar toe aan de zorgen van doktor Sigal, een van de invloedrijke leden van de medische organisatie, die vanzelfsprekend bereid was alles voor me te doen en later niets voor haar bleek te hebben gedaan.

Thura Al-Windawi • 15 maart 2003

• In de aanloop naar de Irak-oorlog begon Thura Al-Windawi (1983) een dagboek. het werd in het Engels vertaald door Robin Bray en gepubliceerd als Thura's diary. A young girl's life in war-torn Baghdad.

Saturday, 15 March 2003
Dear Diary,
What is happening to my city? My family and I drove past the passport office in Baghdad today. There was a huge line, with hundreds of people pushing and shoving to get to the front. They're trying to run from this hell.
I have always known this war was coming, but now, for the first time, it seems real. People are not acting as they usually do. They are starting to panic. I wonder if any of them will be leaving relatives behind to save themselves.
My family saw the crowd too. My sister Aula said she thought the people looked funny. In a way, the scène reminded me of when we lived in England and there was a sale at a department store; customers would start lining up the day before so they could get the best deals. And when the doors opened, they would rush in with no respect for order, climbing all over each other. But my mother didn't see anything to laugh about in this situation. She turned to my dad in a nervous way and I heard her ask him to get our passports in order. He did not reply.

Siet Zuyderland • 14 maart 1981

• Kunstenaar Siet Zuyderland (1942) tekende strandvondsten na, en hield daarvan een dagboek bij.

Woensdag 11 maart
Een opzet gemaakt van krat VII. Een krat van de Melkunie, nog geheel gaaf, die kan ik na de tekening af te hebben weer keurig inleveren bij de melkwinkel tegen statiegeld.
Het ding ziet er vreselijk uit, behalve saai ook nog knalgroen, maar ergens heeft het iets technisch. De ronde gaten in de bodem verbonden met strips lijken soms propellers, misschien als ik daar het accent op kan leggen dat het iets kan worden.

Donderdag 12 maart
De gehele dag doorgewerkt aan de opzet; maar weinig opgeschoten, van alles wat gedaan, dus eigenlijk niets.
's Avonds naar Amsterdam.

Zaterdag 14 maart
Op bijna alle tekeningen met schoenen erop ‘teervlekken’ aangebracht, misschien moet ik daar nog verder mee doorgaan, bijvoorbeeld met mijn ogen dicht vlekken en krassen aanbrengen.

Maandag 16 maart
‘krat VII’, de Melkuniekrat, uitgegumd. Ik probeer nu de tekening met okerpotlood op te bouwen en alleen de propellers met groen te accentueren.

Donderdag 19 maart
Sinds lange tijd weer eens op zoek geweest naar nieuwe voorwerpen; op het strand een ijzige wind en niets gevonden. Redelijk gewerkt aan krat VII.

Vrijdag 20 maart
Langs het strand gewandeld en een klein oud coca-cola kistje en een groene versleten poets-, verf- of schoonmaakrol meegenomen. De tekening van krat VII wordt zo technisch, dat ik me begin te vervelen.

Zaterdag 21 maart
Naar Antwerpen; elf strandtekeningen meegenomen om daar te laten inlijsten.

donderdag 12 maart 2020

Jean-Paul Sartre • 13 maart 1940

• De Franse filosoof Jean-Paul Sartre (1905-1980) schreef Schemeroorlog (vertaald door Frans de Haan en Marianne Kaas) toen hij in 1939-1940 vanwege de oorlogsdreiging onder de wapenen was geroepen.

Woensdag 13 maart 1940
Rare verandering in mijn stemming. Gisteren, omstreeks zes uur, begint het me plotseling te schemeren voor de ogen, ik zie bijna niets meer en een kwartier lang ben ik angstig en nerveus, een angst die nergens op is gebaseerd en die ik in 1935 voor krankzinnigheid aanzag. Het gaat weer over en voor de rest van de avond ben ik uitgeteld. Waarop ik, vanmorgen, wakker word met een gevoel van geluk, een raar soort geluk met een blinddoek voor, een geluk uit gemis. Ik die tot gisteren overgevoelig was en aan alle kanten over mijn universum uitgestrekt als een spinneweb – zo weinig in mijn smalle heden, net genoeg om de tijd te voelen verstrijken, nu opeens heb ik me opgerold als een bal, ik ben lui, zuinig, gierig zelfs, uit onmacht mijn zorgen op te blazen tot op de schaal van mijn werkelijke leven. Met Parijs, mijn toekomst, of de toekomst van de groep waartoe ik behoor, houd ik me niet langer bezig. Op een laag pitje; lui in een ingekrompen universum; ik heb een soort lichtzinnig, nors besluit genomen me niet te laten dwarszitten. Gelukkige onverschilligheid, genoegens van een zwakzinnige: nauwgezet los ik de kruiswoordpuzzels uit Marianne op, Le Canard enchaîné vind ik leuk. Alle voorwerpen om me heen fascineren me en houden me in hun greep, ik verlies me erin. Nog steeds zeer vermoeide ogen.

