donderdag 22 oktober 2026
Willem Elsschot • 24 oktober 1957
Antwerpen, 24.10.1957
Waarde Vriend,
ik wist natuurlijk dat u geslaagd waart [voor een opleiding tot leraar Nederlands] anders had ik er over gezwegen. Proficiat. En nu hoger op. Naar de volgende etappe.
De lezing in Utrecht heeft plaats op 31 October om 8 uur en is ingericht door de grote boekhandel Broese, Nachtegaalstraat 20, Utrecht. U zult van Broese twee toegangsbewijzen ontvangen. Het is voor u een hele reis, met een hoop onkosten en ik vrees dat het hele ding dat niet waard is. Steeds Carmiggelt en dan ik iets voorlezen* ... Ik ben blij dat het achter de rug is want Utrecht is het slotaccoord. Ik kon het aan Van Kampen [uitgever] niet weigeren, maar ik doe het nooit meer. Hoe prettig ik het ook vind u weer te zien, toch zou ik er in uw plaats nog eens over nadenken, want het is feitelijk een kluchtspel om boeken te verkopen.
Gezondheid IETS beter. Van uw pastilles heb ik enkele gebruikt maar ik zal dat doosje maar weer ter hand nemen. Dank voor de belangstelling.
MET uw teenen is Vlaams. AAN zou verkieslijk zijn**. Verander het maar in uw exemplaar, dat is dan later een souvenir.
Van [het optreden in] Amsterdam heb ik niets begrepen, maar Rotterdam vergeet ik niet licht. Daar was ten minste belangstelling.
Hartelijke groeten, ook aan uw vrouw,
A. De Ridder
* Elsschot deed een tournee langs boekhandels met Simon Carmiggelt als inleider.
** Villerius had gevraagd waarom Elsschot ergens geschreven had "Daar schele Piet reeds met Uw teenen trekt", en niet 'aan uw teenen'.
Gerbrand Bakker • 23 oktober 2015
• Gerbrand Bakker (1962) is een Nederlandse schrijver. Van eind 2014 tot begin 2016 hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jasper en zijn knecht. 19 oktober [Schwarzbach] Ik lees een geweldig boek. Pure van Andrew Miller. Zo'n boek dat je nauwelijks kunt wegleggen, waarin je te lang blijft lezen en dan nauwelijks meer kunt slapen. Niet door de inhoud van het boek, maar domweg door het lezen zelf, het dóór willen lezen. Het gaat over een ingenieur, Jean-Baptiste Baratte, die de opdracht krijgt de begraafplaats Les Innocents in Parijs op te ruimen, een paar jaar voor de Franse Revolutie. Jammer genoeg is het al vertaald (Puur, uitgegeven door Xander Uitgevers), anders zou ik er onmiddellijk aan beginnen. Het boek stond op de shortlist van de IMPAC van 2013, en ik heb alle acht boeken die op die shortlist stonden omdat ik via Twitter een vraag goed beantwoordde. De vraag luidde: wie won vorig jaar de IMPAC? Dat was Jon McGregor voor Even the dogs en ik was een van de eerste drie met het goede antwoord. In 2013 kreeg Kevin Barry de prijs voor City of Bohane. De winnaar was dus niet Tommy Wieringa met Caesarion, een van de andere zeven shortlisters in dat jaar.*
[...]
[Vier dagen later] Tuinmaat Han was hier. Met Jet. Jasper [Bakker's hond] en Jet spelen niet langer met elkaar, misschien zijn ze allebei puber-af. Dat ligt trouwens vooral aan Jasper, die doet ongeïnteresseerd, negeert dat kleine opdondertje. Tuinmaat Han was er om het hek af te maken. Het Jasperhek. Dat is gelukt: als ik de poort dichtdoe, kan hij niet langer ontsnappen. Het heeft even geduurd voor dit project afgerond was en in de tussentijd is Jasper veel rustiger geworden, doet hij eigenlijk nooit meer een poging om zo hard mogelijk ervandoor te rennen. Alleen als er bezoek komt, zo'n moment grijpt hij nog steeds aan, als een soort reflex, om 'm te smeren, terwijl ik verwacht dat hij het bezoek zal gaan begroeten. Ik heb inmiddels Pure uit. Ik was wat beducht voor het einde - het einde van een boek is voor een schrijver het allermoeilijkst - maar dat kwam goed. Geweldig boek. Tuinmaat Han nam vier pakken hagelslag mee, daar had ik ineens vreselijk zin in. Hagelslag is hier nergens te vinden in de supermarkten.
[...]
* Gerbrand Bakker won de IMPAC zelf in 2010, voor The Twin, de vertaling van Boven is het stil.274-2016>
Jacob Bicker Raye • 22 oktober 1751
22 October, 's middags om twee uur, was hier de droevige en onaangename tijding uit den Haag gekomen, dat in den afgeloopen nacht om twee uur, Zijn Doorluchtige Hoogheid Willem Karel Hendrik Friso, Prinse van Oranje en Nassau, onzen Erfstadhouder, na een ziekte van zes à zeven dagen, van hoofd- en keelpijn, vergezeld van koortsen en ijlhoofdigheid, dit tijdelijke voor het Eeuwige verwisseld had.
Wij krijgen nog eenige bijzonderheden. Zijnde voort een deputatie uit Haar Edl. Groot Mogende Vergadering, de Staten van Holland, ‘gedepieseert’ om Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouwe de Prinsesse te condoleeren. Nadat de weduwe van den Prins den eed als gouvernante en voogdesse van den jongen Prins had afgelegd, gingen de heeren weer heen. Maar om zeven uur was de Prinses wederom verplicht een plechtige deputatie te ontvangen; ditmaal was het er een uit het midden van de Hoog Mogenden, die met hetzelfde doel kwam. Aan deze heeren had Hare Koninklijke Hoogheid den eed als gouvernante van de Unie afgelegd.
‘Denzelfden dag werd het lichaam van Zijne Hoogvorstelijke Doorlugtighyt geopent en gebalsemt; men had seer weynig ontsteking of verderfinge in de ingewanden bevonden, hoewel de herssenen zeer geinflameert waren. Door een benauwthijt en een inflamatie was den Vorst verstikt en versmoort’.
Over dat droevige sterfgeval moesten de klokken in alle steden en dorpen acht dagen na elkander geluid worden en verder nog drie dagen voor de begrafenis en op dien dag. Driemaal daags gedurende een uur.338-2018>
dinsdag 20 oktober 2026
M.C. • 21 oktober 1915
20 Oct. • Waarom is men in Duitsch-Zwitserland toch van zoo'n fellen haat tegen Engeland bezield? Eigenlijk heb ik het nooit recht begrepen. Want in den goeden tijd, toen er nog voor pleizier gereisd werd, brachten vooral de Engelschen veel geld in 't land.
Maar vandaag had ik geluk... Luisterend naar een tafelgesprek, ving ik de volgende redeneering op, redeneering - dat moet ik er bij voegen - van den middenstands-Zwitser, hotelier en winkelier: ‘Was Engeland niet tusschenbeide gekomen, dan had Duitschland dadelijk overwonnen, zoowel Frankrijk als Rusland. De oorlog was al lang ten einde geweest. En wij, Zwitsers, hadden weer geld kunnen verdienen.’
Werkelijk! Nergens heeft de Duitsche propaganda zulke successen te boeken gehad als hier in Duitsch-Zwitserland. Ze weet ook zoo handig, den hefboom te zetten in 's menschen zwakheden. En des Zwitsers zwakheid is zoo duidelijk zijn begeerte naar geld.
21 Oct. • Bern is, wat men een mooie stad noemt: twee armen van de groene, wit-schuimende Aar snijden haar in drie deelen; bloeiende, villagekroonde heuvels omkransen haar, als een dikke vlecht het bolle gezicht van een boerenmeisje. Ja, Bern is een boerendochter... Bazel is een interessante stad, de oude stad der Kaufherren, met één' blik ten minste langs den Rijn in de wijde verte, vol van dat ouderwetsch-strenge in zich besloten intellectueele leven, dat, naar buiten het masker toonend van droge geestigheid, ondanks je zelf, bezighoudt, boeit en trekt. Zürich is de stad van het werk, van de industrie en de fabrieken, moderne stad, open voor alle invloeden. Bern is de stad van beren en boeren, door de bergen ingesloten en afgesloten, met iets in de lucht, dat neerdrukt, iets laags en zwaars in alle verhoudingen.
[...]
Men moet evenwel zijn' tijd weten waar te nemen. Want loopt men er rond, zoo tusschen elf en drie, dan bevindt zich straat aan straat in het teeken der etensgeuren. Het eten is nu eenmaal iets hoofdzakelijks hier, zwaar van gewicht als het gehalte der spijzen zelf. En een eethuis is een zaak van publiek belang. Als een oorlogsbulletin prijkt aan de post der deur het menu. Elke dag heeft ook min of meer zijn specialiteit Zoo is vooral de Maandag aan de Bratwurst gewijd.
Er zijn er eethuizen van allerlei soort en voor allerlei beurs. Behalve de chique en dure: alcoholvrije, vegetarische, christelijke... Dan zijn er eethuizen voor arbeiders, studenten, werkende vrouwen enz. enz. In al die gelegenheden krijgt men voor weinig geld goede maaltijden. Een Volkshaus is er ook. Men eet er en hoort er concerten. Naast het menu hangt het muziekprogramma.
Trouwens de combinatie van kunst en keuken is in Zwitserland geen zeldzame. Ik zag het toch met eigen oogen (neen, ik ben niet lichtgeloovig): in Bazel, in de Kunsthalle, waar permanente schilderij-tentoonstellingen zijn, is tevens een restaurant, waar men diners à prix fixe kan krijgen... Profanatie...? Wat?... Van kunst of van keuken?...
In het historisch museum was ik ook. En ook hier trof me de Zwitsersche afgeslotenheid in heden en verleden. Ook het trotsch-daarop-zijn, de zelfgenoegzaamheid en het zich-zelf-alleen-voortreffelijk-vinden. Nergens de wijdere blik in de verte, het open-zijn voor bevruchtende invloeden.
Ze waren zich zelf gebleven door alle tijden: gezond, werkzaam, vrij, maar bekrompen.
maandag 19 oktober 2026
J.C. Villerius • 20 oktober 1958
Rotterdam, 20.10.1958
[...]
Het is een schone stad, Antwerpen. Maar het regent er vaak, en ik zie je in gedachte vaak lopen door de natte straten, alleen, verdrietig. Ondanks je huis, ondanks je franken. Knarsetandend omdat dan toch eindelijk de laatste jaren, de laatste maanden, de laatste dagen zijn aangebroken. Is er ergens troost? 'Priesters zalven en beloven, maar ik kan het niet geloven...' [Citaat uit Elsschot's gedicht 'Spijt'] Troost? Ik wilde dat ik er ièts, maar ièts van zou kunnen geven. ik voel mij schuldig omdat ik nog een heel leven voor me heb. Een zoet bekeringswoord? Toch niet, toch niet. Ik zal niet zalven en beloven, niet zulke poespas.
Want het is anders, denk ik. God is anders en meer dan die gerokte showfiguren ons willen wijsmaken. Hij begrijpt meer van ons en houdt meer van ons, dan wij ons kunnen voorstellen. Dat's precies alles. Dat is precies alles wat het leven het leven waard maakt. Je hoeft maar een stap te doen en Hij doet alle andere. Maar probeer het niet te begrijpen — dat is tien stappen terug. Het is een hopeloze onderneming, een Christus aan het kruis tekenen voor drie vreemdelingen en voor jezelf. [Toespeling op Elsschot's novelle 'Het dwaallicht'.] Geen mèns die van dit alles ièts begrijpt. Vergeet alles wat de mensen zeggen en doen, dan is de weg vrij. Vergeef mij, dat ik dit alles schrijf. Het zou mij zo gelukkig maken als dat 'dwaallicht' geen dwaallicht meer was.
J.C. Villerius
P.S. Beantwoord deze brief maar niet.
zondag 18 oktober 2026
Lydia Allen Rudd • 19 oktober 1852
Oct. 8 started early this morning without any breakfast for the very good reason that we had nothing to eat - still three miles from the falls - safely landed about eight o clock tired hungry and with a severe cold from last nights exposure - something like civilization here in the shape of three or four houses - there is an excuse here for a railroad of a mile and half on which to convey bagage below the falls where they can again take water for the steamboat landing - Harry packed our bagage down the railroad and the rest of us walked - the car is drawn across the railroad by a mule and they will cary no persons but sick - We again hired an Indian with his canoe to take us from the falls to the steamboat landing - arived about sundown a great many emigrants waiting for a chance to leave the steamboat and several flat boats lying ready to start out in the morning encamped on the shore for the night
October 14 ... I am so anxious to get some place to stop and settle that my patience is not worth much
October 19 ... We have had a very bad day today for traveling - it has rained nearly all the time and it has rained very hard some of the time and we have had a miserable road - the rain has made the hills very slippery and had to get up and down - we have made but eleven miles of travel encamped on the prairie - no water for our stock and not much for ourselves
October 22 ... Traveled three miles this morning and reached the village of Salem - it is quite a pretty town a much handsomer place than Oregon City and larger ... I am afraid that we shall be obliged to pack from here the rest of our journey and it will be a wet job - another wet rainy day I am afraid that the rain will make us all sick I am already begin to feel the affects of it by a bad cold.
Hier is er een goede reden voor een spoorlijntje van anderhalve mijl, waarover de bagage voorbij de watervallen kan worden vervoerd. Daar kunnen ze weer aan boord gaan van de stoomboot. Harry droeg onze bagage over de spoorlijn naar beneden en de rest van ons liep. Het karretje wordt door een muilezel over de spoorlijn getrokken en ze vervoeren er geen passagiers mee, behalve zieken.
We huurden opnieuw een indiaan met zijn kano om ons van de watervallen naar de aanlegplaats van de stoomboot te brengen. We kwamen tegen zonsondergang aan. Er stonden heel wat emigranten te wachten op een gelegenheid om de stoomboot te verlaten, en er lagen verscheidene platbodems klaar om de volgende ochtend te vertrekken. We sloegen ons kamp op aan de oever voor de nacht.
14 oktober … Ik verlang er zo naar eindelijk ergens aan te komen waar we kunnen blijven en ons vestigen, dat mijn geduld niet veel meer voorstelt.
19 oktober … We hebben vandaag een bijzonder slechte reisdag gehad. Het heeft bijna voortdurend geregend, en een deel van de tijd kwam de regen met bakken uit de lucht. Bovendien was de weg erbarmelijk. Door de regen zijn de heuvels erg glad geworden en we moesten steeds op en af. We hebben maar elf mijl afgelegd en ons kamp opgeslagen op de prairie. Er is geen water voor onze dieren en nauwelijks iets voor onszelf.
22 oktober … Vanmorgen hebben we drie mijl afgelegd en bereikten we het dorp Salem. Het is een heel aardig plaatsje, een veel mooiere plek dan Oregon City en bovendien groter. … Ik vrees dat we vanaf hier de rest van onze reis onze bagage zullen moeten dragen, en dat wordt een natte onderneming. Weer een regenachtige dag. Ik ben bang dat de regen ons allemaal ziek zal maken. Zelf begin ik de gevolgen al te merken: ik heb een flinke verkoudheid.
Sergej Prokofjev • 18 oktober 1917
[14 oktober]
Vier dagen later was mijn tweede concert. Er was nog minder publiek, het stond me gewoon tegen om te spelen, maar ik dwong me ertoe mezelf te vermannen: dit was immers geen concert, maar een repetitie voor Moskou, voor Moskou ja, niet voor Petrograd - in Petrograd ben ik bekend en geliefd, terwijl ik Moskou nog moet veroveren. De lauweren van de jeugdige pianist Orlov, de lieveling van het Moskouse publiek en een gracieuze, maar leeghoofdige pianist, laten me niet met rust. Nou ja, en na Orlov moet ik ook met Rachmaninov de strijd aanbinden.
Dit concert speelde ik heel goed en subtiel. Mama, altijd streng en ontevreden, was verrukt. De oude Safonov, die dwars door het voor hem onbekende modernisme heen de zachtheid en tederheid van mijn nuanceringen beluisterde, prees me zeer. Asja Lesnaja zat op de eerste rij en kwam na afloop van het concert naar de kleedkamer. Het was geen gymnasiummeisje, maar een leerlinge van Meyerholds dramastudio, een jaar of twintig oud, van het Pools-joodse type, eerder origineel dan leuk, zij het dat ook wel, lang en lenig, gekleed met een hang naar originaliteit en met een rood mutsje op (men kende haar in Kislovodsk dan ook onder de naam 'Roodkapje'; ze heette Chmelnitskaja, Lesnaja was een pseudoniem). Toen we uit artiestenfoyer naar buiten liepen, kreeg ik een ovatie, maar we sloegen meteen af, liepen het bruggetje over, de Kruisberg op en gingen wandelen.
Tegelijk met 'Roodkapje' verschenen er andere personen, zeer interessante: de anarchist Zmijev. Hij kwam in de salon van het Grand Hotel naar me toe en vroeg een vuurtje. We raakten aan de praat. Naar eigen zeggen was hij onlangs uit Londen gearriveerd. Het was een heel jonge man, levendig, geestig en met een voor mij uitermate ongewone wereldbeschouwing. Hij noemde zich lid van de Petrogradse raad van arbeidersafgevaardigden van de partij der anarchisten. Dat was buitengemeen pikant, ook al sta ik er niet voor in dat het inderdaad zo was. Menigeen zag hem domweg als een affairist, maar dat bestrijd ik. Een avonturier, ongetwijfeld. Een anarchist, zeer wel mogelijk, in elk geval wist hij op dat gebied heel verbazingwekkende dingen. Hij was buitengewoon op me gesteld, terwijl ik mijn tijd met plezier in zijn gezelschap doorbracht, omdat zijn anarchistische wereldbeschouwing - zoiets als de wereld op zijn kop - mij wel intrigeerde. Afgezien daarvan had hij, zoals ik al zei, een rake en levendige geest. Zodoende verliep mijn tijd in gezelschap van Asja en Zmijev en week daarmee wat af van zijn eerdere contemplatieve loop: nu eens vroeg Asja me uit wandelen, dan weer vertelde de anarchist mij over het leven van Kropotkin. Het weer en de lucht in Kislovodsk waren betoverend en trokken je naar buiten. Maar toch werkte ik een uur of twee per dag aan het andante van de Vierde sonate en besteedde een uur of anderhalf aan Kant, in een poging zijn hels moeilijke transcendentale logica onder de knie te krijgen. 's Avonds ging ik dikwijls naar de operette, in de Kursaal, waar op de eerste rij een stoel voor me was gereserveerd. Tot dan toe was ik vrijwel nooit in de operette geweest, omdat ik daar een hartgrondige hekel aan had, maar nu was ik er wel geïnteresseerd in geraakt, omdat ik het hele repertoire" vanuit een kritisch oogpunt bezag, niet voor wat de muziek betreft natuurlijk, maar voor het levendige en toneelmatige karakter. En wat denk je? Mijn vonnis: ze kunnen geen operettes schrijven. De levendigheid zit voornamelijk, in de scènes met dialoog en zonder muziek. Het ontbreekt de auteurs aan techniek en toneelmatige verbeelding om die met muziek te schrijven. Op sommige plaatsen is het wel levendig, en scenisch, soms is er wel sprake van elegantie (van een niet al te hoge kwaliteit), maar het kan allemaal duizendmaal beter. Het verlangen bekroop me zelfs - nee, niet om een operette te schrijven, daar zou ik niet brutaal genoeg voor zijn, maar wel een lichtvoetige, levendige en vrolijke opera. Voorlopig heb ik die gedachte laten varen, maar ik kom er nog op terug. En naast dat idee had ik een ander project: een opera op een onderwerp uit het leven van de anarchisten. De opera De anarchist. Over dat thema praatte ik tamelijk vaak met Zmijev. We konden echter niets afspreken, gezien het volgende: uit Petrograd kwamen berichten over een opstand van de bolsjewieken. De regering zit opgesloten in het Winterpaleis en probeert zich met kanonnen de aanvallende roodgardisten van het lijf te houden. Kerenski is behendig uit Petrograd weggeglipt en schiet aan het hoofd van trouw gebleven troepen te hulp. Volgens de laatste berichten hebben de bolsjewieken zich overgegeven en is de muiterij de kop in gedrukt. Toen had Zmijev het als anarchist niet meer en verdween spoorslags naar Rostov, waar fabrieken zijn en dus anarchistische partijen. Met Zmijev verdwenen ook de gesprekken over de opera, mijn honderd roebel die hij in gedeelten van me geleend had en mijn ondergoed, dat hij als verschoning had gevraagd.256-2016>
Jean Cocteau • 17 oktober 1942
17 oktober 1942
De gebeurtenis van de maand was de toetreding van Picasso tot de communistische partij, de dag voor de Herfstsalon.
L’Humanité wijdt de hele voorpagina aan hem. De oorlog kwam pas daarna. Artikel van Cachin [directeur L'Humanité], ingegeven door Aragon, over het genoegen waarmee de communistische familie haar armen heeft uitgestrekt naar de grootste schilder ter wereld. Daarmee is het eerste antirevolutionaire gebaar van Picasso een feit. De eerste adhesie van een trust (want is Picasso dat eigenlijk niet in zijn eentje?) aan de communistische partij.
Zeshonderd miljoen (zijn rijkdom op het ogenblik) en zijn werk, waarover hij verklaart dat het geen schilderkunst is, maar dat het gewelddaden zijn (aanslagen op anderen, op zichzelf, op het doek, op de kleuren, op de oude en moderne schilderkunst, op de kunst, op de menselijke gestalte, op het leven, op de dood).
Zeshonderd miljoen, zei ik, en dat prikkeldraad zodat iedereen er zijn nek over breekt, doen via een triomfboog hun intrede in een nederige familie waar men alleen houdt van burgerlijke schilderijen.
Het communisme is geen religie. Het is een therapie. Het volk dat het werk van Marx heel slecht kent, maar zijn krant als de bijbel beschouwt, ontdekt het bestaan van Picasso. Cachin bericht dat de grootste schilder ter wereld op de Herfstsalon tentoon wordt gesteld en dat hij deel uitmaakt van de familie. Wat doet het volk? Het stroomt en masse naar het palais de Tokyo.Tot aan de place de l’Alma staan ze zwijgend in de rij. 396-2028>
donderdag 15 oktober 2026
Susan Sontag • 16 oktober 1962
Vertaling onderaan.
[Loose-leaf page found among SS's papers]
10/16/62 • Sentimentality. The inertia of the emotions. They are not light buoyant. — I am sentimental. I cling to my emotional states. Or do they cling to me?
I wish I could think I. [Irene, haar geliefde] simply takes me for granted. The massive refusal of intimacy in her letters, the occasional touches of condescending affection.
Not once "I miss you," not once a word from inside.
But I cannot explain it except by the utter collapse, the painless dissolution of any feeling for me. All the lines are down.
Tiemmi, tiemmi. [From Dante's Purgatorio, Canto XXXI: "Poi, quando il cor virtu di fuor rendemmi," / la donna ch'io avea trovata sola / sopra me vidi, e dicea: 'Tiemmi, tiemmi'" ("Hold me, hold me.")]
I thought I. had the key, and only she. That all my sexuality was bound to her. Now I know that, technically, that's not so. But, still, I don't believe in the reality of anyone else.
I do not believe she will come back to me. Those who go away never come back.
— How I lie in my letters to her! I want her to believe I am tranquil and hopeful — my final magic spell to bring her back.
[Los ingelegde bladzijde gevonden tussen de papieren van SS]
16-10-1962 • Sentimentaliteit. De traagheid van de emoties. Ze zijn niet licht en veerkrachtig. — Ik ben sentimenteel. Ik klamp me vast aan mijn emotionele toestanden. Of klampen die zich aan mij vast?
Ik zou willen kunnen denken dat I. [Irene, haar geliefde] me eenvoudigweg als vanzelfsprekend beschouwt. De massale weigering van intimiteit in haar brieven, de sporadische aanrakingen van neerbuigende genegenheid.
Niet één keer: ‘Ik mis je’, niet één woord dat van binnenuit komt.
Maar ik kan het alleen verklaren door de volkomen ineenstorting, het pijnloze oplossen van elk gevoel voor mij. Alle lijnen liggen eruit.
Tiemmi, tiemmi. [Uit Dantes Louteringsberg, zang XXXI: ‘"Poi, quando il cor virtu di fuor rendemmi," / la donna ch'io avea trovata sola / sopra me vidi, e dicea: 'Tiemmi, tiemmi'" ("Hou me vast, hou me vast.")]
Ik dacht dat ik de sleutel had, en alleen zij. Dat mijn hele seksualiteit aan haar gebonden was. Nu weet ik dat dit technisch gezien niet zo is. Maar toch geloof ik niet in de werkelijkheid van iemand anders.
Ik geloof niet dat ze bij me terug zal komen. Wie weggaat, komt nooit terug.
— Wat lieg ik tegen haar in mijn brieven! Ik wil dat ze gelooft dat ik kalm ben en hoopvol gestemd — mijn laatste magische bezwering om haar terug te brengen.
woensdag 14 oktober 2026
Benoîte Groult • 15 oktober 1941
15 oktober '41 • We gaan niet meer naar het bos, de laurierbomen zijn omgehakt ... Concarneau wordt verkocht.
Grootmoeder hield niet meer van dat huis, want het is voortaan haar ideaal om de Bon Marché binnen handschoenbereik te hebben. In Parijs ben je beschut tegen de natuur. Grootvader zal zijn jekker met de ronde kraag niet meer vuil maken en geen aarde meer aan zijn knieën hebben of doorns in zijn vinger: hij mag zijn leven lang niet meer tuinieren, is beroofd van zijn tuberozen, zijn pteris aquilinas, scolopendrium officinale en andere liefdes waarop de bidsprinkhaan jaloers was. Nu is de droom van de bidsprinkhaan werkelijkheid geworden: grootvader de hele dag thuis, zittend in zijn fauteuil, nietsdoend dus onberispelijk. De boot wordt natuurlijk samen met het huis verkocht.
'Wat heeft Paul op zijn leeftijd nou op een boot te zoeken?'
Grootvader is helemaal naakt, helemaal leeg, met open handen en dode vingers. Grootmoeder daarentegen is weer jong geworden: ze ordent, ze ruimt op en bergt haar herinneringen in een kaartsysteem op. Haar leven is eindelijk afgesloten; je kunt het in een la stoppen; storende verrassingen zullen er niet meer komen. We hebben met ontroering het visboek nog eens gelezen dat ze haar hele leven had bijgehouden: grootvader had in juli 1938 zeshonderd makrelen gevist! Wat mag grootmoeder ze graag zien, zo liggend in dat grote boek! Eindelijk netjes en reukloos. 'Ieder zijn meug' zoals de Bretons zeggen.
Soetan Sjahrir • 14 oktober 1936
14 Oct. 1936 • In vele opzichten is Neira een min of meer ideale samenleving, vergeleken dan met de rest van de wereld. Natuurlijk is zelfs in zulk een paradijs niet alles even mooi, en zo heb je hier ook alle kleine kanten van een dorpssamenleving, alleen minder hevig en minder scherp, omdat Neira een soort van paradijs is. ‘De mensen schijnen hier nauwelijks armoede te kennen’, heb ik eerder geschreven. Dat is maar ten dele waar.
Wel is waar, dat de mensen die in Neira zelf of in de kampong wonen, meestal hun eigen hutje hebben of inwonen bij anderen als personeel en niet ondervoed zijn, ja meestal nog geld over hebben voor mooie kleren en feesten. Maar op de perken zijn de mensen toch wel een beetje ondervoed. Dr Soeribno bijvoorbeeld heeft nu een jongen in huis, die heel erg ondervoed is, hij komt van Goenoeng Api. Die hongerlijders op de perken, op de Goenoeng Api verdienen nauwelijks een dubbeltje per dag, àls ze iets verdienen kunnen.
Velen van hen proberen het met het verbouwen van groenten, maar zonder kapitaal gaat dat natuurlijk ook niet al te best en de vruchtbaarste plekken zijn altijd al eigendomsgronden. In de perken wonen de koelies. Vroeger hebben zij meer verdiend: 40 tot 50 cent per dag, maar nu is het al veel als zij 12 of 15 cent krijgen; deze mensen zien er dan ook over het algemeen heel slecht uit. Toch zijn de perkeniers geen uitbuiters. De meesten kunnen niet meer betalen, omdat de notemuskaat helemaal geen prijzen meer maakt. Vele perkeniers werken met verlies maar ze moeten doorgaan, omdat verwaarlozing van hun perken nog groter verlies zou betekenen.
De rijkaards hier zijn ook geen onsympathieke mensen. Héél rijke lieden heb je hier niet meer, maar zeer gegoede families, die het brengen tot een vermogen van een paar ton en een inkomen van vier of vijfhonderd gulden per maand voor privé-doeleinden, zijn er wel enige. Ook zij leven eenvoudig, versmijten hun geld niet en nemen ook geen geld-aristocratische allures aan. Zij hebben de Bandase verdraagzaamheid en vriendelijkheid.
De landbouwers op Goenoeng Api zijn voor een groot deel afkomstig van Boeton, ten Zuiden van Celebes. Zij komen hierheen in hun zeilscheepjes, bij elkaar gepakt als haringen in een ton, zó dat ze gedurende de gehele reis niet kunnen gaan liggen, terwijl die reis, wanneer de wind niet meewerkt, wel een maand kan duren. Dan eten, slapen, ze doen alles staand of hurkend. Van ongelukken op zee hoor je niet; het moeten wel heel goede zeevaarders zijn.
