• Andy Warhol (1928-1987) was een Amerikaanse kunstenaar. Hij hield een dagboek bij van 1976-1987.
Zondag 16 oktober 1977
David Whitney belde. Hij wilde samen met mij naar de vernissage van Jasper Johns die avond in het Whitney — Philip Johnson ging met Blanchette Rockefeller.
Mooie dag. Taxi naar het centrum ($ 3,50), daarna naar het werk gelopen. Richard Weisman en zijn kleine kinderen arriveerden, met Margaret Trudeau in hun gezelschap. Het is nu echt uit met haar man, dus laat zij zich met iedereen fotograferen, en waarschijnlijk date ze al een tijdje met Richard. Ze stond wat te plukken aan het haar van de kinderen. Ik had niet genoeg flitslampjes, ze waren aan het vechten om een teddybeer.
Taxi naar het Whitney ($ 2). Bob Rauschenberg wierp mij in de lift een kushandje toe, kwam later naar me toe om te zeggen hoe dom het is kushandjes te geven, zodat hij mij echt kuste. Het was een kleine party, alleen voor geldschieters, oude mensen. Ik liep naar beneden voor een catalogus, keek of ik Jasper zag om de catalogus te signeren, maar kon hem niet vinden. Ik liet Rauschenberg signeren. Daarna pas vond ik Jasper, die Rauschenbergs handtekening uitgumde, en signeerde met 'Aan een geldschieter'.
donderdag 15 oktober 2020
woensdag 14 oktober 2020
Ruth Andreas-Friedrich • 15 oktober 1947
• Ruth Andreas-Friedrich (1901-1977) zat in de Tweede Wereldoorlog in het Duitse verzet. Haar dagboek uit die tijd is vertaald (door B. Mackenzie) als Berlijns dagboek 1938-1948.
Woensdag, 15 oktober 1947
We zijn bang voor de winter. Nog eens zo te moeten kou lijden... Heike organiseert twee met tegels beklede kachels. Ondershands, want met de distributiebonnen ziet het er beroerd uit. Nog maar kort geleden heeft een distributiekantoor zijn werkzaamheden gestaakt, omdat het in de loop van een halfjaar niet meer dan één zakdoek kon verschaffen. De kachels kosten vierhonderd sigaretten en het plaatsen ervan vijftig. 'En hoe wil je stoken?' Heike lacht dapper. 'Komt tijd, komt raad.' En alsof ze in de toekomst gelezen heeft, komt de 'raad' vierentwintig uur later. In de gestalte van een man, die tegen de avond op de bel drukt. Verlegen plukt hij aan zijn jas, mompelt iets over een gunstige gelegenheid en meteen te baat nemen. Tussen zijn gestamel treft maar één woord met een schok mijn oor: briketten! 'Hoeveel?' vraag ik haastig. 'Twintig mud.' - 'En hoeveel kosten ze?' Weer gaat het antwoord teloor in gemompel. '35 mark per mud of anderhalf kilo brood,' vang ik met moeite op. 'Arbeider... lossen... honger...' druppelt het dan nog. Vliegensvlug overzie ik onze voorraad. Brood hebben we genoeg. De toewijzing voor de hele week ligt in de keuken. Dus brood! Vier broden verdwijnen als aanbetaling onder de armen van de man. Binnen twee uur zal hij afleveren... We wachten tot middernacht. We wachten tot drie uur in de morgen. De kachel is koud en onze magen rommelen. Geen kruimel brood meer in huis. Heike loopt om me heen als om een zwaar zieke. 'Vier broden! Een man aan de deur!' - 'Hij zag er zo sympathiek uit,' probeer ik me zwakjes te rechtvaardigen.