woensdag 11 maart 2020

Luc Vercauteren • 12 maart 2016

Luc Vercauteren (1975) fietste in 2016 van Maastricht naar Teheran, en publiceerde zijn fietsdagboek van die reis onder de titel Grenzeloos geluk.

12 maart 2016
Wietplanten in Passau
Via het Main-Donau kanaal bereik ik Passau, in Zuid-Duitsland. Vanaf hier wil ik de Donau volgen tot ergens in Roemenië of Bulgarije. Daar ben ik nog niet over uit. En het hangt ook af van waar ik kan overnachten. Ik verblijf hier voor één nacht bij een Duitse student, Peter. Hij woont met twee andere studenten in een ietwat vervallen, naoorlogs flatgebouw aan de rand van Passau. Zijn huisgenoten zijn er niet en ik kan kiezen welke van de twee kamers ik wil. Ik ga voor de kamer met een groot tweepersoonsbed. Peter is een enthousiaste, energieke jongen. Hij studeert informatica aan de universiteit. Niet direct het type student waarbij je je eigenaardige dingen in het hoofd haalt.
Hij heeft nog wat rijst van de dag ervoor staan, en nog een paar kippenboutjes. Samen met de ratatouille die hij van z'n moeder heeft gekregen, maakt hij een maaltijd. Hij is fan van kruiden; hij strooit er van alles op. Smakelijk eten, is het.
Na het eten roken we samen een sigaretje op het balkon. Ik ben niet verbaasd dat zijn kamer én de grootste, én die met het balkon is. Op zijn kamer liggen overal kleren, boeken en papieren. Zijn te grote kledingkast past niet bij de inrichting. Hij vertelt dat die nieuw is, dit in tegenstelling tot de rest van het meubilair. Voor ik er erg in heb schuift hij de deuren van de kast open. Hij heeft deze omgebouwd tot een kleine wietplantage. Vol trots kijkt Peter mij aan, en deskundig legt hij uit hoe het allemaal functioneert. Het lijkt op een waterdicht verhaal. Alleen dat hij het slechts voor eigen gebruik rookt, klinkt en lijkt me ongeloofwaardig. Ik heb geen zin in wiet, en s avonds gaan we waterpijp roken in het centrum van Passau. Ik heb frambozensmaak.

dinsdag 10 maart 2020

Judith Herzberg • 11 maart 1980

Judith Herzberg (1934) is een Nederlands dichteres en toneelschrijfster. In 1980 hield ze tijdens de draaidagen van de film Charlotte, waarvoor zij het scenario geschreven had, een dagboek bij, dat is gepubliceerd onder de titel Charlotte.

dinsdag 11 maart
Op weg naar de studio vertelt Angelica me weer een verhaal dat Hochhut geschreven heeft, over een Duitse vrouw, in de oorlog, die liefde opvat voor een Poolse krijgsgevangene die haar in haar groentewinkel helpt. Ze worden aangegeven door een jaloerse buurvrouw en verdwijnen in een KZ. Ze vertelt het met ontzetting, ik denk: alleen in verhalen komt de geschiedenis over.

In de studio wordt de scène waarin Albert aan Charlotte zijn portret geeft, gerepeteerd. Het wordt heel ingehouden gespeeld, Charlotte en Albert allebei even verlegen. Hij geeft haar zijn foto: 'Opdat je me niet meteen zult vergeten. Zij gaat even op zijn knie zitten, aait over zijn hoofd. 'Over een maand zien we elkaar weer,' zegt ze, troostend.
Hoewel ik die scène zeker honderd keer op papier heb gezien, heb ik de kracht ervan nooit ondergaan. Nu ik het gespeeld zie komt er een fysiek ding in me dat meestal brok-in-keel genoemd wordt maar wat meer lijkt op egel-in-maag. Ik loop naar een lege kamer en zou het liefst keihard willen brullen, tranen zijn niet afdoende. Had van deze scène zo iets helemaal niet verwacht. Hoe komt het? Juist omdat niet op emotionele qui-vive? In een korte pauze komen in de kamer naast me Iduna (make-up en haar), Frans en Birgit even bij elkaar om over het kapsel van Birgit te overleggen. Ze zien mij niet. Hun actieve betrokkenheid vind ik opeens heel erg benijdenswaard. Om nu met kam en poederdoos in de weer te kunnen gaan. Maar bij de volgende 'take' komt opeens Iduna opnieuw de kamer in waar ik zit. Ze is even gevlucht, het werd ook haar opeens te machtig.

