• De in de marge van de literatuur opererende Franse schrijver Georges Perros (1923-1978) – 'de stilist van het gewone leven' – maakte tot het eind van zijn leven notities in zijn 'Papiers collés', zijn plakboek, waarin hij schreef over zijn gezin, zijn vrienden, zijn lievelingsboeken, zijn herinneringen aan literatuur en toneel in Parijs, en de verwaaide landschappen waar hij zo graag op zijn motor doorheen reed. Uit: Plakboek
(vertaald door Frans de Haan).
10 april 1975.
Ik heb het leven van een ongeschoold arbeider. Bevoorrecht in die zin dat het een discipline van solitaire aard vereist. Geen baas in de buurt. Niet klokken. Dat is waardevol.
Mijn 'maandsalaris' als lector ontvangen, 1230,00. Het zal moeilijk worden. Maar omdat De meeuw wordt gespeeld in de vertaling die Génia Cannac en ik ervan hebben gemaakt, hoop ik de gaten te kunnen stoppen.
Heftige erectie, tussen twee en drie uur, terwijl ik midden in een manuscript zit. Wat moet ik doen? Op mijn leeftijd! Ik stap op mijn motor en ga het beest kalmeren in de buurt van Locronan. Wat moet, moet.
De vader van een vriend is op straat gevallen, Dood. 's Avonds gesprek tussen moeder en zoon over het geld dat hij nalaat.
Woelige zee.
Vijf manuscripten gelezen. Toch. Pijn aan mijn ogen. Acht bladzijden Novalis. Een beetje Luther.
donderdag 9 april 2020
woensdag 8 april 2020
Klaus Mann • 9 april 1936
• Klaus Mann (1906-1949) was een Duitse schrijver. Zijn dagboeken uit de periode 1933-1949 zijn vertaald als Opgejaagd, gedoemd, verloren (vertaald door W. Hansen).
Den Haag, Hotel des Indes, 9 april 1936
Kranten: treurig en verwarrend. Gifgas over Afrika, Hitler-leugens over Europa.
Friedrich uit Amsterdam gearriveerd. Met hem en E gegeten bij Saur. Eva Boy-Hobogen heeft zich per ongeluk flink gesneden. Brieven van Maria Osten uit Moskou over een nieuw tijdschrift, Das Won, en van Golo uit Küsnacht, politiek verschrikkelijk pessimistisch, en niet zonder reden.
1 amp. eu. genomen, het gaat nog steeds niet helemaal zonder, vooral het werken niet. Gewerkt: 5 1/2 pagina’s. Met z’n vieren naar House of Lords (E, F.,Th.). Daarna hier. Genomen (nog 2). Lang gesprek. Over de afgrijselijke toestand van de wereld. Je zou moeten proberen onverschillig te worden, ergens anders op de wereld met een andere taal te leven. Kan dat? Gepraat over een literair theater dat er zou moeten komen, en over het repertoire ervan. Half vier.
Met hoeveel kleinigheden, nietigheden, zinloze dingen heb ik dit domme schriftje weer gevuld. Vormt de som ervan een leven? Alles wat wezenlijk is, blijft hier onuitgesproken. De schoonheid en de hele treurigheid blijft onuitgesproken. Die ontcijfer ik later weer. De feiten zijn trefwoorden voor de herinnering, kleine ezelsbruggetjes voor het geheugen. Meer niet. Wordt vervolgd, tot nader order.
• Klaus Mann (1906-1949), schrijver van Mephisto en zoon van de beroemde Thomas Mann, leidde een rusteloos, door drugs en doodsdrift gekenmerkt bestaan. Zijn dagboeken bevatten in telegramstijl gestelde verslagen en gedachten tegen de achtergrond van de roerige wereldgebeurtenissen van voor en na de Tweede Wereldoorlog. Hij pleegde zelfmoord in 1949.
De aanduiding ‘genomen’ in het fragment slaat op drugsconsumptie.
Den Haag, Hotel des Indes, 9 april 1936
Kranten: treurig en verwarrend. Gifgas over Afrika, Hitler-leugens over Europa.