Woensdag, 15 oktober 1947
We zijn bang voor de winter. Nog eens zo te moeten kou lijden... Heike organiseert twee met tegels beklede kachels. Ondershands, want met de distributiebonnen ziet het er beroerd uit. Nog maar kort geleden heeft een distributiekantoor zijn werkzaamheden gestaakt, omdat het in de loop van een halfjaar niet meer dan één zakdoek kon verschaffen. De kachels kosten vierhonderd sigaretten en het plaatsen ervan vijftig. 'En hoe wil je stoken?' Heike lacht dapper. 'Komt tijd, komt raad.' En alsof ze in de toekomst gelezen heeft, komt de 'raad' vierentwintig uur later. In de gestalte van een man, die tegen de avond op de bel drukt. Verlegen plukt hij aan zijn jas, mompelt iets over een gunstige gelegenheid en meteen te baat nemen. Tussen zijn gestamel treft maar één woord met een schok mijn oor: briketten! 'Hoeveel?' vraag ik haastig. 'Twintig mud.' - 'En hoeveel kosten ze?' Weer gaat het antwoord teloor in gemompel. '35 mark per mud of anderhalf kilo brood,' vang ik met moeite op. 'Arbeider... lossen... honger...' druppelt het dan nog. Vliegensvlug overzie ik onze voorraad. Brood hebben we genoeg. De toewijzing voor de hele week ligt in de keuken. Dus brood! Vier broden verdwijnen als aanbetaling onder de armen van de man. Binnen twee uur zal hij afleveren... We wachten tot middernacht. We wachten tot drie uur in de morgen. De kachel is koud en onze magen rommelen. Geen kruimel brood meer in huis. Heike loopt om me heen als om een zwaar zieke. 'Vier broden! Een man aan de deur!' - 'Hij zag er zo sympathiek uit,' probeer ik me zwakjes te rechtvaardigen.
dinsdag 13 oktober 2020
Samuel Pepys • 14 oktober 1666
• De Engelsman Samuel Pepys (1633-1703) hield negen jaar (in geheimschrift) een dagboek bij, waarin hij op ongedwongen toon noteerde wat hij zoal meemaakte, van zijn moeilijkheden met de stoelgang en zijn amoureuze escapades tot allerlei zaken van landsbelang. Een selectie is in vertaling (van Heleen ten Holt) verschenen als Geheim dagboek van een puritein.
Sunday 14 October 1666
(Lord’s day). Lay long in bed, among other things, talking of my wife’s renewing her acquaintance with Mrs. Pierce, which, by my wife’s ill using her when she was here last, hath been interrupted. Herein we were a little angry together, but presently friends again; and so up, and I to church, which was mighty full, and my beauties, Mrs. Lethulier and fair Batelier, both there. A very foul morning, and rained; and sent for my cloake to go out of the church with. So dined, and after dinner (a good discourse thereat to my brother) he and I by water to White Hall, and he to Westminster Abbey. Here I met with Sir Stephen Fox, who told me how much right I had done myself, and how well it is represented by the Committee to the House, my readinesse to give them satisfaction in everything when they were at the office. I was glad of this. He did further discourse of Sir W. Coventry’s great abilities, and how necessary it were that I were of the House to assist him. I did not owne it, but do myself think it were not unnecessary if either he should die, or be removed to the Lords, or any thing to hinder his doing the like service the next trial, which makes me think that it were not a thing very unfit; but I will not move in it. He and I parted, I to Mrs. Martin’s, thinking to have met Mrs. Burrows, but she was not there, so away and took my brother out of the Abbey and home, and there to set some accounts right, and to the office to even my Journall, and so home to supper and to bed.
Sunday 14 October 1666
(Lord’s day). Lay long in bed, among other things, talking of my wife’s renewing her acquaintance with Mrs. Pierce, which, by my wife’s ill using her when she was here last, hath been interrupted. Herein we were a little angry together, but presently friends again; and so up, and I to church, which was mighty full, and my beauties, Mrs. Lethulier and fair Batelier, both there. A very foul morning, and rained; and sent for my cloake to go out of the church with. So dined, and after dinner (a good discourse thereat to my brother) he and I by water to White Hall, and he to Westminster Abbey. Here I met with Sir Stephen Fox, who told me how much right I had done myself, and how well it is represented by the Committee to the House, my readinesse to give them satisfaction in everything when they were at the office. I was glad of this. He did further discourse of Sir W. Coventry’s great abilities, and how necessary it were that I were of the House to assist him. I did not owne it, but do myself think it were not unnecessary if either he should die, or be removed to the Lords, or any thing to hinder his doing the like service the next trial, which makes me think that it were not a thing very unfit; but I will not move in it. He and I parted, I to Mrs. Martin’s, thinking to have met Mrs. Burrows, but she was not there, so away and took my brother out of the Abbey and home, and there to set some accounts right, and to the office to even my Journall, and so home to supper and to bed.
maandag 12 oktober 2020
Arthur Lehning • 13 oktober 1936
• Arthur Lehning (1899-2000) was een Nederlandse anarchist, publicist en vertaler. Toen in 1936 de Spaanse burgeroorlog begon, sloot hij zich aan bij de Catalaanse anarchisten. Hij hield over die tijd een dagboek bij. Het onderste deel is een brief, die dezelfde dag beschrijft.
13 oktober
Dinsdagavond ■ Ook vandaag een verloren dag. Vanavond naar een filmstudio waar de films gedraaid werden door ons syndicaat gemaakt. Ze moeten sterk bekort. We zouden de vertalingen maken, maar dat is niet zo eenvoudig ... Verder was ik een pas halen bij het Ministerie van Oorlog; ik kwam bij de secretaris van García Oliver - de vroegere secretaris van het Comité Nacional! - Het regent de hele dag, troosteloos, en ik ben nog niet beter. Ik lig alweer - het is 9 uur - in bed!
Emma gaat morgen naar het front. Federica Montseny is nog niet terug. De discussies in de Duitse groep zijn weinig erfreulich. Er heerst überhaupt veel verwarring.
- En het is moeilijk te zeggen hoe dat alles af zal lopen.
Dinsdagavond 13.10.36 ■ Mijn dagboek verzend ik pas indien ik weer een directe verbinding met Frankrijk heb. Hier is alles goed (behalve mijn verkoudheid). Het weer is ellendig. De hele dag regent het.
Vanochtend had ik met films te doen. Buitendien was ik bij García (hem zelf zag ik niet, maar kreeg wat ik wou hebben). Vandaag kreeg ik mijn manuscript uit Parijs. Morgen zal ik het in orde maken (hoop ik) want ieder ogenblik is hier weer wat anders. Vanmorgen had ik filmmontage moeten maken, maar ik ben in bed gebleven omdat het anders vanavond helemaal onmogelijk zal zijn mijn stem te gebruiken. Het gaat iets beter nu, maar het blijft een kritiek geval.
13 oktober
Dinsdagavond ■ Ook vandaag een verloren dag. Vanavond naar een filmstudio waar de films gedraaid werden door ons syndicaat gemaakt. Ze moeten sterk bekort. We zouden de vertalingen maken, maar dat is niet zo eenvoudig ... Verder was ik een pas halen bij het Ministerie van Oorlog; ik kwam bij de secretaris van García Oliver - de vroegere secretaris van het Comité Nacional! - Het regent de hele dag, troosteloos, en ik ben nog niet beter. Ik lig alweer - het is 9 uur - in bed!
Emma gaat morgen naar het front. Federica Montseny is nog niet terug. De discussies in de Duitse groep zijn weinig erfreulich. Er heerst überhaupt veel verwarring.
- En het is moeilijk te zeggen hoe dat alles af zal lopen.
Dinsdagavond 13.10.36 ■ Mijn dagboek verzend ik pas indien ik weer een directe verbinding met Frankrijk heb. Hier is alles goed (behalve mijn verkoudheid). Het weer is ellendig. De hele dag regent het.
Vanochtend had ik met films te doen. Buitendien was ik bij García (hem zelf zag ik niet, maar kreeg wat ik wou hebben). Vandaag kreeg ik mijn manuscript uit Parijs. Morgen zal ik het in orde maken (hoop ik) want ieder ogenblik is hier weer wat anders. Vanmorgen had ik filmmontage moeten maken, maar ik ben in bed gebleven omdat het anders vanavond helemaal onmogelijk zal zijn mijn stem te gebruiken. Het gaat iets beter nu, maar het blijft een kritiek geval.
zondag 11 oktober 2020
Cornelis Rijnsdorp • 12 oktober 1940
• Cornelis Rijnsdorp (1894-1982) was een Nederlands schrijver en recensent. Van 1940 t/m 1950 hield hij een 'literair dagboek' bij.
12 oktober 1940
Vandaag zag ik een oude typograaf bij een kleine zetmachine een uitlegging geven en ik heb met bewondering naar de zuivere en doeltreffende gebaren gekeken, die hij daarbij met het brilletje in zijn rechterhand maakte. Het was bijna Frans van sierlijkheid, maar helemaal onbestudeerd en ongeweten en zelfs de toeschouwers lett'en er niet op, want die waren rechtstreeks bij de uitlegging betrokken. Iets van de economie en doelmatigheid van de machine was onbewust in die, de werking verklarende gebaren gevaren, maar ook een heel mensenleven van omgang met en bediening van zulke toestellen lag hierin.
Prachtig was ook het turen van de vrij gezette, kale oude mannen-kop met de scherpe oogjes door de bril heen naar de nauwkeurig ingelegde papierstrook en zijn schikkende hand daarbij.
