donderdag 15 oktober 2026

Susan Sontag • 16 oktober 1962

• Reborn bevat (dagboek)notities van schrijfster Susan Sontag (1933-2004) uit de periode 1947-1963.

Vertaling onderaan.

[Loose-leaf page found among SS's papers]
10/16/62 • Sentimentality. The inertia of the emotions. They are not light buoyant. — I am sentimental. I cling to my emotional states. Or do they cling to me?

I wish I could think I. [Irene, haar geliefde] simply takes me for granted. The massive refusal of intimacy in her letters, the occasional touches of condescending affection.

Not once "I miss you," not once a word from inside.

But I cannot explain it except by the utter collapse, the painless dissolution of any feeling for me. All the lines are down.

Tiemmi, tiemmi. [From Dante's Purgatorio, Canto XXXI: "Poi, quando il cor virtu di fuor rendemmi," / la donna ch'io avea trovata sola / sopra me vidi, e dicea: 'Tiemmi, tiemmi'" ("Hold me, hold me.")]

I thought I. had the key, and only she. That all my sexuality was bound to her. Now I know that, technically, that's not so. But, still, I don't believe in the reality of anyone else.

I do not believe she will come back to me. Those who go away never come back.

— How I lie in my letters to her! I want her to believe I am tranquil and hopeful — my final magic spell to bring her back.

Vertaling door ChatGPT

[Los ingelegde bladzijde gevonden tussen de papieren van SS]

16-10-1962 • Sentimentaliteit. De traagheid van de emoties. Ze zijn niet licht en veerkrachtig. — Ik ben sentimenteel. Ik klamp me vast aan mijn emotionele toestanden. Of klampen die zich aan mij vast?

Ik zou willen kunnen denken dat I. [Irene, haar geliefde] me eenvoudigweg als vanzelfsprekend beschouwt. De massale weigering van intimiteit in haar brieven, de sporadische aanrakingen van neerbuigende genegenheid.

Niet één keer: ‘Ik mis je’, niet één woord dat van binnenuit komt.

Maar ik kan het alleen verklaren door de volkomen ineenstorting, het pijnloze oplossen van elk gevoel voor mij. Alle lijnen liggen eruit.

Tiemmi, tiemmi. [Uit Dantes Louteringsberg, zang XXXI: ‘"Poi, quando il cor virtu di fuor rendemmi," / la donna ch'io avea trovata sola / sopra me vidi, e dicea: 'Tiemmi, tiemmi'" ("Hou me vast, hou me vast.")]

Ik dacht dat ik de sleutel had, en alleen zij. Dat mijn hele seksualiteit aan haar gebonden was. Nu weet ik dat dit technisch gezien niet zo is. Maar toch geloof ik niet in de werkelijkheid van iemand anders.

Ik geloof niet dat ze bij me terug zal komen. Wie weggaat, komt nooit terug.

— Wat lieg ik tegen haar in mijn brieven! Ik wil dat ze gelooft dat ik kalm ben en hoopvol gestemd — mijn laatste magische bezwering om haar terug te brengen.

woensdag 14 oktober 2026

Benoîte Groult • 15 oktober 1941

• Benoîte Groult (1920-2016) was een Franse schrijfster. In 1963 publiceerde ze een oorlogsdagboek, dat ze samen met haar zus Flora geschreven had: Journal à quatre mains, in het Nederlands door Nini Wielink vertaald als Dagboek voor vier handen.

15 oktober '41 • We gaan niet meer naar het bos, de laurierbomen zijn omgehakt ... Concarneau wordt verkocht.
Grootmoeder hield niet meer van dat huis, want het is voortaan haar ideaal om de Bon Marché binnen handschoenbereik te hebben. In Parijs ben je beschut tegen de natuur. Grootvader zal zijn jekker met de ronde kraag niet meer vuil maken en geen aarde meer aan zijn knieën hebben of doorns in zijn vinger: hij mag zijn leven lang niet meer tuinieren, is beroofd van zijn tuberozen, zijn pteris aquilinas, scolopendrium officinale en andere liefdes waarop de bidsprinkhaan jaloers was. Nu is de droom van de bidsprinkhaan werkelijkheid geworden: grootvader de hele dag thuis, zittend in zijn fauteuil, nietsdoend dus onberispelijk. De boot wordt natuurlijk samen met het huis verkocht.
'Wat heeft Paul op zijn leeftijd nou op een boot te zoeken?'
Grootvader is helemaal naakt, helemaal leeg, met open handen en dode vingers. Grootmoeder daarentegen is weer jong geworden: ze ordent, ze ruimt op en bergt haar herinneringen in een kaartsysteem op. Haar leven is eindelijk afgesloten; je kunt het in een la stoppen; storende verrassingen zullen er niet meer komen. We hebben met ontroering het visboek nog eens gelezen dat ze haar hele leven had bijgehouden: grootvader had in juli 1938 zeshonderd makrelen gevist! Wat mag grootmoeder ze graag zien, zo liggend in dat grote boek! Eindelijk netjes en reukloos. 'Ieder zijn meug' zoals de Bretons zeggen.

Soetan Sjahrir • 14 oktober 1936

• Soetan Sjahrir (1909-1966), was een Indonesisch politicus en de eerste premier van dat land. Hij speelde een grote rol in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. In 1934 werd hij gearresteerd. Hij doet verslag van zijn gevangenschap en verbanning in een dagboek, dat is gepubliceerd als Indonesische overpeinzingen.


14 Oct. 1936 • In vele opzichten is Neira een min of meer ideale samenleving, vergeleken dan met de rest van de wereld. Natuurlijk is zelfs in zulk een paradijs niet alles even mooi, en zo heb je hier ook alle kleine kanten van een dorpssamenleving, alleen minder hevig en minder scherp, omdat Neira een soort van paradijs is. ‘De mensen schijnen hier nauwelijks armoede te kennen’, heb ik eerder geschreven. Dat is maar ten dele waar.

Wel is waar, dat de mensen die in Neira zelf of in de kampong wonen, meestal hun eigen hutje hebben of inwonen bij anderen als personeel en niet ondervoed zijn, ja meestal nog geld over hebben voor mooie kleren en feesten. Maar op de perken zijn de mensen toch wel een beetje ondervoed. Dr Soeribno bijvoorbeeld heeft nu een jongen in huis, die heel erg ondervoed is, hij komt van Goenoeng Api. Die hongerlijders op de perken, op de Goenoeng Api verdienen nauwelijks een dubbeltje per dag, àls ze iets verdienen kunnen.

Velen van hen proberen het met het verbouwen van groenten, maar zonder kapitaal gaat dat natuurlijk ook niet al te best en de vruchtbaarste plekken zijn altijd al eigendomsgronden. In de perken wonen de koelies. Vroeger hebben zij meer verdiend: 40 tot 50 cent per dag, maar nu is het al veel als zij 12 of 15 cent krijgen; deze mensen zien er dan ook over het algemeen heel slecht uit. Toch zijn de perkeniers geen uitbuiters. De meesten kunnen niet meer betalen, omdat de notemuskaat helemaal geen prijzen meer maakt. Vele perkeniers werken met verlies maar ze moeten doorgaan, omdat verwaarlozing van hun perken nog groter verlies zou betekenen.

De rijkaards hier zijn ook geen onsympathieke mensen. Héél rijke lieden heb je hier niet meer, maar zeer gegoede families, die het brengen tot een vermogen van een paar ton en een inkomen van vier of vijfhonderd gulden per maand voor privé-doeleinden, zijn er wel enige. Ook zij leven eenvoudig, versmijten hun geld niet en nemen ook geen geld-aristocratische allures aan. Zij hebben de Bandase verdraagzaamheid en vriendelijkheid.

De landbouwers op Goenoeng Api zijn voor een groot deel afkomstig van Boeton, ten Zuiden van Celebes. Zij komen hierheen in hun zeilscheepjes, bij elkaar gepakt als haringen in een ton, zó dat ze gedurende de gehele reis niet kunnen gaan liggen, terwijl die reis, wanneer de wind niet meewerkt, wel een maand kan duren. Dan eten, slapen, ze doen alles staand of hurkend. Van ongelukken op zee hoor je niet; het moeten wel heel goede zeevaarders zijn.

Ze pakken hier van alles aan en zelfs als ze maar twintig cent per dag verdienen spelen ze het nog klaar om er wat van opzij te leggen. Als ze naar hun mening genoeg gespaard hebben, dat is zo tussen de tien en vijf-en-twintig gulden, stappen ze weer in zo'n zeilscheepje, betalen drie gulden voor de hele reis, die meestal korter duurt dan een week, maar soms, als het tegenvalt, ook wel eens veel en veel langer.

Een luilekkerland is het hier dus niet precies, en men kan hier zien, dat de ‘luie inlander’ levensgevaar trotseert om een paar centjes te kunnen verdienen, waar hij dan bovendien nog voor moet ploeteren. Het verdiende geld is meestal voor de familie, ook wel om een nestje te kunnen bouwen. Al die Boetonnese jongemannen zijn hier ongetrouwd, omdat ze nog geen huishouding op kunnen zetten - nog geen huishouding van tien cent per dag -, daar de kleren van de vrouw te veel kosten.

Hier op Banda heb je dat verschijnsel trouwens ook en men zegt, dat het ook op Java nu zo toegaat. Zo ziet men, dat wat nog geen probleem vormde een tiental jaren geleden - hèt Europese probleem - dat nu ook geworden is voor ons Indonesiërs. Het leven is nu zelfs in dit gemakkelijke land, waar je toch maar zo weinig kleren aan je lichaam nodig hebt, zó geworden dat de mensen vanzelf aan het rekenen moeten gaan, rationeel moeten worden. Niet trouwen, omdat de vrouw hem de helft van zijn bordje rijst - zo hij dit heeft - zou kosten.

maandag 12 oktober 2026

De heer B. • 13 oktober 1960

• Uit het 12e dagboek van de heer B. 1960. Collectie Nederlands Dagboekarchief.

Donderdag 13-10-60 • Vanaf Dinsdagavond zes uur storm en buitengewone regenval. Vele landerijen staan geheel of gedeeltelijk onder water. Vooral in Noord Holland is het erg. Er zal spoedig verandering moeten komen anders wordt het een ramp.

