• Henk Romijn Meijer (1929-2008) was een Nederlandse schrijver. Nazomer in La Coutonnade.
14 sept. '92 • Je ziet ze al van een afstand, de uitpuilende, bolstaande halve garen op de heuvel naar Nadaillac, gehuld in hun zware laarzen en geoliede regenkledij, rondhangend op drie passen afstand van de gedeukte auto's waarmee ze de weg versperren - volgevreten kobolden, doorzakkend en wankel ter been, een wezenloze uitdrukking op het gezicht en vol van hun taak: het in stand houden van het evenwicht in de natuur. Ze hangen zwijgend rond in de miezerige regen, de jagers, onder hoge bomen, tot de tanden gewapend om een halfziek verregend konijntje mores te leren. Soms zijn ze broodmager en soms hebben ze haast geen mond, neus en oren, alleen een onpeilbaar soort ongeschorenheid boven op de bochel waarmee ze bij hun geboorte zijn gezegend, elk oog is bloedig doorlopen. Ze zijn van hetzelfde allooi, de jagers, vet of uitgehongerd, samengedreven door een passie om groot wild te executeren. Soms winnen ze het van een wild zwijn dat net als de mens tegen overmacht niet is opgewassen.
Hoe lang geleden is de zondag dat we tegen het eind van de middag ons dorp binnenreden en iemand ons in alle staten toeriep kom eens kijken, kom eens kijken! We lieten ons meetronen naar de erf van Alexis' boerderij waar een groepje bezwete rode hoofden in uiterste triomf handenwrijvend bijeenstond, bloedige oogjes samengeknepen, de monden grijnzend in woordeloze triomf, een bestiale, dreigende opwinding uitstralend, sigaretten draaiend op het erf, de ruggen gekeerd naar de schuur waarin ze een hert hadden opgehangen, net gevild, nog dampend van het verbrijzelde leven, glanzend als speeksel.
Buurman Roger is een jager, ik mag hem graag. Hij houdt van een net huis, een nette tuin, een smetteloos grasperk. Elke zaterdagochtend zien we Roger in een stemming van boosheid en melancholie de molshopen in ogenschouw nemen die in de loop van de week tijdens zijn afwezigheid zijn opgekomen. Zijn huis naast het onze is een weekend huis, zijn aanval vindt plaats op zaterdag of zondag. En hoe we ook roepen: laat ze toch hun gang gaan Roger, ze brengen mooi kruimig zand aan de oppervlakte, ideaal voor de composthoop, hij blijft zijn verdelgingsoorlog voeren met de grootst mogelijke vastberadenheid. Zijn streven heeft iets van het platbombarderen waaraan onze grote mogendheden nog steeds hun hart hebben verpand, in het heilig geloof dat grote macht aan almacht gelijkstaat (zelfs God meende dat voordat Hij de zaak uit de hand zag lopen). Roger de tuinier, niet de jager, besteedt zijn vrije zaterdag aan het inbrengen van het gemeenste gif in elke molshoop die zijn grasveld ontregelt en een week later blijken de mollen op allerlei gifvrije plekken te zijn opgebloeid. Een gestorven mol tref je niet aan: de dieren zijn gewoon om het gif heen gelopen.
Techniek en wetenschap staan niet stil: Roger heeft zich een apparaat aangeschaft dat eruitziet als een piepkleine buitenboordmotor en dat Anti-Rongeurs A Ultra-Son heet. Het belooft: ‘Eloigne de vos jardins et de vos cours definitivement tous les rongeurs
telsque les taupes, écureuils, mulots, rats...’ Maar wat het op batterijen van 1,5 volt lopende apparaat ook voor paniek zou zaaien onder de eekhoorns, veldmuizen en ratten die op het veldje niet voorkomen, de mollen moeten zich wonderwel voelen bij deze ultrasonische bestrijding, als op een zonnebank of in een sauna, want een week na plaatsing van de Anti-Rongeurs zijn de molshopen hoger dan ooit.
‘Misschien waren de batterijen niet goed,’ veronderstellen we bij wijze van troost. Roger lacht melancholisch. Ik zou zo graag willen dat hij de mol niet als vijand zag. Ik vertel hem dat ik eens op de weg naar Cieurac stopte om een dode mol op te rapen. Ik pakte hem op en zag nog een flauwe beweging, zoals wel voorkomt bij dieren die nog niet lang dood zijn. Ik nam de tijd om de rode neus te bekijken en de binnenstebuiten gekeerde voetjes en het bontvel waarom ze worden doodgeknuppeld en glasscherven ingejaagd enzovoort. Ik zette het dier in de aarde aan de kant van de weg, waar hij snel als de bliksem, zonder terugblik of bedankje, wegschoot, de grond in. ‘Hij was hulpeloos geworden op het hete asfalt,’ zeg ik. Het verhaal slaat niet aan bij Roger. Ik wijs Roger op de pracht van de mol en op zijn nut en wat doen een paar hoopjes zand ertoe in een grasveld dat toch nooit voor een prijs in aanmerking zal komen? Roger lacht een beetje en verdubbelt zijn aanval, een zet waarop de dieren een gezamenlijke tegenzet hebben ingestudeerd: het volgend weekend wordt Roger verrast door een ware gordelroos van molshopen, het grasveld melaats van dissidente pelsdragers en hun strooiklare aarde. Roger is razend, we zien ervan komen dat hij nog eens naar zijn jachtgeweer grijpt om zijn woede te koelen op wat hij niet naar zijn hand kan zetten.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten