woensdag 20 mei 2020

Dorothee • 21 mei 1994

• Dorothee uit Duitsland was in 1995 zestien jaar oud.

21. Mai 1994
Ich weiß nicht warum, aber ich habe mir heute geschworen, in Hollywood Karriere zu machen. Ich weiß, dass das niemals in Erfüllung gehen wird, aber es ist toll, einen absolut irren Traum zu haben, den man anstrebt. Ich habe gerade im Fernsehen "Die blonde Versuchung" gesehen - mit ALEC BALDWIN!!!!

Dieser Mann sieht so geil aus. Also echt, diese Lippen. Ich werd noch verrückt. Ich will jetzt jeden Zeitungsschnipsel von ihm sammeln und jeden Film sehen, den er jemals gedreht hat. Das ist vielleicht auch ein Grund für meinen Hollywoodtick.

Ich glaube nicht, dass ich jemals in Deutschland einen wirklich gutaussehenden Typen kennenlernen würde. Oder hab ich hier jemanden wie Kevin Costner, Liam Neeson, Joe Lando oder eben Alec Baldwin rumlaufen sehen? Nee, na also! Es ist ja auch nicht so, dass ich wenn ich an Alec denke, Micki vergesse, aber er kommt mir so unvollkommen vor. Es ist echt komisch

Mal sehen, ob ich mit Schauspielen oder Gesang nach Hollywood komme.

dinsdag 19 mei 2020

A. Vink • 20 mei 1940

• Dagboek van sergeant A. Vink, groepscommandant bij 1e sectie 1-II-8 R.I. Na de capitulatie van het Nederlandse leger werd hij als krijgsgevangene enige tijd in Duitsland tewerkgesteld.


Maandag 20 Mei 1940
Half negen vertrekken we met ongeveer 3000 man naar het station. Ons verblijf te Bocholt heeft zich gekenmerkt door het rondgaan van allerlei geruchten die gretig opgevangen en verder verteld werden, maar doorgaans onjuist bleken te zijn. Wat wel juist was, dat Holland zich had overgegeven. Dit hoorden we Donderdag van een Duits officier. Zodoende hoopte we dat we naar Holland terug zouden gaan, maar zekerheid hadden we niet. Voor we vertrokken kregen we een schaal aardappelsoep met macaroni. Voor onderweg kregen we mee een half brood met een flink stuk leverworst. Daar ik niets bezat om mijn brood in mee te nemen, heb ik mijn geleende zakdoek uitgewassen en daar het brood ingepakt. Aan het station werden we in goederenwagons zonder banken geladen, 50 man per wagen. De deuren gingen dicht, zodat de enige ventilatie was een rechthoekige opening van ca. 50 x 20 cm aan beide zijden van de wagen. Om kwart voor twaalf vertrokken we niet naar Holland, maar via München, Osnabrück, Bremen, Hamburg, Lübeck, Bad Kleinen, naar Neubrandenburg. De reis duurde 21 uur. De wagens schokten hevig en we zaten zeer hard en ongemakkelijk op de harde vloer. En toen we 's avonds probeerden te gaan liggen, moesten we passen en meten om voor elk nog een plekje te vinden. Aan enkele stations gingen de deuren even open en werden we gelucht. In Osnabrück kregen we aan het station water van vrouwen die daar aanwezig zijn ter verzorging van de soldaten.

maandag 18 mei 2020

Gabriël Smit • 19 mei 1954

• Het tijdschrift Roeping publiceerde in 1954 enige dagboekbladen van dichter Gabriël Smit (1910-1981). 

19 Mei
- Sinds verleden maand de dichter P.N. van Eyck overleed, loop ik rond met een voor mijzelf nieuw probleem. Ik ken zijn werk slechts gedeeltelijk, ik heb hem nooit gezien of gesproken, maar ik mis hem. Ik weet niet precies hoe ik het formuleren moet, maar er is iets weggenomen waarvan ik de afwezigheid ervaar als een eigenaardig tekort. Had ik hem nog willen ontmoeten om met hem van gedachten te wisselen of om hem te danken voor enkele van zijn gedichten, bijvoorbeeld het prachtige De Tuin? Ook dát weet ik niet zeker; ik heb geen enkele reden om aan te nemen dat hij dit op prijs zou hebben gesteld. Hij zag mij niet stáàn. Maar hij belichaamde voor mij in zeker opzicht een ideaal: het dichterschap, niet als talent, als gevoelsontlading of als louter emotionele bewogenheid, doch als geestelijke taak. En deze taak vervuld met een volstrekte getrouwheid.