Ze pakken hier van alles aan en zelfs als ze maar twintig cent per dag verdienen spelen ze het nog klaar om er wat van opzij te leggen. Als ze naar hun mening genoeg gespaard hebben, dat is zo tussen de tien en vijf-en-twintig gulden, stappen ze weer in zo'n zeilscheepje, betalen drie gulden voor de hele reis, die meestal korter duurt dan een week, maar soms, als het tegenvalt, ook wel eens veel en veel langer.
Een luilekkerland is het hier dus niet precies, en men kan hier zien, dat de ‘luie inlander’ levensgevaar trotseert om een paar centjes te kunnen verdienen, waar hij dan bovendien nog voor moet ploeteren. Het verdiende geld is meestal voor de familie, ook wel om een nestje te kunnen bouwen. Al die Boetonnese jongemannen zijn hier ongetrouwd, omdat ze nog geen huishouding op kunnen zetten - nog geen huishouding van tien cent per dag -, daar de kleren van de vrouw te veel kosten.
Hier op Banda heb je dat verschijnsel trouwens ook en men zegt, dat het ook op Java nu zo toegaat. Zo ziet men, dat wat nog geen probleem vormde een tiental jaren geleden - hèt Europese probleem - dat nu ook geworden is voor ons Indonesiërs. Het leven is nu zelfs in dit gemakkelijke land, waar je toch maar zo weinig kleren aan je lichaam nodig hebt, zó geworden dat de mensen vanzelf aan het rekenen moeten gaan, rationeel moeten worden. Niet trouwen, omdat de vrouw hem de helft van zijn bordje rijst - zo hij dit heeft - zou kosten.
maandag 12 oktober 2026
De heer B. • 13 oktober 1960
Donderdag 13-10-60 • Vanaf Dinsdagavond zes uur storm en buitengewone regenval. Vele landerijen staan geheel of gedeeltelijk onder water. Vooral in Noord Holland is het erg. Er zal spoedig verandering moeten komen anders wordt het een ramp.
Nadat er zoveel natuurrampen gebeuren begrijp ik niet dat de mensen zich niet bezinnen en eens ophouden met oorlog voeren, elkaar vermoorden in opstanden en dergelijke misdaden. Want als er mensen omkomen bij rampen of andere gebeurtenissen dan wordt er veel ophef over gemaakt. Doch bij binnenlandse opstanden of onlusten of ergo bij oorlog vallen er vele doden; dan is dat vanzelfsprekend en zelfs niet eens strafbaar. Dat gaat boven mijn verstand, maar ja zeggen geleerde en zelfs Domine’s en Pastoors en dergelijke lieden; dat is heel wat anders, dan een gewone misdaad, dat is noodzaak. Wat een goedkope uitvlucht is dat. Maar ik ben ook slechts een proleet en beslist niet intulectueel!
zondag 11 oktober 2026
Willem Bilderdijk • 12 oktober 1795
Bilderdijk aan zijn vrouw. Hamburg, 12 oktober 1795 • Lieve! Je zult mijn vorige brief met het bericht over de ontvangst en de staat van de koffer ontvangen hebben. Ik heb toen vergeten te melden dat die mij 36 Hollandse gulden aan vracht heeft gekost. Stuur daarom voortaan alles per schip. Je zult altijd gelegenheid vinden bij Hamburgse schippers die dagelijks vanaf Amsterdam af en aan varen. De berichten die ik hier krijg over het woeden van de cholera maken mij zeer ongerust over jou en de kinderen. God behoede jullie allemaal! — Over mij: sinds ik terug ben uit Engeland ben ik erg ziek door hete koortsen. Ik hoop echter dat het met mij in orde komt. Over publieke zaken kan ik het niet wagen je te schrijven. Weet echter dat die niet vooruitgaan. Wat moet men doen, het is in de hand van God en Hij zal het besturen, daarop vertrouwen wij! Wat mij betreft, hoe zou ik in deze algemene verwarring mijn lot nog hebben kunnen bepalen? — Alles spant samen tegen de rechtschapenheid, de deugd en het verlichte verstand. Geen ministerie zal nu iemand van onkreukbare principes als de mijne aanstellen, terwijl alle hoven steeds meer naar de Franse richting overhellen. — Wat dan? Wetenschappen? Wie denkt er nu aan om onderwezen te worden, bij de totale omwenteling van dit werelddeel? — Ik heb echter mijn plannen gemaakt, en laat mij door geen moeilijkheden afschrikken. God leeft, en met Hem is er uitkomst en Hij zorgt voor toevlucht zonder beperking. Maar hier-over nader op een andere tijd. Vaarwel; omhels onze Elius en hou van mij.
Hamburg 12 oktober 1795
P.s. Teken toch op je brieven de datum aan.
J.J. Voskuil • 11 oktober 1943
donderdag 7 october • [...] Als Hanneke een jongen was, zou ik niet met haar bevriend zijn. Ik vind haar oppervlakkig en soms is ze me zelfs antipathiek. Komt die antipathie voort uit wrok? Zeker is dat ze verwaand is en te goed weet dat de jongens haar aardig vinden. Bij iedere jongen denkt ze: O die? Dan kan ik wel betere krijgen.' Met het gevolg dat ze straks blijft zitten. Dat is het verschil met Dee. Dee flirt niet. Ze luistert.
zondag 10 october • Mistig, koud. Met de Gele Tram [Den Haag-Leiden] naar de Buurtweg voor de wedstrijd tegen Groen-Geel. Omdat ik geen schoenen meer heb, speelde ik op blote voeten. We wonnen met 2-1, maar het had meer moeten zijn. In de tram terug luchtalarm, waardoor we een uur oponthoud hadden.
dinsdag 12 october • Op de grens van de Mient en de Weimarstraat brak de koppeling van de tram. Lijn 20 moest ons opduwen, waardoor we niet de enigen waren die te laat op school waren. Het werden er nog meer toen bleek dat de Rijswijkse tram voor een omgevallen kolenwagen had gestaan en lijn 10 een wiel had verloren. Daarmee verloor ik mijn voordeel weer en ontkwam ik niet aan de Duitse spreekbeurt.
'Jij bent fotogeniek,' vond Postma, toen hij in de pauze de foto's van Dee en Hanneke bekeek. — 'Dat hebben ze al meer gezegd, meneer,' antwoordde ze.
donderdag 14 october • Even voor we de school ingingen, begonnen de sirenes te loeien. Een uur met Mia, Joke en Jan in een portiek gestaan tot het weer veilig was. Geurts vond dat we net zo goed naar binnen hadden kunnen gaan en liet ons een kwartier nablijven.
vrijdag 15 october • Moeder raadt me af om de rol van Hanneke voor haar over te schrijven. 'Dat is juist wat ze wil,' zei ze, 'dat er veel jongens aan haar voeten liggen, om ze dan flink van zich af te trappen. Je moet haar koel behandelen en af en toe in de modder laten zitten, beleefd, maar koel.'
zaterdag 16 october Onder het hockeyen werd er luchtalarm gegeven. We speelden door terwijl de vliegtuigen over ons hoofd gierden, doken en brommend verder trokken, het afweergeschut dreunde en de mitrailleurs knetterden. Op de terugweg liep mijn band bij de Betlehemkerk leeg. Toen ik haar thuis oppompte, begaf ze het meteen weer. Ik verwijderde de twee buitenbanden, haalde de binnenband eruit, maar kon geen lek vinden. Met hulp van vader legde ik de banden er weer om, pompte hem op, en verdomd, hij hield het, maar 's avonds om elf uur was hij weer zo plat als een dubbeltje.
