woensdag 22 juli 2026

Alma Mahler • 23 juli 1901

Alma Mahler was in het begin van de twintigste eeuw de it-girl van Wenen. Haar dagboeken over die tijd zijn verschenen als Het is een vloek een meisje te zijn.

Dinsdag 23.7
Mama en Carl in Salzburg. Ik alleen thuis.
Tegen de middag kwam Burckhard. We zaten in de kleine kamer en bekeken een fiets die de fietsenmaker hier (die vertegenwoordiger van de firma Styria is) aangeboden had met bijbetaling van 60 fl. voor de mijne te ruilen.
We zitten daar dus — en opeens pakt hij mijn linkerhand vast en geeft er een kus op, streelt hem, legt zijn hand op mijn schoot, op mijn knie. Kust mijn knie, streelt mijn gezicht, gaat met zijn hand langs mijn knie naar beneden — onder mijn rok en weer naar boven. Tegen die tijd voelde ik me heerlijk week en prettig. Me lichtjes verzettend liet ik alles gebeuren. Maar opeens kreeg ik het gevoel: zo is het genoeg. - Zachtjes maar beslist pakte ik zijn handen en legde ze bij hem in de schoot. En dat terwijl ik honderdmaal liever een kus — en meer van hem had willen hebben... Ik smolt weg van wellust.
Later at ik op het balkon — hij keek toe. Ik keek hem niet meer recht in de ogen.
Alex [Alexander von Zemlinski, de componist] — als je eens wist! Hij mag het nooit weten! — En het was zo mooi. De man weet een sfeer om zich heen te verspreiden — ik werd er helemaal week van en een behaaglijk gevoel kwam over me.
En nu ik erover nadenk: zelfs toen, toen ik op de sofa boven op Alex lag — zijn mannelijk lid verhief zich — zelfs toen had ik het niet zo warm. Alex heeft gelijk... net als ik! Zo vol begeerte en toch vervuld van zulke zuivere gevoelens, dat komt maar één keer in een mensenleven voor.
Het is merkwaardig. Ik zit tegenover B. — zijn persoon laat me volslagen koud, maar mijn zinnen — die vervloekte, tot het uiterste geprikkelde zinnen sissen en zieden. En Alex? Mijn ziel ging net zozeer naar hem uit als mijn zinnen. Hem heb ik werkelijk lief. Vol begeerte en toch zuiver. Ja, duizendmaal 'ja'. Jij, engel van me, jij! — En die afschuwelijke 'verleider', die het alleen maar om mijn knappe gezichtje en mijn weelderig gevormde figuur te doen is, aan hem gaf ik ook niet voor één ogenblik mijn lichaam?
— Schaam je —
Ik gruw van mezelf. En ik kan hem zelfs geen verwijt maken... Ik liet het allemaal maar gebeuren! Ik-ik. Ik, die toch Alex toebehoor, Jij, arme man van me. Wees alsjeblieft niet net zoals ik. Ik zou het een onverdraaglijke gedachte vinden.
Het is ergens ook wel weer komisch. Ook Alex heeft mijn knieën gestreeld, mijn schoot gekust — en ik vond het helemaal niet onterend — integendeel. Ik kwam alleen maar méér in de stemming. Ik liet hem me tongzoenen — liet hem mijn hele lichaam betasten. Ik vond het vanzelfsprekend. En nu, vandaag: spijt als haren op mijn hoofd heb ik! Ik verwens B. met zijn boosaardige (op dat moment keek hij als een dier uit zijn ogen) ogen en zachte handen en al. Verwens mezelf met mijn zinnelijke temperament. Kortom — het hele voorval [de halve ervaring!!]. Vergeef me, mijn Alex — een huurder heeft jouw huis bekeken. Jouw huis: naar jouw kussen hunker ik [Alex], naar jouw omhelzing.
Wilhelm was zojuist hier — beklaagde zich over mama en Carl; dat ze hem te weinig geld geven etc. Ik probeerde hem te sussen zoveel ik maar kon. Wees hem ook op zijn weerspannige gedrag.
Daarna Mie en Hugo. Mie wat koeltjes. Toen ik haar dat zei, was haar antwoord: 'Ik heb mijn vertrouwen in je verloren. Zorg maar dat ik het weer terugkrijg...' Ze maakt mijn beste kant zwart. Mijn liefde tot Alex wil ze me afnemen, mijn een en al. Ze berooft me van mijn mooiste, prachtigste, edelste denken en wil. Ik lachte eens hard en zei: 'Flirt. Ik flirt?...' [Want zo zit de vork mooi niet in de steel!]
Schandalig!
's Avonds stond Burckhard, terwijl het regende dat het goot, opeens onder aan mijn raam, nat tot op de huid. Ik heb hem gesproken, maar was moe en slaperig, koesterde absoluut geen wrok tegen hem. Speelde na zijn vertrek met tegenzin verder.

24.7 hier

dinsdag 21 juli 2026

Piet Hagen • 22 juli 2005

• Journalist Piet Hagen (1942) schreef een biografie over Pieter Jelles Troelstra, en hield in die tijd een dagboek bij. Gedeelten daaruit zijn hier gepubliceerd.

22 juli 2005 • Een reis langs de Romantische Straße door het vroegere Oost-Duitsland. Troelstra was een romanticus en een bewonderaar van Heinrich Heine. Hij heeft deze streek vaak bezocht. In Dresden bekijk ik de voormalige kliniek van Anna Fischer-Dückelmann, waar Sjoukje verbleef om te herstellen van haar neurasthenische aandoeningen. Ik vind ook het adres waar Pieter Jelles logeerde toen hij haar bezocht. Dit deel van de stad is bij de bombardementen van 1945 gespaard.
In een boekhandel koop ik Volker Ullrichs Die nervöse Großmacht 1871-1918, Aufstieg und Untergang des deutschen Kaiserreichs. Ineens snap ik beter hoe Troelstra tegen Duitsland aangekeken moet hebben. En ook waarom hij zo vaak leed aan zenuwinzinkingen. Het lag niet alleen aan zijn zwakke gestel, maar ook aan het nervöse Zeitalter.
In Ilsenburg, in de Harz, bracht Troelstra zijn zoon Jelle naar het Land-Erziehungsheim van Hermann Lietz. Ik stel me voor hoe het gegaan is: na een treinreis van twee dagen laat de vader hier in 1903 zijn twaalfjarige zoon achter op een progressieve Duitse kostschool, ver van huis.
In Eisenach bekijk ik de plek waar in 1869 de Duitse Sociaal-Demokratische partij werd opgericht. Hier waart nog de geest van August Bebel rond. Hij en Wilhelm Liebknecht waren Troelstra's grote voorbeelden en met beiden was hij bevriend. Thuis pak ik de autobiografie van Bebel uit de kast. Zou Troelstra die in gedachten hebben gehad toen hij zijn eigen Gedenkschriften schreef?

maandag 20 juli 2026

Luise Rinser • 21 juli 1969

Luise Rinser (1911-2002) was een Duitse schrijfster en politiek activiste. Ze publiceerde verschillende boeken met dagboekaantekeningen.

21 juli • Ik doe mijn best belangstelling te voelen voor de landing op de maan. Ik kom niet verder dan: nou, goed dan, ze zijn op de maan geweest. Maar ik span me in om er tenminste over na te denken wat deze zaak nu eigenlijk te betekenen heeft.
Misschien komt het allemaal voort uit duivelse bedoelingen: de maan voor te bereiden als strategisch punt voor een toekomstige oorlogsvoering. Van de maan uit een deel van de aarde te vernietigen. Of een deel van de mensheid naar de maan over te brengen en dan de rest, die niet gewenst is, van de maan uit te doden. Dat kan allemaal. Atoombommen zijn vroeger ook utopische invallen geweest. De gruwelijke dingen die de mens bedenkt, brengt hij meestal ook ten uitvoer.
Het ligt meer op mijn weg om te denken dat deze tocht naar de maan niets anders is dan de vlucht uit een maatschappelijke conflictsituatie. Als een mens geen raad meer weet in zijn privé-leven, vervalt hij tot apathie of raakt hij aan de drank, óf hij ontwikkelt op een of ander wonderlijk terrein een koortsachtige activiteit van meestal agressief karakter. Bij huisvrouwen die zoals men dat noemt gefrustreerd zijn, heb ik al vaak gemerkt dat ze ware schoonmaak-orgieën in hun huizen vieren. Ze hinderen zichzelf en hun gezin ermee en proberen tegelijkertijd zichzelf en anderen de illusie te verschaffen dat zij iets zinvols doen waarmee zij hun bestaansrecht bevestigd willen zien.
De agressie bij de maanvlucht schuilt in de fanatieke eerzucht om de Russen de baas te blijven.
Ik kan ook spreken van een opzettelijke afleidingsmanoeuvre: een zakenman die bang is voor het bankroet probeert door een avontuurlijke zet zijn crediteuren aan het lijntje te houden.
Of: iemand die merkt dat alles misloopt, pakt zijn koffers en gaat ervandoor, in de hoop dat de problemen zichzelf oplossen.
Hoe dan ook: heel dit laankzinnig dure project heeft het karakter van een vlucht uit de reële, niet verwerkte problemen.


zondag 19 juli 2026

W.F. Hermans • 20 juli 1974

• Willem Frederik Hermans (1921-1995) was beroemd/berucht om zijn villeine teksten, waarin hij reputaties niet spaarde. Zoals in deze brief die gepubliceerd werd in het tijdschrift Raster.

Parijs, 351 * 20. juli 1974
Geachte Heer Ros,
U bent bijzonder goed op mij. Niet alleen een lange brief, maar ook een grote stapel Nederlandse boeken stuurt u. Hartelijk dank. Bij de verhuizing heb ik bijna alle Nederlandse boeken weggedaan, ook mijn eigen boeken, met uitzondering van de laatste drukken. Nu kan ik opnieuw boeken gaan wegdoen. Toppunt van goedheid is uw mededeling dat mijn opmerking (in mijn vorige brief) over een fout in uw vertaling ‘natuurlijk geheel juist was’.

Misschien bent u al te goed. U honoreert al mijn grillige invallen. Een ‘conditionnel 2e forme’ waar ik in mijn vorige brief over repte, bestaat namelijk volgens alle andere grammatici helemaal niet.
Er zou nu nog gedacht kunnen worden dat u die volzin van Mirbeau vertaald heeft alsof er een conditionnel passé 2 e forme stond (want die bestaat, niet alleen volgens mij, maar ook volgens de andere grammatici) maar ook dat is toch eigenlijk niet waarschijnlijk, want daar lijkt ‘fîtes’ niet op en ‘fissiez’ evenmin.

Ik krijg de indruk dat u graag een bijdrage voor Maatstaf zou ontvangen. Ik ben erin geslaagd aan twee mijner spookschrijvers een gedicht te ontwringen. Het honorarium daarvoor kunt u t.z.t. op mijn postgiro 810042 doen storten.
Op reis

Mensje van Keulen en Aapje van Aken
Besloten tezamen een pandje te kraken.
Ze pakten hun rugzak en gingen op reis.
Natuurlijk per bromfiets. Het doel was Parijs.
Het is alleen een lelijk ding
Dat men niet weet hoe 't verder ging.

Bulletje & Bonestaak
Mocht u dit wat kort vinden, dan mag u deze brief ook in zijn geheel publiceren.
Ik ben minder geestdriftig dan u, over het feit dat er nergens in het buitenland, behalve in Nederland, zoveel Léautaud vertaald wordt. Hieruit blijkt dat Nederland ook uit het buitenland die dingen aantrekt, die verwant zijn aan de eigen nationale litteraire fouten en die maar soms en heel zelden iets met echte litteratuur te maken hebben. Ik heb het al eens eerder gezegd: Nederland wil alleen dat, wat het al eerder in zijn eigen huiskamer is tegengekomen. Toppunt van bekrompenheid.

Ook ik heb, moet ik u bekennen, uit de periode waarin ik die dingen nog niet zo helder zag, het Journal Littéraire van Léautaud overgehouden in mijn boekenkast.

Maar wat is het nu eigenlijk: gezanik over een leventje van niks, door een mannetje van niks, dat van niks wist, behalve dat Diderot en Stendhal grote schrijvers waren — alsof voordien niemand dat nog wist. Een zielig baasje met een huis vol verwaarloosde katten in Fontenay-aux-Roses aan de Ligne de Sceaux. Op z'n zeventigste jaar verbeeldde hij zich nog, als een winkeljuffrouw haar lachen niet kon houden omdat hij er zo idioot uitzag, dat hij groot succes bij de vrouwen had.

De eerste delen van het Journal en de boekjes die hij in zijn jeugd schreef zijn niet onverdienstelijk, maar daarna: zestig jaar hetzelfde gezanik, onsmakelijk als een pornoblaadje volgeschreven door een afvallige pastoor, jaar in jaar uit herhaald, dikwijls letterlijk.

Léautaud, in Frankrijk gelukkig maar een uitzondering, vertegenwoordigt helemaal de haat van de kleine zeurkous tegen echte litteratuur, haat die in Nederland inheems is bij mensen met litteraire ambities die geen fantasie hebben en dat zijn er nogal wat in Nederland. Slotsom van zijn oeuvre: als je precies gaat beschrijven hoe het leven van kleine schrijvertjes is, waarin niets gebeurt, maar wel eindeloos wordt geroddeld met andere mislukte schrijvertjes, wordt de litteratuur net zo vervelend als die leventjes zelf.

Met vriendelijke groeten
W.F. Hermans

Eva Braun • 19 juli 1941

• Eva Braun (1912-1945) was de vriendin van Adolf Hitler. Ze schreef een echt dagboek, waar 22 pagina's van bewaard zijn gebleven. Het onderstaande fragment komt uit het fictieve Het intieme Dagboek van Eva Braun.

