maandag 19 oktober 2026

J.C. Villerius • 20 oktober 1958

• Elsschot-bewonderaar Jan C. Villerius (1933-1996) kreeg een vriendschapsband met de grote schrijver aan het eind van diens leven (1882-1960). Ze schreven elkaar regelmatig; hun correspondentie is gebundeld in Elsschot leest voor. Hieronder een deel van een brief van Villerius aan Elsschot.

Rotterdam, 20.10.1958
[...]
Het is een schone stad, Antwerpen. Maar het regent er vaak, En ik zie je in gedachte vaak lopen door de natte straten, alleen, verdrietig, Ondanks je huis, ondanks je franken. Knarsetandend omdat dan toch eindelijk de laatste jaren, de laatste maanden, de laatste dagen zijn aangebroken. Is er ergens troost? 'Priesters zalven en beloven, maar ik kan het niet geloven...' [Citaat uit Elsschot's gedicht 'Spijt'] Troost? Ik wilde dat ik er ièts, maar ièts van zou kunnen geven. ik voel mij schuldig omdat ik nog een heel leven voor me heb. Een zoet bekeringswoord? Toch niet, toch niet. Ik zal niet zalven en beloven, niet zulke poespas.

Want het is anders, denk ik. God is anders en meer dan die gerokte showfiguren ons willen wijsmaken. Hij begrijpt meer van ons en houdt meer van ons, dan wij ons kunnen voorstellen. Dat's precies alles. Dat is precies alles wat het leven het leven waard maakt. Je hoeft maar een stap te doen en Hij doet alle andere. Maar probeer het niet te begrijpen — dat is tien stappen terug. Het is een hopeloze onderneming, een Christus aan het kruis tekenen voor drie vreemdelingen en voor jezelf. [Toespeling op Elsschot's novelle 'Het dwaalicht']. Geen mèns die van dit alles ièts begrijpt. Vergeet alles wat de mensen zeggen en doen, dan is de weg vrij. Vergeef mij, dat ik dit alles schrijf. Het zou mij zo gelukkig maken als dat 'dwaallicht' geen dwaallicht meer was.
J.C. Villerius

P.S. Beantwoord deze brief maar niet.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten