woensdag 3 februari 2021

Robin Hannelore • 4 februari 1988

Robin Hannelore (1937) is een Belgische Nederlandstalige schrijver en dichter, vooral bekend in de Belgische Kempen. Hij schreef twee natuurdagboeken, waaronder Dagboek van een groenridder.

Rammeltijd [4 februari]
Tijdens mijn wandeling vandaag stootte ik op een fietser en een automobilist die stonden te ruziën bij een dode haas. De haas was in de wielspaken van de fietser gesprongen en was vervolgens overreden door de automobilist. Mijn Salomonsoordeel (voor ieder de helft) sloegen de heren met veel gestes in de wind. Omdat ik er geen zin in had te wachten totdat de heren op de vuist gingen en ik scheidsrechter zou mogen spelen, ben ik dan maar verder gestapt. Dezer dagen (januari en vooral februargeii zijn de ‘rammelmaanden’ van de hazen) sneuvelen er veel langoren op onze wegen. We zien de krengen niet liggen, omdat ze ergens in een kelder hangen te verstijven of gemarineerd worden. Hazen zijn ongelooflijk driest in de rammeltijd. Rammelaars van dorpen in het rond kunnen op een moerhaas afkomen. Subliem is het hen bezig te zien wanneer ze staande op de achterpoten met elkaar ‘boksen’ voor de gunst van het wijfjesdier. Vanaf Lichtmis worden de eerste jonge haasjes geboren. In tegenstelling met de jonge konijntjes zijn het ‘nestvlieders’, wat betekent dat ze volledig behaard en met open ogen ter wereld komen in de wentel of het leger. Ongelukkig genoeg zijn ze vaak een gemakkelijke prooi voor de kraaien, die zelfs durven samenspannen om zulke hazejongen op te jagen en zodoende af te matten. In onze al te ‘verkeersintensieve’ Kempen zijn de hazen gedoemd om uit te sterven. Dat ze nog tamelijk goed standhouden, bewijst alleen maar dat hun ras zeer levenskrachtig is.

Kruisbekken [5 februari]
Toen ik gisteren door een bos van Corsicaanse dennen liep, werd plots mijn aandacht getrokken door ‘kwiep-kwiep’-geluiden in de kruinen. Pas toen zag ik dat de bodembedekking van grijsgele dennenaalden bestrooid was met de roodbruine resten van denappels. Meteen wist ik dat ik door een stukje winterparadijs van de kruisbekken liep. De kruisbekken, die behoren tot het geslacht van de vinken, zijn invasievogels. De mannetjes zijn roestrood en de wijfjes geelgroen. Met hun over elkaar gekruiste onder- en bovensnavel halen ze onverstoorbaar het zaad uit denappels en sparrekegels.
A.E. Brehm (1829-1884), Duits natuurhistoricus en schrijver van het voormalig standaardwerk ‘Illustriertes Tierleben’ (in 10 delen), dacht dat om die reden het vlees van deze vogels zou gevrijwaard blijven van bederf. De meestal zwervende kruisbekken kunnen in elk jaargetijde broeden, zelfs in de sneeuw. De mannetjes voeren dan de wijfjes, die de eieren niet verlaten. Vooral het voedselaanbod konditioneert dit broeden. Het duurt drie weken voordat ook de jongen een gekruiste snavel krijgen, wat betekent dat de jongen minstens tot dan moeten gevoed worden. Ik hoop dat ook dit jaar een goed denappeljaar wordt. Dan keren de kruisbekken beslist weer en kan ik ze in de winter ook aan mijn kleindochter tonen.
Als de mentaliteit van de mensen zich niet spoedig wijzigt, groeien hier immers over enkele jaren geen naaldbomen mee... en dan kunnen de kruisbekken hier niks meer komen uitrichten.















Vogelweetjes.nl

Geen opmerkingen:

Een reactie posten