zondag 21 juni 2026

Olga Freidenberg • 22 juni 1941

• Een aangrijpend ooggetuigeverslag van het beleg van Leningrad is te vinden in de in 1981 in New York verschenen briefwisseling tussen de Russische schrijver Boris Pasternak en zijn nicht Olga Freidenberg. De brieven, die de periode 1910-1954 bestrijken, zijn verbonden door een retrospectief dagboek van Olga Freidenberg. Door omstandigheden heeft zij het beleg van haar woonplaats van begin tot einde meegemaakt.

Op 22 juni, een van die mooie zomerdagen, pakte ik de telefoon omdat ik niets te doen had. Het was zondag, rond het middaguur. Ik was verbaasd toen een vrouwenstem antwoordde dat Bobovitsj, die ik belde, niet aan de lijn kon komen.
‘Hij luistert naar de radio.’
Dat verbaasde mij nog meer. Na een korte pauze voegde de vrouwenstem er aan toe: ‘De oorlog met Duitsland is verklaard. De Duitsers hebben ons aangevallen en hebben de grens overschreden.’
Dat was volkomen onverwacht, bijna onwaarschijnlijk, hoewel het met zekerheid was voorspeld. Het was niet de aanval die onwaarschijnlijk was — wie had die niet zien aankomen? Het was ook niet de oorlog met Hitler: onze politiek had niemand vertrouwen ingeboezemd. Het was de ommekeer in ons leven die onwaarschijnlijk was, deze dag die zo plotseling tussen verleden en heden was komen te staan. Die stille zomerdag met openstaande ramen, een aangename rustige zondag, een gevoel van leven in mijn hart, van hoop en verlangen, als iets dat uit zichzelf in mij was gegroeid, of ik wilde of niet; en plotseling: oorlog! Ik kon en wilde het niet geloven.
Maar wie wist niet dat dit het begin was van enorme gebeurtenissen en catastrofes? Ik begreep de theoretische betekenis van het gebeurde. Maar ik nam waar dat het vreselijke nieuws geen enkele indruk op mij maakte, behalve een gevoel van sensatie. Niets van 1914 was er mee te vergelijken. Eigenlijk bleef ik in mijn hart volslagen onverschillig en was ik alleen bang voor het dagelijks bestaan. Welke rampspoed stond ons te wachten?
Het was een mooie zomerdag, een vrije zondag, met open ramen, stille groene bomen. Nee, de voorbereiding was ongemerkt gegaan. De geschiedenis trad naderbij vanuit de verte. En je had het gevoel: o, het is allemaal zo erg nog niet; het komt wel goed; het leven helpt een handje; het is nog veraf; er is heel wat voor nodig voordat de gebeurtenissen ons bereikt hebben en onze dagen uiteenrijten; wat zou het, het was trouwens tijd ook; ‘laat het maar slechter zijn, als het maar anders is’.
[lees verder]

Vrouw van gevangene, 38 jaar • 21 juni 1941

Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945.

Vrouw van gevangene, 38 jaar — Omgeving Amsterdam
21 Juni 1941

- De langste dag en tot op heden de verschrikkelijkste van mijn leven. Vanochtend waren Puck en Job even op de koffie, erg gezellig. Zwijndregt liep nog even in maar die was ook niet vroolijk. Ik was erg down en belde Dumoulin op. Ik kreeg van Beek die mij vroeg even te komen om twee uur want Dumoulin was er nu niet. Ik ben natuurlijk gegaan en wat ik daar hoorde deed mijn bloed verstijven. Jongen als gebeurt waarvoor zij mij meenden te moeten waarschuwen, als jij er niet meer bent, wat blijft er dan voor mij nog over. Wat hebben wij toch voor kwaad gedaan dat we zoo zwaar getroffen moeten worden. Dumoulin gaf alle hoop nog niet op maar tot nu toe scheen Baanders toch nog niet veel succes gehad te hebben. Ik kan maar steeds niet begrijpen wat je toch voor ergs gedaan hebt, dat je er zóó voor moet boeten. Baanders was van meening, dat je was meegesleept. Er is één klein lichtpuntje en dat is dat jij het nog niet weet. Je was heel rustig en kalm en zag met vertrouwen de toekomst tegemoet.



zaterdag 20 juni 2026

Roel van Duyn • 20 juni 1971

Roel van Duyn (1943) was in 1971 gemeenteraadslid in Amsterdam voor de Kabouterpartij, nadat hij eerder al een van de trekkers van de Provo-beweging was. Panies dagboek verscheen eind 1971.

Zondagavond 20 juni
Bella was wijs en verstandig vanavond. Ik liep in kringetjes om haar heen en dacht aan m'n broer in Californië, aan de Deense vertaalster van een boek van me in Uppsala, aan kabouters in Ljubljana, aan studenten die me hebben uitgenodigd om in Schotland lezingen te komen houden, maar ik besefte steeds dat de bruine beuk het middelpunt was waar alles om draait. Ik kan nu ook beter begrijpen waarom ik dat dacht.
Toen in 1884 in de Jordaan het Palingoproer uitbrak omdat de politie de Jordaners op de Lindengracht verbood spelletjes met palingen te doen, die daar toen nog in het grachtenwater zwommen, ging er een golf van paniek door de laatste kabouters van Amsterdam. Als de mensen in staat zijn om palingen te martelen, wat zullen ze dan wel niet doen als ze ons ontdekken, dachten de kabouters, en ze vluchtten de stad uit.
Maar er was er één die dat onzin vond. Het was Gijs, een oude kabouter met een rode baard. Hij voelde dat hij een taak had jegens de planten en bloemen op de plaats waar nu het Westerpark is, omdat hij in de loop der tijd een goede verhouding met hen gekregen had. `Eéns ga je toch dood,' zei hij, en hij bleef alleen achter.
Nog tot in het begin van onze eeuw leefde hij in eenzame vrede temidden van zijn plantaardige vrienden.
In moeilijke omstandigheden was hij steeds een toeverlaat voor planten en vogels, die hij dan met een wijze raadgeving of met een opgewekt woord opbeurde. 'Nog met mijn lijk zou ik de velden willen bemesten om hier meer bomen te doen groeien,' zei hij eens. Toen Gijs op een dag op zijn rug in het gras naar de wolken lag te kijken en een liedje neuriede, stond zijn hart plotseling stil. Van heinde en ver kwamen de vogels om hem met takjes en aarde te bedekken. Niet alleen leeuwerikken, nachtegalen, uilen, roodborstjes, reigers en al die andere soorten die nu in Amsterdam uitgestorven zijn, maar ook mussen, duiven en kraaien. 
Niet lang na zijn begrafenis zagen de vogels precies op de plaats waar de oude kabouter gestorven was een krachtige bruine beuk uit de grond verrijzen. Ook de mensen moet de jonge boom bevallen zijn, want het was in die jaren dat men het Westerpark begon aan te leggen. 
Vandaag heb ik me gerealiseerd dat het Westerpark grotendeels verdwijnen zal omdat het Gemeentebestuur het nodig vindt de autoweg naar Haarlem te verbreden en de spoorbaan van de trein recht te trekken. Ter kompensatie voor het dan teloor gegane openbaar groen zal elders in de buurt een park worden aangelegd.' Blijkbaar zijn er mensen die denken dat de ene gemeenschap van bomen, planten en dieren precies hetzelfde is als de andere. Erger nog: Wij hebben die mensen gekozen om over ons te regeren.

donderdag 18 juni 2026

Felix Zwanikken • 19 juni 1944

• Felix Zwanikken zat (toen 15 jaar oud) in WO II gevangen in een Japans interneringskamp [Tjimahi] en hield toen een dagboek bij.