Friedrich uit Amsterdam gearriveerd. Met hem en E gegeten bij Saur. Eva Boy-Hobogen heeft zich per ongeluk flink gesneden. Brieven van Maria Osten uit Moskou over een nieuw tijdschrift, Das Won, en van Golo uit Küsnacht, politiek verschrikkelijk pessimistisch, en niet zonder reden.
1 amp. eu. genomen, het gaat nog steeds niet helemaal zonder, vooral het werken niet. Gewerkt: 5 1/2 pagina’s. Met z’n vieren naar House of Lords (E, F.,Th.). Daarna hier. Genomen (nog 2). Lang gesprek. Over de afgrijselijke toestand van de wereld. Je zou moeten proberen onverschillig te worden, ergens anders op de wereld met een andere taal te leven. Kan dat? Gepraat over een literair theater dat er zou moeten komen, en over het repertoire ervan. Half vier.
Met hoeveel kleinigheden, nietigheden, zinloze dingen heb ik dit domme schriftje weer gevuld. Vormt de som ervan een leven? Alles wat wezenlijk is, blijft hier onuitgesproken. De schoonheid en de hele treurigheid blijft onuitgesproken. Die ontcijfer ik later weer. De feiten zijn trefwoorden voor de herinnering, kleine ezelsbruggetjes voor het geheugen. Meer niet. Wordt vervolgd, tot nader order.
• Klaus Mann (1906-1949), schrijver van Mephisto en zoon van de beroemde Thomas Mann, leidde een rusteloos, door drugs en doodsdrift gekenmerkt bestaan. Zijn dagboeken bevatten in telegramstijl gestelde verslagen en gedachten tegen de achtergrond van de roerige wereldgebeurtenissen van voor en na de Tweede Wereldoorlog. Hij pleegde zelfmoord in 1949.
De aanduiding ‘genomen’ in het fragment slaat op drugsconsumptie.
dinsdag 7 april 2020
Grete Lainer (?) • 8 april 19??
• Het onderstaande fragment is afkomstig uit het anonieme
Tagebuch eines halbwüchsigen Mädchens (Engelse vertaling: A Young Girl's Diary), dat in 1919 (met een voorwoord van Sigmund Freud) werd uitgegeven. Het dagboek wordt wel toegeschreven aan ene Grete Lainer. In het onderstaande fragment is ze een jaar of twaalf.
Engelse vertaling onderaan.
8. April: Wir sind heute furchtbar erschrocken; auf einmal wird um ½9 Uhr in der Frühe telephoniert aus dem Lyzeum, der Dora ist plötzlich in der Lateinstunde plötzlich sehr unwohl geworden, sie möchte mit Wagen geholt werden. Die Mama fährt gleich im Auto hin und ich mit ihr, weil ich ja ohnedies um 9 Uhr Stunde habe und die Dora liegt in der Kanzlei auf dem Sopha und die Frau Direktorin, sitzt bei ihr und die Freundin der Frau Direktorin, die Frau Dr. Preisky, die ist nämlich Ärztin, und sie haben ihr die Kleider aufgemacht und einen Umschlag auf den Kopf gegeben, denn sie ist plötzlich in der Lateinstunde ohnmächtig geworden. Das ist im heurigen Jahr schon das drittemal, also muß es doch wahr sein, daß sie bleichsüchtig ist. Ich wollte mit nachhause fahren, aber die Mama und die Frau Dr. P. haben gesagt, ich soll nur in die Stunde gehen. Und dann hat noch die Frau Dr. P., wie ich hinausging, gesagt: »Das ist ein gesundes, kräftiges Mädchen, ein lieber Kerl.« Das sagt man eigentlich nur von Buben und Herren, aber sie ist das wahrscheinlich so gewöhnt, weil sie doch immer mit lauter Herren zusammen ist. Wenn man Medizin studiert, muß man das alles lernen und anschauen. Das muß eigentlich gräßlich sein.
Die Dora liegt heute im Bett und der Dr. hat auch bestätigt, daß sie bleichsüchtig ist. Morgen oder übermorgen geht die Mama mit ihr zum Professor. Die Dora sagt, ohnmächtig werden ist ein herrliches Gefühl. Auf einmal hört man nichts reden und man wird ganz schwach und dann weiß man überhaupt nichts mehr. Ob ich auch einmal ohnmächtig werde? Wahrscheinlich, wenn – – – Wir haben viel geredet von allem, was uns interessiert. Nachmittag war auch die Hella da, sich nach der Dora erkundigen und sie findet sie im Bett sehr schön, so leidend und dabei so fein und vornehm. Ja, das ist wahr, vornehm schauen wir alle aus.
•••
April 8th. We were terribly alarmed to-day; quite early, at half past 8, they telephoned from the school that Dora had suddenly been taken ill in the Latin lesson and must be fetched in a carriage. Mother drove down directly in a taxi and I went with her because anyhow my lessons began at 9 and we found Dora on the sofa in the office with the head sitting by her and the head’s friend, Frau Doktor Preisky, who is a medical doctor, and they had loosened her dress and put a cold compress on her head for she had suddenly fainted in the Latin lesson. That’s the third time this year, so she must really have anemia. I wanted to drive home with her, but Mother and Frau Dr. P. said I’d better just go to my lessons. And as I went out I heard Frau Dr. P. say: “That’s a fine healthy girl, a jolly little fellow.” Really one should only use that word of boys and men, but I suppose she has got into the way of using it through being with men so much. If one studies medicine one has to learn all about that and to look at everything. It must be really horrid.
Dora is kept in bed to-day and our Doctor says too that she’s anemic. To-morrow or the day after Mother is going to take her to see a specialist. Dora says it’s a lovely feeling to faint. Suddenly one can’t hear what people are saying and one feels quite weak and then one does not know anything more. I wonder if I shall ever faint? Very likely when — — — We talked a lot about everything we are interested in. In the afternoon Hella came to ask after Dora, and she thinks she looks awfully pretty in bed, an interesting invalid and at the same time so distinguished looking. It’s quite true, we all look distinguished.
Engelse vertaling onderaan.
8. April: Wir sind heute furchtbar erschrocken; auf einmal wird um ½9 Uhr in der Frühe telephoniert aus dem Lyzeum, der Dora ist plötzlich in der Lateinstunde plötzlich sehr unwohl geworden, sie möchte mit Wagen geholt werden. Die Mama fährt gleich im Auto hin und ich mit ihr, weil ich ja ohnedies um 9 Uhr Stunde habe und die Dora liegt in der Kanzlei auf dem Sopha und die Frau Direktorin, sitzt bei ihr und die Freundin der Frau Direktorin, die Frau Dr. Preisky, die ist nämlich Ärztin, und sie haben ihr die Kleider aufgemacht und einen Umschlag auf den Kopf gegeben, denn sie ist plötzlich in der Lateinstunde ohnmächtig geworden. Das ist im heurigen Jahr schon das drittemal, also muß es doch wahr sein, daß sie bleichsüchtig ist. Ich wollte mit nachhause fahren, aber die Mama und die Frau Dr. P. haben gesagt, ich soll nur in die Stunde gehen. Und dann hat noch die Frau Dr. P., wie ich hinausging, gesagt: »Das ist ein gesundes, kräftiges Mädchen, ein lieber Kerl.« Das sagt man eigentlich nur von Buben und Herren, aber sie ist das wahrscheinlich so gewöhnt, weil sie doch immer mit lauter Herren zusammen ist. Wenn man Medizin studiert, muß man das alles lernen und anschauen. Das muß eigentlich gräßlich sein.
Die Dora liegt heute im Bett und der Dr. hat auch bestätigt, daß sie bleichsüchtig ist. Morgen oder übermorgen geht die Mama mit ihr zum Professor. Die Dora sagt, ohnmächtig werden ist ein herrliches Gefühl. Auf einmal hört man nichts reden und man wird ganz schwach und dann weiß man überhaupt nichts mehr. Ob ich auch einmal ohnmächtig werde? Wahrscheinlich, wenn – – – Wir haben viel geredet von allem, was uns interessiert. Nachmittag war auch die Hella da, sich nach der Dora erkundigen und sie findet sie im Bett sehr schön, so leidend und dabei so fein und vornehm. Ja, das ist wahr, vornehm schauen wir alle aus.
•••
April 8th. We were terribly alarmed to-day; quite early, at half past 8, they telephoned from the school that Dora had suddenly been taken ill in the Latin lesson and must be fetched in a carriage. Mother drove down directly in a taxi and I went with her because anyhow my lessons began at 9 and we found Dora on the sofa in the office with the head sitting by her and the head’s friend, Frau Doktor Preisky, who is a medical doctor, and they had loosened her dress and put a cold compress on her head for she had suddenly fainted in the Latin lesson. That’s the third time this year, so she must really have anemia. I wanted to drive home with her, but Mother and Frau Dr. P. said I’d better just go to my lessons. And as I went out I heard Frau Dr. P. say: “That’s a fine healthy girl, a jolly little fellow.” Really one should only use that word of boys and men, but I suppose she has got into the way of using it through being with men so much. If one studies medicine one has to learn all about that and to look at everything. It must be really horrid.
Dora is kept in bed to-day and our Doctor says too that she’s anemic. To-morrow or the day after Mother is going to take her to see a specialist. Dora says it’s a lovely feeling to faint. Suddenly one can’t hear what people are saying and one feels quite weak and then one does not know anything more. I wonder if I shall ever faint? Very likely when — — — We talked a lot about everything we are interested in. In the afternoon Hella came to ask after Dora, and she thinks she looks awfully pretty in bed, an interesting invalid and at the same time so distinguished looking. It’s quite true, we all look distinguished.
zondag 5 april 2020
Ferdinand Gregorovius • 7 april 1872
• Ferdinand Gregorovius (1821-1891) was een Duitse schrijver en historicus, gespecialiseerd in de geschiedenis van Rome. Hij verbleef vaak in die stad; zijn dagboeken zijn gepubliceerd als Römische Tagebücher.
Rom, 7. April
Am 1. April starb der einzige Sohn des Marquis de Tallenay an der Diphteritis.
Am 4. April begruben wir Parthey aus Berlin, welcher am 2. auf dem Kapitol gestorben war, im Alter von 74 Jahren. Ich hielt ihm die Grabrede, gedachte darin seiner Wanderungen an den Küsten des Mittelmeers und seiner Forschungen in Bibliotheken Italiens. Noch vor wenigen Jahren hatte er eine neue Ausgabe der ›Mirabilia Urbis Romae‹ gemacht und diese mir gewidmet. Parthey war von der Mutter her ein Enkel Nicolais. Seine ansehnliche Bibliothek hat er dem archäologischen Institut in Rom vermacht.
Gestern wohnte ich dem Vortrag des Père Hyacinthe im Saal der Argentina bei, wozu mich Fräulein von Euler eingeladen hatte. Er sprach über die Beichte. Er ist ein sehr gewandter Redner, schöne Worte, aber wenig Gedanken. »Nichts als die rötliche Blum' Hyakinthos,« wie Elisabeth von Wrangel gut sagte. Reformieren wird ein solcher Mann die Kirche nicht. Die Altkatholiken stellen deren Zustand seit dem Dogma der Infallibilität so dar, daß hinter dieser Grenze alles wie ein goldnes Zeitalter erscheint, vor ihr aber nichts als Verderben. Indeß diese Grenze ist bis zur Lächerlichkeit imaginär. Ein Österreicher sagte mir letzthin folgendes: Vor der Infallibilität glaubten die Katholiken auf das Gebot des Papsts, daß 2 mal 2 = 7 sei, nun er aber verlangt zu glauben, daß 2 mal 4 = 9 sei, weigern sie sich, dies zu tun. Kein Dogma ist in der Menschenwelt von jeher weiter verbreitet gewesen als das der Infallibilität; jeder will infallibel sein, der König, der General, der Richter, der Professor auf dem Katheder, der Arzt etc.
Die letzten Druckbogen des Textes meiner ›Geschichte der Stadt‹ sind eingetroffen und heute am Sonntag in Albis sende ich sie nach Augsburg zurück.
Rom, 7. April
Am 1. April starb der einzige Sohn des Marquis de Tallenay an der Diphteritis.
Am 4. April begruben wir Parthey aus Berlin, welcher am 2. auf dem Kapitol gestorben war, im Alter von 74 Jahren. Ich hielt ihm die Grabrede, gedachte darin seiner Wanderungen an den Küsten des Mittelmeers und seiner Forschungen in Bibliotheken Italiens. Noch vor wenigen Jahren hatte er eine neue Ausgabe der ›Mirabilia Urbis Romae‹ gemacht und diese mir gewidmet. Parthey war von der Mutter her ein Enkel Nicolais. Seine ansehnliche Bibliothek hat er dem archäologischen Institut in Rom vermacht.
Gestern wohnte ich dem Vortrag des Père Hyacinthe im Saal der Argentina bei, wozu mich Fräulein von Euler eingeladen hatte. Er sprach über die Beichte. Er ist ein sehr gewandter Redner, schöne Worte, aber wenig Gedanken. »Nichts als die rötliche Blum' Hyakinthos,« wie Elisabeth von Wrangel gut sagte. Reformieren wird ein solcher Mann die Kirche nicht. Die Altkatholiken stellen deren Zustand seit dem Dogma der Infallibilität so dar, daß hinter dieser Grenze alles wie ein goldnes Zeitalter erscheint, vor ihr aber nichts als Verderben. Indeß diese Grenze ist bis zur Lächerlichkeit imaginär. Ein Österreicher sagte mir letzthin folgendes: Vor der Infallibilität glaubten die Katholiken auf das Gebot des Papsts, daß 2 mal 2 = 7 sei, nun er aber verlangt zu glauben, daß 2 mal 4 = 9 sei, weigern sie sich, dies zu tun. Kein Dogma ist in der Menschenwelt von jeher weiter verbreitet gewesen als das der Infallibilität; jeder will infallibel sein, der König, der General, der Richter, der Professor auf dem Katheder, der Arzt etc.
Die letzten Druckbogen des Textes meiner ›Geschichte der Stadt‹ sind eingetroffen und heute am Sonntag in Albis sende ich sie nach Augsburg zurück.
Sigurd von Ilsemann • 6 april 1933
• Sigurd von Ilsemann (1884-1952) was vleugeladjudant van de Duitse keizer Wilhelm II. Hij schreef Der Kaiser in Holland. Aufzeichnungen des letzten Flügeladjutanten Kaiser Wilhelms II. In het Nederlands vertaald (door J. Bogerd) als Der Kaiser in Nederland.
6 april 1933
De monarchistische beweging maakt grote vorderingen, daarvan is H.M. [de keizerin] overtuigd, en met deze indruk is zij uit Berlijn teruggekeerd. Ze heeft weer vele prominente personen gesproken. Gisteren, onder vier ogen, beschreef zij mij haar indrukken: Hitler is een zeer verstandige en rustige man. Zijn partij zou hem graag tot keizer kronen, maar hij wilde dat niet en dacht alleen aan de keizer als monarch. Zijn rede in de Rijksdag was betekenisloos omdat hij gezien de situatie beslist niet anders kon spreken. De nazileider Rohm zou tegen Grancy hebben gezegd dat wij in het najaar de monarchie zouden hebben. Dat schijnt de verwachtingen van H.M. nog het meest aangewakkerd te hebben. Zo zeer als Hitler voor de keizer was, zo weinig sympathiek stemde hem de meeloperij van de kroonprins. Hij droeg het onderscheidingsteken van de Stahlhelm, maar groette met de Hitlergroet. Bovendien zou de Stahlhelm een aflopende zaak zijn. Alle leden liepen over naar de nazi's. Prins Oskar zou zich zo schamen voor deze blamage dat hij het niet waagde haar in Berlijn op te zoeken. Ook over Eitel sprak zij onaardig en ze dreef de spot met diens ijver voor de Stahlhelm.
Een groot deel van de vrijmetselaars, zei de keizerin toen, was nu voor de monarchie. Men moest niets negatiefs meer over hen zeggen, maar de steun aannemen die men krijgen kon. Daarom moest de keizer ook zeer voorzichtig en terughoudend zijn en niet zoveel foeteren.
13 april 1933
Op het bericht dat de Deutsche Volkspartei zich wil opheffen en tot de partij van de nazi's wil toetreden, reageerde Z.M. goedkeurend; dat was het enige juiste. Evenzo moesten ook de Duitsnationalen verdwijnen en moesten er - zoals eens in Engeland - alleen nog Whigs en Tories overblijven! (Hier is de invloed van H.M. duidelijk te merken.)
6 april 1933
De monarchistische beweging maakt grote vorderingen, daarvan is H.M. [de keizerin] overtuigd, en met deze indruk is zij uit Berlijn teruggekeerd. Ze heeft weer vele prominente personen gesproken. Gisteren, onder vier ogen, beschreef zij mij haar indrukken: Hitler is een zeer verstandige en rustige man. Zijn partij zou hem graag tot keizer kronen, maar hij wilde dat niet en dacht alleen aan de keizer als monarch. Zijn rede in de Rijksdag was betekenisloos omdat hij gezien de situatie beslist niet anders kon spreken. De nazileider Rohm zou tegen Grancy hebben gezegd dat wij in het najaar de monarchie zouden hebben. Dat schijnt de verwachtingen van H.M. nog het meest aangewakkerd te hebben. Zo zeer als Hitler voor de keizer was, zo weinig sympathiek stemde hem de meeloperij van de kroonprins. Hij droeg het onderscheidingsteken van de Stahlhelm, maar groette met de Hitlergroet. Bovendien zou de Stahlhelm een aflopende zaak zijn. Alle leden liepen over naar de nazi's. Prins Oskar zou zich zo schamen voor deze blamage dat hij het niet waagde haar in Berlijn op te zoeken. Ook over Eitel sprak zij onaardig en ze dreef de spot met diens ijver voor de Stahlhelm.
Een groot deel van de vrijmetselaars, zei de keizerin toen, was nu voor de monarchie. Men moest niets negatiefs meer over hen zeggen, maar de steun aannemen die men krijgen kon. Daarom moest de keizer ook zeer voorzichtig en terughoudend zijn en niet zoveel foeteren.
13 april 1933
Op het bericht dat de Deutsche Volkspartei zich wil opheffen en tot de partij van de nazi's wil toetreden, reageerde Z.M. goedkeurend; dat was het enige juiste. Evenzo moesten ook de Duitsnationalen verdwijnen en moesten er - zoals eens in Engeland - alleen nog Whigs en Tories overblijven! (Hier is de invloed van H.M. duidelijk te merken.)
Adriaan Morriën • 4 april 1945
• Adriaan Morriën (1912-2002) was een Nederlandse schrijver. In Ik heb nu weer de tijd – “een staalkaart van het literaire kunnen van de oude homme des lettres” – zijn ook dagboeknotities van hem opgenomen.
4 april [1945]
Maandagmiddag, nadat het zondag en vanochtend had gestormd, en het echt gevangenisweer was geweest, daalde uit een koude blauwe lucht met losse helderwitte wolken een fris, als gewassen en geroskamd zonlicht op de stad neer. De kleuren waren zo schoon en zuiver als het maar kon, de Reguliersgracht, die ik van een van de ronde hoge bruggen bewonderde, weerspiegelde het jonge ijle groen van de bomen, de lichte tinten van de lucht en de huizen. Het was als een schilderij waarop de kleuren met een te grote nadrukkelijkheid zijn opgezet.
In West bulletins van Radio Oranje waarin wordt verondersteld dat de Duitsers al bezig zijn ons land te verlaten. Geruchten, zoals altijd. Nu en dan een verre knal, een dof gedreun van onder de horizon.
Vandaag de Achterhoek bijna geheel bevrijd. Plaatsnamen als Zutphen, Wageningen en Rhenen, die in de bulletins worden genoemd, spreken meer tot mijn verbeeldingskracht dan Breda of Roermond, niet omdat zij dichterbij liggen, maar omdat er slechts een enkele grotere waterweg tussen hen en het eigenlijke Holland ligt, en omdat die streken mij vertrouwder zijn. In de Betuwe, ten zuiden van Rhenen, hebben wij vorig jaar gewandeld en kersen gegeten.
In de stad betrekkelijk rustig. Ik werk thuis bijna de hele dag. Om negen uur gaan wij naar bed, het is dan bijna helemaal donker geworden.
4 april [1945]
Maandagmiddag, nadat het zondag en vanochtend had gestormd, en het echt gevangenisweer was geweest, daalde uit een koude blauwe lucht met losse helderwitte wolken een fris, als gewassen en geroskamd zonlicht op de stad neer. De kleuren waren zo schoon en zuiver als het maar kon, de Reguliersgracht, die ik van een van de ronde hoge bruggen bewonderde, weerspiegelde het jonge ijle groen van de bomen, de lichte tinten van de lucht en de huizen. Het was als een schilderij waarop de kleuren met een te grote nadrukkelijkheid zijn opgezet.
In West bulletins van Radio Oranje waarin wordt verondersteld dat de Duitsers al bezig zijn ons land te verlaten. Geruchten, zoals altijd. Nu en dan een verre knal, een dof gedreun van onder de horizon.
Vandaag de Achterhoek bijna geheel bevrijd. Plaatsnamen als Zutphen, Wageningen en Rhenen, die in de bulletins worden genoemd, spreken meer tot mijn verbeeldingskracht dan Breda of Roermond, niet omdat zij dichterbij liggen, maar omdat er slechts een enkele grotere waterweg tussen hen en het eigenlijke Holland ligt, en omdat die streken mij vertrouwder zijn. In de Betuwe, ten zuiden van Rhenen, hebben wij vorig jaar gewandeld en kersen gegeten.
In de stad betrekkelijk rustig. Ik werk thuis bijna de hele dag. Om negen uur gaan wij naar bed, het is dan bijna helemaal donker geworden.
woensdag 1 april 2020
Jiddu Krishnamurti • 2 april 1975
• Jiddu Krishnamurti (1895-1986) was een Indiase spiritueel leraar. Op latere leeftijd publiceerde hij een boekje met dagboeknotities.
2 april 1975
[...] Er is geen kennis van het innerlijk, alleen van het uiterlijke. Kennis van het uiterlijke wekt abusievelijk de suggestie dat er ook kennis van het innerlijk moet zijn. Zelfkennis is weinig omvattend en mager; de geest is er zo doorheen, alsof je een rivier oversteekt. Je maakt bij dit oversteken een hoop lawaai en als je dit lawaai voor zelfkennis aanziet betekent dat dat de armoede nog groter wordt. Deze verruiming van bewustzijn is de handeling van armoede. Religies, cultuur, kennis kunnen deze armoede op geen enkel wijze minder maken.
Het is de kunst van intelligentie, kennis op zijn juiste waarde te schatten. Zonder kennis is het niet mogelijk in deze technologische en haast mechanisch geworden beschaving te leven, maar het zal de mens en zijn maatschappij niet transformeren. Kennis is niet de hoogste uiting van intelligentie; intelligentie kan en moet gebruik maken van kennis en transformeert daardoor de mens en zijn maatschappij. Intelligentie is niet louter het cultiveren van het intellect en de integriteit ervan. Het ontstaat uit het inzicht in de totaliteit van bewustzijn, van de mens, jezelf en niet van een deel, een bepaald segment van jezelf. Het bestuderen en begrijpen van de beweging van je geest en hart laat deze intelligentie geboren worden. Je bent de inhoud van je bewustzijn; door jezelf te kennen zal je het universum kennen. Deze kennis gaat het woord te boven want het woord is niet het ding. Vrijheid van het bekende, elke minuut, is de essentie van intelligentie. Deze intelligentie opereert in het universum als je haar met rust laat. Je vernietigt deze heilige orde door onwetendheid omtrent jezelf. Deze onwetendheid wordt nooit verdreven door anderen die jou of zichzelf hebben onderzocht. Je moet de inhoud van je bewustzijn zelf onderzoeken. Het onderzoek dat anderen naar zichzelf, en dus naar jou, hebben verricht, berust op beschrijvingen en dus niet op het beschrevene. Het woord is niet het ding.