Welk een voortreffelijkheid van stijl kan een gewone vakman in zijn stiel bereiken. En wij?
13 oktober 1940
In Goethe's Die Leiden des jungen Werther is het de grote liefde, de eerste, alles beheersende passie, die helderziend maakt en alle dingen van het leven in een bepaald licht doet aanschouwen. Is eenmaal niet het leven, maar het sterven in zijn duizend betekenissen de alles beheersende, grote overweging in ons geworden - eveneens uit levensnood geboren -, dan maakt ons ook dàt ‘helderziend’. Nu heb ik oog voor die drukker en mijn gevoel daarbij is op een zekere manier verwant aan dat van Werther. Ik zie die drukker als menselijk symbool. Dat wij de frisheid en onbevangenheid van de jeugd verloren hebben, ligt aan de herhaling in het leven. Tegenover het volstrekt nieuwe staan wij met precies dezelfde onbevangenheid als het kind of de puber. Zoals de jongeling staat tegenover de liefde, staan wij tegenover de dood; het is in beide gevallen de grote ervaring waar we aan toe zijn en waar we doorheen moeten. En de verwachting daarvan, de schaduw die over ons heen valt, maakt ons ‘ziende’.
12 oktober 1940
Vandaag zag ik een oude typograaf bij een kleine zetmachine een uitlegging geven en ik heb met bewondering naar de zuivere en doeltreffende gebaren gekeken, die hij daarbij met het brilletje in zijn rechterhand maakte. Het was bijna Frans van sierlijkheid, maar helemaal onbestudeerd en ongeweten en zelfs de toeschouwers lett'en er niet op, want die waren rechtstreeks bij de uitlegging betrokken. Iets van de economie en doelmatigheid van de machine was onbewust in die, de werking verklarende gebaren gevaren, maar ook een heel mensenleven van omgang met en bediening van zulke toestellen lag hierin.
Prachtig was ook het turen van de vrij gezette, kale oude mannen-kop met de scherpe oogjes door de bril heen naar de nauwkeurig ingelegde papierstrook en zijn schikkende hand daarbij.
Welk een voortreffelijkheid van stijl kan een gewone vakman in zijn stiel bereiken. En wij?
13 oktober 1940
In Goethe's Die Leiden des jungen Werther is het de grote liefde, de eerste, alles beheersende passie, die helderziend maakt en alle dingen van het leven in een bepaald licht doet aanschouwen. Is eenmaal niet het leven, maar het sterven in zijn duizend betekenissen de alles beheersende, grote overweging in ons geworden - eveneens uit levensnood geboren -, dan maakt ons ook dàt ‘helderziend’. Nu heb ik oog voor die drukker en mijn gevoel daarbij is op een zekere manier verwant aan dat van Werther. Ik zie die drukker als menselijk symbool. Dat wij de frisheid en onbevangenheid van de jeugd verloren hebben, ligt aan de herhaling in het leven. Tegenover het volstrekt nieuwe staan wij met precies dezelfde onbevangenheid als het kind of de puber. Zoals de jongeling staat tegenover de liefde, staan wij tegenover de dood; het is in beide gevallen de grote ervaring waar we aan toe zijn en waar we doorheen moeten. En de verwachting daarvan, de schaduw die over ons heen valt, maakt ons ‘ziende’.
zaterdag 10 oktober 2020
Evelyn Waugh • 11 oktober 1928
• Evelyn Waugh (1903-1966) was een Britse schrijver. Zijn dagboeken zijn gepubliceerd als The diaries of Evelyn Waugh. Hij was twee jaar getrouwd met Evelyn Gardner. Hun vrienden noemden hen 'He-Evelyn' en 'She-Evelyn'.
Wednesday 10 October 1928
Wednesday 10 October 1928
Evelyn's ''flu' better. Myself with heavy cold. Spent after evening at Hampstead. There is a chance apparently of there being a review of me in tomorrow's Evening Standard by Bennett. I read Humdrum which is rather a Barry Jackson production of Coriolanus. Harold Acton for the masses. Still it is very amusing in places. It will irritate Babe Greene and Brian Howard I should think.
Thursday 11 October 1928
A man named Minton wrote to me on Muriel Silk's introduction to suggest that I might write rhymes for advertisements. I went to see him and he took me to see Stanley Morison of the Monotype Company who wanted me to design printing types. Leaving his office I found that Bennett had given me a very nice little notice in the Evening Standard. Lunched with Chapman & Hall at the Florence. Went to exhibition of Chiricos - some vulgar and like posters but rather impressive faceless seated figures in classical surroundings with laps full of skyscrapers and musical instruments. Tea at Hampstead and home to find Evelyn a bit better. Peter Quennell rang up to congratulate me on Bennett's notice.