Obersalzberg, Juli, 1941 • Ik lag moedernaakt op het bovenste balcon languit op mijn buik mij in de volle zon te koesteren en deed alsof ik sliep. Hij is begonnen met me lang te bekijken, dan is hij naast mij komen zitten en heeft mij heel zachtjes geaaid, heel teder geliefkoosd. Hij mag mij zo graag strelen, hij houdt er van altijd weer mijn rug te aaien; daar kan hij nooit genoeg van krijgen. Altijd van achteren, zo heeft hij mij ook gefotografeerd, de rug. Hij heeft natuurlijk bij hoog en laag verzekerd, dat op die manier niemand mij op de foto zou herkennen ingeval dat deze in verkeerde handen zou vallen, iets, wat natuurlijk mogelijk is. Eerst ben ik innerlijk in opstand gekomen bij de gedachte mij zo te laten fotograferen, maar dan heb ik gedacht: het is misschien te prefereren, wanneer hij op reis is, dat hij zo'n beeld van mij heeft, liever dan een andere vrouw te nemen....
En zo draagt hij mijn portret steeds bij zich, een naaktfoto, genomen van achteren. Welke man doet zoiets? Hij alleen is tot iets dergelijks in staat, niemand anders.

Josep Pla • 18 juli 1918

• De journalen van de Catalaanse schrijver Josep Pla i Casadevall (1897-1981) omvatten zo’n 30.000 bladzijden vol dagboekaantekeningen, reisimpressies, invallen en literaire portretten. Het grijze schrift (vertaald door Adri Boon) bestrijkt de jaren 1918-1920, voordat de jonge Pla als dagbladcorrespondent naar Parijs vertrok.

18 juli • Ciset Vilá, een handelaar in hout, net als generaal Savalls geboortig uit Pera, vertelt vaak dat toen de generaal tijdens de tweede Carlistische oorlog het land doorkruiste, deze zich op een dag aandiende in zijn geboortedorp, ge-zeten op zijn beroemde schimmel die, omgeven door de voornaamste kopstukken uit de streek, op de lithografieën prijkt. De moeder van de generaal, die in Pera een armoedig bestaan leidde, stak bij het horen van het galop van de cavalerie haar hoofd uit het raam. Nadat het eerste moment van schrik en verbazing die haar zoon met zijn verschijning bij haar teweegbracht voorbij was, reageerde zij met heftige verontwaardiging.
`Ben jij het, verkwister?' schreeuwde zij, hem een minachtende blik toewerpend. 'Alsof we al niet genoeg ellende hebben! Schaam je je niet dat er zoveel over je gepraat wordt? Al ons land ligt er onbewerkt bij... Draaf maar rond van hot naar her, stuk onverlaat, voer maar oorlog en haal maar dwaasheden uit...'
Zonder van zijn paard af te stijgen liet Savalls met een lachje de oude opvliegende boerin, die in het raamkozijn luidkeels tekeerging, uitrazen.
`Houdt uw rok op, moeder!' zei hij toen het hem toescheen dat de woedeaanval over het hoogtepunt heen was. `Bespaar me je grappen, ellendeling...'
`Houdt uw rok op, zeg ik!' schreeuwde de generaal stralend met het glunderende gezicht van een tevreden dier.
En terwijl hij het bevel herhaalde wierp hij een handvol gouden munten door het raam naar binnen.
Het silhouet van de oude vrouw verdween even: de tijd die nodig was om de over de vloer verspreid liggende munten bijeen te rapen. Toen zij daarna weer in het kozijn ver-scheen zei zij met een opvallende verandering in haar stem en een vriendelijk gezicht: 'Kom binnen! Dan eten we wat... We hebben elkaar zo lang niet gezien! Dit jaar is de worst overheerlijk.'
De generaal steeg af en moeder en zoon vielen elkaar liefdevol in de armen. Niet alleen gebruikte hij het middagmaal in zijn ouderlijk huis, maar ook bleef hij er 's avonds eten en slapen. In feite bleef hij er zolang zijn persoonlijke veiligheid dat toeliet. De vreugde van zijn moeder duurde al die tijd en nog iets langer — totdat de gouden oorlogsmunten op waren.

donderdag 16 juli 2026

Virginia Woolf • 17 juli 1935

Virginia Woolf (1882-1941) was een Engelse schrijfster. Ze hield vrijwel haar hele leven een dagboek bij. Een selectie daaruit is in twee delen gepubliceerd in de Privé domein-reeks (vertaling Joop van Helmond).

Woensdag 17 juli • Ik heb zo juist voor de eerste keer alles lukraak uitgetikt en ben tot de ontdekking gekomen dat het boek [Flush] 740 bladzijden gaat beslaan: dat betekent 148.000 woorden; ik geloof echter dat ik nog wat kan inkorten: het laatste deel is nog volkomen rudimentair en er moet flink aan geschaafd worden, maar ik ben te moe in mijn hoofd om dat nu serieus onder handen te nemen. Niettemin geloof ik wel dat ik het terug kan brengen: en dan —? Goeie hemel, ik begin te begrijpen waarom ik na The Waves mijn toevlucht heb genomen tot Flush. Na zoiets wil je niets liever dan aan de waterkant zitten en steentjes gooien. Ik wil ook wel weer eens vrij en onbevangen lezen. Zodat de rimpels weer gladtrekken. Susie Buchan, Ethel en daarna Julian — dat komt neer op praten van 4.30 tot 1 uur in de ochtend, met maar twee uurtjes onderbreking waarin ik heb gegeten en niets heb hoeven zeggen.
Ik geloof dat ik tot de ontdekking begin te komen dat het laatste hoofdstuk moet worden opgebouwd rond de toespraak van N. • het moet veel formeler worden opgezet; en ik geloof dat ik zie hoe ik interludia kan inlassen — ik bedoel ruimtes van stilte, en poëtische stukken en tegenstelling.

Vrijdag 19 juli • Nee. De hoofdpijn blijft terugkomen steeds op het moment dat ik wil beginnen. Het heeft geen zin om in de laatste paar dagen dat we nog hier zijn door het slot heen te jakkeren, want dat moet een soort milde bries worden die door de zware olmen voert: inderdaad, een wind die waait door bomen beladen met groene bladeren. Want het slot moet zowel beweging als gewicht hebben, iets dat door de bries moet worden verlicht.

woensdag 15 juli 2026

Andy Warhol • 16 juli 1978

Andy Warhol (1928-1987) was een Amerikaanse kunstenaar. Hij hield een dagboek bij van 1976-1987. Vertaling Christine Quant.

Zondag 16 juli 1978 • Barbara Allen belde mij 's morgens om naar Forest Hills te gaan naar de tennismatches. Ik stond op het punt te gaan, maar zag toen hoe mistig en grijs het was, zodat ik besloot om het op de TV te volgen en thuis wat te werken. Maar ik ging naar de kerk, en keek na mijn thuiskomst naar de wedstrijden op de TV. Het was Nastase tegen Vitas Gerulaitis. Ik was voor Vitas en hij won. Daarna belden Barbara en Bob om te zeggen dat Vitas iedereen uitnodigde om te komen eten in het Rivet Café in Brooklyn, op de boot, en haalden mij over om te komen. Zij zouden mij komen ophalen. Zij waren er om 10 uur. Barbara liet ons de ring zien die Nastase haar heeft gegeven. Toen kwam Nastase binnen met een pracht van een meid, een fotomodel, en Barbara liep naar boven en barstte in tranen uit. Richard Weisman zei hoe dom het van Barbara was om zo overstuur te zijn, hoewel zij wist dat Nastase getrouwd is en kinderen heeft, enz. Truman zei dat hij een echte rijke vent kende voor Barbara, en dat zij dan drie vliegtuigen en al het geld in de wereld en een huis in Mexico zou hebben. Daar knapte zij wat van op.

dinsdag 14 juli 2026

Ursula von Kardorff • 15 juli 1944

Ursula von Kardorff (1911-1988) was een Duits schrijfster en journaliste. Gedurende de oorlog was ze werkzaam als journaliste bij de Deutsche Allgemeine Zeitung. In haar dagboek beschrijft ze het alledaagse leven van een Berlijner in de oorlogsjaren. Het dagboek is in het Nederlands vertaald (door Tinke Davids) als Gebombardeerd dagboek.