Nadat er zoveel natuurrampen gebeuren begrijp ik niet dat de mensen zich niet bezinnen en eens ophouden met oorlog voeren, elkaar vermoorden in opstanden en dergelijke misdaden. Want als er mensen omkomen bij rampen of andere gebeurtenissen dan wordt er veel ophef over gemaakt. Doch bij binnenlandse opstanden of onlusten of ergo bij oorlog vallen er vele doden; dan is dat vanzelfsprekend en zelfs niet eens strafbaar. Dat gaat boven mijn verstand, maar ja zeggen geleerde en zelfs Domine’s en Pastoors en dergelijke lieden; dat is heel wat anders, dan een gewone misdaad, dat is noodzaak. Wat een goedkope uitvlucht is dat. Maar ik ben ook slechts een proleet en beslist niet intulectueel!

zondag 11 oktober 2026

Willem Bilderdijk • 12 oktober 1795

• Schrijver Willem Bilderdijk (1756-1831) werd tijdens zijn verbanning naar Engeland tot over z’n oren verliefd op zijn leerlinge Wilhelmina, twintig jaar jonger dan hij. Hij overreedde haar hem na te reizen naar het vasteland, hoewel hij een getrouwd man was. Ze kregen een aantal kinderen, maar Willem kon pas vele jaren later met haar trouwen. Uit: Liefde en ballingschap. Brieven 1795-1797 (hertaald door Marita Mathijsen).

Bilderdijk aan zijn vrouw. Hamburg, 12 oktober 1795 • Lieve! Je zult mijn vorige brief met het bericht over de ontvangst en de staat van de koffer ontvangen hebben. Ik heb toen vergeten te melden dat die mij 36 Hollandse gulden aan vracht heeft gekost. Stuur daarom voortaan alles per schip. Je zult altijd gelegenheid vinden bij Hamburgse schippers die dagelijks vanaf Amsterdam af en aan varen. De berichten die ik hier krijg over het woeden van de cholera maken mij zeer ongerust over jou en de kinderen. God behoede jullie allemaal! — Over mij: sinds ik terug ben uit Engeland ben ik erg ziek door hete koortsen. Ik hoop echter dat het met mij in orde komt. Over publieke zaken kan ik het niet wagen je te schrijven. Weet echter dat die niet vooruitgaan. Wat moet men doen, het is in de hand van God en Hij zal het besturen, daarop vertrouwen wij! Wat mij betreft, hoe zou ik in deze algemene verwarring mijn lot nog hebben kunnen bepalen? — Alles spant samen tegen de rechtschapenheid, de deugd en het verlichte verstand. Geen ministerie zal nu iemand van onkreukbare principes als de mijne aanstellen, terwijl alle hoven steeds meer naar de Franse richting overhellen. — Wat dan? Wetenschappen? Wie denkt er nu aan om onderwezen te worden, bij de totale omwenteling van dit werelddeel? — Ik heb echter mijn plannen gemaakt, en laat mij door geen moeilijkheden afschrikken. God leeft, en met Hem is er uitkomst en Hij zorgt voor toevlucht zonder beperking. Maar hier-over nader op een andere tijd. Vaarwel; omhels onze Elius en hou van mij.

Hamburg 12 oktober 1795

P.s. Teken toch op je brieven de datum aan.

J.J. Voskuil • 11 oktober 1943

• Schrijver J.J. Voskuil (1926-2008) hield zijn leven lang een dagboek bij, dat nu in delen wordt uitgegeven door Van Oorschot. Het onderstaande fragment komt uit het deel Bijna een man, over de jaren 1939-1955.

donderdag 7 october • [...] Als Hanneke een jongen was, zou ik niet met haar bevriend zijn. Ik vind haar oppervlakkig en soms is ze me zelfs antipathiek. Komt die antipathie voort uit wrok? Zeker is dat ze verwaand is en te goed weet dat de jongens haar aardig vinden. Bij iedere jongen denkt ze: O die? Dan kan ik wel betere krijgen.' Met het gevolg dat ze straks blijft zitten. Dat is het verschil met Dee. Dee flirt niet. Ze luistert.

zondag 10 october • Mistig, koud. Met de Gele Tram [Den Haag-Leiden] naar de Buurtweg voor de wedstrijd tegen Groen-Geel. Omdat ik geen schoenen meer heb, speelde ik op blote voeten. We wonnen met 2-1, maar het had meer moeten zijn. In de tram terug luchtalarm, waardoor we een uur oponthoud hadden.

dinsdag 12 october • Op de grens van de Mient en de Weimarstraat brak de koppeling van de tram. Lijn 20 moest ons opduwen, waardoor we niet de enigen waren die te laat op school waren. Het werden er nog meer toen bleek dat de Rijswijkse tram voor een omgevallen kolenwagen had gestaan en lijn 10 een wiel had verloren. Daarmee verloor ik mijn voordeel weer en ontkwam ik niet aan de Duitse spreekbeurt.

'Jij bent fotogeniek,' vond Postma, toen hij in de pauze de foto's van Dee en Hanneke bekeek. — 'Dat hebben ze al meer gezegd, meneer,' antwoordde ze.

donderdag 14 october • Even voor we de school ingingen, begonnen de sirenes te loeien. Een uur met Mia, Joke en Jan in een portiek gestaan tot het weer veilig was. Geurts vond dat we net zo goed naar binnen hadden kunnen gaan en liet ons een kwartier nablijven.

vrijdag 15 october • Moeder raadt me af om de rol van Hanneke voor haar over te schrijven. 'Dat is juist wat ze wil,' zei ze, 'dat er veel jongens aan haar voeten liggen, om ze dan flink van zich af te trappen. Je moet haar koel behandelen en af en toe in de modder laten zitten, beleefd, maar koel.'

zaterdag 16 october Onder het hockeyen werd er luchtalarm gegeven. We speelden door terwijl de vliegtuigen over ons hoofd gierden, doken en brommend verder trokken, het afweergeschut dreunde en de mitrailleurs knetterden. Op de terugweg liep mijn band bij de Betlehemkerk leeg. Toen ik haar thuis oppompte, begaf ze het meteen weer. Ik verwijderde de twee buitenbanden, haalde de binnenband eruit, maar kon geen lek vinden. Met hulp van vader legde ik de banden er weer om, pompte hem op, en verdomd, hij hield het, maar 's avonds om elf uur was hij weer zo plat als een dubbeltje.

maandag 18 october • Als Wezenberg de absenten komt opnemen, krijgt Hanneke altijd een knipoogje. En als hij de klas uit is, draait hij zich nog even om en kijkt op zijn tenen door het ruitje.

donderdag 8 oktober 2026

Susan Sontag • 10 oktober 1949

• Reborn bevat (dagboek)notities van schrijfster Susan Sontag (1933-2004) uit de periode 1947-1963.

[All her life, SS made lists of words into which she occasionally inserted a person's name or a brief observation. This undated fall 1949 entry is representative and shows how early this habit became second nature for her.]

effete
noctambulous
perfervid
detumescence
disheveled
so alluring, so cerebral
sodden
intriguing
corrupt
dignity
lotophagous
elegiac
Meleager
disponibility
pardine
demotic
Harriette Wilson
garbure
satura
succulent
competent intellectual vulgarity of Aldous Huxley
Yellow Book preciousness
secretive
sturdy
pedantry + lechery
spleen
ribaldry
ilex
Klaxon

Jan Steenbeek • 9 oktober 1949

• Neerlandicus Jan Steenbeek (1927-2002) bracht als dienstplichtig soldaat zestien maanden op Java door, gedurende de laatste periode dat Nederland daar aan de macht was. Zijn dagboeken en brieven uit de periode maart 1949 - augustus 1950 zijn uitgegeven als Indië is een mooi land, maar men moet er niet als militair zitten.

5 October. De eerste regen bracht friste en glibberigheid. Een Havank [detectiveboekje], een pijp, een zuurzakje [vrucht, misschien als sap of thee] en, mirabile scriptu, chagrijn, die het quartet vol maakt. Bunschoten en Meijer vervangen door Van der Mast en Hanssen, validen door mismaakten. Maar van het zouteloos maar foutenrijk geleuter over bloemen zijn we verlost en nog heerlijker van het wellustig gedoe van een bête Mokumer. Trouwens, het hele zootje mag wegbandjirren [wegstromen] of door de aarde verzwolgen worden.
Wat kan sinds de 5de gebeurd zijn, dat de beschrijving waard is, zo vraag ik me de 9de af.
Anna Karenina gelezen, met zeldzaam veel plezier. Er zit veel waars in R.N. Roland Holst's overpeinzing over Tolstoi in vergelijking met Dostojewski. Universeel, reëel, verheven. Wat tuimelen na zo'n lectuur Blaman en de doorsnee-Vestdijk.

De 9de gingen Van Manen, Van Opstal en ik in de avondschemering naar onder om een Drieberg's predikant over de P.C.J. [kortegolfradio] te horen spreken (Van Manen stamt van Driebergen). Prachtige kleuren, bruin, rose, groen en lila. De lucht geurde naar regen. Vogelschreeuwen en krekelgesjirp. Schijnwerpers deden de bergwanden steil uit het duister oprijzen. In de kuil lag de centrale, diep weggedoken. Op de laatste draai naar beneden sliep de wacht vredig in het gras langs de weg. Voorzichtig stappend passeerden we. De P.C.J. was onvindbaar en zo deden we een potje 'mens erger je niet' in de heel huislijke kamer van korporaal Cocks. Pietje Bunschoten ergert zich wél, gloeiend zelfs en binnen een week zie ik hem naar de Madiunse strafgevangenis verhuizen. 'Ik kan dat sterren-en-strepen-geneuk met de beste wil niet meer verdragen.' Nu, ik heb hem niet lijdzaamheid aangeraden, daarvoor irriteert dat canaille me wat al te erg.
Intussen kwam de maan op en hesen we ons weer naar boven. De stille vrede van de natuur verzachtte de stemming. Zwijnen lieten zich naar beneden glieren [glijden] langs hun paadjes en redden zich in het dichte struikgewas. In de dalen gloeiden overal vuurtjes vóór de hutjes. Zwijgend liepen we verder langs het glinsterend water van de afvoerbeek en alleen bij flitsen sneden we een luitenant of rotsergeant de hals af. Ik moest bij een doekoen [toverdokter] in de leer gaan om in goena-goena [zwarte kunst] bedreven te worden. 4 flesjes zuurzak braken me 's nachts zuur op. Ik spuwde gal, gitzwarte gal.

De T.N.I.-commandant Moh Yasin kreeg herrie met Nederlandse officieren, liep kwaad weg, en wou zelfs niet weggebracht worden door een wagen van ons: 'Ik tippel wel, het zal nu hard tegen hard gaan. Het fourageren werd uitgesteld tot eindelijk in Kandangan de zaak werd bijgelegd. Bavinck, de Militaire Willemsorde-drager, een echte avonturier, had een kolfje naar zijn hand.

woensdag 7 oktober 2026

August Willemsem • 8 oktober 1973

• Vertaler en schrijver August Willemsen (1936-2007) verbleef verschillende malen langere tijd in Brazilië. In Braziliaanse brieven vertelt hij over de leuke kanten van het leven daar, en over de minder leuke.