maandag 18 october • Als Wezenberg de absenten komt opnemen, krijgt Hanneke altijd een knipoogje. En als hij de klas uit is, draait hij zich nog even om en kijkt op zijn tenen door het ruitje.
donderdag 8 oktober 2026
Susan Sontag • 10 oktober 1949
[All her life, SS made lists of words into which she occasionally inserted a person's name or a brief observation. This undated fall 1949 entry is representative and shows how early this habit became second nature for her.]
effete
noctambulous
perfervid
detumescence
disheveled
so alluring, so cerebral
sodden
intriguing
corrupt
dignity
lotophagous
elegiac
Meleager
disponibility
pardine
demotic
Harriette Wilson
garbure
satura
succulent
competent intellectual vulgarity of Aldous Huxley
Yellow Book preciousness
secretive
sturdy
pedantry + lechery
spleen
ribaldry
ilex
Klaxon
Jan Steenbeek • 9 oktober 1949
5 October. De eerste regen bracht friste en glibberigheid. Een Havank [detectiveboekje], een pijp, een zuurzakje [vrucht, misschien als sap of thee] en, mirabile scriptu, chagrijn, die het quartet vol maakt. Bunschoten en Meijer vervangen door Van der Mast en Hanssen, validen door mismaakten. Maar van het zouteloos maar foutenrijk geleuter over bloemen zijn we verlost en nog heerlijker van het wellustig gedoe van een bête Mokumer. Trouwens, het hele zootje mag wegbandjirren [wegstromen] of door de aarde verzwolgen worden.
Wat kan sinds de 5de gebeurd zijn, dat de beschrijving waard is, zo vraag ik me de 9de af.
Anna Karenina gelezen, met zeldzaam veel plezier. Er zit veel waars in R.N. Roland Holst's overpeinzing over Tolstoi in vergelijking met Dostojewski. Universeel, reëel, verheven. Wat tuimelen na zo'n lectuur Blaman en de doorsnee-Vestdijk.
Intussen kwam de maan op en hesen we ons weer naar boven. De stille vrede van de natuur verzachtte de stemming. Zwijnen lieten zich naar beneden glieren [glijden] langs hun paadjes en redden zich in het dichte struikgewas. In de dalen gloeiden overal vuurtjes vóór de hutjes. Zwijgend liepen we verder langs het glinsterend water van de afvoerbeek en alleen bij flitsen sneden we een luitenant of rotsergeant de hals af. Ik moest bij een doekoen [toverdokter] in de leer gaan om in goena-goena [zwarte kunst] bedreven te worden. 4 flesjes zuurzak braken me 's nachts zuur op. Ik spuwde gal, gitzwarte gal.
De T.N.I.-commandant Moh Yasin kreeg herrie met Nederlandse officieren, liep kwaad weg, en wou zelfs niet weggebracht worden door een wagen van ons: 'Ik tippel wel, het zal nu hard tegen hard gaan. Het fourageren werd uitgesteld tot eindelijk in Kandangan de zaak werd bijgelegd. Bavinck, de Militaire Willemsorde-drager, een echte avonturier, had een kolfje naar zijn hand.
woensdag 7 oktober 2026
August Willemsem • 8 oktober 1973
7/8 oktober
[wat voorafging]
De moeilijkheden begonnen op het kantoor van de VARIG, vrijdagmiddag 5 oktober. Ik had geen uitreisvisum. Niemand had me ooit verteld dat ik dat hebben moest. Daarvoor naar het Registro de Estrangeiros (Vreemdelingenregister), half uur lopen. Doorverwezen naar het Departement van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, vlak naast de VARIG. Half uur teruglopen. Daar schrijft een ambtenaar een verklaring: nihil obstat dat AW een uitreisvisum krijgt. Rust, opluchting, smakelijk eten. De volgende morgen, zaterdag 6, naar het Registro, dat 's ochtends nog open is. Er ontbreekt iets aan mijn papieren van de politie te Bahia. Naar de politie. Politie stuurt ons door naar het Instituto Félix Pacheco, waar ik een soort persoonsbewijs krijg. Terug naar Reg. Estr., waar een bruine subaltern, genaamd Ademir, beloofd heeft tot na sluitingstijd op ons te wachten. Hij heeft intussen met superieuren gebeld, die hem afraden ons verder te helpen, maar hij weet nu in elk geval precies wat er mis is. Van de politie in Bahia heb ik wel een bewijs van goed gedrag, maar dat is verlopen, en bovendien had ik in Bahia ook een voorlopige verblijfsvergunning moeten krijgen. Dat ze me die niet hebben gegeven is mijn schuld niet, maar wél had ik me binnen veertien dagen na aankomst moeten melden bij de politie in Rio. Ademir schrijft keurig op een briefje wat ik hebben moet (het ligt hier voor me, maar ik weet bij God niet hoe deze idiote termen te vertalen, ik zeg maar wat, verzin er zelf maar wat bij): 1 vreemdelingenregistratie, 2 vreemdelingenkadasters, 1 burgerlijk uittreksel (bij het Inst. Félix Pacheco), 2 uitreisvisumaanvragen, 5 kwitanties voor het betalen van federale belastingen, 1 verklaring van woonplaats (bij het Nederlandse Consulaat), 2 pasfoto's van 3 bij 4 cm met witte achtergrond en op glanzend papier. We bellen het Consulaat, dat op zaterdagmiddag gesloten is, maar via-via komen we bij een particulier adres, waar iemand ons aanraadt met spoed naar het Consulaat te komen. Dat is in Botafogo, een flinke reis. De heer Bijleveld stelt namens de Consul-Generaal een verklaring op met al mijn persoonlijke gegevens en de adressen in Bahia en Rio waar ik heb gewoond, in een supermarkt in Copacabana, de enige die nog open is, laat ik foto's maken, we gaan langs de politie en het Inst. Félix Pacheco (God zij geprezen dat dat zaterdag open is!), en terug naar het Reg.Estr. De consulaire verklaring is niet goed, daarop ontbreken de namen van mijn ouders, en de foto deugt niet, daarop ontbreekt de datum. Op andere papieren ontbreken mijn vingerafdrukken, waarvoor we terugmoeten naar de politie én het Inst. Felix Pacheco. Noortje krijgt een hysterische huilbui, gelukkig maar, want dat heeft op Ademir meer effect dan mijn Portugees. Hij belt met deze en gene, belt zelfs met het Consulaat om precies uit te leggen wat en hoe die verklaring moet zijn, hetgeen allemaal niet wegneemt dat we nog twee keer naar de politie moeten, waar tussendoor we ook nog even afscheid nemen van dona Heloisa. Uitgeput, ongelukkig en de krankzinnigheid nabij vallen we die avond op bed. De volgende ochtend, zondag 7, eigenlijk niet meer gelovend in het welslagen van wat we intussen haast beschouwen als een vluchtpoging uit dit land en deze rotstad, is onze eerste gang naar het Inst. Félix Pacheco (God opnieuw geprezen, dat het ook op zondag open is), de tweede naar het Reg. Estr., waar Ademir, het verbod van zijn bazen negerend, ons opwacht. Terwijl wij moeten zorgen voor nieuwe foto's en een nieuwe consulaire verklaring, is zijn probleem dat hij, omdat de enkele duimafdruk van het Inst. Felix Pacheco niet voldoende is, moet zorgen, op zondag, voor een identificador, een specialist in het maken van vingerafdrukken. In dezelfde supermarkt van gisteren, die ook op zondag open is, maken we nieuwe foto's. Ik heb er één bewaard: het is het beeld van een uitzinnige. Op het Consulaat stelt een secretaresse, mej. Van der Laan, die gevolmachtigd is het consulaire stempel te hanteren, een nieuwe verklaring op, waarbij ik me afvraag of er van de honderd miljoen Brazilianen ook maar één is die het een moer kan schelen dat, bijvoorbeeld, mijn moeder Trijntje Bulkes heet, en ik concludeer dat dit de definitieve materialisering is van de waanzin. Op het Reg. Estr. heeft Ademir middelerwijl een identificador gevonden. Hij begint (want ofschoon hij behulpzaam is, méér dan menselijkerwijs verwacht mag worden, heeft hij, als ondergeschikte, nu ook een zekere macht, en het is natuurlijk wel leuk daar éven gebruik van te maken) — hij begint met het maken van aanmerkingen op de nieuwe consulaire verklaring, maar wanneer Noor in een bijkans epileptisch aandoende onmacht dreigt te vallen, geeft hij de indentificador het sein met zijn werk te beginnen. Noor kan niet anders dan met tranen in de ogen aanzien hoe van mij, als van een zwaar misdadiger, de afdrukken van alle tien de vingers op papier worden gezet. Met enig ongeloof nemen we het visum in ontvangst, en even later, bij de VARIG (ook op zondag open!), het ticket. Het is onmogelijk dat iemand zich dit alles na een week nog herinnert, wanneer hij het niet meteen opschrijft. Maar wat ik hierin nu het meest Braziliaanse vindt: niet eens zozeer de moeilijkheden op zichzelf, als wel het feit dat het toch nog allemaal goed gekomen is. In een weekeind. In Nederland zou waarschijnlijk het hele probleem niet zijn gerezen, maar áls het er was zou het nooit, door tussenkomst van een lagere ambtenaar, tegen de zin van zijn superieuren, op zaterdag en zondag worden opgelost. Evengoed denk ik natuurlijk: 'Nooit meer Brazilië', maar ik weet uit ervaring hoe gauw ik er straks weer heen wil. En zo zal het wel altijd blijven. Welterusten.
Guus
dinsdag 6 oktober 2026
August Willemsen • 7 oktober 1973
7/8 oktober
Beste Paul,
Het meest Braziliaanse van mijn verblijf in dit land was de manier van er weggaan. Ik moet haast kokhalzen bij de herinnering, maar ik mág het je niet onthouden, want ik weet: al lijkt het onvoorstelbaar dat je zo iets gruwelijks zou kunnen vergeten — die dingen vergeet je. En snel ook. Je stopt ze weg. Als ik dat niet al wist, werd het nog eens bevestigd door een ober in het restaurant waar we een van onze laatste maaltijden in Rio gebruikten. Hij vroeg hoe Brazilië ons bevallen was, en toen ik zei dat ik de mensen aardig vond maar dat de bureaucratie tot krankzinnigheid dreef, dat ik bij mijn vertrek in 1968 had gedacht: 'Dit nooit meer', maar dat ik niettemin was teruggekomen, en dat ik nu weer dacht: 'Dit nooit weer' — toen antwoordde hij : 'Die dingen vergeet je.' En hij had een mooi voorbeeld. In 1966 was hij naar de wereldkampioenschappen voetbal in Engeland gegaan, d.w.z.: hij had alleen geboekt voor de wedstrijden vanaf de kwartfinales. Brazilië immers, met Garrincha én Pelé, zou voor de derde maal wereldkampioen worden. Je weet welk een tragische misvatting dit was: Garrincha was toen al niet meer dan een symbool en heeft niet eens op het veld gestaan, Pelé werd door zijn Portugese broeders onder het gras gestampt, en Brazilië overleefde de voorronde niet. Maar misschien nog erger (en daarover gaat het hier eigenlijk) was wat eraan voorafging. De man had zijn vliegreis (die voor hem een kapitaal vertegenwoordigde) kunnen bekostigen met hulp van zijn schoonzoon, en door lange tijd hard te werken, hard te sparen en zich veel te ontzeggen. Maar tot enkele uren voor vertrek had hij nog geen paspoort: de politie geloofde het verhaal van die schoonzoon niet en wilde weten, rekening houdend met zijn bescheiden inkomen als barbediende, hoe hij aan zoveel geld gekomen was. Het kwam uiteindelijk in orde (met het paspoort dan), maar denk eens aan de spanning, de ergernis, de onzekerheid tot op het laatste moment, de vernedering ook voor de arme man, van wie a priori werd aangenomen dat hij nooit op eerlijke wijze aan dat geld had kunnen komen. En dan die reis nog helemaal voor niks maken ook... `Die dingen vergeet je.'
Noor ligt naast me te slapen. Ik zit naar haar te kijken en begrijp niet waar ze de rust vandaan haalt, kan nauwelijks bevatten dat we werkelijk vliegen, ben weliswaar doodmoe maar nog veel te opgewonden om te slapen, en schrijf dus maar weer, al is het idioot, midden in de nacht, bij een klein spotje.
[Wordt vervolgd].
maandag 5 oktober 2026
Catharina Schrader • 6 oktober 1694
1694 den 6 ocktober ben ick op Aamelant ontboeden bij een grottschipers vrouw. Hadde 5 daagen in arrbeit van 2 kinders gewest. Het erste war levendig gekomen, het leste qwam 2 dagen dar nae doodt sinde. En blef de naegebort[e] achter. En most ick don nog over de see gehalt. Doen ick de dör in qwam, lichte sij haar over eynde [en] seyde tegen mij: vrouwtie, gij komt te laat. Dar mede storf sij terstont, also ick verschrickt wyr. Og arrme marrtelars, dy onder sullcke marrtelars van vroetvrouwen komen.
Giuseppe Verdi • 5 oktober 1887
Sant' Agata, 5 oktober 1887
Als u me belooft me er voor te prijzen, noch te blameren, zend ik u enkele namen, de eerste die me te binnen schieten. Het zijn er meer dan zes, maar er zijn zoveel goede in die periode, dat het moeilijk is te kiezen.
16de eeuw: *Palestrina (in primis et ante omnia), Victoria, Luca Marenzio (een heel zuivere schrijver), Allegri (die van het Miserere), en heel veel andere goede schrijvers uit die eeuw, met uitzondering van Monteverdi die niet goed was in het verdelen van de partijen. Begin 17de eeuw: Carissimi, Cavalli. Later: Lotti, *Scarlatti Alessandro (die ook voorbeeldig is in zijn harmonieën), *Marcello, Leo. Begin 18de eeuw: *Pergolesi, Jommelli. Later: *Piccinni (de eerste, meen ik, die Quintetten en Sextetten etc. schreef. Componist van de eerste echte opera buffa, Cecchina.
Als u er werkelijk slechts zes wilt, lijkt me dat diegene die zijn aangegeven met * de voorkeur verdienen. Later hebben we Paisiello, Cimarosa, Gughelmi Pietro etc. etc.; vervolgens Cherubini etc.