15 juli 1944
Toen ik tussen de middag thuiskwam om gauw wat voor mezelf te koken, zat Fritzi op mijn sofa. [...] Hij vertelde dat een van hun belangrijkste mannen het slachtoffer van een spion was geworden en op 5 juli gearresteerd was. Zijn vrouw, Annedore Leber, had zich teruggetrokken in een ziekenhuis bij het Stettiner Bahnhof, en omdat ik door niemand verdacht word, aangezien ik in hetzelfde bedrijf werk als zij, verzocht hij mij een boodschap over te brengen. [...] Toen fietste ik naar het ziekenhuis. Kwam ongehinderd langs de balie en vond de kamer zonder moeite. In bed lag een jonge vrouw met voor zich een tekenbord met modeschetsen. Ze keek me verbaasd aan. Toen ik uitlegde wie ik was en wie me gestuurd had, zei ze enigszins aarzelend: 'Neemt u me alstublieft niet kwalijk, maar kunt u zich op de een of andere manier legitimeren?' Ik liet haar mijn persoonsbewijs zien. 'U hebt er geen idee van hoe voorzichtig ik moet zijn,' zei ze verontschuldigend. De ban was gebroken, ik kon mijn bericht doorgeven. Ze hoorde het beheerst aan, hoewel ze al zo wit zag dat ze moeilijk nog meer had kunnen verbleken.
Toen verzocht ze me aan Fritzi mee te delen dat de huiszoeking bij haar niets had opgeleverd, de Gestapo-mensen waren onverrichterzake weer vertrokken, afgezien van twee flessen schnaps die ze hadden gestolen. Haar had men voor een verhoor meegenomen. [...] Later had men haar, wonder boven wonder, weer laten gaan.

maandag 13 juli 2026

Thomas Mann • 14 juli 1955

Thomas Mann (1875-1955) was een Duitse schrijver. Hij hield zijn leven lang een dagboek bij. Gedeeltes daaruit zijn in het Nederlands vertaald (door Paul Beers) in Roem en verliefdheid. Dagboeken 1949-1955.

Donderdag 14 juli 1955
Maandag, 's morgens 11 uur bij de koningin [Juliana]. De Engels sprekende adjudant met vangsnoeren. Met haar in de tuin, koffie. Uitblijven van haar teken om op te stappen, zodat we babbelend 1 1/4 uur zaten. Haar manier van doen eenvoudig en waardig. K. mocht geen kniebuiging maken. Ik zei vaak 'u'. Krantebericht van het bezoek. Ieder weet ervan. Daarna koffie-tafel bij de Meyers, met wier wagen wij reden. Voortreffelijk. Liet het me smaken. De Hollanders drinken koffie op elk uur van de dag, 's morgens, weer om 11, bij de lunch, 's middags en zo mogelijk ook 's avonds. Helemaal naar mijn zin, en het vochtige klimaat staat het toe.


Het bezoek van de Duitse schrijver Thomas Mann (1875-1955) aan koningin Juliana lag in het verlengde van zijn onderscheiding als commandeur in de orde van Oranje-Nassau, die hem op 1 juli ten deel was gevallen. Een week na het bezoek bleek hij ernstig ziek. Mann overleed op 12 augustus.

zondag 12 juli 2026

Søren Kierkegaard • 13 juli 1837

Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Dagboeken.

13 juli
Dat ik me op dit moment zo voor Justinus Kerner interesseer, is omdat ik bij hem, hoewel hij een veel groter genie is, dezelfde artistieke onproduktiviteit bespeur als bij mezelf. Tevens zie ik dat er iets aan gedaan kan worden, ook al ontbreekt de feitelijke continuïteit; deze kan alleen maar compleet gemaakt worden door de continuïteit van de gemoedstoestand, waarvan ieder ideetje een bloempje, een soort novellistisch aforisme, een plastische studie is. Terwijl zijn eigen Dichtungen heel veel voortreffelijke, fantastische ideeën bevatten, zijn zijn berichten aus dem Nachtgebiete der Natur zo gortdroog dat je alleen daaruit al het indirecte bewijs voor de waarheid ervan zou kunnen aanvoeren.

13 juli
* Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik zo'n grote afkeer heb van het maken van losse notities; hoe beter ik sommige grote mannen leer kennen in wier geschriften men geen kaleidoscopische opeenstapeling van ideeën aantreft (misschien dat Jean Paul me in dit opzicht door zijn voorbeeld voortijdig huiverig heeft gemaakt), en hoe meer ik me herinner dat een zo'n verfrissend schrijver als Hoffmann notities maakte en dat Lichtenberg adviseerde het te doen, hoe meer ik erachter wil komen waarom een op zich onschuldige bezigheid me zo tegen de borst stuitte, ja me bijna afkeer inboezemde. Ongetwijfeld omdat ik aan een eventuele publikatie dacht, wat inhoudt dat ik ze nader uit zou moeten werken, iets waar ik me maar niet toe kan zetten en, uitgeput door een dergelijke, abstracte mogelijkheid (een zekere literaire oprisping en walging), vervluchtigde het aroma van mijn inval en stemming. Ik denk echter wel dat het goed zou zijn door vaak notities te maken, mèt de navelstreng van de eerste stemming, gedachten te laten opkomen en het plan ze ooit te gebruiken zoveel mogelijk uit mijn hoofd te zetten, omdat ik er toch nooit toe zou komen wat ik geschreven heb te raadplegen; wel zou ik, door uit te hoesten zoals je in een brief aan een goede vriend doet, mezelf althans gedeeltelijk de kans geven op zelfkennis op een later tijdstip, op een soepele schrijfstijl, op de vaardigheid me schriftelijk uit te drukken, iets waar ik tot op zekere hoogte mondeling toe in staat ben, op het aanleren van een arsenaal aan kleine trekjes, waaraan ik tot nu toe slechts vluchtig aandacht heb geschonken en ten slotte, als wat Hamann zegt ook elders van toepassing is, op het profiteren van invallen die iemand maar één keer in zijn leven krijgt. Dit soort oefenen achter de schermen is voor iedereen, die niet zo begaafd is dat zijn ontwikkeling zich in het openbaar voltrekt, zonder twijfel noodzakelijk.

In de marge:
* Besluit gedateerd 13 juli 1837 en genomen in onze studeerkamer des middags om 6 uur.

Ernst Jünger • 12 juli 1942

Ernst Jünger (1895-1998) was een Duitse militair en schrijver (en bloemenliefhebber). Uit: Das erste Pariser Tagebuch.

Vertaling onderaan.

Paris, 12, Juli 1942
Mit einer Frau in einem Laden, in dem es eßbare Schlangen zu kaufen gab. Der Händler zog eine Lade auf und griff achtlos hinein, um dann die Tiere zu präsentieren, die er in der Mitte des Leibes anfaßte. Bevor et sie aushändigte, setzte er ihnen einen kleinen Maulkorb auf, aus dem die Vipernhörnchen wie Fühler zitterten. Wir zahlten für ein mittelgroßes Stück zwölf oder vierzehn Mark. Nach dem Erwachen zerbrach ich mir den Kopf darüber, wer denn die Frau gewesen war. Solche Erscheinungen sind unbestimmt vertraut; oft drängen mehrere Wesen wie Schwester, Frau und Mutter sich in ihnen zusammen wie unter einem Tuch — dem Urstoff der Weiblichkeit. Im blinden Gewebe fühlen, doch kennen wir uns nicht.
Nachmittags bei Valentiner — bevor ich bei ihm eintrat, wühlte ich am Quai noch in den Auslagen herum. Ich nahm die 1520 gedruckte >Doctrina Moriendi< mit, die laut einer handschriftlichen Eintragung von Jean Gerson, dem Kanzler der Kirche von Paris, im 14. Jahrhundert verfaßt wurde. Eine weitere Eintragung von Baluze, dem Bibliothekar von Colbert, weist aus, daß dieses Exemplar in der Bibliotheca Colbertina gestanden hat.
Dann mit der Doctoresse im Louvre, Skulpturen zu be-sehen. Wir aßen zusammen zu Abend bei heiterer Plauderei.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

Ik was met een vrouw in een winkel waar eetbare slangen te koop waren. De handelaar trok een lade open en greep er achteloos in. Vervolgens liet hij ons de dieren zien, die hij halverwege hun lichaam vasthield. Voordat hij ze aan ons meegaf, deed hij hun een klein muilkorfje om, waaruit de hoornachtige uitsteeksels van de adders trillend als voelsprieten naar buiten staken. Wij betaalden voor een middelgroot exemplaar twaalf of veertien mark.

Na het ontwaken piekerde ik erover wie die vrouw eigenlijk was geweest. Zulke verschijningen zijn op een onbepaalde manier vertrouwd; vaak lijken meerdere personen – zuster, echtgenote en moeder – erin samen te vloeien, als onder één sluier, tot de oerstof van het vrouwelijke. In dat blinde weefsel voelen wij elkaar wel, maar kennen wij elkaar niet.

's Middags ging ik naar Valentiner. Voordat ik bij hem binnenging, snuffelde ik nog wat tussen de boeken die langs de kade waren uitgestald. Ik kocht de in 1520 gedrukte Doctrina Moriendi, die volgens een handgeschreven aantekening afkomstig zou zijn van Jean Gerson, de kanselier van de Kerk van Parijs, en in de veertiende eeuw zou zijn geschreven. Een tweede aantekening, van Baluze, de bibliothecaris van Colbert, vermeldt dat dit exemplaar zich ooit in de Bibliotheca Colbertina heeft bevonden.

Daarna bezocht ik met de doctoresse het Louvre om beeldhouwwerken te bekijken. We aten vervolgens samen en voerden daarbij een opgewekt gesprek.


Sylvia Plath • 11 juli 1950

Sylvia Plath (1932-1963) was een Amerikaanse dichteres. Onderstaand de eerste drie 'dagen' uit haar dagboek. Meer hier.

11.
Emile. There it is; his name. And what can I say? I can say he called for me at nine Saturday night, that I was still weak from having two wisdom teeth out that morning. I can say that we went on a double date dancing at Ten Acres, that I drank five glasses, in the course of the evening, to the bottom, of sparkling tawny gingerale, while the others drank beer. But that's not it. Not at all. This is how it was. I dressed slowly, smoothing, perfuming, powdering. I sat upstairs in the moist gray twilight, with the rain trickling down outside, while the family talked and laughed with company down on the porch. This is I, I thought, the American virgin, dressed to seduce. I know I'm in for an evening of sexual pleasure. We go on dates, we play around, and if we're nice girls, we demure at a certain point. And so it goes. We walked into the bar and sat down, two by two. E. and I had the initial strangeness to rub off. We began to talk - about the funeral he went to this morning, about his twenty year old cousin who broke his back and is paralyzed for life, about his sister who died of pneumonia at twelve years. "Good lord, we're morbid tonight," he shuddered. And then, "You know something I've always liked ... I mean wanted to like? Dark eyes and blonde hair." So we talked about little things, how words lose their meaning when you repeat them over and over; how all people of the Negro race look alike until you get to know them individually; how we always liked the age we were at best. "I pity Warrie," he said, nodding at the other boy. "He's twenty-two, out of Amherst, and he has to work the rest of his life. When I figure ... only two more years of college."

"I know, I've always dreaded birthdays."
"You don't look as young as you are."
"I don't see," I said, "how people stand being old. Your insides all dry up. When you're young you're so self-reliant. You don't even need much religion."
"You're not by any chance a Catholic?" He asked as if it were quite unlikely.
"No. You?"
"Yes." He said it very low.

There was more small talk, more laughing, sidelong glances, more of the unspoken physical friction that makes each new conquest so delightful. In the air was the strong smell of masculinity which creates the ideal medium for me to exist in. There was something in Emile tonight, a touch of seriousness, a chemical magnetism, that met my mood the way two pieces of a child's puzzle fit together. He has a fine face, dark hair, and eyes with enormous black pupils; a straight nose, a one-sided flashing grin, a clean-cut chin. He is neatly made, with small, sensitive hands. I knew it would be the way it was. On the dance floor he held me close to him, the hard line of his penis taut against my stomach, my breasts aching firm against his chest. And it was like warm wine flooding through me, a sleepy, electric drowsiness. He nuzzled his face in my hair; kissed my cheek. "Don't look at me," he said. "I've just come out of a swimming pool, hot and wet." (God, I knew it would be like this.) He was looking at me intently, searchingly, and our eyes met. I went under twice; I was drowning; and he flicked his gaze away. On the way to Warrie's at midnight, Emile kissed me in the car, his mouth wet and gentle on mine. At Warrie's, more gingerale, more beer, and dancing with the dim light from the porch, Emile's body warm and firm against mine, rocking back and forth to the soft, erotic music. (Dancing is the normal prelude to intercourse. All the dancing classes when we are too young to understand, and then this.) "You know," Emile looked at me, "we ought to sit down." I shook my head. "No?" he said. "How about some water, then. Feel all right?" (Feel all right. Oh, yes. Yes, thank you.) He steered me out to the kitchen, cool, smelling of linoleum, with the sound of the rain falling outside. I sat and sipped the water he brought me, while he stood looking down, his features strange in the half-light. I put the glass down. "That was quick," he said. "Should I have taken longer?" I stood up and his face moved in, his arms about me. After a while I pushed him away. "The rain's rather nice. It makes you feel good inside, elemental, just to listen." I was backed against the sink; Emile was close, warm, his eyes glittering, his mouth sensuous and lovely. "You," I said deliberately, "don't give a damn about me except physically." Any boy would deny that; any gallant boy; any gallant lier. But Emile shook me, his voice was urgent, "You know, you shouldn't have said that. You know? You know? The truth always hurts." (Even clichés can come in handy.) He grinned, "Don't be bitter; I'm not. Come away from the sink, and watch." He stepped back, drawing me toward him, slapping my stomach away, he kissed me long and sweetly. At last he let go. "There," he said with a quiet smile. "The truth doesn't always hurt, does it?" And so we left. It was pouring rain. In the car he put his arm around me, his head against mine, and we watched the streetlights coming at us, blurred and fluid in the watery dark. As we ran up the walk in the rain, as he came in and had a drink of water, as he kissed me goodnight, I knew that something in me wanted him, for what I'm not sure: He drinks, he smokes, he's Catholic, he runs around with one girl after another, and yet ... I wanted him. "I don't have to tell you it's been nice," I said at the door. "It's been marvelous," he smiled. "I'll call you. Take care." And he was gone. So the rain comes down hard outside my room, and like Eddie Cohen, I say, "... fifteen thousand years - of what? We're still nothing but animals." Somewhere, in his room, Emile lies, about to sleep, listening to the rain. God only knows what he's thinking.