Als ik tegen Max zeg, later, dat ik het mooi vond, zegt hij dat je natuurlijk nog niet kunt beoordelen of het zal werken in de film. Dat het nu op mij zo werkt zegt niet zo veel. 'Je moet het spélen weet je, je moet er niet hele maal in wegzakken, dan wordt het pap. Het zijn de teksten niet, het zijn de stiltes. Maar om stilte te maken moet je ook woorden hebben. En de situatie natuurlijk.'

[...]

maandag 9 maart 2020

Willem de Clercq • 10 maart 1840

Willem de Clercq (1795-1844) was een Nederlandse handelsman. Uit: Naar zijn dagboek (1869).

(10 Maart)
‘'s Middags bleef ik nog schrijvende te huis en nam, voor ik naar den familiedag ging, dat ontzettende Handelsblad van 11 Maart op, waarin het huwelijk van den koning [Willem I] als stellig wordt beschouwd. Dit kan eene dreuning in alles geven en kan ver gaan. Kan de natie zulk een hoon dragen. Eene Belgische en Katholieke vrouw? ** De koning zet wel zijn va tout op het spel. Men heeft de geruchten vele dagen lang verspreid, doch ik hechtte er hoegenaamd voor mij geen geloof aan en hield alles voor aktiespel. Ik was er diep van getroffen, en zoo was ook het gevoel op den familiedag, waar wij later waren en waar het gesprek vrij en hartelijk was. Op de beurs was veel onrust. Andringa de Kempenaer, gewezen officier, personeel vijand van het goevernement, liep overal rond, deze tijding verkondigende, en daarbij voegende: ik heb het wel gezegd. Het vroege komen van den koning in Amsterdam dit jaar had gefrappeerd; nu wordt alles in verband gebracht. Men zegt, dat de koning het Zondag aan eenige menschen zou meêgedeeld hebben. Heer, bewaar onze lippen en harten. Gij regeert.’

(13 Maart).
‘De groote tijding blijft die wegens den koning, en zij wordt op alle wijze beoordeeld en geëxploiteerd. Ondertusschen ligt alles nog als achter een sluier, en ik kan er ook met weinigen over spreken. De beurs is geschokt. Het Handelsblad verdedigt zich met waardigheid tegen de aanvallen van de Arnhemsche Courant, die zich over de zaak verheugt, omdat de koning zijne populariteit verliest.’

(19 Maart).
‘Met belangstelling leest men in het Handelsblad, dat de drie leeraren Ds. v.d. Meulen, Broes en Weiland zich naar den koning hebben begeven, - men vermoedt wegens het huwelijk; - en drie kwartier met hem gesproken hebben.’

(20 Maart).
‘De koning moet hen met veel beleefdheid ontvangen hebben, doch hun tevens hebben doen opmerken, dat dit een geheel persoonlijke zaak was, en dat hij zich daarin zoo hoopte te gedragen, dat de liefde en achting, die hij nu zoovele jaren van de natie had ondervonden, daardoor geen schade leed.’

**
Wikipedia: In Berlijn trouwde Willem I op 17 februari 1841 met de rooms-katholieke H.R. rijksgravin Henriëtte d'Oultremont de Wégimont, een voormalige hofdame van Willems eerste echtgenote Wilhelmina. Hoewel ze van vaderskant afstamde uit een Waalse adellijke familie was zij in Maastricht geboren en daarmee Nederlandse van nationaliteit. Willem had haar al willen trouwen toen hij nog koning was, maar zijn familie en ministers verzetten zich tegen dit morganatisch huwelijk. Zijn oudste zoon, inmiddels koning, bleef zich na de huwelijksvoltrekking tegen de verbintenis verzetten en deelde zijn vader mee dat het huwelijk in Nederland ongeldig was. Zijn vader kondigde daarop aan in Den Haag opnieuw met haar in het huwelijk te treden. Om een publiek schandaal te voorkomen gaven Willem II en zijn ministers alsnog toe en werd het huwelijk op 2 oktober 1841 - zonder daar enige ruchtbaarheid aan te geven - bijgeschreven in de burgerlijke stand van de Nederlandse hofstad. Willem ging met zijn nieuwe echtgenote wonen in het Nederlandse paleis aan de Unter den Linden in Berlijn.

zondag 8 maart 2020

Cesare Pavese • 9 maart 1950

Cesare Pavese (1908-1950) was een Italiaanse schrijver. In 2003 verscheen Leven als ambacht, met daarin dagboeken en brieven. Vertaling: Anton Haakman.