7/8 oktober
[wat voorafging]
De moeilijkheden begonnen op het kantoor van de VARIG, vrijdagmiddag 5 oktober. Ik had geen uitreisvisum. Niemand had me ooit verteld dat ik dat hebben moest. Daarvoor naar het Registro de Estrangeiros (Vreemdelingenregister), half uur lopen. Doorverwezen naar het Departement van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, vlak naast de VARIG. Half uur teruglopen. Daar schrijft een ambtenaar een verklaring: nihil obstat dat AW een uitreisvisum krijgt. Rust, opluchting, smakelijk eten. De volgende morgen, zaterdag 6, naar het Registro, dat 's ochtends nog open is. Er ontbreekt iets aan mijn papieren van de politie te Bahia. Naar de politie. Politie stuurt ons door naar het Instituto Félix Pacheco, waar ik een soort persoonsbewijs krijg. Terug naar Reg. Estr., waar een bruine subaltern, genaamd Ademir, beloofd heeft tot na sluitingstijd op ons te wachten. Hij heeft intussen met superieuren gebeld, die hem afraden ons verder te helpen, maar hij weet nu in elk geval precies wat er mis is. Van de politie in Bahia heb ik wel een bewijs van goed gedrag, maar dat is verlopen, en bovendien had ik in Bahia ook een voorlopige verblijfsvergunning moeten krijgen. Dat ze me die niet hebben gegeven is mijn schuld niet, maar wél had ik me binnen veertien dagen na aankomst moeten melden bij de politie in Rio. Ademir schrijft keurig op een briefje wat ik hebben moet (het ligt hier voor me, maar ik weet bij God niet hoe deze idiote termen te vertalen, ik zeg maar wat, verzin er zelf maar wat bij): 1 vreemdelingenregistratie, 2 vreemdelingenkadasters, 1 burgerlijk uittreksel (bij het Inst. Félix Pacheco), 2 uitreisvisumaanvragen, 5 kwitanties voor het betalen van federale belastingen, 1 verklaring van woonplaats (bij het Nederlandse Consulaat), 2 pasfoto's van 3 bij 4 cm met witte achtergrond en op glanzend papier. We bellen het Consulaat, dat op zaterdagmiddag gesloten is, maar via-via komen we bij een particulier adres, waar iemand ons aanraadt met spoed naar het Consulaat te komen. Dat is in Botafogo, een flinke reis. De heer Bijleveld stelt namens de Consul-Generaal een verklaring op met al mijn persoonlijke gegevens en de adressen in Bahia en Rio waar ik heb gewoond, in een supermarkt in Copacabana, de enige die nog open is, laat ik foto's maken, we gaan langs de politie en het Inst. Félix Pacheco (God zij geprezen dat dat zaterdag open is!), en terug naar het Reg.Estr. De consulaire verklaring is niet goed, daarop ontbreken de namen van mijn ouders, en de foto deugt niet, daarop ontbreekt de datum. Op andere papieren ontbreken mijn vingerafdrukken, waarvoor we terugmoeten naar de politie én het Inst. Felix Pacheco. Noortje krijgt een hysterische huilbui, gelukkig maar, want dat heeft op Ademir meer effect dan mijn Portugees. Hij belt met deze en gene, belt zelfs met het Consulaat om precies uit te leggen wat en hoe die verklaring moet zijn, hetgeen allemaal niet wegneemt dat we nog twee keer naar de politie moeten, waar tussendoor we ook nog even afscheid nemen van dona Heloisa. Uitgeput, ongelukkig en de krankzinnigheid nabij vallen we die avond op bed. De volgende ochtend, zondag 7, eigenlijk niet meer gelovend in het welslagen van wat we intussen haast beschouwen als een vluchtpoging uit dit land en deze rotstad, is onze eerste gang naar het Inst. Félix Pacheco (God opnieuw geprezen, dat het ook op zondag open is), de tweede naar het Reg. Estr., waar Ademir, het verbod van zijn bazen negerend, ons opwacht. Terwijl wij moeten zorgen voor nieuwe foto's en een nieuwe consulaire verklaring, is zijn probleem dat hij, omdat de enkele duimafdruk van het Inst. Felix Pacheco niet voldoende is, moet zorgen, op zondag, voor een identificador, een specialist in het maken van vingerafdrukken. In dezelfde supermarkt van gisteren, die ook op zondag open is, maken we nieuwe foto's. Ik heb er één bewaard: het is het beeld van een uitzinnige. Op het Consulaat stelt een secretaresse, mej. Van der Laan, die gevolmachtigd is het consulaire stempel te hanteren, een nieuwe verklaring op, waarbij ik me afvraag of er van de honderd miljoen Brazilianen ook maar één is die het een moer kan schelen dat, bijvoorbeeld, mijn moeder Trijntje Bulkes heet, en ik concludeer dat dit de definitieve materialisering is van de waanzin. Op het Reg. Estr. heeft Ademir middelerwijl een identificador gevonden. Hij begint (want ofschoon hij behulpzaam is, méér dan menselijkerwijs verwacht mag worden, heeft hij, als ondergeschikte, nu ook een zekere macht, en het is natuurlijk wel leuk daar éven gebruik van te maken) — hij begint met het maken van aanmerkingen op de nieuwe consulaire verklaring, maar wanneer Noor in een bijkans epileptisch aandoende onmacht dreigt te vallen, geeft hij de indentificador het sein met zijn werk te beginnen. Noor kan niet anders dan met tranen in de ogen aanzien hoe van mij, als van een zwaar misdadiger, de afdrukken van alle tien de vingers op papier worden gezet. Met enig ongeloof nemen we het visum in ontvangst, en even later, bij de VARIG (ook op zondag open!), het ticket. Het is onmogelijk dat iemand zich dit alles na een week nog herinnert, wanneer hij het niet meteen opschrijft. Maar wat ik hierin nu het meest Braziliaanse vindt: niet eens zozeer de moeilijkheden op zichzelf, als wel het feit dat het toch nog allemaal goed gekomen is. In een weekeind. In Nederland zou waarschijnlijk het hele probleem niet zijn gerezen, maar áls het er was zou het nooit, door tussenkomst van een lagere ambtenaar, tegen de zin van zijn superieuren, op zaterdag en zondag worden opgelost. Evengoed denk ik natuurlijk: 'Nooit meer Brazilië', maar ik weet uit ervaring hoe gauw ik er straks weer heen wil. En zo zal het wel altijd blijven. Welterusten.
Guus

dinsdag 6 oktober 2026

August Willemsen • 7 oktober 1973

• Vertaler en schrijver August Willemsen (1936-2007) verbleef verschillende malen langere tijd in Brazilië. In Braziliaanse brieven vertelt hij over de leuke kanten van het leven daar, en over de minder leuke.

7/8 oktober
Beste Paul,
Het meest Braziliaanse van mijn verblijf in dit land was de manier van er weggaan. Ik moet haast kokhalzen bij de herinnering, maar ik mág het je niet onthouden, want ik weet: al lijkt het onvoorstelbaar dat je zo iets gruwelijks zou kunnen vergeten — die dingen vergeet je. En snel ook. Je stopt ze weg. Als ik dat niet al wist, werd het nog eens bevestigd door een ober in het restaurant waar we een van onze laatste maaltijden in Rio gebruikten. Hij vroeg hoe Brazilië ons bevallen was, en toen ik zei dat ik de mensen aardig vond maar dat de bureaucratie tot krankzinnigheid dreef, dat ik bij mijn vertrek in 1968 had gedacht: 'Dit nooit meer', maar dat ik niettemin was teruggekomen, en dat ik nu weer dacht: 'Dit nooit weer' — toen antwoordde hij : 'Die dingen vergeet je.' En hij had een mooi voorbeeld. In 1966 was hij naar de wereldkampioenschappen voetbal in Engeland gegaan, d.w.z.: hij had alleen geboekt voor de wedstrijden vanaf de kwartfinales. Brazilië immers, met Garrincha én Pelé, zou voor de derde maal wereldkampioen worden. Je weet welk een tragische misvatting dit was: Garrincha was toen al niet meer dan een symbool en heeft niet eens op het veld gestaan, Pelé werd door zijn Portugese broeders onder het gras gestampt, en Brazilië overleefde de voorronde niet. Maar misschien nog erger (en daarover gaat het hier eigenlijk) was wat eraan voorafging. De man had zijn vliegreis (die voor hem een kapitaal vertegenwoordigde) kunnen bekostigen met hulp van zijn schoonzoon, en door lange tijd hard te werken, hard te sparen en zich veel te ontzeggen. Maar tot enkele uren voor vertrek had hij nog geen paspoort: de politie geloofde het verhaal van die schoonzoon niet en wilde weten, rekening houdend met zijn bescheiden inkomen als barbediende, hoe hij aan zoveel geld gekomen was. Het kwam uiteindelijk in orde (met het paspoort dan), maar denk eens aan de spanning, de ergernis, de onzekerheid tot op het laatste moment, de vernedering ook voor de arme man, van wie a priori werd aangenomen dat hij nooit op eerlijke wijze aan dat geld had kunnen komen. En dan die reis nog helemaal voor niks maken ook... `Die dingen vergeet je.'
Noor ligt naast me te slapen. Ik zit naar haar te kijken en begrijp niet waar ze de rust vandaan haalt, kan nauwelijks bevatten dat we werkelijk vliegen, ben weliswaar doodmoe maar nog veel te opgewonden om te slapen, en schrijf dus maar weer, al is het idioot, midden in de nacht, bij een klein spotje.
[Wordt vervolgd].

maandag 5 oktober 2026

Catharina Schrader • 6 oktober 1694

• Catharina Schrader (1656-1746) was een Friese vroedvrouw, die bijna 50 jaar haar vak uitoefende. Ze hield een journaal bij waarin ze de bevallingen beschreef.

1694 den 6 ocktober ben ick op Aamelant ontboeden bij een grottschipers vrouw. Hadde 5 daagen in arrbeit van 2 kinders gewest. Het erste war levendig gekomen, het leste qwam 2 dagen dar nae doodt sinde. En blef de naegebort[e] achter. En most ick don nog over de see gehalt. Doen ick de dör in qwam, lichte sij haar over eynde [en] seyde tegen mij: vrouwtie, gij komt te laat. Dar mede storf sij terstont, also ick verschrickt wyr. Og arrme marrtelars, dy onder sullcke marrtelars van vroetvrouwen komen.

Giuseppe Verdi • 5 oktober 1887

• Uit een brief van de Italiaanse componist Giuseppe Verdi (1813-1901) aan componist Arrigo Boito. Uit: Autobiografie in brieven (vertaald door Yolanda Bloemen).