16 juni
`s Morgens naar de kerk: feest van het H. Hart. De oude heren als Benjamins, van Geelen en Rieuwers zijn naar een nieuw deel van het kamp verhuisd; de huisjes langs de renbaan. Het geldt alleen voor mannen boven de 61 jaar en hun zoons. Ze hebben het nu goed, grote kamers, vaste wastafels. Dat nieuwe deel heet blok XII. 's Middags dienst, 's avonds tweede preek van pater van den Hooge.

17 juni
Soep gemaakt van koolstronken met oebi [zoete aardappel]. Ik ben 6 ons aangekomen.

18 juni
's Morgens naar de kerk geweest, daarna stroop gemaakt. Vandaag vieren we Tinekes verjaardag (16 Juni) met een blikje boter.
's Middags dienst. We hebben ter gelegenheid van de Zondag 300 cc koffie gekregen. De vorige Zondag 100 cc gelei en 1/3 brood, dat had ik vergeten op te schrijven. Ik heb cr een hoop van opgespaard, zodat we er nog verscheidene dagen mee kunnen doen. 's Middags extra soep en 's avonds geweldig hete sambal.

19 juni
's Morgens is Hans ziek.

24 juni
De hele dag dienst. Vins heeft een laboe siam [chayote] gejat, we gaan er morgen een fijne soep van koken.

26 juni
's Middags mijn lepel in de sloot laten mieteren.

woensdag 17 juni 2026

Daniil Charms • 18 juni 1937

Daniil Charms (1905-1942) staat tegenwoordig bekend als Ruslands grootste absurdistische schrijver en dichter, maar de weg naar deze roem was moeilijk.

18 juni 1937. In de kamer van Ilja.
Ik ben volkomen afgestompt. Dat is afschuwelijk. Een in alle opzichten volledige impotentie. Het gebrek aan discipline is zelfs aan m'n handschrift af te lezen.
Maar wat een waanzinnige volhardende neiging naar de ondeugd. Urenlang, dag in dag uit, probeer ik mijn doel te bereiken, maar bereik het niet en toch ga ik door. Dat is pas oprechte belangstelling!
Genoeg gedraaid: Ik heb helemaal nergens belangstelling voor, alleen voor dat ene.
Inspiratie en belangstelling is precies hetzelfde.
Je aan echte inspiratie te onttrekken is net zo moeilijk als aan ondeugd.
Bij echte inspiratie verdwijnt al het andere en blijft alleen de inspiratie zelf over.
Daarom is de ondeugd ook een soort inspiratie.
Aan ondeugd en inspiratie ligt één en hetzelfde ten grondslag. Aan hun basis ligt een echte belangstelling.
Echte belangstelling is het belangrijkste in ons leven.
Een mens zonder belangstelling voor wat dan ook gaat snel ten onder.
Een te eenzijdige en sterke belangstelling verhoogt in buitengewone mate de spanning van een mensenleven; een klein duwtje en hij wordt gek.
Een mens kan niet zijn plicht vervullen, als hij daarvoor niet echte Belangstelling heeft.
Wanneer iemands echte Belangstelling op één lijn ligt met zijn plicht, wordt zo iemand een groot mens.

dinsdag 16 juni 2026

Hans Christian Andersen • 17 juni 1847

Hans Christian Andersen (1805-1875) was een Deense (sprookjes)schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is gepubliceerd in Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd (vertaald door Edith Koenders).

Woensdag 16 juni 1847 [van Leiden naar Den Haag]
[...] Om half zes met de omnibus naar het station gegaan, hier hing een plakkaat van De Tijd met mijn naam en foto erop, de mensen keken naar me, zouden ze me herkennen; wat een wonderlijk gevoel! — Voor het eerst in een goed humeur terwijl ik met de trein reisde, ik had wel kunnen zingen; het duurde nog geen halfuur of we waren in Den Haag, in hotel Oude Doelen. Toen ik informeerde naar de groothertog van Weimar, naar de Deense en de Russische gezant, vroeg men me meteen of ik een kamer met ontvangstsalon wilde hebben, maar ik antwoordde dat ik eerst wilde afwachten of ik bezoek kreeg. — Ik heb een kamer met uitzicht op een groot plein met bomen; — ik ben ervan overtuigd dat Verhulst voorbijliep, hij keek omhoog, zou hij gedacht hebben ‘die man daar lijkt op Andersen’? De Nederlanders vormen de overgang van de Denen naar de Duitsers. Het Deens, Nederlands, Duits, Zweeds en Noors zijn nauw verwant, dan volgt waarschijnlijk het Engels. De Nederlanders en de Friezen vormen een overgang naar de Engelsen. Ik voel me zeer tevreden in dit hotel en toch, geen brieven! als er maar niemand overleden is (O, God, nee, ik moet er niet aan denken). — Tussen de bomen dampt de aarde, ik denk aan het elzenmoeras, aan de elfjes, is al dit bekoorlijks niet meer dan een elfjesbetovering. Is het tovenarij!

Donderdag 17 juni 1847 [Den Haag]
[...] Verhulst ontmoet, met hem mee naar huis gegaan, hij woont in een gezellig huis aan de rand van de stad, met uitzicht over de velden en de weilanden. Meegereden naar Van der Vliet, die in hoge mate verrast was me te zien, deed verward, bijna dom; hij heeft twee weken geleden naar Kopenhagen geschreven om te vragen of ik bij hem kwam logeren. De literatoren hier willen een feestje voor me arrangeren; hij schonk me de vertalingen van mijn werken. [...] Nederland is de idylle van Europa! Niet Zwitserland. [...]