9 maart
Hartkloppingen, bevingen, eindeloos zuchten, kan dat op mijn leeftijd? Toen ik vijfentwintig was ging het niet anders. En toch heb ik een gevoel van vertrouwen, van (ongelooflijk) rustige hoop. Ze is zo goed, zo kalm, zo geduldig. Zo voor mij gemaakt. Uiteindelijk was zij het die mij heeft gezocht.
Maar waarom heb ik maandag niet gedurfd? Angst? [1 regel weggelaten] Het is een verschrikkelijke stap.

16 maart
De stap is verschrikkelijk geweest en toch gezet. Haar ongelooflijke zachtheid, woorden van hoop. Darling, glimlach, lang herhaald hoeveel plezier het samenzijn met mij haar had gedaan. De nachten te Cervinia, de nachten te Turijn. Het is een meisje, een gewoon meisje. En toch is zij het — verschrikkelijk. Vanuit het diepst van mijn hart: ik heb het niet verdiend.

Stijn Streuvels • 8 maart 1917

Stijn Streuvels (1871–1969) was een Vlaamse schrijver. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij. [Schilderij van Modest Huys].

8 maart 1917
De lelijkheid van ons volk komt meer en meer te voorschijn. Aanklachten en verklikking overal - en alwie mistevreden is of een vijand heeft schrijft een brief aan de Duitse overheid en er volgt veroordeling, huiszoeking enz... Te Avelgem zijn een bende van 50 soldaten huizen en hofsteden aan 't doorzoeken - in sommige plaatsen 3, 4 dagen lang - tot alles eruit wordt gehaald, aangeslegen en weggevoerd - ten voordele van de vijand en ten nadele van ons eigen volk - 't is een teken van nood, voorzeker, een strijd om aan eetwaar te komen - met al de ruwheid die de nood meebrengt.

10 maart 1917
Vandaag was er een controle - vergadering uitgeroepen voor alle inwoners van 18 tot 35 jaar - mans- en vrouwspersonen - tot aanwerving van werkvolk voor Wurtenberg. Dat er vrouwen opgeroepen worden verwekt een beroering onder de bevolking en 't geval wordt erg besproken - te meer dat de opeising en de ellendige staat waarin de weergekeerde opgeëisten terugkeerden algemene verschrikking verspreid heeft. Op omliggende gemeenten heeft er zich geen enkel mens aangeboden en de vrouwen vooral zijn besloten koppig thuis te blijven.
Men verwacht zich nu aan de gevolgen.

vrijdag 6 maart 2020

Jaap Zijlstra • 7 maart 1999

Jaap Zijlstra (1933-2015) was predikant en dichter. In het tijdschrift Liter zijn fragmenten opgenomen uit zijn Schrijversdagboek.

[7-3]
Bij het wakker worden: dwars door het zingen van een lijster kraait een haan. Het eerste liedje van een lijster dit jaar. En het eerste kraaien van een haan sinds ik hier woon aan de Keizersgracht. Zo te horen komt het gekraai uit de tuin van het huis waarin zich tot voor kort het Meertens Instituut bevond. Daar werkte J.J. Voskuil en daar speelt zijn romancyclus Het bureau. Om kraken te voorkomen kraait er nu een haan.

[8-3]
Hans belt vandaag al voor de derde keer. Hij hoort stemmen die hem beangstigen en razend maken. Het zijn boze geesten, roept hij, het is duivelswerk! Na een kwartier praten is hij rustig en hoort de stemmen niet meer. Je belt tegenwoordig driemaal per dag, zeg ik, dat wordt mij teveel! Ja maar, werpt Hans tegen, u bent een dienaar van de Heer. Voor u slaan de boze geesten op de vlucht! Even later belt hij voor de vierde keer. Om z'n excuses aan te bieden. En om te bedanken. Hij klinkt blij en opgelucht.
Jaap de duivelbanner. Het werk in Amsterdam levert stof voor duizend verhalen. Mij is gevraagd het literaire CLK-actieboek te schrijven voor het jaar 2000, een novelle van zo'n tachtig bladzijden. Maar waarover, lieve help, waarover? In september 1999 moet het manuscript klaar zijn. Een zesmaands-kind. En toch voldragen. Ben ik al zwanger?

