donderdag 8 oktober 2020

Trui Thöne • 9 oktober 1930

• De Nederlandse Trui Thöne (1893-1980) was tijdens WO I een "jonge vrouw uit een gegoede familie" en hield gedurende een deel van de oorlog een dagboek bij. In 1930 keek ze nog een keer terug op het dagboek

9 October 1930
Dezer dagen kwam dit oude dagboek weer eens tevoorschijn. Ik vond het zoo leuk om het nog eens door te lezen, maar zou nu niet graag meer al de harde algemeenheid en afweegingen en napraaterijen onderschrijven. Maar zoo dachten en praatten er toen zooveel. Wij allen hadden de wijsheid in pacht en wie begrijpt er iets van de groote wereld waltz, die over ons allen elk op zijn beurt heen rolt. En wie kan het helpen.
Als je boeken leest als: In Westen nichts Neues. Of liever nog: Eine Compagnie Soldaten in der Hölle vor Verdun, dan zie het dit alles toch anders in, of het lijden, in wat voor vorm ook, met ons menschekken samenhangt. Datgene waar het op aan komt is niet datgene wat ons overkomt, maar de wijze waarop we het dragen. En waar dat onnoemelijke lijden voor dient dat we elkanders (schijnbaar?) aandoen dat zullen we in dit leven nooit begrijpen.
Er tegenop tornen helpt niet zeker een lang menschen leven bevatten om te leren de grootste smaad en lijden zonder bitterheid te dragen. En in de moeilijkste oogenblikken zijn de menschen het grootst, maar moeilijk is het geduldig lang vol te houden. Ach ja we weten immers dit alles allemaal wel. Arme Duitschers, arme Franschen en wie zal er nu aan de beurt zijn, om met dezelfde valsche leuzen de misere ingezonden te worden.

woensdag 7 oktober 2020

August von Platen • 8 oktober 1824

• August von Platen (1796-1835) was een Duitse schrijver. Dagboeknotities van hem zijn verschenen als Memorandum meines Lebens, en in het Nederlands vertaald (door C.R. Vink) als Memorandum van mijn leven.

28 september 1824, Venetië
De gemoedstoestand waarin ik me bevind is heel merkwaardig, maar niet te definiëren. Venetië heeft een grote bekoring voor me, het heeft me heel mijn vroegere handel en wandel doen vergeten zodat ik op het ogenblik bij de dag leef, zonder verleden. Niettemin ben ik genoodzaakt om deze nieuwe wereld over wier grenzen ik eigenlijk niet heen wil kijken, binnenkort te verlaten. Ik ben verlamd door een traagheid die me belemmert om me van hier te verwijderen en toch voel ik anderzijds hoe weinig Italië het echte vaderland van een Duitser kan zijn, hoe zijn hele aard als het ware verandert en hoe arm aan gedachten ik mezelf in deze periode van mijn leven voorkom. Ook mijn dichtader schijnt volkomen opgedroogd te zijn; slechts een klein aantal nog onvoltooide sonnetten, helemaal gebaseerd op Venetië, heeft het licht gezien.

8 oktober 1824, Venetië
Het is vandaag een maand geleden dat ik in Venetië aankwam, maar ik heb nog zo weinig zin het te verlaten hoewel ik er steeds meer toe gemaand word. Ik heb hier vandaag niet alleen veel moois maar ook nieuws gezien: 'Veel is nog over'. Ik kom daar nog op terug. Gisteren ben ik eerst in de San Giuliano geweest waar ik de Christus van Campagna juist toen het weer opklaarde in een bijzonder mooie belichting kon bekijken, vervolgens in de San Salvatore, waar Gian Bellini en Titiaan, Vittoria en Campagna en het schitterende monument van de beide Priuli's, om maar enkele van de vele kunstwerken te noemen, het waard zijn om voortdurend naar te blijven kijken. Daarna ben ik de Academie ingegaan en daar nu werd ik bijna alleen door Titiaan in beslag genomen. Behalve de opgehangen schilderijen bezit de Academie nog achthonderd voortreffelijke werken uit de Venetiaanse school, allemaal afkomstig van kerken en openbare gebouwen in Venetië; wegens ruimtegebrek kunnen ze pas over een jaar of twee gecatalogiseerd worden. Wat een rijkdom als men bedenkt dat hier alle nog bestaande kerken en instituten vol schilderijen hangen!

13 oktober 1824, Venetië
Inderdaad, hoe langer ik in Venetië ben, des te glorieuzer wordt deze prachtige stad in mijn ogen, en iedere dag laat me kennismaken met nieuwe schoonheid, met nieuwe schatten. Ik ben er zo aan gewend geraakt om iedere morgen weer opnieuw te genieten van het aanschouwen van fraaie kunstwerken dat ik me afvraag of ik dat genot zal kunnen missen. Ver van alle schoolse stoffigheid, temidden van een volk dat volkomen onbevangen op ieder moment van de dag echt weet te leven, begin ik nu pas zelf te beseffen wat leven is, en ervan te genieten.

maandag 5 oktober 2020

Salvador Dalí • 6 oktober 1920

• Salvador Dalí was een Spaanse schilder (1904-1989). Na zijn dood werden zijn dagboeken uit 1919-1920 gepubliceerd. Begin oktober 1920 schreef hij in zijn dagboek een aantal herinneringen op aan de voorbije zomer en aan Cadaqués, het vissersdorp waar zijn familie een huis bezat. 

Oktober

De patacada
In vroeger tijd zong en danste men de 'patacada'. De patacada was een soort rudimentaire sardana die in donkere nachten gedanst werd door de oude vrouwen van het dorp, door elkaar bij de hand vast te houden en zingend rondom een vuur te draaien. Wat ze zongen waren altijd satirische liedjes gericht tegen hun bazin, tegen de buurdorpen, tegen rijke mensen. Er was er een die ging over de ruzies tussen mijn grootvader, die de dokter was, en zijn vrouw. Ze konden over iedereen gaan en sommige waren erg grappig.
De dokter die me bezoekt
is knap en goed gebouwd
doordat ik hem zo vaak zie
ben ik verliefd op hem geraakt
Wie zou dat hebben kunnen zeggen
dat ik verliefd op hem zou raken
en niemand weet het.

Het penseel van Cruanyes
is een heel fijn kwastje
het laat zijn roze tinten
vloeien langs de bergen van Pani
Binendoeretta
langs de bergen van Pani
Binendoerie

De klaagvrouwen
Wanneer er iemand stierf, was het normaal dat de familie een tiental vrouwen huurde, die luid weeklagend en wanhopig schreeuwend achter de lijkbaar aan liepen. Een treurige en groteske gewoonte.

Es mal
'Es mal' waren de toevallen waaraan de vrouwen uit het dorp ten prooi vielen bij iemands dood. Ze wierpen zich dan hevig stuiptrekkend op de grond, en dat betekende dat ze 'es mal' hadden. Die vrouwen hebben altijd al bekend gestaan om hun hysterie. Kennelijk is dat, die hysterie, het enige waarop ze vooruitliepen op onze tijd waarin die ziekte zozeer in de mode is.

Ons huis in Cadaqués
Aan een strand een heel eind van het dorp, vlak aan het water, staat een wit huis. De ramen en het balkon zijn groen geverfd en in de eetkamer zijn de balken blauw als de zee. Op die plek heerst een grote rust. Tegen de avond, wanneer de hemel bleek en paarlemoerachtig wordt, wanneer het water kalm is en de eerste sterren beginnen te pinkelen, heerst er een diepe rust. Slechts het lied van een krekel en van enkele braamstruiken langs de stroom en het ritmische geklots van de riemen van een roeiboot verstoren de zoele sfeer van de lange zomerschemeringen.
Dat witte huis, op een afgelegen plek aan het water, is ons huis in Cadaqués.

zondag 4 oktober 2020

Odilia Beck • 5 oktober 1624

• ‘Mag ik me even voorstellen? Mijn naam is Odilia Beck, ik ben een jaar of 17. Het is 1624, en ik woon samen met mijn broer David en zijn twee kinderen in de Hoogstraat in Den Haag. Mijn broer houdt dit jaar een papieren dagboek bij, maar dat vind ik zooo zeventiende-eeuws dat ik dacht: dat moet leuker kunnen! Daarom houd ik dagelijks mijn blog voor het jaar 1624 voor jullie bij. Met iedere dag mijn belevenissen, het echte weer van diezelfde dag in 1624 en verder zeventiende-eeuwse prenten en schilderijen, gebruiksvoorwerpen, recepten, kaarten, kranten, het laatste nieuws en de heetste roddels van het Oranje-hof. Jullie denken misschien dat ik alles uit mijn duim zuig, maar ik heb echt bestaan en zeker 95% van wat ik jullie te vertellen heb, is waargebeurd.’

5 oktober
Het gaat niet goed met ons broertje Abraham. Hij is alweer dagen aan het zwerven en bedelen. Oom Adriaan kwam vandaag zelfs langs om zijn beklag te doen: hij had Abraham over het Voorhout zien schooieren. Oom vindt dat David en ik beter ons best moeten doen om hem in toom te houden. Zo’n bedelend scharminkel straalt negatief af op de hele familie, zegt hij, en onze eer is van het hoogste belang.
Ik weet niet goed hoe we dit moeten oplossen.
Met drie jonge kinderen in huis ben ik veel te druk om me ook nog eens met Abraham bezig te houden en David heeft de hoop voor ons broertje allang opgegeven. We hebben al van alles geprobeerd, van vleierij tot gevangenneming en alles daartussenin, maar werkelijk niets helpt.
De laatste dagen heb ik gelukkig een kind minder om voor te zorgen, omdat Sara voor het eerst een paar nachtjes alleen bij broer Hendrik en zuster Eva logeert. Alleen komt er vannacht onweer aan volgens David. Als dat in Delft ook zo is betwijfel ik of Sara het logeerpartijtje nog steeds zo leuk zal vinden: ze is als de dood voor donder en bliksemschichten.
David is nog steeds druk met zijn kopieeropdracht voor de heer Pauw, ook nu is hij nog aan het werk. Ondertussen neemt de sterfte aan de pest ook in Arnhem zeer toe, zo hoorden we van Breckerveld.

Leo Vroman • 4 oktober 1958

• De in de VS woonachtige dichter/schrijver/wetenschapper Leo Vroman (1915-2014) publiceerde onderstaande brief aan dichter/criticus Paul Rodenko in Brieven uit Brooklyn.

New York, 4 oktober 1958
Beste Heer Rodenko, Dank U voor de brief die ik inderdaad bij mijn terugkomst doch in verouderde toestand op mij vond wachten.
Wat ik nu, na mijn bezoek aan Holland van de Hollandse Jongeren en dan ook Experimentelen vind, is dat zij werkelijk schijnen te bestaan. Ik heb U zelf bijvoorbeeld vrij duidelijk kunnen zien en kon het bestaan der anderen in de nabijheid bijna vermoeden. Verder weet ik, op drie bloemlezingen na en anderhalf tijdschrift, mij toegestuurd omdat Vroman in ze staat, niets van hen af. Ik lees altijd met grote angst en achterdocht in een boekje gedichten van anderen, als een aap in een spiegel, als een kat in kikkerdril, als een opgerolde egel in de haren van zijn eigen buik; kortom, langzaam. Soms zie ik dan twee gedichten ineen, door het woordje 'van' met elkaar verbonden. Neem de twee stukken zin: 'Het tafeltje staat naast het open bed', en 'mijn zoen op haar mond', dan worden die samen: 'Het tafeltje van mijn zoen staat naast het open bed van haar mond'. Het voortdurend ontmaskeren, overgaand in ontkleden, villen en verscheuren der dingen en mensen, waardoor het een het ander blijkt te zijn is ook mij een boeiende hoewel soms wat rommelige bezigheid, maar ik durf het veelal niet, zoals anderen, op levenden of op mijzelf te betrekken, en heb waarschijnlijk te grondig geleerd dat het menselijk bloed rode, witte cellen en bloedplaatjes bevat, maar geen bloemen, paarden, nagels, gebroken klapstoelen en ander wrakhout. De gedichten der experimentelen doen mij het meest denken aan de Kerfsproken der vissers van Borgteghas, ten noorden van het door stormen gegeselde Breghbulsterdulk-land. Deze mannen immers verliezen na hun vijf en zestigste jaar het spraakvermogen; zij zoeken zich dan een door het brakwater glad geschuurde bonk Steen- of Traantrekkers-hout, waarin zij met het vaak reeds vergramde oogmesje hun kerfsproken snijden. De woorden hiervan zijn door vormen weergegeven van onafgesproken aard; heilbot, drassig, het snikken, Knieswortelsoep en een geluid dat door het stuipen van vele vissen op een nat dek wordt veroorzaakt, kunnen bij voorbeeld alle worden aangeduid door een stompe komma, doch ook door elk ander teken; en de verhalen gaan onder de oude voelende vingers bij het rond en rond keren van het Kerfsprookstuk in elkander over op een aangename, ontroerende en onontwarbare manier. Het is te waarderen voor blinden, doven en pasgeborenen; en zelfs de baldaden van de jeugd, zoals het aanbrengen van een kiesafdruk, een spijkergat, kunnen niet erger doen dan een verrassende wending aanbrengen in een oud verhaal.
Zo ten minste lees ik een experimenteel te noemen gedicht: min of meer met reumatisch bedoelde vingers over de woorden omlaag glijdend, en zinnen fluisterend die niet voorkomen in de letterlijke tekst.
Als nu deze brief wat kort schijnt, misschien kan men hem dan drukken met hier en daar twee tot vijf woorden per regel, want daartoe zijn ze alle oprecht genoeg gemeend en berekend.
En als het schijnt dat zomin in als tussen de regels een cijfer te vinden is waarin ik mijn waardering voor de Experimentelen en anderen had dienen uit te drukken, dan is dat omdat ik niet weet hoeveel waarde waarde heeft: alles ter wereld is immers van bijzonder groot en ontroerend belang.
Nogmaals, het was ons een bijzonder genoegen U duidelijk te zien bewegen. Vertel s.v.p. de betrokkenen, dat ik speciaal Daisy met plezier zag ademen en dat ik de bloedsomloop in Bert Bakkers wangen met tevredenheid heb gadegeslagen. Het abonnement op Maatstaf zal mij deze herinneringen met dankbaarheid doen knuffelen.
Hartelijke groeten, Leo

zaterdag 3 oktober 2020

Louis-Ferdinand Céline • 3 oktober 1932

• Louis-Ferdinand Céline (1894-1961) was een Franse schrijver. Uit een brief aan Erika Irrgang, opgenomen in Brieven aan vriendinnen (vertaald door Jan Versteeg).

98, rue Lepic, 3 okt.
Lieve Schat
Ik had net naar Breslau geschreven toen ik jouw brief uit Heisse ontving. Ik zie dat je doorgaat je dapper tegen het leven te verdedigen en dat is uitstekend. Ik ken uit de aard der zaak nogal wat mensen maar jij behoort tot degenen die ik het liefste heb, ik neem aan vanwege de vele dingen die we met elkaar gemeen hebben. Alleen, jij bent jonger (gelukkig!) en je zult het verder brengen - als je je eigen weg maar blijft volgen, als een joods meisje. Taai, onopvallend, met alle middelen. Let op je gezondheid - je dijen, je geest - Laat je doel in de eerste plaats zijn uit de ellende te geraken. Verdoe intussen geen tijd met mannetjes waar je verder toch niets aan hebt - verkoop geen overbodige praatjes. Bedrijf gerust de liefde (ZONDER RISICO'S) want dat werkt stimulerend, en wijd je geest helemaal aan materieel welslagen - pas als je wat financiële zekerheid hebt verworven komt de tijd om aan andere dingen te denken. Doe aan sport dat is niet moeilijk in Duitsland.
In november kom ik naar je toe, maar geef me wel duidelijk je adres op en dan ga je een paar dagen met me mee naar Breslau-en vervolgens kom je me dan in Parijs opzoeken - Het boek krijg je eind deze week-
Veel liefs
L.D.

donderdag 1 oktober 2020

Matthijs Vermeulen • 2 oktober 1944

• Matthijs Vermeulen (1888-1967) was een Nederlandse componist en muziekcriticus. Toen zijn vrouw in augustus 1944 in het ziekenhuis werd opgenomen, ging hij haar briefjes schrijven, en hij ging daarmee door nadat ze korte tijd daarop overleden was. Ze laten zich lezen als een dagboek en zijn gepubliceerd als Het enige hart.

2 okt. 1944
Hoe verstandig deed je, hoe diep inzicht toonde je in de geheime wetten der natuur, hoe offervaardig was je, zo dikwijls je mij de laatste jaren zegde: 'ga maar liever naar je werk', en zo dikwijls je gewild hebt dat ik je vergeten moest, ook als je me graag bij je had. Ik heb je kunnen vergeten, al die maanden, weken, dagen, uren, ik heb je vergeten om te werken als een bezetene. En nooit liet je mij een klacht vermoeden over je alleenheid, en steeds wanneer ik je ogen zocht, vond ik er de glans van een glimlach, de glans van je goddelijk vertrouwen. Wat ik je niet kon uiten klinkt nu in deze muziek. Zij schroeit me. Ik hervind je er om wat ze zegt, ik mis je er om wat ze niet meer zeggen kan aan jou. Ik verwijt haar wat ze je kostte, ik hoop dat ze je evenaart, dat zij je waard is. Hoe moedig ben je geweest, hoe grondig heb je de liefde begrepen en de muziek. Ja zij brandt me. En toch ontkleurt ze bij wat ik nu zou willen laten zingen naar je; en toch zou ze verbleken als ik vermocht in klanken om te zetten de impuls die mij nu naar je beweegt.