Vrijdag 18 juni 1847 [Den Haag]
Vanmorgen bezoek uit Utrecht van de schrijver Nepveu, die mij zijn roman Berthe Coppier heeft geschonken; hij is een tegenstander van Van der Vliet, die er net aankwam en ik ben met hem naar een tentoonstelling gegaan, er waren uitstekende dingen, een van de schilders, ik ben zijn naam vergeten, hij heeft illustraties gemaakt bij Schetsboek zonder schetsen, heb ik daar ontmoet. [...] Ik gebruikte de maaltijd bij Van der Vliet, zijn zoontje Christian is naar mij en naar [de hoofdpersoon van] ’t Was maar een speelman genoemd. Zijn vrouw sprak alleen Nederlands, maar de conversatie verliep toch wel redelijk, ze wilde voortdurend dat ik meer at, schudde met haar hoofd en zei dat het mij kennelijk niet smaakte. — Ze hebben mij in een rijtuig naar huis gebracht. –

maandag 15 juni 2026

Anna Achmatova • 16 juni 1962

Anna Achmatova (1889-1966) was een Russische dichteres. Dagboekfragmenten van haar zijn opgenomen in De echte twintigste eeuw (vertaald door Alissa Leigh en Silvana Wedemann).

De Zweed is geweest. Ik was verrast door zijn onvermoeibare belangstelling voor het epos en over het feit dat hij er Schoppenvrouw in terugvond. Bij het afscheid zei hij: 'De zoon van Panova zal het u vertellen.'

Twee dagen later verscheen bij de familie Gitovitsj de zoon van Panova (achtentwintig jaar oud, Boris Borisovitsj - sinoloog). Ik was uitgenodigd om te komen eten. Gitovitsj en zijn gast dronken wodka. Aleksandr Iljitsj was volkomen beschonken en zweefde ergens in zijn eigen wereld. De gast was volledig nuchter. Er werd op mij gedronken, en de gast zei: 'Erik Masterton verzocht mij aan u door te geven dat u dit jaar voor de Nobelprijs bent voorgedragen.' In de hele zaak interesseerde mij maar één ding: waarom heeft Erik mij dit niet zelf verteld?
(Opgeschreven 16 juni)

zondag 14 juni 2026

Anneke Hilhorst • 15 juni 1979

Anneke Hilhorst (1948) is fotograaf. In 1979 kregen zij en haar echtgenoot Ed van der Elsken een kind.

Vrijdag 15 juni
Weer op controle geweest. Ik wilde graag precies weten hoe vaak het vruchtwater wordt ververst en hoe dat gaat, want ik had gelezen dat de baby van het vruchtwater drinkt, erin plast en dat het water een keer per etmaal ververst wordt. Er is trouwens nog zoveel meer wat ik wil weten. Bijvoorbeeld: hoe werkt de moederkoek precies? Het schijnt een heel ingenieus orgaan te zijn met veel verschillende functies. Ik lees er wel boeken over, maar hoe meer ik lees, hoe meer ik merk dat het allemaal heel ingewikkeld is. Ik heb Margriet voorgesteld om een vragenavond te organiseren voor een aantal zwangere vrouwen tegelijk, bijvoorbeeld aansluitend bij de zwangerschapsgymnastiek of een moedercursus.
Ik heb nu ook aan Henk verteld dat ik de navelstreng zelf wil doorknippen. Want dat is het grote moment van de definitieve scheiding dat niet zomaar routineus afgehandeld moet worden. Het is een plechtige gebeurtenis. Hij vond het goed. Mijn gezondheid is perfect. De bloeddruk mooi laag. Het kind ligt goed; voor een kwart ingedaald.
Jeannette gaf me een zakje thee van anijs, kummel en nog een paar kruiden: 'goed voor het zog.' Het zal wel niet toevallig zijn dat anijszaadjes met wat suiker eromheen, de traditionele roze en witte geboortemuisjes zijn. En als de borstvoeding niet goed op gang komt kan ik de baby volgens Jeannette venkelthee geven, met een theelepeltje; die thee is ook goed voor mijzelf.
Ik ben opgewonden over de komende geboorte en voel het als een initiatie tot het werkelijke grote-mensenleven, vergelijkbaar met de initiatieriten van geslachtsrijpe kinderen bij sommige natuurvolkeren. Ik ben vruchtbaar. Ik voel me ver verheven boven de dagelijkse realiteit. Het is een bovenaards, hemels gevoel, en dat terwijl liet een superaards oergebeuren is.

István Radnai • 14 juni 1914

István Radnai(1893-?) was een Hongaar die in 1914 in Deli terechtkwam. Hij hield toen een dagboek bij. Vertaald door Gábor Pusztai.

Belawan 3 uur 's middags 14 juni 1914
Ik zit nu op ‘De Loek’, de kuststoomboot van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij waarmee ik naar Penang vaar. In Penang moet ik nog met de consul mijn thuisreis regelen. Ik heb nu nog tijd over Kuntji Beck te schrijven. Hij is een erg beschaafde Duitser, maar omdat hij al sinds 18 jaar op Sumatra als planter werkt is hij totaal grof geworden. Hij moest hier naar de rechtbank omdat hij enkele klappen aan koelies uitgedeeld zou hebben. We hebben met elkaar kennisgemaakt. Hij dronk enorme hoeveelheden whiskey en Kuntji bier. Kuntji betekent sleutel in het Maleis en dat is ook de merk van een soort exportbier dat erg verbreid is in de hele Oost. Zijn vader in Bremen is trouwens de fabrikant van dit bier.** Hij heeft aan László beloofd een baan voor hem te zoeken omdat László voor anderhalf jaar op Sumatra wil blijven. Misschien kan hij enkele honderden forint sparen. Ik moest aan Beck beloven dat ik een zekere Ernő Berkes zal opzoeken, die bij hen 3 jaar lang assistent was, maar nu is hij tabakhandelaar. Goed! We zullen weer eens flink gaan zuipen! De mensen zuipen hier in de tropen ontzettend veel. Aan den lijve moest ik ervaren hoe belangrijk het is dat je geestelijk en lichamelijk enigszins fit blijft. Binnen enkele jaren kun je het al merken wat voor gevolgen het heeft. Voor mijn vertrek kon ik nog een interessante man leren kennen. Kivits Cornelius is een Nederlander van 55 jaar. Hij heeft in de laatste 35 jaar Sumatra niet verlaten. Thuis was hij knecht, daarna nam hij dienst bij het koloniaal leger, waar hij in enkele bloedige oorlogen heeft gevochten, maar hij was nooit hogerop geklommen dan een gewone soldaat omdat hij lezen noch schrijven kon. Nu is hij assistent op een rubberplantage en hij is een grote jager. Hij heeft al 10 olifanten, 9 tijgers, 15 luipaarden en ontelbare everzwijnen geschoten. Hij was al sinds 4 jaar niet in de stad. Nu is hij naar Medan gekomen, heeft zich ladderzat gezopen en daarna is hij naar de kebon ['tuin', hier: 'plantage'] teruggekeerd. Voor hem is dat het leven, maar niet voor intelligente mensen.

Vandaag om 12 uur 's middags hebben László, Van Hengel en Steenweg, de zogenaamde tweede griffier, me naar het station begeleid. Daar nam ik de trein en reed naar Belawan. Daar stapte ik op deze smerige stoomboot.