Sant' Agata, 5 oktober 1887
Als u me belooft me er voor te prijzen, noch te blameren, zend ik u enkele namen, de eerste die me te binnen schieten. Het zijn er meer dan zes, maar er zijn zoveel goede in die periode, dat het moeilijk is te kiezen.
16de eeuw: *Palestrina (in primis et ante omnia), Victoria, Luca Marenzio (een heel zuivere schrijver), Allegri (die van het Miserere), en heel veel andere goede schrijvers uit die eeuw, met uitzondering van Monteverdi die niet goed was in het verdelen van de partijen. Begin 17de eeuw: Carissimi, Cavalli. Later: Lotti, *Scarlatti Alessandro (die ook voorbeeldig is in zijn harmonieën), *Marcello, Leo. Begin 18de eeuw: *Pergolesi, Jommelli. Later: *Piccinni (de eerste, meen ik, die Quintetten en Sextetten etc. schreef. Componist van de eerste echte opera buffa, Cecchina.
Als u er werkelijk slechts zes wilt, lijkt me dat diegene die zijn aangegeven met * de voorkeur verdienen. Later hebben we Paisiello, Cimarosa, Gughelmi Pietro etc. etc.; vervolgens Cherubini etc.
Ik wens u veel succes; en als u slaagt doet u zegenrijk werk, want de jeugd (ik spreek niet van de scholen die heel goed kunnen zijn) studeert de verkeerde dingen, is op de verkeerde weg. […] Wanneer men goed begrijpt wat er gecomponeerd moet worden, en wat voor karakter er gecreëerd moet worden of wat voor passie geschilderd, wordt men niet zo eenvoudig van het rechte pad gebracht door bizarre ideeën en extravaganties van vocale of instrumentale aard.

Theodor Fontane • 4 oktober 1870

• De Duitse schrijver Theodor Fontane (1819-1898) was een oorspronkelijk briefschrijver. Hij maakte van elke brief – hier aan zijn echtgenote Emilie – een gebeurtenis, door de geadresseerde zo veel mogelijk op een persoonlijke manier trachtte aan te spreken, vrij van elk cliché of formalisme. Uit: Brieven (vertaald door Tinke Davids).

Toul, 4 oktober 1870
Opnieuw zit ik aan een wankel tafeltje om je te schrijven; alle tafels hier lijken wankel, net als het land zelf. Wat een verkeerd beeld hebben wij van dit land gehad! Wij dachten dat het rijk was, bloeiend, uiterlijk welvarend, fraai in zijn steden. Van dat alles is maar weinig aanwezig, althans je ziet er niets van; het is mogelijk dat in de banken, in de kisten en kasten een zekere rijkdom te vinden is; in het zichtbare is daar niets van te merken. Overal waar je in Duitsland reist, krijg je de indruk van vooruitgang, van ascendance, hier overal die van teruggang, van verval. Men heeft zich om de wereld daarbuiten niet bekommerd en is door die wereld volledig ingehaald. Zelfs Oostenrijk, voor zover ik het ken, maakt niet zo sterk de indruk van stagnatie als dit moderne Frankrijk. Je voelt duidelijk dat ze wel moesten verliezen; alle kracht, alle frisheid, alle ambitie, alle intelligentie die om zich heen kijkt, is aan onze zijde. [...] Goed heb ik tot op heden alleen de bedden gevonden; voor het overige geen spoor van luxe, comfort, elegantie. Natuurlijk bestaat dat alles wel, maar wanneer je bijna acht dagen in een land bent en voor een deel goede hotels en cafés hebt bezocht, wil je toch ook iets daarvan zien. Het eten is goed, het ontbijt erbarmelijk; de 'tafelwijn' de verschrikking van alle Duitsers.

zondag 4 oktober 2026

Nic van Bruggen • 3 oktober 1974

• Nic van Bruggen (1938-1991) was een Belgische dichter. Het fragment is afkomstig uit zijn Uit het Dagboek van een Pink Poet.

Op donderdag 3 oktober 1974, in het befaamde restaurant De Rooden Hoed (we hadden drie dagen eerder Marnix Gijsen als Pink Poet geïnaugureerd in het vertrouwde La Rade) spreek ik na de kreeftensoep en de saumon doux de p.p. installatie-toespraak tot Paul de Vree en Albert Szukalski. Daags tevoren had men mij verteld dat ene Obbels, die zich gevoeglijkerwijze liefst Hannelore laat noemen en wiens geschriften er al even goed uitzien als zijn pakken, in zekere Grobbendonksche brieven (de universaliteit van de titel alleen al) mijn vriend P.C en mezelf aanduidt als 'het meest dégoutante verschijnsel in onze literatuur... dat eraan houdt in dure restaurants elkaar op te hemelen'. Of zoiets in die vriendelijke zin.
Om het kreunen des heren Obbels meteen in het gelijk te stellen besluit ik mijn toespraak met deze zin: "Glorieuze Vrienden, Prachtige Paul, Luisterrijke Albert, vrij vergeefs heb ik deze namiddag in mijn bad bij het beluisteren van renaissance muziek in een lucht zwaar van Calèche geuren, gezocht naar een sakraal, inaugererend, kronend woord om Paul en Albert hier aan onze harten te drukken, als kunstenaar en als Pink... ik heb niets beters gevonden dan een zin van Oscar Wilde, het verhaal van het tijdeloze Pinke: We can forgive a man for making a useful thïng as long as he does not admire it, the only excuse for making a useless thing is to admire it intensely." Dan is de schaapsragout er.

donderdag 1 oktober 2026

Gaspard Bart • 2 oktober 1622

• Een 'dagboekgedicht' van Adriaan de Roover (1923-2016).

Uit het Dagboek van Gaspard Bart
2 Oktober 1622.


Harmen Kleuter lag, nog voor de nacht zijn einde kende,
met negen trotsche schepen voor de wateren van Oostende.
Toch kwam Jan Jacobsen onverschrokken uit zijn muit
en zeilde met twee Spaansche barken de haven uit.

Jan Jacobsen stond op de voorplecht en keek naar Harmens vloot,
wijl hij kalm zijn maten een sneller vaart gebood.
Maar admiraal Kleuter dwong Jacobsen tot den strijd.
- De Spaansche barken vluchtten, al vloeken en tieren ten spijt.

Zoo stond Jan Jacobsen alleen voor die Hollandsche macht,
lijk altijd betrouwend op God en eigen zeemanskracht.
Toen brak de hel los uit honderden dreunende monden,
want Harmen Kleuters jongens vuurden wat ze vuren konden.

Maar slag om slinger gaf Jan Jacobsen antwoord.
- Die stond lijk een David wijdbeens aan bakboord. -
En hij schoot juist dat weet die Hollandsche fregat,
die zonk met een kogel vlak onder het kluisgat.

En toen de sterren dien avond weer aan den hemel zaten,
stond Jacobsen nog aan boord met twaalf levende maten.
Daar was ik bij; en ik bad mijn akt van berouw,
want Harmen Kleuter dreef ons geducht in het nauw.

‘Nu komt het einde’ - zei Jan Jacobsen bedaard
en hij streek met zijn hand langs zijn stoppelbaard.
Wijl klommen de Hollanders op voor- en achtersteven
en schreeuwden tot Jacobsen zich over te geven.

‘Bij God, Jan Jacobsen geeft niet gewonnen!’
en hij schoot zijn pistool door een der buskruittonnen.
- Toen verging mij de wereld in scheurende knallen. -
Maar vijftig Hollanders zijn mee de zee ingevallen.

En ik leefde en sloeg naar het wrakhout met handen,
die gruwelijk verschroeid in het pekelnat brandden.
- Jan Jacobsens schip was verdwenen, maar naast mij rees de boeg
van een Hollandsch fregat dat den naam Esperance droeg.

En schimmen bogen en wierpen een touw naar omlaag,
maar dat sneed in mijn palmen als een timmermanszaag.
Ik beet in de koord en rees, maar viel met kramp in mijn nek;
beet weer en rees hooger... toen viel ik in zwijm op het dek.

Ik heb dat later in mijn dagboek geschreven;
zoo blijft een gedachtenis verder leven.
- ‘Voor Jan Jacobsen stierven vierhonderd te gaar,
ik was toen nog scheepsjongen van zestien jaar.’ -

Adriaan de Roover (1923-2016)

woensdag 30 september 2026

Marion Vredeling • 1 oktober 1993

• Marion Vredeling (1954, dochter van PvdA-politicus Henk Vredeling) publiceerde dagboekfragmenten over wraak en vergelding in Lust en gratie.

1 oktober 1993 • In ippi bezocht ik in Mexico een indiaanse imker die angelloze bijen cultiveert. Ik interesseer me voor de pre-Spaanse bijenteelt en schrijf er een boek over. De imker vertelde dat de bijen zich gewaardeerd moeten voelen. Anders nemen de bijengoden wraak: ze wenken de bijenkoningin en deze kan er dan met haar volk vandoor gaan. Vandaag las ik in een boek over Rigoberta Menchu, de Guatamalteekse Nobelprijswinnares, een verhaal dat ‘familie’ is van dat van de imker:
‘Ieder kind dat bij de Maya's in Guatamala wordt geboren, heeft zijn eigen nahual. Dit is een dier dat de geest belichaamt die dit nieuw geboren kind tijdens haar leven zal beschermen. Een soort dierlijke “engelbewaarder”. Mijn nahual is als mijn schaduw die altijd bij mij is. De nahual is doorgaans een dier. Mijn nahual verbindt me met de natuur, hij vertegenwoordigt de aarde, de dieren, het water en de zon. Voor ons is de nahual als een persoon, parallel aan de mens. Wij kunnen er enkel in beelden over spreken.
Als kind leren we dat onze nahual heel erg belangrijk is, en dat we dieren niet zomaar mogen doden, want dat ieder dier als nahual bij een mens hoort en dat de persoon wiens nahual we doden zich dan tegen ons keert en wraak neemt.’
Een vergelijking drong zich op. De angst voor wraak waarover ik las leek op de ‘moderne’ angst die in onze welvaartstaten om zich heen grijpt: de angst voor vergiftiging, de vrees dat niet de góden, maar de natuur in haar geheel het ons ‘betaald’ zal zetten of ‘zich wreken zal’ omdat wij haar liefdeloos en respectloos behandelen, haar schaamteloos exploiteren, haar ontbossen en (genetisch) manipuleren. Tegenwoordig proberen we ons tegen dit soort ‘wraak’ te beschermen door lid te worden van een organisatie. Maar net als in de religie worden we op onze beurt voor dit lidmaatschap gestraft: eenmaal in het leven geroepen door de contributies die wij betalen, proberen deze organisaties hun macht en budget verder te vergroten en boezemen ze ons steeds grotere angsten voor die zogenaamde ‘weerwraak van de natuur’ in. ‘Let's scare them to death,’ zei een vooraanstaande medewerker van een milieu-organisatie toen hem werd gevraagd zijn beroepsstrategie toe te lichten.’

Michael Palin • 30 september 1988

• Michael (Monty Python) Palin (1943) deed in 1988 voor de BBC een reis om de wereld in tachtig dagen, en hield daarvan een dagboek bij. Vertaling door Rika Vliek en Ingrid van Dam.

[...] Het hoogtepunt van mijn laatste dag aan boord van de Espresso Egitto is een feestelijk diner. De mensen van de Adriatische Scheepvaartmaatschappij zijn ons buitengewoom ter wille geweest en willen er nog een schepje bovenop doen. Ann Passepartout stelt voor twee tafels naast elkaar te zetten, en beseft naderhand pas dat die tafels aan de vloer zijn vastgeschroefd. Maar voor ze hen ervan kan weerhouden, zijn Eros, de somber ogende hofmeester, verscheidene obers en een ingenieur al begonnen met het aanleggen van een houten brug van tafel naar tafel. 's Middags krijg ik de kombuis te zien. waar Franco samen met elf anderen een diner voor driehonderd man voorbereidt. Franco, een Napolitaan die al 27 jaar voor deze Adriatische scheepvaartmaatschappij werkt, geeft me nog gauw even een les in het broodbakken. De essentie ervan schijnt beheerste paniek te zijn. Wanneer het deeg eenmaal klaar is, begint Franco in ijltempo te kneden, te draaien, te knopen, te vouwen, te mompelen en te vloeken en produceert dan binnen een minuut ongeveer 25 rolletjes, die een onbarmhartige toeschouwer zou vergelijken met een aantal bijzonder vreemd gevormde hondedrollen. Zonder mijn overdreven gevoel van eigenwaarde kwijt te raken, produceer ik na een stuk of twee vergeefse pogingen een redelijk te herkennen letter P, die ik naderhand zelf opeet.
5 uur 30: Aan dek om naar mijn laatste Europese zonsondergang te kijken. Terwijl de zon zwelt en zakt, verschijnt een zwerm vogels die voor me langs dartelen en duiken. Het zijn zwaluwen. De zon heeft me zo verblind, dat ze bloedrood lijken.
Het feestmaal van vanavond zal gefilmd worden en alle obers hebben opeens een schoon wit jasje aan. [Hofmeester] Eros, in vol ornaat, lijkt op een afgetakeld matinee-idool uit de jaren '50. Champagne, risotto di gamberi, loup de mer, kaas en luxebroodjes, rode en witte wijn blijven langskomen en stellen niet alleen de eters op de proef, maar ook de constructie onder de tafel.
Terwijl het vita piu dolce wordt, begint het schip voor het eerst van deze reis te rollen. Eros buigt zich dreigend over ons heen en krijgt steeds meer weg van Frankie Howerd. `Ze noemen me niet voor niets Eros,' verklaart hij, en na een vette knipoog draait hij zich opeens om en botst tegen een liefje op dat nog meer luxe broodjes aandraagt.
Naar mijn hut. Door ogen die onder invloed van heerlijke wijnen niet zo scherp meer zien, kan ik nog net mijn exemplaar ontwaren van de BBC's Get By In Arabic. Ik ben op pagina 2, en Egypte ligt nog maar 180 mijl van ons vandaan.

maandag 28 september 2026

Estelle Fornier • 29 september 1864


• De grote Franse componist Hector Berlioz (1803-1869) onderscheidde zich van veel van zijn vakbroeders doordat hij ook goed kon schrijven: artikelen, essays, brieven – en zijn memoires. Uit: Mijn leven (vertaald door W. Scheltens).

In 1864 schreef Berlioz een brief aan zijn jeugdliefde Estelle Fornier (1797-1876), die hij op dat moment bijna vijftig jaar niet meer gezien had. Fornier antwoordde op 29 september. De twee gingen tot Berlioz’ dood nog enige jaren als vrienden met elkaar om.

Lyon, 29 september 1864
In uw brief van de zevenentwintigste dezer zegt u mij dat u slechts één verlangen hebt, namelijk dat ik uw vriendin word met behulp van een briefwisseling. Denkt u in ernst, meneer, dat zulks mogelijk is? Ik ken u nauwelijks, ik zag u afgelopen vrijdag, voor het eerst in negenenveertig jaar, weer enkele ogenblikken; dus ik kan niet oordelen over uw voorkeuren, uw karakter noch over uw eigenschappen, de enige dingen die een basis vormen voor vriendschap. Wanneer twee mensen dezelfde manier van zien en voelen hebben, dan kan sympathie ontstaan en tot stand komen; maar wanneer men van elkaar verwijderd is, dan kan een correspondentie niet voldoende zijn om tot stand te brengen wat u van mij verwacht; wat mij betreft geloof ik dat het onmogelijk is. Overigens moet ik u bekennen dat ik uiterst lui ben met schrijven, mijn geest is even stram als mijn vingers; het kost mij erg veel moeite wat dit betreft aan de onontbeerlijke verplichtingen te voldoen. Ik kan u dus niet beloven met u een geregelde correspondentie te beginnen, ik zou zo vaak mijn belofte niet nakomen dat ik u daarvoor van tevoren moet waarschuwen. Als het u aangenaam is mij zo nu en dan te schrijven, dan zal ik uw brieven ontvangen, maar u moet niet verwachten dat ik onmiddellijk en terzake reageer. U wilt ook dat ik tegen u zeg dat u mij moet komen opzoeken; dat is onmogelijk, net zo min als dat ik tegen u zeg dat u mij alleen zult vinden.


zondag 27 september 2026

Adèle Bloemendaal • 28 september 1982

• Adèle Bloemendaal (1933-2017) was een Nederlandse actrice. Voor NRC Handelsblad hield ze in 1982 een 'Hollands Dagboek' bij.

Dinsdag
Jezus! De vuilnis! Kattebakken. Mijn kind komt naar beneden en ik herhaal mijn aanbod van het gebruik van het huis voor een feest. Hij is morgen jarig en wordt negentien. Hij kijkt bedenkelijk en zegt: 'Mijn woongenot is me zeer veel waard en ik zie erg op tegen de verbouwing die we ongetwijfeld nodig zullen hebben na het bacchanaal.' Gezien de klerenkasten van heren die hij onder zijn vrienden telt in aanmerking genomen, overdrijft hij waarschijnlijk niet.
Zij zijn gigantisch, mooi, zachtaardig, maar wat wild. De meesten van hen bedrijven kickboksen en karate. John zegt: 'Laten we maar gaan lunchen met pappa in de Oesterbar.' Ik bel de oude Jones en reserveer een tafel in de Oesterbar. Na de repetitie voor de televisieserie pas ik wat weerzinwekkende kleren voor de rol en hol naar de Mini. Ik heb Irish stew gepland en koop lamsvlees, haal het boek van Konrad Lorenz op en doe de rest van de boodschappen. Ik tors kattegrint. Thuis trek ik iets wijds en langs aan en kook op blote voeten terwijl ik witte wijn drink. De jongeheer G. komt aan. Hij is romantisch gestemd. Ik merk op dat het voedsel daar niet op afgestemd is. Als John drie porties naar binnen heeft gewerkt gaat hij trainen. Wij blijven zitten tot de kaarsen op zijn.

Hector Berlioz • 27 september 1864

• De grote Franse componist Hector Berlioz (1803-1869) onderscheidde zich van veel van zijn vakbroeders doordat hij ook goed kon schrijven: artikelen, essays, brieven – en zijn memoires. Uit: Mijn leven (vertaald door W. Scheltens).

In 1864 schreef Berlioz onderstaande woorden aan zijn jeugdliefde Estelle Fornier (1797-1876), die hij op dat moment bijna vijftig jaar niet meer gezien had. Fornier antwoordde op 29 september (zie aldaar). De twee gingen tot Berlioz’ dood nog enige jaren als vrienden met elkaar om.

27 september 1864
Oh! mevrouw, mevrouw, ik heb nog maar één doel op deze wereld, dat is uw genegenheid te winnen. Laat u mij proberen dat te bereiken. Ik zal onderworpen en ingetogen zijn; wij zullen net zo weinig brieven wisselen als u wilt, die correspondentie zal u nooit tot een last worden, een paar regels van uw hand zullen mij voldoende zijn. Mijn bezoeken aan u zullen slechts heel schaars kunnen zijn; maar ik zal weten dat uw gedachten en de mijne niet meer gescheiden zijn, en dat, na zoveel treurige jaren waarin ik niets voor u geweest ben, ik eindelijk kan hopen uw vriend te worden. En een toegewijde vriend zoals ik zal zijn, is zeldzaam. Ik zal u omringen met zo innige, zo zachte tederheid, met zo volledige genegenheid; de gevoelens van de man en de naïeve liefdesbetuigingen van het kinderhart zullen erin één worden. Misschien zult u daarin bekoring vinden, misschien zult u mij op een dag zeggen: 'Ik ben uw vriendin' en zult u willen bekennen dat ik uw vriendschap zeker verdiend heb.
Vaarwel, mevrouw, ik lees uw briefje van de drieëntwintigste over en ik zie dat u mij aan het slot de verzekering geeft van uw gevoelens van genegenheid. Dat is niet een banaal cliché, niet waar? Niet waar?

donderdag 24 september 2026

Adèle Bloemendaal • 25 september 1982

• Adèle Bloemendaal (1933) is een Nederlandse actrice. Voor NRC Handelsblad hield ze in 1982 een 'Hollands Dagboek' bij.

Zaterdag
Een traag, sereen begin. Ik zet koffie voor mijn kind en zijn vriendin. In de keuken leert John mij reggaedansen op een plaat van Bob Marley. Ik verbaas mij over het gebrek aan variatie. John zegt: 'Dat komt omdat ze altijd zo stoned zijn als kamelen.' Hij vertrekt naar een training, ik naar Terneuzen, bofkont die ik ben. Boudewijn Spitzen, onze coördinator, rijdt mee en roept opgetogen: 'We zullen ze in Terneuzen teisteren met kwaliteit.' Boudewijn is een allitteratie-freak. Frans zegt: 'Het lijkt wel of heel Nederland continu bezig is zich te verplaatsen.' 'Als lemmingen,' zeg ik. Ik ben somber gestemd. Morgen moet ik praten met een notoire notaris die mij hopelijk enige schurkenstreken zal bijbrengen om mijn BV te leiden. De oprichting ervan bezie ik met enige huivering. Aber warum machen Sie denn das überhaupt, Frau Blumenthal? - Weil ich ein dumme trut bin. Je maakt een goed programma en wat is je straf? Een BV. Na Terneuzen sleep ik mij langzaam de trap op en word opgewacht door de jongeheer G. met spijs en drank. Tijdens het eten praten wij over journalistiek, Naipaul, kwaliteitskranten, Amerikaanse berichtgeving en de Newyorker. Wij vallen om zes uur in slaap.

woensdag 23 september 2026

Wim Kan • 24 september 1961

• Wim Kan (1911-1983) was cabaretier. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.