Alleen in relaties kun je jezelf leren kennen, niet door abstractie en zeker niet door afzondering. Zelfs in een klooster sta je in relatie met de orde, die het klooster als een vluchtmiddel heeft geschapen, of de deuren naar de vrijheid heeft dichtgedaan. De beweging van gedrag is een betrouwbare gids voor jezelf; het is een spiegel van je bewustzijn; deze spiegel zal haar inhoud onthullen, de voorstellingen, de gehechtheid, de angsten, de eenzaamheid, de vreugde en het verdriet. Armoede is het vluchten hiervoor in identiteit of de sublimatie ervan. Het negeren van deze inhoud zonder weerstand te bieden is de schoonheid en compassie van intelligentie.
2 april 1975
[...] Er is geen kennis van het innerlijk, alleen van het uiterlijke. Kennis van het uiterlijke wekt abusievelijk de suggestie dat er ook kennis van het innerlijk moet zijn. Zelfkennis is weinig omvattend en mager; de geest is er zo doorheen, alsof je een rivier oversteekt. Je maakt bij dit oversteken een hoop lawaai en als je dit lawaai voor zelfkennis aanziet betekent dat dat de armoede nog groter wordt. Deze verruiming van bewustzijn is de handeling van armoede. Religies, cultuur, kennis kunnen deze armoede op geen enkel wijze minder maken.
Het is de kunst van intelligentie, kennis op zijn juiste waarde te schatten. Zonder kennis is het niet mogelijk in deze technologische en haast mechanisch geworden beschaving te leven, maar het zal de mens en zijn maatschappij niet transformeren. Kennis is niet de hoogste uiting van intelligentie; intelligentie kan en moet gebruik maken van kennis en transformeert daardoor de mens en zijn maatschappij. Intelligentie is niet louter het cultiveren van het intellect en de integriteit ervan. Het ontstaat uit het inzicht in de totaliteit van bewustzijn, van de mens, jezelf en niet van een deel, een bepaald segment van jezelf. Het bestuderen en begrijpen van de beweging van je geest en hart laat deze intelligentie geboren worden. Je bent de inhoud van je bewustzijn; door jezelf te kennen zal je het universum kennen. Deze kennis gaat het woord te boven want het woord is niet het ding. Vrijheid van het bekende, elke minuut, is de essentie van intelligentie. Deze intelligentie opereert in het universum als je haar met rust laat. Je vernietigt deze heilige orde door onwetendheid omtrent jezelf. Deze onwetendheid wordt nooit verdreven door anderen die jou of zichzelf hebben onderzocht. Je moet de inhoud van je bewustzijn zelf onderzoeken. Het onderzoek dat anderen naar zichzelf, en dus naar jou, hebben verricht, berust op beschrijvingen en dus niet op het beschrevene. Het woord is niet het ding.
Alleen in relaties kun je jezelf leren kennen, niet door abstractie en zeker niet door afzondering. Zelfs in een klooster sta je in relatie met de orde, die het klooster als een vluchtmiddel heeft geschapen, of de deuren naar de vrijheid heeft dichtgedaan. De beweging van gedrag is een betrouwbare gids voor jezelf; het is een spiegel van je bewustzijn; deze spiegel zal haar inhoud onthullen, de voorstellingen, de gehechtheid, de angsten, de eenzaamheid, de vreugde en het verdriet. Armoede is het vluchten hiervoor in identiteit of de sublimatie ervan. Het negeren van deze inhoud zonder weerstand te bieden is de schoonheid en compassie van intelligentie.
Abonneren op:
Posts (Atom)