donderdag 9 juli 2026

Roel van Duyn • 10 juli 1971

Roel van Duyn (1943) was in 1971 gemeenteraadslid in Amsterdam voor de Kabouterpartij, nadat hij eerder al een van de trekkers van de Provo-beweging was. Panies dagboek verscheen eind 1971.

zondagmiddag 10 juli [briefje]
Lieve Rik, gisteravond heb ik je opgebeld en hoewel je niet thuis was heeft het gesprek dat ik had mijn bewustzijn over de oorsprong van de dingen verscherpt. Iemand nam op en zei dat hij zou kijken of je er was. Toen hoorde ik een tijdje niets. Ik luisterde gekonsentreerd naar dit kostelijke niets. Daarna hoorde ik het piepen van open-gaande deuren op de achtergrond. Het was alsof ik de stilte van het niets zichzelf hoorde binnentreden. De leegte die erop volgde duurde een spannende tijd. Weer hoorde ik het geknars van deuren en het niets. Het niets was door het niets gegaan en was er herboren uit tevoorschijn gekomen. Ik voelde me alsof de dood in me gestorven was. Tenslotte sprak een onbetaalbare stem tot me: 'Er is niemand.' Ik was verheerlijkt en zei dan ook: 'Goedenavond.' Ik had het gevoel dat ik in een onmetelijk diepe put gekeken had en dat de cent die ik erin gegooid had als een gouden tientje in mijn hand teruggesprongen was. • • •

woensdag 8 juli 2026

Ernst Jünger • 9 juli 1942

Ernst Jünger (1895-1998) was een Duitse militair en schrijver (en bloemenliefhebber). Uit: Das erste Pariser Tagebuch.

Vertaling onderaan.

Paris, 9. Juli 1942
Wenn ich die Augen schlieβe, erblicke ich zuweilen eine dunkle Landschaft mit Steinen, Klippen und Bergen am Rande der Unendlichkeit. Im Hintergrund, am Ufer eines schwarzen Meeres, erkenne ich mich selbst, ein winziges Figürchen, das wie mit Kreide aufgezeichnet ist. Das ist mein Vorposten, ganz hart am Nichts — dort unten am Abgrund kämpfe ich für mich.
Die Lindenblüte in diesen Tagen — mir scheint, daβ ich sie niemals so stark und innig roch.

Ich las in der Baudelaire-Übersetzung von Carlo Schmid 'Die Katzen', von denen der zweite Vers besonders gelungen ist:
Nach Wissen gierig und nach tiefen Lüsten,
Sind ihnen lieb das Schweigen und die Nacht;
Zu Rennern hätte Hades sie gemacht,
Wenn sie der Knechtschaft sich zu beugen wüssten.
Die beiden letzten Strophen schildern schön nicht nur den Vorrang der Katzen vor den Hunden, sondern der Ruhe vor der Bewegung überhaupt.

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

Parijs, 9 juli 1942
Wanneer ik mijn ogen sluit, zie ik soms een donker landschap voor me, met stenen, klippen en bergen aan de rand van de oneindigheid. Op de achtergrond, aan de oever van een zwarte zee, herken ik mijzelf: een piepklein figuurtje, dat eruit ziet alsof het met krijt is getekend. Dat is mijn voorpost, pal aan de grens van het niets — daar beneden, aan de afgrond, strijd ik voor mijzelf.
De lindebloesem van deze dagen — het lijkt mij alsof ik haar geur nooit eerder zo sterk en zo intens heb waargenomen.

Ik las in de Baudelaire-vertaling van Carlo Schmid het gedicht 'De katten', waarvan vooral het tweede couplet bijzonder geslaagd is:
Bezig met het vergaren van kennis en gedreven door diepe verlangens,
houden zij van de stilte en van de nacht.
Hades zou hen tot zijn renpaarden hebben gemaakt,
als zij zich maar aan knechtschap hadden weten te onderwerpen.
De laatste twee strofen schilderen op fraaie wijze niet alleen de superioriteit van de katten boven de honden, maar ook die van de rust boven de beweging in het algemeen.

Mart Smeets • 8 juli 2012

Mart Smeets (1947) is sportverslaggever en -commentator. In 2012 schreef hij Dagboek van een sportgek. Foto: Iris vetter.

Zondag 8 juli
's Avonds komt, via via, het bericht door dat Taeke Taekema voor de tweede maal de deur is gewezen is door de coach van de nationale mannenhockeyploeg, Paul van Ass. Ik schrik als ik het lees. Hoewel volger op afstand ben ik licht op de hand van Taekema, een kerel die ik zeer acht. Of hij nou een hockeyspeler of strafcorner-inrammer is, daar ben ik nooit uitgekomen. Ik vond zijn robuuste optreden vaak sympathiek overkomen.
Hoe was het ook alweer? Hij was buiten de deur gezet met die andere veteraan, Teun de Nooijer. Van Ass had ze vergeleken met hoge bomen die ervoor zorgen dat de 'lagere struikgewassen en plantjes' te weinig zon krijgen. Daar kon ik Van Ass nog wel in volgen, hoewel zijn woordkeus komisch was. Ik vroeg daarna aan twee bevriende kenners of Taekema in de Indian Summer van zijn loopbaan was of al in zijn late herfst. Beiden twijfelden. Eerder Indian Summer, meenden ze. Ik vroeg: meenemen naar de Spelen? Beiden zeiden: voor de strafcorner, ja. Maar over de verdediger Taekema hadden ze twijfels. Een moeilijke beslissing dus. Op zeker moment vroeg Van Ass Teuntje en Taeke weer terug. Beiden trainden weer mee. De rimpelingen leken uit de vijver, niemand gooide nog steentjes.
Maar nu, vier weken voor het begin van de Spelen in Londen, mietert Van Ass alsnog Taekema eruit en houdt hij vast aan Teuntje. Ik zit in de Tour en lees de tekst van Taeke. Hij heeft lang getwijfeld of hij zijn gevoel in een soort persbericht moest neerleggen. Hij is boos en zegt in best nette taal wat hij van dit alles vindt. Hij laat het belang van het team voorgaan.
Wie heeft hier gelijk, of bestaat er geen gelijk in zo'n situatie? Ik vind dat de coach soeverein moet kunnen beslissen over zijn selectie. Bij de eerste verwijdering uit de selectie vond ik Van Ass' redenering verkeerd geformuleerd. Ik was best blij toen de twee mastodonten terug konden komen in de trainingsgroep.
Dat Van Ass Taeke er nu weer uit gooit omdat hij 'toch niet in het speltype' past, is moeilijker te begrijpen. Deze selectie speelt al twee jaar op deze manier hockey. Was Taekema wellicht vervelend binnen de ploeg? Had hij sterallures? Zat hij in zijn eentje hamburgers te eten, terwijl de rest van de ploeg aan tafel zat? Was hij asociaal? Nee toch? Of was hij niet meer in staat gaten in de verdediging dicht te lopen of snel op te komen op de zwakke zijde van de tegenstander? Of wil Van Ass de selectie wakker schudden met deze actie? Ik noem maar wat.
Ik heb er ambivalente gevoelens over. Ik vind het niet chique gedaan. Zo ga je niet met mensen om en zeker niet met (voormalige) grote steunpilaren van de nationale ploeg. Maar de coach heeft gekozen en rightly so. Dat is namelijk zijn pakkie-an. Van Ass zal straks in Londen moeten bewijzen dat dit speltactisch de juiste beslissing is geweest.
Ik kijk op een betaalkanaal in mijn hotel naar Federer tegen Murray en zie de Zwitser soeverein winnen. Murray huilt zijn verlies weg. In de koers wint de jonge Fransman Thibaut Pinot. De Franse commentatoren schreeuwen zich een weg naar de finish. 's Avonds zitten Marianne Vos en Annemiek van Vleuten aan tafel. Van Vleuten heeft net haar sleutelbeen gebroken. Vos is als winnares van de Giro voor vrouwen op doorreis naar huis. Voor beiden lonkt Londen. Voor Murray en Federer ook, voor Van Ass evenzo. Voor Taekema dus niet. Dat idee knelt omdat ik niet weet waarom Van Ass zo heeft gehandeld.