Zondag 24 september. Avond 20.55 uur. Diligentia • Om 12.30 uur vanmiddag opeens Cor Punt in mijn draaihuisje. Laatst gezien in oktober '45 in Bangkok. Heet nu Cornel d'Lumière. Correspondentieadres Palace Hotel, Montreux, Zwitserland. Logeert hier in kasteel Oud-Wassenaar. Ouderwets contact. Hij had eerst vijf minuten de pé in. Was bijna over het hek geklommen, maar tenslotte omgevaren... Had zijn allerbijzonderste vrouw bij zich (Engels?) uit Jamaica. Juwel, juweel heet ze. Enfin gelachen, gepraat, zegt elke vijf minuten iets wat de moeite waard is. Het was dus niet Birma wat het em deed (vergelijk dagboek uit die dagen!). Schreef introductie voor Cor bij Geert Lubberhuizen. Had boek (Engels) over onderwatervissen bij zich. Of ik 't ontvangen had. Zei ‘nee’, maar toen ie allang weg was, bedacht ik ‘ja’. Vanavond Margriet de Groot in theater. Haar met auto naar k. en w. gebracht en even gezellig zitten praten. Heeft het niet zo makkelijk met de grote Wim S., die zijn eigen manier van spelen heeft en tegen Larsen en Margriet in gaat. Troost haar, dit gesprek is honderd jaar oud, zolang het toneel bestaat zullen deze conflicten blijven. Het theater is een groot, geweldig compromis.
Wandelde in herfstige mist om 20.30 uur nog wat over stille Voorhout. Ambassades gesloten. In een ijverige brandde nog een licht. Een vooruitstrevend land zeker! Paleisje op slot. Een stil punt in een druk geworden stad. Maar Des Indes heeft iets onaantastbaars gehouden. Toch mooi in zijn soort. Ik moet me nu gaan schminken!

Dinsdag 26 september. Ochtend 9.00 uur • Gisteravond zeer stil voor de pauze, daarna voor mij bijzonder heerlijke avond. Lag aan mezelf misschien. Hoorde een minuut voor opgaan dat Cor Punt in de zaal zat. Zestien jaar geleden was hij er altijd. Om 19.00 uur alle meisjes in mineur wegens regeringsvouwblad in de bus wat te doen bij een kernbomaanval. Beetje zielig. Maakt je al ongeveer veertien jaar zorgen en zij nu eindelijk één dag. Zei hen met grote overtuiging er komt geen oorlog. Lekker zinnetje. Direct daarna gingen ze door in angst en mineur wegens anti-griep-injectie, die dr. De Haan in pauze kwam geven. Wat daar over gezeurd is, vult een dagboek. Rapport grafoloog! Brieven en kaartjes [anoniem ontvangen] praktisch zeker van een en dezelfde man. Advies: niets doen. Volgens hoofdcommissaris van politie is het de vraag of de inhoud van de brieven wel smaad of laster is...

dinsdag 22 september 2026

Frederik van Eeden • 23 september 1893

• Frederik van Eeden (1860-1932) was schrijver en psychiater. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij. De 'nare brieven' komen (waarschijnlijk) van Betsy, de vrouw op wie hij lange tijd zeer verliefd was.

20 september
Regendag. ▫ Om één uur naar U. Boodschappen gedaan met ons allen. Bij Betsy gegeten. 's Avonds muziek bij Fles. Brahms' Liebeslieder. ▫ Wat moet zij ongelukkig zijn, als ze mij zóó ziet. ▫ Zoo waarborgt de edelste en fijnste sensitiviteit niet tegen onrecht-doen en ellendig zijn. ▫ Maar alleen het breede begrip, het juiste preciese evenwicht, het vreugdevolle, liefdevolle zien van alle dingen behoedt voor onrecht doen en ellendig zijn.

21 september
Middags naar Hilversum geweest op de viets, om huizen te zien.

22 september
's Morgens gewandeld naar Hilversum en huizen gezien. 's Avonds om 8.19 naar U. Maar het hielp mij alles niet. De toestand bleef onveranderd en ik kwam niet verder ▫ Zeer veel pijn gehad, die voortging in mijn droomen. 's Nachts geweldig onweer.

23 september
Koud, 50o. Harde, heldere wind. ▫ Het zwemmen deed wel goed, maar de pijn is nog hevig. ▫ Op de bibliotheek in Lucretius gelezen.

zondag 24 september
Koud, regenachtig. ▫ Over de hei naar Baarn gewandeld met Martha. Nu en dan zware regens. Wilde hei achter Eemnes. Natte weg over de polders. Op Villetta gedejeuneerd en gegeten. 's Avonds bij maneschijn teruggewandeld over Eemnes en Laren. Op de hei wat gedwaald. 11 uur thuis.
Veel verdriet, heel ernstig. Tot laat in een Engelsch boekje gelezen. Hierom ontevreden.

25 september
Koud, regenachtig. ▫ Droevig wakkerworden. Tuinwerk gedaan, mest omgespit, wat me vermoeide. Niet kunnen werken. Droevige brief. Geantwoord. Met de jongetjes eikeltjes geplukt.

26 september
's Ochtends stil en zeer koel (gisteravond 38o), 's middags meer wind. ▫ Niemand gezien. Door de eikenboschjes gedwaald. 's Avonds iets betere brief.

27 september
Harde wind 's morgens. Regen, zoeler, 's avonds lauw-vochtig. ▫ 's Avonds Anna Fles. B. verzocht mij te komen.

donderdag 28 september
Zoel weer, wolken. 's Avonds harde wind. ▫ Om 11 uur met Hans en Martha naar de Hoornboeg gewandeld. Ik van daar alleen doorgewandeld naar Utrecht. Gegeten met veel menschen bij Betsy. Het beloofde zeer goed te gaan, toen alles bedierf omdat ik verzwegen had Tonny's invitatie. Toen moest ik 's nachts den naren terugweg. ▫ Daar gelogeerd, Vrijdagsmorgens naar Bussum geloopen, op 't laatst door stortregen.

vrijdag 29 september
Zoel, storm, en regen.

zaterdag 30 september
Slecht weer, 's avonds beter. ▫ Uitvoerige brieven geschreven. Niemand gezien. 's Middags een heel nare brief uit U. gekregen, wel de naarste die ik ooit kreeg. Zij is wel erg de klus kwijt.

maandag 21 september 2026

Hidde Dirks Kat • 22 september 1778

• Hidde Dirks Kat (1747-1824) was een Nederlandse walvisvaarder die in 1777 schipbreuk leed bij Groenland. Zijn ervaringen tijdens deze schipbreuk en de vele ontberingen die hij moest doorstaan tijdens de hierop volgende overlevingstocht, heeft Kat opgetekend in een dagboek.

[20 en 22 September 1778]
Na verloop van twee dagen vertrok ik op den 20 September van daar met een schip naar Lubeck, alwaar ik den 22 September met mijn gezelschap aan den wal stapte.

[23 September 1778]
Den 23 September kwam ik bij mijnen patroon, den Heer D.H. Rewoel te Hamburg; en vervolgens aldaar bij mijnen zwager, den Kommandeur C.J. Ney komende, vernam ik, tot mijne overgroote blijdschap, dat mijne vrouw met één kind nog in leven en gezond was, zijnde een van mijne kinderen in mijne afwezigheid gestorven.

[27 September 1778]
Daarna kwam ik den 27 September met een vaartuig op het eiland Ameland en ontmoette vrouw en kind in goede gezondheid. Het is mij onmogelijk deze zielroerende blijdschap te beschrijven. De menschen op straat hieven een vreugdegejuich aan en riepen elkander mijne terugkomst toe.
God zij hartgrondig gedankt voor alle onverdiende genade, aan mij Hidde Dirks Kat bewezen!

zondag 20 september 2026

Jane Gould • 21 september 1852

• Jane Gould Tourtillott (1833-1917) trok in 1852 per huifkar van Ohio naar Californië, een gevaarlijke tocht.

Vertaling onderaan.

Sunday, September 21 • There are houses and public wells all along on the road to Empire City, which is ten miles from Dayton. We stayed at Empire all night. This town is not as large as Dayton, but the streets are full of freight wagons. We say a great many fruit wagons her from Cal. There is a quartz mill here also. Money seems to be plenty. Buildings going up fast. Here is the place to make money, especially for a man without a family can get fifty dollars per month, and board, for most any kind of work and mechanics get more.

Wednesday, October 1 • Our roads are rather rough. I walked on before the teams two miles or more, called at a farm for a drink and to rest. Had the pleasure of sitting in a large rocking chair, the first time in five months. They have plenty of fruit trees. Albert called for me and bought some fine grapes, and a pail of tomatoes. The lady of the house gave me some roses and verbenas, they were beautiful and fragrant too.

Vertaling door ChatGPT.
Zondag 21 september • Langs de hele weg naar Empire City, dat zestien kilometer van Dayton ligt, staan huizen en openbare waterputten. We bleven de hele nacht in Empire. Dit stadje is niet zo groot als Dayton, maar de straten staan vol vrachtwagens en huifkarren. We zien hier heel veel fruitkarren uit Californië. Er is hier ook een kwartsmaalderij. Er lijkt volop geld te zijn. Er wordt snel gebouwd. Dit is dé plek om geld te verdienen. Vooral een man zonder gezin kan hier voor vrijwel elk soort werk vijftig dollar per maand verdienen, plus kost en inwoning. Vaklieden verdienen nog meer.

Woensdag 1 oktober • Onze wegen zijn nogal hobbelig. Ik liep twee mijl of meer vooruit op de wagens en hield halt bij een boerderij om wat te drinken en uit te rusten. Ik had het genoegen plaats te nemen in een grote schommelstoel — de eerste keer in vijf maanden. Ze hebben daar volop fruitbomen. Albert kwam me ophalen en kocht heerlijke druiven en een emmer tomaten. De vrouw des huizes gaf me enkele rozen en ijzerhardplanten; ze waren prachtig en bovendien heerlijk geurend.

Frida Vogels • 20 september 1970

• Frida Vogels (1930-2026) was een Nederlandse schrijfster. Haar door kritiek en publiek gewaardeerde dagboeken 1954-1971 zijn gepubliceerd in 8 delen.

