woensdag 7 oktober 2026

August Willemsem • 8 oktober 1973

• Vertaler en schrijver August Willemsen (1936-2007) verbleef verschillende malen langere tijd in Brazilië. In Braziliaanse brieven vertelt hij over de leuke kanten van het leven daar, en over de minder leuke.

7/8 oktober
[wat voorafging]
De moeilijkheden begonnen op het kantoor van de VARIG, vrijdagmiddag 5 oktober. Ik had geen uitreisvisum. Niemand had me ooit verteld dat ik dat hebben moest. Daarvoor naar het Registro de Estrangeiros (Vreemdelingenregister), half uur lopen. Doorverwezen naar het Departement van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, vlak naast de VARIG. Half uur teruglopen. Daar schrijft een ambtenaar een verklaring: nihil obstat dat AW een uitreisvisum krijgt. Rust, opluchting, smakelijk eten. De volgende morgen, zaterdag 6, naar het Registro, dat 's ochtends nog open is. Er ontbreekt iets aan mijn papieren van de politie te Bahia. Naar de politie. Politie stuurt ons door naar het Instituto Félix Pacheco, waar ik een soort persoonsbewijs krijg. Terug naar Reg. Estr., waar een bruine subaltern, genaamd Ademir, beloofd heeft tot na sluitingstijd op ons te wachten. Hij heeft intussen met superieuren gebeld, die hem afraden ons verder te helpen, maar hij weet nu in elk geval precies wat er mis is. Van de politie in Bahia heb ik wel een bewijs van goed gedrag, maar dat is verlopen, en bovendien had ik in Bahia ook een voorlopige verblijfsvergunning moeten krijgen. Dat ze me die niet hebben gegeven is mijn schuld niet, maar wél had ik me binnen veertien dagen na aankomst moeten melden bij de politie in Rio. Ademir schrijft keurig op een briefje wat ik hebben moet (het ligt hier voor me, maar ik weet bij God niet hoe deze idiote termen te vertalen, ik zeg maar wat, verzin er zelf maar wat bij): 1 vreemdelingenregistratie, 2 vreemdelingenkadasters, 1 burgerlijk uittreksel (bij het Inst. Félix Pacheco), 2 uitreisvisumaanvragen, 5 kwitanties voor het betalen van federale belastingen, 1 verklaring van woonplaats (bij het Nederlandse Consulaat), 2 pasfoto's van 3 bij 4 cm met witte achtergrond en op glanzend papier. We bellen het Consulaat, dat op zaterdagmiddag gesloten is, maar via-via komen we bij een particulier adres, waar iemand ons aanraadt met spoed naar het Consulaat te komen. Dat is in Botafogo, een flinke reis. De heer Bijleveld stelt namens de Consul-Generaal een verklaring op met al mijn persoonlijke gegevens en de adressen in Bahia en Rio waar ik heb gewoond, in een supermarkt in Copacabana, de enige die nog open is, laat ik foto's maken, we gaan langs de politie en het Inst. Félix Pacheco (God zij geprezen dat dat zaterdag open is!), en terug naar het Reg.Estr. De consulaire verklaring is niet goed, daarop ontbreken de namen van mijn ouders, en de foto deugt niet, daarop ontbreekt de datum. Op andere papieren ontbreken mijn vingerafdrukken, waarvoor we terugmoeten naar de politie én het Inst. Felix Pacheco. Noortje krijgt een hysterische huilbui, gelukkig maar, want dat heeft op Ademir meer effect dan mijn Portugees. Hij belt met deze en gene, belt zelfs met het Consulaat om precies uit te leggen wat en hoe die verklaring moet zijn, hetgeen allemaal niet wegneemt dat we nog twee keer naar de politie moeten, waar tussendoor we ook nog even afscheid nemen van dona Heloisa. Uitgeput, ongelukkig en de krankzinnigheid nabij vallen we die avond op bed. De volgende ochtend, zondag 7, eigenlijk niet meer gelovend in het welslagen van wat we intussen haast beschouwen als een vluchtpoging uit dit land en deze rotstad, is onze eerste gang naar het Inst. Félix Pacheco (God opnieuw geprezen, dat het ook op zondag open is), de tweede naar het Reg. Estr., waar Ademir, het verbod van zijn bazen negerend, ons opwacht. Terwijl wij moeten zorgen voor nieuwe foto's en een nieuwe consulaire verklaring, is zijn probleem dat hij, omdat de enkele duimafdruk van het Inst. Felix Pacheco niet voldoende is, moet zorgen, op zondag, voor een identificador, een specialist in het maken van vingerafdrukken. In dezelfde supermarkt van gisteren, die ook op zondag open is, maken we nieuwe foto's. Ik heb er één bewaard: het is het beeld van een uitzinnige. Op het Consulaat stelt een secretaresse, mej. Van der Laan, die gevolmachtigd is het consulaire stempel te hanteren, een nieuwe verklaring op, waarbij ik me afvraag of er van de honderd miljoen Brazilianen ook maar één is die het een moer kan schelen dat, bijvoorbeeld, mijn moeder Trijntje Bulkes heet, en ik concludeer dat dit de definitieve materialisering is van de waanzin. Op het Reg. Estr. heeft Ademir middelerwijl een identificador gevonden. Hij begint (want ofschoon hij behulpzaam is, méér dan menselijkerwijs verwacht mag worden, heeft hij, als ondergeschikte, nu ook een zekere macht, en het is natuurlijk wel leuk daar éven gebruik van te maken) — hij begint met het maken van aanmerkingen op de nieuwe consulaire verklaring, maar wanneer Noor in een bijkans epileptisch aandoende onmacht dreigt te vallen, geeft hij de indentificador het sein met zijn werk te beginnen. Noor kan niet anders dan met tranen in de ogen aanzien hoe van mij, als van een zwaar misdadiger, de afdrukken van alle tien de vingers op papier worden gezet. Met enig ongeloof nemen we het visum in ontvangst, en even later, bij de VARIG (ook op zondag open!), het ticket. Het is onmogelijk dat iemand zich dit alles na een week nog herinnert, wanneer hij het niet meteen opschrijft. Maar wat ik hierin nu het meest Braziliaanse vindt: niet eens zozeer de moeilijkheden op zichzelf, als wel het feit dat het toch nog allemaal goed gekomen is. In een weekeind. In Nederland zou waarschijnlijk het hele probleem niet zijn gerezen, maar áls het er was zou het nooit, door tussenkomst van een lagere ambtenaar, tegen de zin van zijn superieuren, op zaterdag en zondag worden opgelost. Evengoed denk ik natuurlijk: 'Nooit meer Brazilië', maar ik weet uit ervaring hoe gauw ik er straks weer heen wil. En zo zal het wel altijd blijven. Welterusten.
Guus

Geen opmerkingen:

Een reactie posten