maandag 6 juli 2026

Friedrich Nietzsche • 7 juli 1862

• Je staat er niet zo bij stil, maar ook Friedrich Nietszsche (1844-1900) was ooit jong. Deze brief schreef hij op 17-jarige leeftijd aan zijn zus Elisabeth. Uit: Afgemat als een eendagsvlieg bij avond. Een selectie uit de brieven 1858-1879 (vertaald door Hans Driessen).

Gorenzen, 7 juli 1862
Met mij gaat het trouwens, net als met jou mag ik hopen, buitengewoon goed. Ik heb de eerste drie dagen van mijn vakantie in Naumburg doorgebracht, ben in het circus Hinné geweest, ben dan vrijdag naar Gorenzen doorgereisd en heb daar heel prettige dagen gehad. Gisteren ben ik naar een feest op slot Rammelsburg geweest. In de slotzaal werd een concert gegeven; de freule zong heel aardig, een gouvernante piepte heel jammerlijk door de genade-aria heen; over het geheel genomen echt dilettantisch. Het werd half zeven; er stonden zwarte wolken aan de hemel. In een fabrieksgebouw waarin we toevlucht hadden gezocht, werden we verrast door een geweldig onweer, met bliksem, onweer en bakken regen; toen dit voorbij was gingen we (mama en ik) weer op weg en baggerden door een vreselijke modder en verveelden ons, totdat we plotseling door een nieuw onweer werden overvallen en arm in arm, door de felste bliksem belicht, door en door nat werden. We zagen er echt belachelijk uit; de hele geschiedenis was trouwens niet van alle levensgevaar gespeend, hetgeen me toch weer goede zin gaf. Mama zal je de rest wel vertellen. [...]

zondag 5 juli 2026

Gustave Flaubert • 6 juli 1852

• De Franse schrijver Gustave Flaubert (1821-1880) aan zijn minnares, de Franse dichteres Louise Colet (1810-1876). Hij spreekt zich uit over haar ontluikende affaire met de flamboyante dichter Alfred de Musset. Uit: De kluizenaar en zijn muze. Brieven aan Louise Colet [vertaald door Edu Borger].

Croisset, dinsdag 6 juli 1852 
Ik heb in mijn eentje en op mijn gemak je laatste lange brief met het verhaal van je uitstapje in de maneschijn herlezen. [...] Je zou me verkeerd begrijpen als je meende dat ik je iets verweet. – Je kunt je daden meester zijn, maar je gevoelens nooit. Ik vind alleen dat je er verkeerd aan gedaan hebt nog een keer met hem uit rijden te gaan. Je hebt dat in alle onschuld gedaan, dat wil ik best geloven. Maar als ik in zijn schoenen stond, zou ik het je niet vergeven. Hij zou je voor een flirt kunnen aanzien. – Het is nu eenmaal een conventie dat je niet met een man een ritje in een rijtuig maakt om de maan te bewonderen. En het heerschap Musset is allemachtig conventioneel. – Zijn ijdelheid is van burgerlijke komaf. Ik denk niet (wat jij denkt) dat hij vooral gevoel voor kunst had. – Hij had het meeste gevoel voor zijn eigen hartstochten. Musset is meer dichter dan kunstenaar, en op dit moment meer mens dan dichter – en een armzalig mens. Musset heeft de kunst nooit gescheiden van de sensaties waarvan zij het complement vormt. Muziek is naar zijn idee geschapen voor serenades, de schilderkunst voor het portret en de poëzie om de harten te vertroosten. Wanneer je zo de zon in je broek wilt stoppen, verbrand je je broek en pis je op de zon. En dat is hem overkomen. 

Vilgot Sjöman • 5 juli 1962

Vilgot Sjöman (1924-2006) was een Zweedse schrijver en regisseur. In 1963 was hij assistent van Ingmar Bergman bij de opnames van diens film De avondmaalsgasten. Van die periode hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als L136. Dagboek met Ingmar Bergman.

Donderdag 5 juli 1962
De voorbereidingen voor de mixage gaan voort. Rol na rol wordt nagekeken.
Het ene geluidseffect wordt dertig seconden naar achteren verschoven (beter zo). Een ander wordt eruit gelicht (mooi). Sommige rollen zijn merkwaardig gemakkelijk, die zijn vlug klaar. Andere zijn tegen de draad in en veroorzaken een klein soort hersenbloeding. Voor de geluidsafdeling een aanvaardbare klokslag van een plattelandskerk geleverd had, heeft IB [Ingmar Bergman] zijn geduld al vier maal verloren. De hond die blaft in de schemering op visser Perssons erf ('en dat moet niet het een of andere schoothondje zijn, maar een soort wolf') is al even moeilijk te vinden. Keer op keer wordt zijn stem dof van ongeduld:
- Dat is een echte archiefhond. Die kunnen we niet gebruiken! Evald zoekt in het geluidsarchief en vindt een andere hond die misschien wat beter is.
- Nog zo'n archiefhond... Nee, jongens, nu moeten jullie me godverdomme een echte hond verschaffen. Zo kunnen we toch niet door blijven gaan.
Olle Jacobsson draait elke rol samen met Evald en Stig tot hij elk effect dat daarin voorkomt beheerst.
Vandaag kunnen we Ingmar ophalen, dan kan hij rol 5 en 7 zien.
Ingmar komt. Rol 7 lijkt klaar: daar is niets op aan te merken. Goed bevonden. Maar rol 5 bevat nog een paar kleinigheden die mooier kunnen. Die wil hij nog eens zien.
De mixer oefent een artistiek handwerk uit en Olle Jacobsson is ook een artiest. Hij studeert elke rol in, zoals een pianist een stuk voor piano; dan voert hij het uit vanachter het klavier van zijn regelpaneel. Soms scheldt hij op zijn eigen slechte spel: het was bij de eerste inzet al mis. Soms voelt hij dat hij goed in vorm is: nergens iets dat hem tegen zat, alles liep vlot - 'nu had Ingmar hier moeten zijn.' Als Ingmar er eenmaal is gaat het spel hem misschien niet zo goed af.
Al dit werk is nog niet de mixage in de eigenlijke betekenis; het zijn enkel maar voorbereidingen. Het mixen begint als Ingmar Olle's hele vertolking van de geluidspartituur goedgekeurd leeft. Dan pas brengt Olle de geluidseffecten van de magnetische geluidsband over op een optische geluidsband (dat is de band die later langs de beeldstrook loopt op de filmrol wanneer deze gereed is.)


Klaartje de Zwarte-Walvisch • 4 juli 1943

Klaartje de Zwarte-Walvisch (1911-1943) werd begin 1943 gevangen gezet in kamp Vught. Later werd ze overgebracht naar Westerbork , en ten slotte omgebracht in Sobibor. Van de eerste maanden van haar gevangenschap hield ze een dagboek bij.

4 juli
Aankomst op Westerbork
Hoe een geheel andere aankomst ondervond ik hier in vergelijking met de aankomst destijds in Vught. Op het perron stonden mannen en vrouwen ons op te wachten en dag te zwaaien. Iets wat ons zeer vertrouwelijk aandeed. Mannen en vrouwen tezamen. Dit was iets waaraan wij Vughtenaren niet meer gewend waren. De eerste indruk die ik van Westerbork kreeg, was zeer zeker niet de slechtste. Ik had zelfs het gevoel weer in de bewoonde wereld teruggekeerd te zijn. In werkelijkheid was dat natuurlijk helemaal niet het geval, want ik kwam van het ene kamp in het andere. Maar nooit had ik sterker het gevoel gehad uit een concentratiekamp te zijn gekomen. Geen schreeuwers, geen NSB-sters die ons opjoegen en afsnauwden, maar behoorlijke mensen die heel vriendelijk voor ons waren en onmiddellijk bereid te helpen daar waar het nodig was. We werden nog eens netjes opgesteld in rijen van vijf en toen gingen we naar de registratie. Ik maakte de opmerking ik dat ik nog wel eens geregistreerd wilde worden, want dat zoiets in lange tijd niet gebeurd was. Ik had werkelijk nog succes ook, want de marechaussees die ons begeleid hadden, begonnen erom te lachen. Zij namen hartelijk afscheid van ons en terwijl hij me de hand drukte, wenste hij me een spoedig weerzien in Amsterdam: 'Wat naïef bent u nog,' antwoordde ik. Maar hij zei dat hij het werkelijk meende, 'Dan zal ik u maar geloven,' riep ik nog terug. Gelukkig, de reis was tenminste achter de rug. Einde van de eerste etappe.

donderdag 2 juli 2026

Tommy Wieringa • 3 juli 2017

• Tommy Wieringa is een Nederlandse schrijver. Uit: Schrijversdagboek.

Maandag 3 juli 2017
Op het aanrecht staan kaarten met vosjes en paarden, uitnodigingen voor verjaardagsfeestjes van de kinderen. Als ouder heb je maar één enkele, pathetische wens: dat je kind populair is. Dat het zich in de gunst van anderen mag verheugen. Je weet maar al te goed hoe het was om niet gevraagd te worden voor partijtjes. Hoe je bij gym als laatste overbleef als de groepjes moesten worden verdeeld. De grimassen van verveling of zelfs weerzin als je je bij het groepje voegde waarbij je door de grillige wil van het ostracisme was ingedeeld. De gedurige afwijzing als een wond waar de korst elke dag weer af getrokken werd.
Je zou een vinger geven om je kind daarvoor te behoeden.
H. wordt afgewezen door M., die plotseling niet meer met haar wil spelen.
H. lijdt, ze probeert op alle mogelijke manieren weer bij M. in de gunst te komen.
M. laat zich pas overhalen als H. haar een plaktatoeage belooft.
H. koopt vriendschap voor een middag en neemt genoegen met het bedrog.
M. schort haar weerzin voor een middag op voor een slangentattoo.
H. en M. lijken beiden tevreden met de transactie.
T. kijkt hoe zijn dochter zich in bochten wringt om geliefd te worden; hij probeert uit alle macht het vriendinnetje niet te haten.

woensdag 1 juli 2026

Jan Siebelink • 2 juli 1997

• In 1997 nodigde het tijdschrift Optima een aantal schrijvers uit tot het bijhouden van een 'Onhollands dagboek' — als reactie op het populaire 'Hollands Dagboek' uit de NRC. Zo ook Jan Siebelink (1938).

Woensdag 2 juli
John [Jansen van Galen] belt. Hij heeft onverwacht een afspraak in Rheden. We spreken af in een oud Velps café, onder aan de Bergweg. Ver voor de afgesproken tijd wacht hij me aan de bar op. We zijn beiden mensen die altijd te vroeg komen. We begroeten elkaar met een zoen, bestellen een biertje en dan zegt hij: ‘Ik wil iets met je bepraten.’ Hij kijkt ernstig. Ik schrik, denk dat er iets met zijn gezondheid aan de hand is. ‘Je weet dat HP/De Tijd mij een groot portret van Van Mierlo heeft gevraagd, Tot voor kort zou ik tegen zo'n verzoek niet zo gauw nee zeggen. Groot deftig portret met je naam erbij. Vereerd, want ik ben nog steeds de dorpsjongen die toch maar mag meedoen in de grote wereld. En vanmorgen dacht ik ineens: Waarom eigenlijk een groot portret van Van Mierlo? Voor het geld hoef ik het niet te doen. Ik ga liever wandelen. Waar ik over inzit? Die onthechting...! Ken jij dat ook?’ Ik geef toe dat mijn geldingsdrang ook minder geworden is. Tot voor kort probeerde ik de Franse en Nederlandse literatuur bij te houden. Nu koop ik alleen nog de debuten, en mijn hond kent die onthechting ook. Vroeger, als hij bij me in de auto zat, blafte hij naar iedere hond. Nu kijkt hij ze alleen maar na en zie ik hem denken: Wat koop ik voor dat geblaf? Ik kan me beter rustig houden.
Gegeten in La Marmite, de Weverstraat, in de oude binnenstad van Arnhem. Eigenaar is de altijd wat nors kijkende Bob Z. Voormalig bokser. Maar de klant wil gestraft worden. Onder het eten vertel ik John dat ik een mooie novelle van Johanna Speltie gelezen heb. Een debuut.

Donderdag 3 juli
Op de racefiets naar Arnhem. Ik passeer het asielzoekerscentrum Arnhem-Noord, gevestigd in hotel Rosarium, het voormalige gebouw van de Rozenkruisers. Tientallen Ghanezen, Senegalezen, Somaliërs, in grote verveling, achter de hoge hekken. Zou ik minister worden, ik gaf ze allemaal, in een soort generaal pardon, een verblijfsvergunning.