20 sept. • Zondag. Vader en S. slapen nog. Ik heb ontbeten en zit nu aan S.'s tafel, wat ik niet prettig vind.
Gisteren lette ik er voortdurend op of S. niet weer uit zijn humeur zou raken, wat tot resultaat had dat ik hem daar alle aanleiding toe gaf, maar hij bleef in zijn humeur. Terwijl we wandelden bleef hij geregeld staan om invallen voor zijn vertalingen van de sonnetten van Shakespeare op papiertjes te schrijven.
Voor het eten speelde hij op het clavecymbel. Dat was mieters. Weliswaar was ik niet in de stemming om het op prijs te kunnen stellen, ik hoorde weinig, maar het was toch mieters, het gaf een gevoel van verbondenheid.
Vader was even praatgraag als de dag ervoor. Hij is er zich wel bewust van dat hij zulke verschrikkelijk wijdlopige verhalen doet en roept zichzelf van tijd tot tijd tot de orde. Hij praatte de hele dag, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, en hoefde nu niet op zijn bed te gaan liggen om ervan te bekomen.
Ik voor mij ben al flink moe geworden van deze twee dagen; gisteren merkte ik herhaaldelijk dat ik moet oppassen. Ik kon gevoelens van irritatie en vijandigheid tegenover vader soms maar met moeite beheersen; in Urbino zal ik dat zeker niet altijd kunnen. Ik moet het zo inrichten dat ik eerder opsta dan hij, zodat ik voor de dag begint een poosje rustig in mijn kamer kan zitten. Ik schreef gisteren een briefkaart aan S.'s moeder om haar te bedanken voor de taralli. Vader merkte op dat ik zo razend vlug schrijf, hij had nog nooit iemand gezien die zo vlug schrijft, zei hij. Dat verbaasde me.
Hij vertelde dat hij op bezoek was geweest bij monna, die nu in een bejaardenflat woont. Hij maakte een schetsje van haar huis, dat vervolgens werd verkreukeld en in de asbak gedeponeerd, want het was slordig en niet op schaal, ‘niet om te bewaren’. Toen hij wegging, had monna hem naar de bushalte gebracht en hij had in het wachthuisje staand gekeken hoe ze terugliep, verwachtend dat ze nog eens om zou kijken om te wuiven; maar nee, ze had al haar aandacht voor het lopen nodig gehad, ‘en dat ging zo langzaam, het duurde zo lang voor ze de hoek om was. Toen dacht ik wel ineens: wat is ze oud’. Dit ontroerde me. Zo ook, toen hij over zijn vroegere chauffeur Vink vertelde, die een paar maanden geleden gestorven is aan een hartinfarct. Hij vertelde zeer uitvoerig over Vinks karakter, over hun onderlinge relatie, over Vinks dood, over zijn troostbezoeken aan Vinks vrouw, enz., en op het laatst had hij vochtige ogen en je hoorde ook iets in zijn stem; maar daarna keerde hij naar het heden terug, zijn sigaar was trouwens op, en hij zei ons een beetje verlegen aankijkend, ‘ja, ja. Als je elkaar zo lang niet ziet, heb je veel te vertellen.’ Dat was na het eten; we gingen nog ‘een blokje om’ en toen naar bed.
Herhaaldelijk bleek weer dat hij niet rust voor hij elk kreukeltje in het sociale weefsel om hem heen heeft gladgestreken, of anders gezegd, hoe ijdel hij is. Zo hield hij bij S.'s clavecymbelconcert een Ricercare van Giovanni Gabrieli voor een Pavane van William Byrd. Dat kwam natuurlijk gewoon doordat hij het programma verkeerd had gelezen. Maar hij putte zich uit in andere verklaringen. Hij trok wijdlopige parallellen tussen de archaïsche stijl van Gabrieli en die van Byrd, beweerde gedacht te hebben ‘wat zijn die Gabrieli en die Byrd aan elkaar verwant’, hoewel, aan de andere kant moest je toegeven dat de muziek van Byrd de Engelse mist en melancholie ademt, terwijl Gabrieli... enz. enz., hij kon er niet over ophouden omdat hij vermoedelijk wel voelde dat er met scepsis naar hem geluisterd werd. Ilse luistert in zulke gevallen helemaal niet en zegt ten slotte ‘Alvertus!’ Ilse vindt trouwens dat ik in dit opzicht op vader lijk. Het zal wel waar zijn.

donderdag 17 september 2026

Jeanne Meeter Endt • 19 september 1944

• Jeanne Meeter-Endt (1880-1971) was een Nederlandse huisvrouw die ten tijde van de slag om Arnhem een dagboek bijhield.

Dinsdag, 19 September. [Oosterbeek]
De nacht was onrustig, veel lawaai. Sietske en Onno zijn om 11 uur maar weer naar beneden gehaald. ’t Dorp zit weer vol Duitsers en bij Station-Hoog schijnen ze zich te verschansen in een groot huis; ‘k vrees dat het Waldfriede is, waar de Kochs zitten of zaten. De brug bij Arnhem schijnt telkens van bezitter te wisselen en Arnhem heeft veel te lijden. Achter ons kerkje is een zwaarder kaliber-kanon bijgezet dat ons zojuist heftig verschrikt heeft, zodat we allemaal weer naar ’t trapgat vlogen. Tegen twaalven verschenen er Duitse jagers die boven ons een poosje bleven cirkelen. We waren bang voor een luchtgevecht, maar Engelsche jagers waren zoo gauw niet hier, dus bleef ’t bij kanongebulder. Op straat is ’t doodstil; alleen Engelsche soldaten komen nu en dan voorbij. Elektra is er weer; gas nog niet. Friso heeft een kookkachel van zolder gehaald, waar nu voor beide partijen samen op gekookt wordt. En het schieten gaat maar onophoudelijk door.

6 uur

De middag begon in angstige spanning. De Tommies, met wie velen nu in contact zijn, vertellen dat ze versterking zéér nodig hebben, anders houden ze ’t hier niet. Vanmiddag verwachten ze Polen. Intusschen hooren we dat Waldfriede afgebrand is, evenals verschillende andere huizen o.a. van Crayenhage, die met zijn gezin opgenomen is bij de Brevée’s. Arnhem brandt ook op verschillende plaatsen: Lombok, Klinkelbeek, Heyenoord. Of ’t huis van de Mijnlieffs nog staat? Om een uur of drie komen er troepjes losgelaten gevangenen uit de “Koepel” in Arnhem. Ze komen om kleeren en hulp vragen, en vertellen dat de gevangenis doorzeefd is met kogels; het heeft een paar bewakers ’t leven gekost; de directeur heeft de gevangenen toen losgelaten. Friso met z’n vrinden spant er zich voor om de menschen voort te helpen. Na ze van kleeren voorzien te hebben heeft hij ze over ‘t Drielsche veer gezet; hoewel de veerman riep dat het verboden was, heeft hij zelf de veerboot maar bediend. De Betuwsche boeren moeten hen maar weer verder helpen. In de lucht is ’t een poosje stil, behalve eenige Duitsche jagers op verkenning. Daar ineens, tegen half 5, komt er weer een heele troep zware 4-motorige vliegtuigen uit Engeland aanzetten. Toen ze ongeveer boven Oosterbeek Hoog waren, poef – daar lieten ze een heele bende parachutes los: rood, wit, blauw, bruin, oranje, groen – een prachtig gezicht. We konden alles duidelijk door de ramen zien; telkens weer meer, de lucht was er vol van. Zwaar kanongebulder was ’t antwoord er op – en we krompen weer inéén van schrik. Maar je went toch langzamerhand aan de helsche geluiden. Of ’t soldaten waren of munitie dat er uit de parachutes neerdaalde, konden we toen nog niet uitmaken, maar later vertelden de Tommies ons, dat er voornamelijk voorraden neerdaalden en dat er aan de kleur van de parachute te zien was, of het munitie of mondvoorraad of verbandmiddelen enz. waren. Één van de vliegtuigen werd getroffen en zagen we brandend neerkomen. Ze gooiden toch nog twee parachutes uit, waarschijnlijk de piloten.

Benoîte Groult • 18 september 1940

• Benoîte Groult (1920-2016) was een Franse schrijfster. In 1963 publiceerde ze een oorlogsdagboek, dat ze samen met haar zus Flora geschreven had: Journal à quatre mains, in het Nederlands door Nini Wielink vertaald als Dagboek voor vier handen.

18 september '40 • Je moet trouwen, al was het alleen maar om niet op je dertigste een 'oude vrijster' te zijn, maar een 'jonge vrouw'. Er bestaat maar één formulering om een man van dertig jaar aan te duiden, wat voor privé-leven hij ook heeft. Maar een vrouw wordt gekwalificeerd naar het gebruik dat ze heeft gemaakt van een man en in verhouding tot hem. Wat doe je aan zoiets ongehoords? Een man heeft maar één leven. Een vrouw heeft er drie, vol tegenstrijdigheden. De moeder wint onvermijdelijk veld ten opzichte van de vrouw, in de echtelijke betekenis, en allebei oefenen ze zware druk uit op eventuele prestaties in een beroep. Een vrouw moet zichzelf negen van de tien keer vormen door afstand te doen van een deel van zichzelf, van een deel van wat het leven haar bood. Ik weet pertinent zeker dat het huwelijk geen antwoord of oplossing is, maar ik wil het domweg graag alsof het een oplossing zou kunnen bieden voor mijn tegenstrijdigheden. Ik heb geen zin om me volledig aan mijn kinderen te wijden en toch zou ik graag kinderen willen hebben. Ik heb zin om een eigen leven en eigen werk te hebben en toch zal ik kinderen krijgen die me dat zullen beletten. Ik zou geld moeten hebben om verscheidene levens naast elkaar te kunnen leiden en volgens de kansrekening en mijn natuurlijke geneigdheid trouw ik hoogst waarschijnlijk met een arme man. Mijn toekomst is absurd en ik weet geen manier om haar harmonieus te maken. Gelukkig, gelukkig denken vrouwen niet ver vooruit!

woensdag 16 september 2026

Beb Vuyk • 17 september 1945

• De Nederlandse schrijfster Beb Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.

Half september 1945 • Via het Rode Kruis komen lijsten binnen met de namen van overzeese krijgsgevangenen. Bij de thee-uitdeling om vier uur worden twee vrouwen bij het kamphoofd geroepen. Ze komen huilend terug. Nu weten de anderen wat hun te wachten staat en huilen al bij de oproep. Om vijf uur moeten we ons op het voetbalveld verzamelen. Dan worden eindeloze lijsten met namen voorgelezen. Eerst van de levenden, dan van de doden. Onder die namen familieleden en kennissen. Mijn man en zoontje leven!