[9-3]
Ed de zwerver komt langs. Hij heeft altijd nieuwe verhalen en ideeën en vragen. Je krijgt nooit helemaal hoogte van hem. Maar goed ook. Een mens is gelaagd als een gedicht.

donderdag 5 maart 2020

Sigurd von Ilsemann • 6 maart 1933

Sigurd von Ilsemann (1884-1952) was vleugeladjudant van de Duitse keizer Wilhelm II. Hij schreef Der Kaiser in Holland. Aufzeichnungen des letzten Flügeladjutanten Kaiser Wilhelms II. In het Nederlands vertaald (door J. Bogerd) als Der Kaiser in Nederland.

6 maart 1933
De grootste verkiezingsslag in Duitsland is gestreden en de nieuwe nationale regering heeft een volledig succes behaald. De opbouw kan beginnen. De keizer maakt een echt tevreden indruk. Hoopt de hoge heer werkelijk, dat de nazi's hem op de troon zullen brengen? Ik persoonlijk heb de indruk, dat het met de monarchie nog lang kan duren - wat door deze verkiezingsuitslag wordt bevestigd - , want de enige partij die de bescherming van de monarchie in haar vaandel heeft geschreven, de 'Deutschnationalen', heeft geen succes geboekt ondanks de zo gunstige constellatie. En de nazi's willen, voor zover ik het zie, tot op heden van geen monarchie weten. Eigenlijk moest de keizer uit de berichten van gisteren de conclusie trekken dat de monarchie voorlopig niet zal terugkeren.

woensdag 4 maart 2020

Jacob Bicker Raye • 5 maart 1739

• Amsterdammer Jacob Bicker Raye (1707-1777) hield gedurende 40 jaar een stadskroniek van Amsterdam bij.

[5 Maart]
‘Grootje’ was een bekende Amsterdamsche. Zij heette eigenlijk juffrouw Christina Elisabeth Springman en was de weduwe van Stephanus Hulstman, maar iedereen kende haar en iedereen noemde haar ‘Grootje’. Wat ook geen wonder was, want zij had al meer als zestig jaar in de Kalverstraat koffiehuis gehouden. En nu was ‘Grootje’ op 5 Maart in den gezegenden leeftijd van 83 jaar overleden.

[6 Maart]
Op 6 Maart was de Warmoesstraat in rep en roer. Oorzaak, een ‘mof’, die dol was geworden. In een messenwinkel had hij zich een flink mes aangeschaft, had er eerst den winkelier mee bewerkt, was vervolgens naar buiten geloopen, en had een melkboer, die gebukt bezig was melk te meten, door zijn rug gestoken, dat het mes aan den anderen kant er weer uitkwam; de wond zou echter later blijken niet doodelijk te zijn. Na nog hier en daar eenige steken uitgedeeld te hebben, werd de man gegrepen en naar de Boeyen gebracht. Flink geboeid werd hij later met zijn slachtoffer geconfronteerd ‘om inspectie te nemen en de pasciente te vragen of hij het was’. Dat was overbodig, want de mof bekende grif. ‘Io, io, ik hab das wol edaan, wan je mien maar los laat, sal ic ou altemool den hals absnieden en leggen u op eynen hoop’, moet hij toen gezegd hebben. Toen brachten ze hem maar weer naar zijn hok in de boeyen terug.

[8 Maart]
Willem Kalkoen, brouwer in de brouwerij ‘de Kalkoen’, was na een korte ziekte, ongeveer dertig jaar oud, op 8 Maart overleden. Een bijzonder treurig sterfgeval. Hij was een extra vigilante, mooie, sterke kerel en had zeer lang gevrijd naar een juffrouw van Veen, 't geen eindelijk gelukt was en hij was van plan geweest de volgende week aan te teekenen. Zijn broer had het huwelijk zoo lang belet. Er was n.l. een testament van den vader, waarin stond, dat hij, die tegen den zin van den ander trouwde, verstoken zou zijn van de revenuen van de brouwerij. Even te voren had de broer er toch in bewilligd. Helaas was het te laat.

dinsdag 3 maart 2020

Adam Gurowski • 4 maart 1862

Adam Gurowski (1805-1866) was een Amerikaan van Poolse afkomst. Tijdens de regering van president Lincoln was hij tolk-vertaler en hield hij een dagboek bij, waarin hij vooral politiek en politici op de korrel nam.