Friday 12 October 1928
The Canonbury doctor, who is a cross between a butcher and vet in appearance, pronounced Evelyn's illness to be German measles - on the undeniable evidence of a crimson and white mottled face. Lady Burghclere called while I was out with grapes and chicken and more or less kindly comments on the flat. Attempted to draw types. Poor Chapman has a book on gorillas to review. Sales for the week of Decline and Fall 157, total 1,093. When we touch 2,000 I shall begin to feel more at ease
about it.
Saturday 13 October 1928
Evelyn goes on in bed. Her nurse is here most of the day to look after her.
Sunday 14 Ocober 1928
Evelyn still in bed. Nurse still in flat. Lady B. sends plenty of food.
Monday 15 October 1928
Evelyn still in bed. Nurse still in flat. Reading Orlando. £ 20 from Lady Margaret Duckworth.
Tuesday 16 October 1928
Evelyn still in bed. Nurse still in flat. [...]
vrijdag 9 oktober 2020
Maarten ’t Hart • 10 oktober 1999
• Maarten 't Hart (1944) is een Nederlandse schrijver. In de Privé Domein-reeks publiceerde hij Een deerne in lokkend postuur. Persoonlijke kroniek 1999.
10 oktober 1999
Labiaat – Hanneke kwam thuis met een onbekend plantje. Een kleine sensatie! Ze had hem gevonden bij de kerkhofmuur. Meteen alle flora’s uit de kast gepakt – we hebben er drie – en het plantje gedetermineerd. Bij de eerste aanblik hield ik het erop dat het een Stachys moest zijn. Maar geen enkele Stachys-soort kwam in aanmerking. Zou het, met zijn kleine paarse bloemetjes, dan toch een Lamium zijn? Maar welke dan? Uiteraard geen paarse dovenetel. Die staat overal en kennen we goed. Gevlekte dovenetel? Nee, want zijn bladeren waren niet gevlekt. Ingesneden dovenetel dan? Warempel, dat moest ’m zijn. In de onvolprezen Nederlandse Oecologische Flora wordt erover gezegd: ‘Vermoedelijk wordt zij vaak over het hoofd gezien.’ Het blijkt een typisch zeeklei-plantje te zijn. Toch staat incisum niet in onze tuin. Eigenaardig dat het plezier dat je eraan beleeft om zo’n simpel wegwerpplantje te determineren je helemaal opmontert!
• 1999 was geen heel bijzonder jaar voor Maarten 't Hart (1944), en zijn dagboek over dat jaar is dan ook voor een groot deel 'een boek der herinneringen' - wat niet wegneemt dat hij het hele jaar door toch geconfronteerd blijkt te worden met allerlei vormen van alledaagse waanzin.
10 oktober 1999
Labiaat – Hanneke kwam thuis met een onbekend plantje. Een kleine sensatie! Ze had hem gevonden bij de kerkhofmuur. Meteen alle flora’s uit de kast gepakt – we hebben er drie – en het plantje gedetermineerd. Bij de eerste aanblik hield ik het erop dat het een Stachys moest zijn. Maar geen enkele Stachys-soort kwam in aanmerking. Zou het, met zijn kleine paarse bloemetjes, dan toch een Lamium zijn? Maar welke dan? Uiteraard geen paarse dovenetel. Die staat overal en kennen we goed. Gevlekte dovenetel? Nee, want zijn bladeren waren niet gevlekt. Ingesneden dovenetel dan? Warempel, dat moest ’m zijn. In de onvolprezen Nederlandse Oecologische Flora wordt erover gezegd: ‘Vermoedelijk wordt zij vaak over het hoofd gezien.’ Het blijkt een typisch zeeklei-plantje te zijn. Toch staat incisum niet in onze tuin. Eigenaardig dat het plezier dat je eraan beleeft om zo’n simpel wegwerpplantje te determineren je helemaal opmontert!
• 1999 was geen heel bijzonder jaar voor Maarten 't Hart (1944), en zijn dagboek over dat jaar is dan ook voor een groot deel 'een boek der herinneringen' - wat niet wegneemt dat hij het hele jaar door toch geconfronteerd blijkt te worden met allerlei vormen van alledaagse waanzin.
Abonneren op:
Posts (Atom)