** De genoemde heer Beck is waarschijnlijk de zoon van de eigenaar van de beroemde bierbrouwerij Beck's, die in 1826 in Bremen werd opgericht. De sleutel, die tot heden de etiket van de flessen van Beck's bier siert, is ontleend aan het stadswapen van Bremen. Beck's was zo bekend en graag gedronken in de kolonie, dat in 1931 de firma in Batavia en in Singapore een eigen brouwerij liet bouwen.

István Radnai • 13 juni 1914

István Radnai(1893-?) was een Hongaar die in 1914 in Deli terechtkwam. Hij hield toen een dagboek bij. Vertaald door Gábor Pusztai.

Medan 13 juni 1914
Ik had het eigenlijk niet gedacht, hoewel het te voorspellen was. Ik ga morgen terug naar Europa. Iedereen zegt dat het juist is. Waarom? Gedurende mijn verblijf van 6 weken heb ik 30-40 planters leren kennen. Sommige van hen zitten hier sinds 7 jaar, weer andere al sinds 18 jaar, maar geen van hun heeft hier een cent kunnen sparen. Het leven hier is erg duur en al ben je tegen alcohol, je raakt vroeg of laat toch aan de drank. En dat gaat duizenden kosten. De planters komen iedere avond bij de ene of de andere samen, bij de zogenaamde ‘makan besar’ [Maleis: 'groot eten'] en vreten en zuipen alles op wat honderden guldens kost. Het is nog goed als je geen schulden maakt. En wat wacht je als je na jaren naar huis gaat? In de tropenjaren bouw je een culturele achterstand op, je wordt steeds dommer omdat in de tropen iedereen zo wordt en je wordt ook een alcoholist. Wat baat het je als je in delirium tremens zonder een cent op zak terugkeert naar Europa? Je kan misschien nog straatveger worden of zo. Als je in een rijke havenstad als handelaar kan werken en na 2-3 jaar met rijke ervaringen naar huis gaat, dat is iets anders. Mijn plan om naar Singapore te gaan, heb ik moeten laten varen. Lövey heeft niet eens geantwoord. Nu ben ik ook nog ziek geworden. Ik heb koorts en hoofdpijn, 's nachts kan ik niet slapen. Ik kan het klimaat niet verdragen. Enkele honderd forint armer, maar rijk aan ervaringen keer ik terug naar Hongarije. Ik heb mijn les geleerd: als het niet hoeft, moet je je vaderland niet verlaten om geld te verdienen. Ik had eigenlijk geen reden om weg te gaan. Ik was eigenlijk door de nieuwsgierigheid gedreven. Wat ik nodig had, had ik tot nu toe altijd gehad en dat zal ik in de toekomst ook hebben. Ik verlangde immers nooit naar een groot vermogen.

Kuntji Beck was naar de rechtbank en daarna hebben we feest gevierd dat je je het moeilijk kan voorstellen. Zuipen, rondkijken (...)

Van de controleur heb ik 14 forint gekregen. Dat is voldoende tot Penang. Van daar zal ik waarschijnlijk met de hulp van de consul verder moeten. Ik ben benieuwd.

donderdag 11 juni 2026

Carla Boogaards • 12 juni 1997


Carla Boogaards (schrijfster, 1947): Onhollands dagboek.

12 juni
Een maand voor mijn verjaardag. Tip van Hans David om in het dagboek te zetten. Wel erg abrupt geëindigd eergisteren. stierf van de pijn in knie en arm. Gisteren weer eens het lievelingskostje van HD gekookt. Zelf mijn verslavende Thaise rijst. Ik kan zo'n gerecht niet eten of ik denk aan het Thaise restaurant van een paar jaar geleden in de Warmoesstraat. Daar at ik voor het eerst dat verrukkelijke exotische eten. Herinneringen, herinneringen. Toen was ik verliefd op X, ik schreef een gedicht over dat restaurant. Das war einmal. HD maakt op mijn dringende advies een boekverslag voor school over Die Verwandlung van Franz Kafka. Ik vond dat lievelingsboekje uit mijn schooltijd weer terug terwijl ik rücksichtlos mijn boekenkast leegmaakte, tien verhuisdozen boeken weggegooid. Het dierbaarste bewaard. Nieuwe boekenkast tegen muur kamer/gang. Subtiel vergeleken bij de kolossale hoeveelheid die een groot deel van de langste muur in de kamer bedekte. Die muur moet smetteloos wit gestuckt zijn, ruimte suggereren, want ons huis is wel het kleinste van alle huizen waar ik tot nu toe in gewoond heb. Trouwens, al die boeken wekten de 100%-intellectueel indruk, de tijd is voorbij dat ik me moest bewijzen. Ik bedoel dat het leuk is om niet mee te doen met wat de groep doet. Dat ik sowieso er behagen in schep semi-onnozel te zijn, dreamland, of mijn leven als Barby. Kafka is goed te duiden. Bijvoorbeeld Grete, zijn zusje wil tegen de zin van haar moeder Gregor's kamer herinrichten zodat hij, het insekt, gemakkelijk over de vloer kan kruipen, niet gehinderd door tafels en stoelen, kasten. Want, zegt de schrijver, ze zou nog het enige menselijke wezen zijn die zijn kamer betrad. Het is dus het verhaal over de verboden liefde van de zus voor haar broer. Gregor hoort zijn moeder tegenwerpingen maken en zeer timide bedenkt hij dat het niet goed voor hem is toe te geven aan zijn neiging rond te kruipen. Die moeder wil alles bij het oude houden, voor het geval haar zoon weer als normale jongen terugkeert. Gregor wil zijn moeder ten dienste zijn, hij wil haar liefde veroveren. Oedipus. Het slot is denk ik sterk anti-fascistisch, ik bedoel het ophemelen van het Germaanse ras. Wanneer na de dood van Gregor, vader, moeder en dochter eindelijk er weer op uit trekken - zeer vroeg in de morgen maken ze een ritje met de tram - bedenkt de moeder dat haar dochter ondanks alle spanningen tijdens Die Verwandlung een grote meid aan het worden is. Zeventien, met duidelijk al ontluikend vrouwenlichaam. Fris, vruchtbaar. Dit leest niet als Sweet Sixteen, dat vrolijke onbezonnen jongens- en meisjesgedoe, het is serieus de leer van Hitler wat Kafka schrijft. Als Jood zo scherp, zo cynisch, zo knap. Want het leest niet als cynisch. Het leest zoals het er staat; in die tijd kijkt een moeder naar haar dochters lichaam, ze moet een brave man voor haar zoeken besluit ze, de dochter draagt de belofte voor een vruchtbare toekomst met zich mee, in zich mee. Je ziet een mollige blonde deerne, en voordat haar seksualiteit ontwaakt, moet ze uitgehuwelijkt worden. Er mag niets verloren gaan, ze moet kinderen krijgen. Grete mag niet over haar eigen seksualiteit beslissen, ze moet zich schikken naar de regels van haar moeder, van de autoriteit. Goddank toont Grete dat ze een willetje heeft. Ik zit nu even ‘Sweet Sixteen’ te fluiten. Maar ik vraag me af wat er van Grete geworden is. Kan ze überhaupt wel een andere man beminnen dan haar broer? Kan ze met al die schuldgevoelens - tenslotte heeft ze met haar vader samengespannen op de dag dat ze uitriep dat Gregor weg moest - doorleven? Ze heeft haar broer verraden. Nota bene tegenover de vader, die zijn zoon oké vond zolang hij geld inbracht. Praktisch ingesteld, berekenend zou ik zeggen, maar geen hart in zijn slappe lijf. Offert Grete haar broer voor de liefde van haar vader? Omdat ze het lichaam van de broer is kwijtgeraakt? Maar ook zijn geest. Ze werd enorm op de proef gesteld, ze bleef zich inspannen voor Gregor, maar op een dag geeft ze het op. Goddank ging hij dood. De ouders slapen veel, dommelen, doezelen, raken verward en vallen weg. Als lezer heb je weinig respect voor ze. Ze weten niet wat er in de wereld gebeurt, ze slapen op belangrijke momenten. Ze leven dus niet. Kafka zoekt het leven, maar ook de manier om je van het leven af te wenden. Omdat het je lot is dat je uitgestoten zal worden. Predestinatie.