March, 1862
Men like this Davis, Wickliffe, and all the like pecus, roar against the African race. The more I see of this doomed people, the more I am convinced of their intrinsic superiority over all their white revilers, above all, over this slaveholding generation, rotten, as it is, to the core. When emancipated, the Africo-Americans in immense majority will at once make quiet, orderly, laborious, intelligent, and free cultivators, or, to use European language, an excellent peasantry; when ninety-nine one-hundredths of slaveholders, either rebels or thus called loyal, altogether considered, as human beings are shams, are shams as citizens, and constitute caricatures and monsters of civilization.

Civilization! It is the highest and noblest aim in human destinies when it makes the man moral and true; but civilization invoked by, and in which strut traitors, slaveholders, and abettors of slavery, reminds one of De Maistre's assertion, that the devil created the red man of America as a counterfeit to man, God's creation in the Old World. This so-called civilization of the slaveholders is the devil's counterfeit of the genuine civilization.

The Africo-Americans are the true producers of the Southern wealth—cotton, rice, tobacco, etc. When emancipated and transformed into small farmers, these laborious men will increase and ameliorate the culture of the land; and they will produce by far more when the white shams and drones shall be taken out of their way. In the South, bristling with Africo-American villages, will almost disappear fillibusterism, murder, and the bowie knife, and other supreme manifestations of Southern chivalrous high-breeding.

maandag 2 maart 2020

Virginie Loveling • 3 maart 1915

Virginie Loveling (1836-1923), zus van schrijfster Rosalie Loveling en nicht van schrijver Cyriel Buysse, was een Vlaamse schrijfster en dichteres. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield ze een oorlogsdagboek bij.

Woensdag 3 maart '15.
De dagbladen hebben gemeld, dat de burgemeester van Cortemark door den kop geschoten is, beschuldigd van spioneering. De pastoor en de onderpastoor zijn in hechtenis genomen en naar Duitschland gestuurd als verantwoordelijk voor een euveldaad op hun dorp gebeurd.
In het begin van den oorlog was nagenoeg alle gezellig verkeer opgeschorst, geen feestmaaltijden, geene of weinig vriendenpartijtjes meer. Langzamerhand kwam daar verandering in: men vereenigt zich weder, speelt kaart of trik trak; muziek is zelden te hooren; soirées worden niet gegeven; maar men gaat naar cinémas en zoekt vrienden gezelschap op. Alles gaat er een beetje zuiniger toe en, wonder, - alles heeft toch zijn goede zijde - kwaad van den evennaaste wordt zelden nog gesproken.
Een ander merkwaardig verschijnsel van toestand-invloed is de vermindering van sterfte- en ziektegevallen. En op zedelijk gebied wekt het verbazing sommige bekenden terug te zien. Het is alsof ze herleefden in kracht van weerstand tegen het schadelijke, in kalmte evenzoo, zelfs in gelaatsuitdrukking. Menschen, die dierbaren verloren hebben, die geldelijken ondergang nabij zijn, schijnen toonbeelden van gelatenheid in hun lot. Of is het onverschilligheid na te veel lijdensgebeurtenissen?
Een vriendin bekende mij: ‘Ik heb bijwijlen gedacht, toen ik jonge weduwen ontmoette, die er blozend en welgemoed uitzagen: “Ge moet geen hart hebben,” en nu dat mij mijn eenige, gehuwde dochter, bijna plots door den dood is ontrukt, en ik in 't begin dag en nacht heb geweend, ik die geen naastbestaanden bezit, voel mij elken dag tot de gewone levensrust en den gemoedsvrede terugkeeren.’
De prijzen der eetwaren zijn alle van ambtswege vastgesteld. De vleeschtarieven moeten voor het raam der slagerswinkels aangeduid staan. Vaak wordt de kooper gefopt in aangave van gewicht. De handelaren vragen prijzen, die buiten verhouding zijn met het veroorloofde. Wie 't noodig heeft, betaalt en zwijgt.

zondag 1 maart 2020

Hugues C. Pernath • 2 maart 1967

• Dichter Hugues C. Pernath (1931-1975) speelde een rolletje in Hugo Claus' film De vijanden (1968). Hij hield van de dagen op de filmset een dagboekje bij. De film staat in z'n geheel online. Trailer hier.

Donderdag 2 maart 1967
Ik verzweeg nooit dat ik een groot bewonderaar ben van Hugo Claus, maar na deze enkele dagen filmen besef ik weer welke persoonlijkheid hij is als mens. Alsof de honderden moeilijkheden vooraf gepland waren, gaat er geen dag voorbij of er gebeurt iets dat niet voorzien is. Wegens produktiemoeilijkheden wordt hij dagelijks verplicht nieuwe veranderingen aan te brengen, beslissingen te nemen waarvan hij zich normaal als regisseur niets hoeft aan te trekken. Met steeds dezelfde rust filmt Claus voort. Meter na meter, alsof niets hem raakt. Alsof niets hem nog kan raken. Alles draait om Hugo, die als enige steun op Lily kan rekenen. Deze namiddag worden de laatste plans met de deserteurs opgenomen. Bij onze aankomst blijkt dat het gevraagde kampement niet werd opgesteld en blijft ook de produktie-assistent onvindbaar. Hugo vraagt enkele soldaten om een legertentje te zoeken en een kleine veldkeuken. Na lange tijd is alles ter plaatse. Het draaiboek voorziet enkele dozen met bonen. Geen bonen, geen produktie-assistent. Johan rijdt naar Aarlen en ondertussen worden tent en veldkeukentje geïnstalleerd. Het reservoir is echter droog. Hugo vraagt een voerder wat benzine over te hevelen. Wat dan ook gebeurt. Eindelijk is Johan terug met de bonen, maar niemand bezit een blikopener. Na veel gekap met een geweerdolk en enkele snijwonden pruttelen de bonen op het vuurtje. Hugo kan beginnen met de repetitie. Ondertussen is het te laat geworden om heel de scène af te werken en Guido en ik beseffen dat wij morgenvroeg ook nog in Aarlen zullen zijn. Iemand wordt naar ons hotel gezonden om nogmaals een kamer te reserveren, wat na veel moeite ons toch een nette meidenkamer bezorgt. Jean-Claude vergat zijn pistool, gelukkig staat mijn militaire engelbewaarder naast mij met mijn pistool zodat ik het eventjes kan uitlenen.

Dialoog tussen Hugo Claus en [figurant] Jean-Claude die moet lachen:

Hugo Claus: Jean-Claude, lach eens.
Jean-Claude: Ha,ha,ha,ha,ha.
Hugo Claus: Neen, Jean-Claude, echt lachen.
Jean-Claude: Haha, haha.
Hugo Claus: Jean-Claude, wanneer lacht u?
Jean-Claude: Alleen 's zaterdags als ik met verlof ga.
Hugo Claus: Jean-Claude, lach dan eens zoals 's zaterdags als u met verlof gaat.
Jean-Claude: Haha, haha, haha, haha.
Hugo Claus: Uitstekend, Jean-Claude. Actie!

Ondertussen filmt 'Ecran '67' rustig verder.
Die avond zat ook de produktie-assistent te souperen in 'Métropole'. Later, op de kamer van Hugo en Elly samen met [hoofdrolspeler] Del Negro en zijn vrouw naar diens jazzplaten geluisterd. Ton Lutz kwam heel laat aan uit Nederland.

Vrijdag 3 maart 1967
Het is mooi weer en gelukkig heeft Lily het kampement weer laten opbouwen. De laatste plans worden gedraaid en in de verte komt Ton met Fons aanwandelen. Wij breken op en bewonderen de wrede brandwonden die Luc op enkele figuranten grimeerde. Ook die man kent zijn vak. Wij vertrekken weer naar Antwerpen.


O.C.A. van Lidth de Jeude • 1 maart 1945

Otto van Lidth de Jeude (1881-1952) was een Nederlandse waterbouwkundige en politicus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in Londen. Hij was voorzitter van het Nederlandse Rode Kruis en vanaf 1942 minister van Oorlog. Over de periode 1940-1945 hield hij een dagboek bij.
Het onderstaande fragment schreef hij in het Schotse Perth, gelegen aan de Tay, waar hij heen was gegaan voor een visvakantie.