Ik wens u veel succes; en als u slaagt doet u zegenrijk werk, want de jeugd (ik spreek niet van de scholen die heel goed kunnen zijn) studeert de verkeerde dingen, is op de verkeerde weg. […] Wanneer men goed begrijpt wat er gecomponeerd moet worden, en wat voor karakter er gecreëerd moet worden of wat voor passie geschilderd, wordt men niet zo eenvoudig van het rechte pad gebracht door bizarre ideeën en extravaganties van vocale of instrumentale aard.420-2019>
Theodor Fontane • 4 oktober 1870
Toul, 4 oktober 1870
Opnieuw zit ik aan een wankel tafeltje om je te schrijven; alle tafels hier lijken wankel, net als het land zelf. Wat een verkeerd beeld hebben wij van dit land gehad! Wij dachten dat het rijk was, bloeiend, uiterlijk welvarend, fraai in zijn steden. Van dat alles is maar weinig aanwezig, althans je ziet er niets van; het is mogelijk dat in de banken, in de kisten en kasten een zekere rijkdom te vinden is; in het zichtbare is daar niets van te merken. Overal waar je in Duitsland reist, krijg je de indruk van vooruitgang, van ascendance, hier overal die van teruggang, van verval. Men heeft zich om de wereld daarbuiten niet bekommerd en is door die wereld volledig ingehaald. Zelfs Oostenrijk, voor zover ik het ken, maakt niet zo sterk de indruk van stagnatie als dit moderne Frankrijk. Je voelt duidelijk dat ze wel moesten verliezen; alle kracht, alle frisheid, alle ambitie, alle intelligentie die om zich heen kijkt, is aan onze zijde. [...] Goed heb ik tot op heden alleen de bedden gevonden; voor het overige geen spoor van luxe, comfort, elegantie. Natuurlijk bestaat dat alles wel, maar wanneer je bijna acht dagen in een land bent en voor een deel goede hotels en cafés hebt bezocht, wil je toch ook iets daarvan zien. Het eten is goed, het ontbijt erbarmelijk; de 'tafelwijn' de verschrikking van alle Duitsers.443-2019>
zondag 4 oktober 2026
Nic van Bruggen • 3 oktober 1974
Op donderdag 3 oktober 1974, in het befaamde restaurant De Rooden Hoed (we hadden drie dagen eerder Marnix Gijsen als Pink Poet geïnaugureerd in het vertrouwde La Rade) spreek ik na de kreeftensoep en de saumon doux de p.p. installatie-toespraak tot Paul de Vree en Albert Szukalski. Daags tevoren had men mij verteld dat ene Obbels, die zich gevoeglijkerwijze liefst Hannelore laat noemen en wiens geschriften er al even goed uitzien als zijn pakken, in zekere Grobbendonksche brieven (de universaliteit van de titel alleen al) mijn vriend P.C en mezelf aanduidt als 'het meest dégoutante verschijnsel in onze literatuur... dat eraan houdt in dure restaurants elkaar op te hemelen'. Of zoiets in die vriendelijke zin.
Om het kreunen des heren Obbels meteen in het gelijk te stellen besluit ik mijn toespraak met deze zin: "Glorieuze Vrienden, Prachtige Paul, Luisterrijke Albert, vrij vergeefs heb ik deze namiddag in mijn bad bij het beluisteren van renaissance muziek in een lucht zwaar van Calèche geuren, gezocht naar een sakraal, inaugererend, kronend woord om Paul en Albert hier aan onze harten te drukken, als kunstenaar en als Pink... ik heb niets beters gevonden dan een zin van Oscar Wilde, het verhaal van het tijdeloze Pinke: We can forgive a man for making a useful thïng as long as he does not admire it, the only excuse for making a useless thing is to admire it intensely." Dan is de schaapsragout er. 400-2018>
donderdag 1 oktober 2026
Gaspard Bart • 2 oktober 1622
Uit het Dagboek van Gaspard Bart
2 Oktober 1622.
Harmen Kleuter lag, nog voor de nacht zijn einde kende,
met negen trotsche schepen voor de wateren van Oostende.
Toch kwam Jan Jacobsen onverschrokken uit zijn muit
en zeilde met twee Spaansche barken de haven uit.
Jan Jacobsen stond op de voorplecht en keek naar Harmens vloot,
wijl hij kalm zijn maten een sneller vaart gebood.
Maar admiraal Kleuter dwong Jacobsen tot den strijd.
- De Spaansche barken vluchtten, al vloeken en tieren ten spijt.
Zoo stond Jan Jacobsen alleen voor die Hollandsche macht,
lijk altijd betrouwend op God en eigen zeemanskracht.
Toen brak de hel los uit honderden dreunende monden,
want Harmen Kleuters jongens vuurden wat ze vuren konden.
Maar slag om slinger gaf Jan Jacobsen antwoord.
- Die stond lijk een David wijdbeens aan bakboord. -
En hij schoot juist dat weet die Hollandsche fregat,
die zonk met een kogel vlak onder het kluisgat.
En toen de sterren dien avond weer aan den hemel zaten,
stond Jacobsen nog aan boord met twaalf levende maten.
Daar was ik bij; en ik bad mijn akt van berouw,
want Harmen Kleuter dreef ons geducht in het nauw.
‘Nu komt het einde’ - zei Jan Jacobsen bedaard
en hij streek met zijn hand langs zijn stoppelbaard.
Wijl klommen de Hollanders op voor- en achtersteven
en schreeuwden tot Jacobsen zich over te geven.
‘Bij God, Jan Jacobsen geeft niet gewonnen!’
en hij schoot zijn pistool door een der buskruittonnen.
- Toen verging mij de wereld in scheurende knallen. -
Maar vijftig Hollanders zijn mee de zee ingevallen.
En ik leefde en sloeg naar het wrakhout met handen,
die gruwelijk verschroeid in het pekelnat brandden.
- Jan Jacobsens schip was verdwenen, maar naast mij rees de boeg
van een Hollandsch fregat dat den naam Esperance droeg.
En schimmen bogen en wierpen een touw naar omlaag,
maar dat sneed in mijn palmen als een timmermanszaag.
Ik beet in de koord en rees, maar viel met kramp in mijn nek;
beet weer en rees hooger... toen viel ik in zwijm op het dek.
Ik heb dat later in mijn dagboek geschreven;
zoo blijft een gedachtenis verder leven.
- ‘Voor Jan Jacobsen stierven vierhonderd te gaar,
ik was toen nog scheepsjongen van zestien jaar.’ -
Adriaan de Roover (1923-2016)
Volgers
Blogarchief
-
▼
2026
(296)
-
▼
oktober
(23)
- Willem Elsschot • 24 oktober 1957
- Gerbrand Bakker • 23 oktober 2015
- Jacob Bicker Raye • 22 oktober 1751
- M.C. • 21 oktober 1915
- J.C. Villerius • 20 oktober 1958
- Lydia Allen Rudd • 19 oktober 1852
- Sergej Prokofjev • 18 oktober 1917
- Jean Cocteau • 17 oktober 1942
- Susan Sontag • 16 oktober 1962
- Benoîte Groult • 15 oktober 1941
- Soetan Sjahrir • 14 oktober 1936
- De heer B. • 13 oktober 1960
- Willem Bilderdijk • 12 oktober 1795
- J.J. Voskuil • 11 oktober 1943
- Susan Sontag • 10 oktober 1949
- Jan Steenbeek • 9 oktober 1949
- August Willemsem • 8 oktober 1973
- August Willemsen • 7 oktober 1973
- Catharina Schrader • 6 oktober 1694
- Giuseppe Verdi • 5 oktober 1887
- Theodor Fontane • 4 oktober 1870
- Nic van Bruggen • 3 oktober 1974
- Gaspard Bart • 2 oktober 1622
-
▼
oktober
(23)


