Gregor spuugt al zijn voedsel uit, het dier dat hij werd kotst uit wat het als mens verteerde. Als je niet meer eet ga je dood. Je zoekt niet meer het genot. Kafka kotste het leven uit. Als puber verslond ik dit boek, als volwassene opnieuw.

Het is leuk om met hd over al die thema's te praten. Opmerkelijk hoe slim hij is, hoe het hem boeit. Nee ik praat niet zo uitgebreid met hem over seksualiteit.

Gisteren naar het reuma-badje geweest. Vandaag rust, rust, rust. Ik kan nauwelijks typen, de pijn scheurt alweer door mijn arm. Vannacht twee keer opgestaan om een aspirine te nemen. Insmeren met zalf. Beter dan die medicijnen. Die laptop gaat gloeien op mijn benen. Gisteren lang met Elzeline van A. gebeld. Krachtige vrouw, goeie journaliste. Over hg gepraat, ze kent hem goed. Ik zei eerlijk dat ik kritiek had, maar hij heeft me ook een geschenk meegegeven met zijn tentoonstelling, de heerlijke drang om mijn toneelstuk te gaan schrijven. Blijkbaar heeft zijn werk zoveel kracht dat ik zelf iets wil maken.

woensdag 10 juni 2026

Frida Vogels • 11 juni 1965

Frida Vogels (1930) is een Nederlandse schrijfster. Haar door kritiek en publiek gewaardeerde dagboeken 1954-1971 zijn gepubliceerd in 8 delen.

11 juni — Gisteravond Die Kunst der Fuge gehoord, gespeeld door een dilettantenstrijkkwartet, bestaand uit een natuurkundige, een apotheker, een dokter en een rijke man, in het huis van de sterrenkundige (een vriend van Contarini). Aardige avond. Het was heel lang geleden dat ik me zo slecht op mijn gemak en zinloos glimlachend, het nemen van koekjes en slokken champagne timend, maar op mijn manier met alles wat ik om me heen zag ingenomen, in groot gezelschap (een vijftiental personen) bevond. Bij het binnenkomen moest ik een doos flikken overhandigen, terwijl E. (omdat de lift niet aan iedereen tegelijk plaats bood) nog beneden was. Het werd twee uur en er werd een glas gebroken.

Beschamende dag, die nog niet voorbij is.

12 juni
Elke dag
is de ochtend mild en vol beloften,
tot het meedogenloze licht
de dunne sluiers wegschroeit

die 's avonds zacht weer worden neergelegd.

13 juni — Op het plat vonden we een steen, die waarschijnlijk door iemand naar de poes is gegooid. E. bekeek hem aandachtig. Het leek steenkool, maar dat was het niet. We opperden veronderstellingen over wie die steen gegooid kon hebben. Hij legde hem weer neer. 'Je moet hem daar laten liggen,' zei hij, 'als ze dan weer een steen gooien, kunnen we zien of het er net zo een is.'

[...]

W.B.E. Paravicini di Capelli • 10 juni 1803

W.B.E. Paravicini di Capelli (1778-1848) was een hooggeplaatste Nederlandse militair die langere tijd in Zuid-Afrika verbleef. Zijn journaal is gepubliceerd als Reize in de binnen-landen van Zuid-Africa


[...] Een der Commandanten verhaalde dat den gewezenen eygenaar, Willem Prinsloo, by een olyphant jagt zeer ongelukkig was verongelukt; deze man was met eenige zyner goede vrinden uit de nabuurschap na Bruyntjes Hoogte gereden om in de aldaar tamelyk menigvuldige bosschen, op grof wild te gaan jagen. Zy ontdekte dat een olyphant korts te voren door het bosch moest gegaan zyn en zulks aan de omgeknakte boomen bevestigd ziende reden zy boswaerds in, daar zy wel haast het dier voor hun uytzagen. Prinsloo in stede van gelyk zyne makkers een zyd pad in te slaan, om op die wyze de olyphant aftesnyden en uit eene hinderlage een gewis dodelyke kogel toe te brengen, was tegens alle vermaningen aan, onvoorzigtig genoeg met zyn neef de weg regt op den olyphant af te volgen, en naby genoeg gekomen zynde vuur te geven even als zyn makker, zonder tot hun ongeluk een dodelyke wonde aan het dier toetebrengen; waar op den olyphant woedend op hun aankwam, en zy byde met alle snelheyd hunner paarden op de vlugt togen, maar vergeefsch, het dier naderde hun van agteren, sloeg met zyn slurp den neef de hoed van't hoofd en greep Prinsloo die er naast reed, met de slurp om de keel vast, rukte hem van't paard, en na hem waarschynelyk gewurgd te hebben, wierp hy hem in de hoogte en spieste die ongelukkige op zyn vreeslyke tanden; men heeft de man des anderen daags geheel tot morselen vertrapt weder gevonden.

maandag 8 juni 2026

Willem de Clercq • 9 juni 1814

Willem de Clercq (1795-1844) was bankier, dichter en voorman van het protestantse Réveil in Nederland. Zijn dagboeken vormden de basis voor Naar zijn dagboek.