Eind september 1945 • We krijgen een persbericht in stencilvorm, en er komen Rode-Kruisbrieven uit Nederland. Behalve in berichten van 'thuis' zijn de meesten niet erg geïnteresseerd in wat er in de rest van de wereld gebeurd is en gebeurt. De kampbewoners concentreren zich voornamelijk op het eigen lot en maken zich bezorgd over de revolutionaire situatie. Ik probeer hun iets uit te leggen over de achtergrond en idealen van de Indonesische nationalisten. Sommigen zijn wel geïnteresseerd, voornamelijk mijn naaste buren, die mij goed kennen. Gisteravond was er een incident. Eén van de vrouwen, die een meter of tien verder woonde, het was de moeder van Sofietje, kwam zeggen dat het maar eens uit moest zijn! Indië behoorde aan Nederland toe en zo zou dat blijven. En toen ik haar spottend vroeg: 'Nu en tot in alle eeuwigheid,' begon ze te schelden en noemde mij een landverrader.

dinsdag 15 september 2026

Adriaan Morriën • 16 september 1986

• Adriaan Morriën (1912-2002) was een Nederlandse schrijver. In Plantage Muidergracht zijn ook dagboeknotities van hem opgenomen.
In 1986 maakte hij een vakantiereis naar Portugal. Hieronder het verslag van de vierde dag. Dag een - dag twee - dag drie - dag vier.

(Dinsdag, 16 september)
[...] Over de brug, bij de grenscontrole, moesten wij een formuliertje invullen met onze namen, adressen en geboortedatums. Terwijl Janneke de ingevulde formulieren afleverde, bleef ik in de auto zitten. Janneke kwam terug en zei dat ze ook mij wilden zien. Ik stapte uit en meldde mij. Een van de beide mannen in uniform die buiten voor het douanekantoor stonden, vroeg mij in het Frans: 'Bent u naar Portugal gekomen om te sterven?' Ik keek hem een beetje verbluft aan. Ik begreep zijn vraag niet. Maakte hij een grapje? De mannen stonden er gemoedelijk bij en lachten. Was het een toespeling op het gezegde over Napels? Of was de man verwonderd over het verschil in leeftijd tussen Janneke en mij, gezien onze geboortedatums? Ik antwoordde dat ik naar Portugal was gekomen om vakantie te houden. De douanier zette zijn uniformpet op, ging in de houding staan en salueerde.
Zijn vraag had mij een beetje verschrikt, merkte ik later. hoewel er uiteraard geen dag voorbijgaat dat ik mij niet van mijn leeftijd bewust ben, een besef dat mijn dagen uiteraard met een avondlijk licht overstraalt. Natuurlijk zou ook ik, net als de neerlandicus, elk ogenblik kunnen omvallen.
Vannacht werd ik om halfvier wakker. Ik had gedroomd dat ik in een Encyclopedie van de vermoeidheid had zitten bladeren. De wetenswaardigheden waren alfabetisch gerangschikt, zoals het hoort, maar van mijn lectuur kon ik mij, helaas, niets meer herinneren. Ik was wel aardig uitgerust.

maandag 14 september 2026

Harry Graf Kessler • 15 september 1927

• Harry Graf Kessler (1868-1937) was een Duitse kunstverzamelaar, museumdirecteur, schrijver, publicist, politicus, diplomaat en pacifist. Hij hield 57 jaar lang een dagboek bij.

De arme Isadora Duncan is gisteravond in haar auto door haar eigen shawl, die in een achterwiel verstrikt geraakt was, gewurgd. Een tragische, noodlottige dood: de shawl, die een zo essentieel onderdeel was van haar danskunst, heeft haar dood bewerkt. Haar rekwisiet en slaaf heeft zich op haar gewroken. Zelden is een kunstenares met zo'n waas van tragiek omgeven geweest en door zo'n onvervreemdbaar levenslot tragisch aan haar eind gekomen: haar beide kleine kinderen zijn bij een catastrofaal auto-ongeluk om het leven gekomen, haar man Jessenin door zelfmoord aan zijn eind gekomen, zijzelf nu op deze manier door haar eigen rekwisiet, je zou bijna zeggen uit wraak, omgebracht.
Ooit aan het prille begin van haar carrière trof ik haar bij Luise Begas in Berlijn toen er sneeuw lag en het dooide. We kwamen elkaar tegen in de hal, zij kwam net aan en ik ging weg. Ik denk dat dat de eerste keer was dat ik haar zag. Ze had een wijde lila jas aan die van haar schouders tot de grond reikte, een soort habijt, en daaronder blote voeten, die weliswaar in rubberschoenen staken. Ze trok de rubberschoenen in de hal uit en liep toen tot mijn grote verbazing (dat was toen absoluut nieuw) blootsvoets de salon in.
Nadien was ze de protégé van gravin Harrach, destijds de mooiste vrouw van het Berlijnse hof en de vriendin van de uiterst preutse keizerin. Deze liet de oude Spitzemberg opdraven en vroeg haar of dat rondlopen op blote voeten van de dames niet onzedelijk was. Mevrouw Spitzemberg, die me de volgende dag over de aangelegenheid vertelde, stelde haar gerust, en zo werd een soort christelijke damesvereniging ter ondersteuning van Isadora in het leven geroepen, die floreerde tot plotseling op een dag het feit niet meer te loochenen was dat de Vestaalse maagd op zeer korte termijn een kind verwachtte; waarop de vereniging onder bliksem en donder uit elkaar spatte en Isadora Berlijn moest verlaten.
Arme Isadora! Ze heeft zich nooit helemaal weten te bevrijden van bepaalde bekrompen-pedante trekjes, hoezeer ze ook door de vrije liefde het puriteins-Amerikaanse poogde te overstijgen. En toch was ze een kunstenares. De dans, die we in zijn hedendaagse vorm als grote kunst appreciëren, en ook het Russische ballet, zou zonder haar niet denkbaar geweest zijn.

zondag 13 september 2026

Henk Romijn Meijer • 14 september 1992

• Henk Romijn Meijer (1929-2008) was een Nederlandse schrijver. Nazomer in La Coutonnade.

14 sept. '92 • Je ziet ze al van een afstand, de uitpuilende, bolstaande halve garen op de heuvel naar Nadaillac, gehuld in hun zware laarzen en geoliede regenkledij, rondhangend op drie passen afstand van de gedeukte auto's waarmee ze de weg versperren - volgevreten kobolden, doorzakkend en wankel ter been, een wezenloze uitdrukking op het gezicht en vol van hun taak: het in stand houden van het evenwicht in de natuur. Ze hangen zwijgend rond in de miezerige regen, de jagers, onder hoge bomen, tot de tanden gewapend om een halfziek verregend konijntje mores te leren. Soms zijn ze broodmager en soms hebben ze haast geen mond, neus en oren, alleen een onpeilbaar soort ongeschorenheid boven op de bochel waarmee ze bij hun geboorte zijn gezegend, elk oog is bloedig doorlopen. Ze zijn van hetzelfde allooi, de jagers, vet of uitgehongerd, samengedreven door een passie om groot wild te executeren. Soms winnen ze het van een wild zwijn dat net als de mens tegen overmacht niet is opgewassen.
Hoe lang geleden is de zondag dat we tegen het eind van de middag ons dorp binnenreden en iemand ons in alle staten toeriep kom eens kijken, kom eens kijken! We lieten ons meetronen naar de erf van Alexis' boerderij waar een groepje bezwete rode hoofden in uiterste triomf handenwrijvend bijeenstond, bloedige oogjes samengeknepen, de monden grijnzend in woordeloze triomf, een bestiale, dreigende opwinding uitstralend, sigaretten draaiend op het erf, de ruggen gekeerd naar de schuur waarin ze een hert hadden opgehangen, net gevild, nog dampend van het verbrijzelde leven, glanzend als speeksel.

Buurman Roger is een jager, ik mag hem graag. Hij houdt van een net huis, een nette tuin, een smetteloos grasperk. Elke zaterdagochtend zien we Roger in een stemming van boosheid en melancholie de molshopen in ogenschouw nemen die in de loop van de week tijdens zijn afwezigheid zijn opgekomen. Zijn huis naast het onze is een weekend huis, zijn aanval vindt plaats op zaterdag of zondag. En hoe we ook roepen: laat ze toch hun gang gaan Roger, ze brengen mooi kruimig zand aan de oppervlakte, ideaal voor de composthoop, hij blijft zijn verdelgingsoorlog voeren met de grootst mogelijke vastberadenheid. Zijn streven heeft iets van het platbombarderen waaraan onze grote mogendheden nog steeds hun hart hebben verpand, in het heilig geloof dat grote macht aan almacht gelijkstaat (zelfs God meende dat voordat Hij de zaak uit de hand zag lopen). Roger de tuinier, niet de jager, besteedt zijn vrije zaterdag aan het inbrengen van het gemeenste gif in elke molshoop die zijn grasveld ontregelt en een week later blijken de mollen op allerlei gifvrije plekken te zijn opgebloeid. Een gestorven mol tref je niet aan: de dieren zijn gewoon om het gif heen gelopen.
Techniek en wetenschap staan niet stil: Roger heeft zich een apparaat aangeschaft dat eruitziet als een piepkleine buitenboordmotor en dat Anti-Rongeurs A Ultra-Son heet. Het belooft: ‘Eloigne de vos jardins et de vos cours definitivement tous les rongeurs
telsque les taupes, écureuils, mulots, rats...’ Maar wat het op batterijen van 1,5 volt lopende apparaat ook voor paniek zou zaaien onder de eekhoorns, veldmuizen en ratten die op het veldje niet voorkomen, de mollen moeten zich wonderwel voelen bij deze ultrasonische bestrijding, als op een zonnebank of in een sauna, want een week na plaatsing van de Anti-Rongeurs zijn de molshopen hoger dan ooit.
‘Misschien waren de batterijen niet goed,’ veronderstellen we bij wijze van troost. Roger lacht melancholisch. Ik zou zo graag willen dat hij de mol niet als vijand zag. Ik vertel hem dat ik eens op de weg naar Cieurac stopte om een dode mol op te rapen. Ik pakte hem op en zag nog een flauwe beweging, zoals wel voorkomt bij dieren die nog niet lang dood zijn. Ik nam de tijd om de rode neus te bekijken en de binnenstebuiten gekeerde voetjes en het bontvel waarom ze worden doodgeknuppeld en glasscherven ingejaagd enzovoort. Ik zette het dier in de aarde aan de kant van de weg, waar hij snel als de bliksem, zonder terugblik of bedankje, wegschoot, de grond in. ‘Hij was hulpeloos geworden op het hete asfalt,’ zeg ik. Het verhaal slaat niet aan bij Roger. Ik wijs Roger op de pracht van de mol en op zijn nut en wat doen een paar hoopjes zand ertoe in een grasveld dat toch nooit voor een prijs in aanmerking zal komen? Roger lacht een beetje en verdubbelt zijn aanval, een zet waarop de dieren een gezamenlijke tegenzet hebben ingestudeerd: het volgend weekend wordt Roger verrast door een ware gordelroos van molshopen, het grasveld melaats van dissidente pelsdragers en hun strooiklare aarde. Roger is razend, we zien ervan komen dat hij nog eens naar zijn jachtgeweer grijpt om zijn woede te koelen op wat hij niet naar zijn hand kan zetten.