1 Maart 1945
Tot mijn teleurstelling vanmorgen bericht, dat de rivier wederom een paar voet gewassen is - sterke stroom - noordoosten wind - geen vischweer. Dus vandaag slenteren door de stad en den dag van morgen afwachten. Ness - vader en zoon - beide ervaren visschers - hebben vandaag ook als een verloren dag opgegeven. Ik mag dat 'gelummel' wel voor een paar dagen, geheel in mijn eentje, zonder eenig contact met de bedorven Londensche lucht die ik zoo lang heb moeten inademen. Toch jammer, dat ik niet visschen kan - waarschijnlijk de laatste maal, dat ik daartoe de gelegenheid heb.
De motie van afkeuring van de houding der Britsche Regeering inzake Polen met 396 tegen 25 stemmen verworpen. Een overweldigende meerderheid, die den moffen alle hoop op oneenigheid tusschen de groote geallieerden zal ontnemen, al bluft Goebbels, dat zij te vroeg victorie kraaien.
Het museum van Perth bezocht. Allerhande verzameling opgezette wilde dieren en vogels, steenen en schelpen, vlinders en torren, schilderijen, waaronder ik een kleine Israëls en een Ten Kate ontdekte. Een 'gezellig' museum, bezienswaardig maar niet indrukwekkend.
'Henry the Eight' door Francis Hackett, uitstekend geschreven. Men krijgt geen hoogen dunk van de hoofdpersoon als karakter. Zijn huwelijken worden beheerst door politieke overwegingen en door zijn verlangen naar een mannelijken erfgenaam van den troon. Catherine van Aragon, dochter Mary van Schotland, gescheiden; 2. Anna Boleyn, dochter Elisabeth, onthoofd wegens beschuldiging overspel; 3. Jane Seymour, zoon Edward (the Boy King) jong gestorven, stierf haar natuurlijken dood, eenige dagen na haar bevalling; 4. Anna van Kleef, gescheiden; 5. Katheryn Howard, onthoofd wegens liefdesavonturen vóór haar huwelijk; 6. Katherine Parr, die als zijn weduwe achterbleef. Ik vond het de moeite waard om de geheele lijst nog eens neer te schrijven, hoewel overbekend.

2 Maart 1945
Heusch uit visschen vandaag, hoewel nog steeds hoog water. Vergezeld van Mr. Ness Jr. een vrind van Kalis, bekend als uitstekend visscher. Hij vangt een 13 lbs zalm en een paar kelts [ondermaatse zalm]. Ik vang geen zalm en een paar kelts. Er wordt in het vroege voorjaar gevischt met 'sprats', geele en roode vischjes. Het 'spinnen','spinning', is niet gemakkelijk. Ik heb er den slag nog niet van beet; het 'casten' 'casting' is niet gemakkelijk. Gelukkig is er nog een andere manier, dat 'harling' genoemd wordt, d.i. in een roeibootje wordt heen en weer gevaren en de hengel wordt niet opgehaald, nadat eenmaal het snoer in het water is. Mooi weer en zonneschijn.
Naar het station; geen kans op een 'sleeper' voor Zaterdagnacht, evenmin voor Zondagnacht en Zondag loopt geen dagtrein. Ik besluit morgen te blijven en zal dan maar met een'seat' morgenavond genoegen nemen. Een lange zit naar Londen, maar ik kan daarna uitslapen.
Roosevelt in USA teruggekeerd, alwaar hij in het Congres verschijnt en in een kloeke redevoering verslag van zijn reis uitbrengt. Hij is sinds twee jaren daar niet verschenen. Wordt in een rolstoel binnengereden.

May Bragdon • 29 februari 1896

• De Amerikaanse May Bragdon (1867-1945) hield haar leven lang een dagboek bij.

Feb. 29th Saturday
Today I woke up late - & somewhat refreshed but to find cloudy, threatening weather, & before long continued hard rain. Claude [broer] did not feel well and remained at the hotel resting until his luncheon with Mr. & Mrs. Kimball (of S. & K.) at 1:30 & afterward he went to the league . I started out rather, late, and made some ineffectual journeys in the rain. Took the 6th Ave. L. to Aldrich Court and after waiting to see Emerich awhile went over to the Stevens House for lunch and then came back & found him & had quite a pleasant call. He took me over into the Manhattan Life Bldg. to see the Mast Box and then up into the Surety [een van de eerste wolkenkrabbers] - that beautiful, tall, white building. We went into a lovely office on the 20th floor & looked down upon the tops of the buildings and could have seen many miles, but for the rain & fog. I got up town just in time to reach Daly's Theatre comfortably in time for the two o'clock Matinee - "Countess Gucki" [toneelstuk van Franz von Schonthan]. It was very good - but not beginning with "The Squire of Dame' or "La Signora Dalle Camelie"! Mr. Richman made a handsome & stunning & daring young officer - but laughed too much. Ada Rehan - was Ada Rehan - but her 1819 costumes were awful - most of them. Mrs. Gilbert & James Lewis made a funny pair - both very good. Mr. Herbert was a dear, blonde, uniformed, curly-headed Cousin Leopold - in love with Cousin Lilli, of course. Both Bruno Von Neuhoff & his uncle the General are in love with Countess Gucki - but of course the young man is the successful one. There is only one scene - 3 acts - a very pretty scene, too. Empire-inlaid tables &c.&c. It poured on the roof of the theatre & still rained when I came out, but it was my last afternoon, so I walked up Broadway & 5th Avenue - rain or no rain. The couples, broughams & hansoms were very numerous.