In de trekschuit naar Haarlem; aldaar een vrij levendig gesprek met een exgarde d'honneur en een geangliseerden Hollander. Eene visite bij den heer Walré afleggende geraakte ik met ZEd. in zulk een langdurig letterkundig gesprek, dat ik na meer dan twee uren onderhoud mij eindelijk los moest rukken. Toen stapte ik met den stok in de hand de poort uit en deed met het uiterste genoegen de wandeling naar Leiden, over Hillegom, Lis en Sassenheim.... Eindelijk genaakte ik Leiden, en het gelukte mij het huis van den heer Kemper op te sporen - overheerlijk gelegen op die statige Breêstraat, zeker een der schoonste straten van ons land, en vlak tegenover het stadhuis, een ouderwetsch gebouw met torens en klokkenspel. De professor ontving mij met open armen.


zondag 7 juni 2026

Klaas Kraaiveld • 8 juni 1913

WEEKRAPPORT van den Jachtopzichter Klaas Kraaiveld te Heuvelberg omtrent zijn werkzaamheden van Zaterdag den 31sten Mei tot en met Zaterdag de 7den Juni 1913.

Bekeuringen
31 Mei. 's middags 1 uur, Hein Sluiper van Het Laag voor het vervoeren van 12 patrijzeneieren.
In het Schooneveld. Donderdag 4 juni. s morgens 5 uur, een zestal hazenstrikken opgenomen. Ik zal alles in 't werk stellen om den verdachte te bekeuren. Collega's Jan en Dirk gewaarschuwd.

Schadelijk gedierte
3 katten op de klem.
1 wezel in wipval.
2 meerkollen geschoten.

Fazanten
In het wild liepen 3 nesten uit, te oordelen naar de doppen zijn de toomen 8, 10 en 9 sterk. Fokkerij: sedert laatste opgaaf geen sterfgeval. Van 120 eieren kwamen 90 kuikens, alles welvarend.

Patrijzen
De 16 eieren van een gevaarlijk gelegen nest heb ik onder een lichte kip gelegd.

Houtsnippen

Waterwild
Zag Maandag een toom eenden-kuikens, die vóór het einde dezer maand reeds vlug zullen zijn.

Grof wild
Den zwaren zesender speur ik geregeld. Hij staat meestal in het Johanna-bosch.

Hazen
Heden vond ik 2 doode jonge haasjes in de biezenwei. Ik schat ze een week oud. Oorzaak van sterfte kan ik niet vaststellen. Ongedierte is er geen schuld aan.

Konijnen
Elken dag zie ik meer jongen.

Diverse wildsoorten

Weersgesteldheid
Zondag prachtig warm weder.
Maandag dito dito.
Dinsdag 's nachts geregend, drukkend.
Woensdag mooi en warm.
Donderdag dito.
Vrijdag een onweersbui, die geen schade aanrichtte.
Zaterdag minder warm dan vóór onweer.

Toestand veld
Alle wildakkers zijn omrasterd. Overal uitmuntende dekking en geen gebrek aan insecten.

Toestand materiaal
3 rol gaas ontvangen en onmiddellijk aangewend.

Vragen
Begin volgende week zou ik gaarne een zak korrelvoer en crissel [?] ontvangen.

Verdere bizonderheden
Uw brief van 1 Juni ontvangen en heb ik overeenkomstig uwe wenschen gehandeld.

ONTVANGSTEN
Contanten brief 1 juni ƒ 25,—

UITGAVEN
Vracht 3 rol gaas: ƒ —,80
12 broedhennen á ƒ 1,30: ƒ 14,40
10 kippeneieren á 3,5 ct.: ƒ —,35

Handtekening
Klaas Kraaiveld

Wim Kan • 7 juni 1964

Wim Kan (1911-1983) was cabaretier. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.

Zaterdag 6 juni. Middag 14.00 uur
Met Ol naar Treslong Hillegom voor de Beatles. Veldslagen. Vond het toch wel weer erg leuk. Zaten tussen tweehonderd tieners. Ik naast bepaald heel leuke. Lekker brutaal van je en jij en ik wou dat ik ook beroemd was. Mooie, wat gewichtige sfeer van de varamensen er omheen. Verder was alles play-back. Gewoon weer als steeds, één grote nep. Geluidsopname was al oud en de Beatles deden alsof ze zongen! Na afloop nog gepraat met de politie: ‘De paarden zijn vannacht al naar Blokker gestuurd,’ Alarmerende zinnen. Maar iedereen wordt er toch een beetje door aangestoken.
Straks gaan Ol en ik via bezoek aan Jack Bow naar Blokker.

Zondag 7 juni. Avond 19.00 uur. Werkhuisje Kudelstaart
Nuchter Nederland beleefde zijn zoveelste collectieve driftbui. Als de dijken breken, gaan we d'r allemaal aan. Een journalist bemorst, beschadigd, bezweet en misselijk komt uit het rampgebied naar het eiland waar wij als waarnemers staan. Het verbodene is onderdeel van de vertoning. Vijfentwintig dure minuten zijn snel voorbij. She loves you, yeah (3×). Uit. De Beatles vluchten. Paul [McCartney] tegen een politiereus: Help! Help me. Snel een kamertje in. Bestuur staat op de deur. Buiten staat de massa achter de hekken. De vluchtauto staat klaar. Wachten tot het kan. Na een half uur wagen ze het erop. De Beatles worden in een auto geduwd. Politiemannen drukken de menigte naar buiten. De paarden steigeren. De Franse revolutie wordt uiteen geslagen. De Beatle-auto geeft vol gas. Twee volgauto's er achteraan. In het voorste rijtuig met grote achterlichten: Marie Antoinette! Het volk achter haar aan, ze weet te ontkomen, nog net, op het aller-allerlaatste moment... naar Hongkong, naar Australië, naar een nieuw gevaar. Rust is weergekeerd. Besteedde de hele dag aan Blokker-indrukken door ze driemaal op te schrijven (eenmaal in dagboek, tweemaal voor eventueel een stukje in een krant). Ol had inmiddels Henk van der Meyden al opgebeld. Geloof dat het stukje al weg is nu. Las ijverig kranten. Vol Beatles en over verboden boeken. Fanny Hill moet uit de handel. Boek van Jan Cremer in beslag genomen. Achter Wolkers schijnt de zon (mijn zoon wil nu officier van justitie worden).

Cola Debrot • 6 juni 1956

Cola Debrot (1902-1981) was een Antilliaanse schrijver, arts, diplomaat en staatsman. Van een verblijf in Genève in 1956 hield hij een dagboek bij, onder de titel Dagboekbladen uit Genève.

6.6.1956 - Opening van de Conferentie [van de Internationale Handels Organisatie].
De grote vergaderzaal is tot de nok gevuld, met uitzondering van het podium, waar de bestuurstafel en de tafels der secretarissen nog onbezet zijn. De genodigden op de publieke tribunes meegerekend, zullen zich hier ruim vijftienhonderd personen van beiderlei kunne bevinden. [...] Wij wachten op de verschijning van de president van de Raad van Beheer, die met zijn secretarissen zal plaatsnemen achter de bestuurstafel. Het is de gewoonte dat de Conferentie door deze functionaris wordt geopend. Hij draagt in dit geval een uitgesproken Engelse naam, hij heet Mr. Brown. Deze periode van afwachten wordt op verschillende wijzen benut. De een is tenslotte ongeduldiger dan de ander. Wij spelen met de koptelefoon in onze handen. Wij trachten ons door middel van de gids te oriënteren, een handig boekje, rood in het Engels, olijfgroen in het Spaans, geel in het Frans. In de eerste rij rechts in de zaal zit geheel vooraan de Russische delegatie. De leider, kameraad Arutiunian, een donkere Georgiër, had voor een Zuidamerikaan kunnen doorgaan als zijn verbetenheid minder duidelijk op zijn gezicht te lezen stond. De Amerikanen zitten eveneens in dezelfde rij, maar meer achterin; een uitgesproken figuur valt onder hen niet aan te wijzen; zij zien er allen eender uit, het zijn handelsreizigers, die meer of minder beschaafde pogingen aanwenden om de verkoop op te voeren en de belasting te ontduiken. [...]
Links zitten de observers. De delegatie van Nigeria trekt sterk de aandacht. Zij zijn in inheemse kleding gestoken, een tuniek met bonte zijden lappen gedrapeerd. Het sterkst trekt de aandacht de heer S.F. Okotie Eboh, minister van Arbeid van Nigeria. Het is het type gezette neger met een bril met Amerikaanse halfhoornen montuur. Er wordt zo het een en ander over hem gefluisterd, zij noemen hem Big Chief. Hij is leider van de regeringsgroep, voorts voorzitter zowel van de werkgevers- als de werknemersorganisatie. Het gerucht gaat, dat hij van alle maatschappijen in zijn land 51 procent van de aandelen bezit. Het zal wel gelogen zijn, maar de combinatie van uiterlijke praal en bonhomie leent zich voor legendevorming. De Europeanen willen gaarne de vertegenwoordigers van gewezen koloniale gebieden in een twijfelachtig daglicht stellen. De verhalen van corruptie worden op bestelling afgeleverd. Het is bijzonder moeilijk voor een Europeaan zich aan het nuchtere feit te houden als het over koloniale problemen gaat, hij wordt dan gauw het slachtoffer van een ongebreidelde fantasie.
[lees verder]

donderdag 4 juni 2026

Cor Inja • 5 juni 1925

Cor Inja (1903-1989) weigerde dienst op principiële gronden, en moest daarvoor de gevangenis in. Tijdens zijn opsluiting hield hij een dagboek bij, dat is gepubliceerd als Geen cel ketent deze dromen.


5 juni 1925
Vandaag moest ik de tuin besproeien, de planten water geven, zodat al het jonge groen weer de levenssappen op kan zuigen, zodat ze krachtiger dan ooit op zullen groeien. Er zullen forsche, buigzame stengels komen en de bloemen zullen tartend rond zien en vreugde geven.
Zo gaat het met ons jonge leven ook. Na de eerste levenssappen groeien we tot een volwassen stam uit en zien tartend de wereld rond en wij slaan onze ogen op, die vragen: 'Wat wil je van ons?', en wij zeggen met diezelfde ogen: 'Weetje het niet? Wij zijn de nieuwe wereld, het nieuwe geslacht. Wat gij allen vele eeuwen hebt gedaan en wat steeds op een mislukking is uitgelopen, dat zullen wij nu gaan doen: wij zijn de toekomst, wij zijn de vrije jeugd. Wij zullen tonen [dat] in ons de kracht schuilt, om onze idealen te verwezenlijken.'
Zo spreken die bloemen in knop me ook toe. Er is nog geen dor blaadje dat neerhangt. Dan komt de tijd van de volle bloei, en krachtig pralen ze in volle schoonheid. De zomer is gekomen: hoe lang zullen ze dan de zomerhitte doorstaan! Dat hangt van het weer af en het water dat elke dag gegeven moet worden. Maar naar zo'n zomer willen we ook in eigen leven. In die zomer moet het gelukken.
Maar we weten [dat] de herfst komt, en de stormen komen, en de graankorrel valt, en zo zal het ook later met ons gaan. Nu het volle leven tegemoet, maar dan smart, tranen, bitterheid.
De geschiedenis zal zich herhalen. Een weemoedige gedachte, of toch niet, want uit de graankorrel zal nieuw leven komen. Zal het met ons ook zo zijn?
Als dat zo is, dan is deze gang van het leven dus noodzakelijk om tot nieuw leven te komen. Er is een woord: 'Zij die geloven, haasten niet.' Dus als we het leven verlaten, komen we in Al-leven, dat door God is geschapen, en dat zullen allen zijn: groot en klein, rooms, protestant, islam, rood en zwart, communist en bourgeoisie.
Wat een gedachtensprong. Ja, het is toch wel fijn om bewust te mogen leven, zolang het je gegeven wordt te leven en steeds te zoeken naar de waarheid en de zin van het leven.
Overigens bijzonder veel post vandaag.

woensdag 3 juni 2026

James Woodforde • 4 juni 1776

James Woodforde (1740-1803) was dominee in het dorp Weston Longville in het Engelse Norfolk. Hij hield 44 jaar een dagboek bij; gedeeltes daaruit zijn gepubliceerd als The Diary of a Country Parson 1758 – 1802.

Vertaling onderaan

June 4. I breakfasted, dined, supped and slept again at Weston. My tooth pained me all night, got up a little after 5 this morning, & sent for one Reeves a man who draws teeth in this parish, and about 7 he came and drew my tooth, but shockingly bad indeed, he broke away a great piece of my gum and broke one of the fangs of the tooth, it gave me exquisite pain all the day after, and my Face was swelled prodigiously in the evening and much pain. Very bad and in much pain the whole day long. Gave the old man that drew it however 0. 2. 6. He is too old, I think, to draw teeth, can't see very well.

 June 5. I breakfasted, dined, supped and slept again at Weston. Very much disturbed in the night by our dog which was kept within doors tonight, was obliged to get out of bed naked twice or thrice to make him quiet, had him into my room, and there he emptied himself all over the room. Was obliged then to order him to be turned out which Bill did. My face much swelled but rather easier than yesterday tho' now very tender and painful, kept in today mostly. Paid and gave Will my servant this evening 0.5.0. Paid Mr. Dunnell this evening part of a bill due to him from me, for 1 cows, 3 Piggs, 3 p'. Shoes, Flower, Tea, Sugar, News Papers, Pipes, Candles, Pan, Tobacco, Beer, Mustard, Salt, Washing, Halters, Comb and Brush, Crabs, Bread and Porterage of £14. 9. 3. the sum of a Bank Note - of - £10.0.0.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

4 juni. Ik ontbeet, dineerde, soupeerde en sliep opnieuw te Weston. Mijn tand deed mij de hele nacht pijn. Vanmorgen stond ik iets na vijven op en liet ik een zekere Reeves halen, een man uit deze parochie die tanden trekt. Omstreeks zeven uur kwam hij en trok mijn tand, maar op een verschrikkelijk slechte manier. Hij rukte een groot stuk van mijn tandvlees weg en brak een van de wortels van de tand af. Dat bezorgde mij de rest van de dag hevige pijn, en tegen de avond was mijn gezicht buitengewoon opgezwollen en zeer pijnlijk. Ik was de hele dag ziek en leed voortdurend pijn. Toch gaf ik de oude man die de tand had getrokken 2 shilling en 6 pence. Hij is, denk ik, te oud om nog tanden te trekken; hij kan niet goed meer zien.

5 juni. Ik ontbeet, dineerde, soupeerde en sliep opnieuw te Weston. Ik werd 's nachts erg gestoord door onze hond, die vanavond binnenshuis werd gehouden. Ik moest twee- of driemaal naakt uit bed komen om hem stil te krijgen. Ik nam hem zelfs mee naar mijn kamer, waarna hij zijn behoefte deed over de hele kamer. Ik moest toen bevel geven hem naar buiten te zetten, wat Bill deed.

Mijn gezicht was nog steeds sterk opgezwollen, maar ik voelde mij iets beter dan gisteren, hoewel het nog zeer gevoelig en pijnlijk was. Ik bleef vandaag grotendeels binnenshuis. Vanavond betaalde en gaf ik mijn knecht Will 5 shilling. Ook betaalde ik vanavond aan meneer Dunnell een deel van een rekening die ik nog bij hem had openstaan, voor één koe, drie varkens, drie paar schoenen, meel, thee, suiker, kranten, pijpen, kaarsen, een pan, tabak, bier, mosterd, zout, wasgoed, halsters, een kam en borstel, krabben, brood en vrachtkosten. De totale rekening bedroeg £14, 9 shilling en 3 pence. Ik betaalde daarvan een bankbiljet ter waarde van £10.0.0.

dinsdag 2 juni 2026

Frits Spits • 3 juni 2025

Frits Spits (1948) stopte eind vorig jaar als radiomaker. Over zijn laatste jaar als presentator hield hij een dagboek bij: Mijn laatste radiojaar.

dinsdag 3 juni
Het kabinet-Schoof is gevallen, Geert Wilders houdt het voor gezien. Wat zit hierachter? Waarom wil hij dit? Waarom nu? Zit die asielparagraaf hem echt zo hoog, of kreeg hij afgelopen weekend tijdens een bijeenkomst met rechtse politici in Hongarije het idee om zelf de macht te grijpen en chaos teweeg te brengen in ons land? Het zou me niet verbazen als deze non-democraat in alle stilte een staatsgreep voorbereidt. Of word ik nu langzamerhand een beetje complotrijp? Ik ben benieuwd hoe dit afloopt. Ongerust ben ik ook. 1k hoop dat bij de andere partijen wijsheid voorrang krijgt. Als we iets nodig hebben, is het dat wel.
Peter de Bie is vandaag overleden. Op zijn verjaardag. Zijn 75e. Voor de dood heeft hij zelf gekozen, hij was te ziek. Ik sprak hem voor het laatst op de herdenkingsdienst van zijn in maart overleden vrouw Dieuwertje [Blok]. Hij zat in een rolstoel, een bacteriële ziekte was er de oorzaak van dat zijn onderbeen afgezet moest worden, maar in zijn ogen zag ik nog steeds de glans die ik zo goed van hem heb leren kennen. Ik weet nog dat ik hem tijdens carnaval tegenkwam op het Eindhovense Stratumseind. Dat was heimelijk genieten voor Peter. Hij droeg dan vrouwenkleren en die schitterende ogen had hij extra aangezet met zwarte mascara. Prachtig zag hij eruit, vrolijk was hij beslist. In niets deed hij dan denken aan de vaak vernieuwende radiomaker die hij is geweest. Zijn manier van interviewen verraadde een groot inzicht, zijn dwarse geest zorgde voor vaak onverwachte en verrassende vragen. Niet voor niets is hem voor zijn radiowerk de Zilveren Reiss-microfoon toegekend. Peter de Bie zal ik nooit vergeten.

maandag 1 juni 2026

J.L. Heldring • 2 juni 1958

J.L. Heldring (1917–2013) was journalist en 4 jaar hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Zijn 'Pools dagboek' bevat de notities gemaakt tijdens een veertiendaags bezoek aan Warschau in de eerste helft van juni 1958.

Dinsdag 2 juni
Voor de lunch ben ik uitgenodigd door prof. A. Het blijkt in een van de duurste restaurants van Warschau te zijn, aan de Marszalkowska, de in Poolse Stalinstijl gebouwde boulevard in het midden van de stad. Zoals zovele dingen in socialistische staten, is ook dit restaurant, dat in 1955 gebouwd moet zijn, al wat versleten. Er zitten veel proletarisch uitziende mensen (schillerkragen enz.). Waar die het geld vandaan halen, weet ik niet. Ik vraag het maar niet aan mijn gastheer, want ik weet ook niet waar hij het geld voor de lunch vandaan haalt. De bediening is overigens langzaam. Dit is, zoals A. opmerkt, een van de nadelen van het socialistische systeem. De mensen zien er geen eigen belang in om harder te werken. Dat is natuurlijk bekend, maar het is goed het eens te horen uit de mond van een communist. Want dat is A. kennelijk. Hij is een beetje teleurstellend onorigineel in zijn opmerkingen over de koude oorlog (‘waar beide zijden schuld aan hadden’), over de blokpolitiek etc. Maar hij schijnt werkelijk te geloven in het ‘revanchisme’ van Adenauer of misschien niet van Adenauer, dan van zijn opvolger, wie dit ook zijn moge. De Europese integratie, waarover hij zojuist een artikel heeft geschreven, ziet hij ook als een produkt van de koude oorlog (dat is juist) en daarom veroordelenswaard (dat is op zichzelf niet juist). Ook ziet hij die integratie volkomen gedomineerd door Duitsland. De Gaulle is een satelliet van Adenauer. Hij zegt vertrouwd te zijn met mijn tegenargument, dat het beter is Duitsland in de club te hebben dan erbuiten, laat staan ertegen. De Bundesrepublik moge dan een democratische staat zijn (dat wil hij wel aannemen), maar de Weimarrepubliek was nog democratischer en toch bracht die binnen vier jaar na de sociaal-democraat Müller en binnen een jaar na Brüning (‘Adenauers partijgenoot’) Hitler. Mijn wederwoord: als we met historische parallellen beginnen, moeten we dan ook niet de Poolse delingen te berde brengen? Kortom, een vrij frustrerend, zij het levendig gesprek. Het is natuurlijk honderdmaal waar wat hij zegt: de Polen zullen nooit vergeten, dat de Duitsers hen bewust als Untermenschen hebben behandeld en een stad als Warschau b.v. systematisch - dus niet tijdens een oorlogshandeling - hebben vernield - een stad die de Polen na de oorlog zonder hulp uit het buitenland hebben moeten opbouwen. Vergeleken met de Polen, hebben wij tijdens de bezetting een gulden tijd gehad.

[lees verder]