Het woord ‘taak’ kan hier, vrees ik, makkelijk misverstanden wekken. Ik bedoel niet allereerst een taak ten opzichte van de wereld, de mensheid, maar een taak ten opzichte van de dichter zelf: de taak tot geestelijke zelfverwerkelijking. Wàt de dichter ook bewegen mag, hij dient trouw te zijn aan zichzelf. Dichten is niet iets wat hij naar believen doen of laten mag; het is zijn wijze van zijn. Het is zijn geluk [zelfs wanneer hij het als een vloek ervaart] en omdat het zijn geluk is, is het zijn plicht. Het is geen incidentele conditie, het is een levensstaat die - als iedere andere levensstaat - zijn eigen ascese heeft. Dichterschap zonder ascese lijkt mij even dwaas als schilderen zonder verf. Ik zou niet graag willen beweren dat de kwaliteit van een katholiek dichterschap afhangt van het aantal door de dichter gebeden rozenhoedjes of gebrachte ‘offertjes’. Het dichterschap op zichzelf is een natuurlijke conditie en de artistieke kwaliteit, hoezeer ook door oefening te verhogen, wordt in eerste instantie bepaald door een aantal natuurlijke gegevens. Maar die natuurlijke gegevens moeten worden gericht en gezuiverd, en daarvoor is nodig wat ik niet anders omschrijven kan dan met het woord ascese: een wijze van leven, die trouw gericht is op hetgeen de natuurlijke vermogens het zuiverst tot ontplooiïng brengt en die zich daartoe ook een aantal weloverwogen verplichtingen oplegt, uiteraard voor ieder leven verschillend.


* Het (detail uit het) portret is van Joop Moesman.

zondag 17 mei 2020

Clara • 18 mei 1818

• Uit: Bladen uit Clara's dagboek. Fictief dagboek, geschreven door Erna. Dit zijn de eerste bladen. De nieuwe dokter waarover in de laatste zin gesproken wordt, zal Clara's echtgenoot worden.

15 Mei 18.
Vandaag is onze goede oude dokter gestorven. Wie had dat verleden week kunnen denken, toen hij mij op mijnen verjaardag zoo hartelijk toesprak omdat hij mij nu twintig jaar gekend had! Het was ook gewaagd van hem, in dat gure weer op zijne open tilbury te rijden, maar hij scheen te denken, dat hij geen kou kon vatten.
Wat zullen wij hem missen!
Tante is half wanhopig; zij was zoo aan den dokter gewend; hij wist dadelijk raad voor al hare kwalen, en wat kon ze gezellig met hem praten over Mama, die hij ook zoo goed gekend heeft.
Hij was altijd even hartelijk voor iedereen; bij hem behoefde niemand vergeefs raad te vragen: het is wel hard, dat zulke goede menschen niet kunnen blijven voortleven.

18 Mei 18.
Van morgen is de dokter begraven.
Tante was aan het sterfhuis genoodigd, maar Jeanne Greter en ik zijn naar het kerkhof gewandeld. Wij kwamen er vóor den stoet aan; er waren al vele menschen; bijna het geheele dorp. En toch was het er vredig, de zon scheen helder en warm op het jonge lichtgroene gras tusschen de graven, en gaf warmte aan de koude steenen. De seringen en de ribes langs de paden bloeiden en geurden en overal in het rond zongen vogels, even vroolijk hier te midden der dooden als op elke andere plaats.
Toen wij bij het open graf kwamen, kreeg ik zulk een vreemd gevoel, dat ik bijna mijne tranen niet kon inhouden, maar Jeanne praatte onophoudelijk over de andere menschen, die er waren en over de buitenpartij, die haar Papa zal geven, als hij vijf en twintig jaar notaris is.
Ik moest haar wel antwoorden, totdat eindelijk de lijkkoets het hek inreed, en zij vanzelf zweeg.
Ik had nooit eene begrafenis bijgewoond, en vond het een vreeselijk treurig gezicht toen de kist in den kuil werd neergelaten en men begon er zand op te werpen.
Wat moet dit een oneindig smartelijk gevoel geven, wanneer de begravene een dierbare bloedverwant is!
De dominé hield eene toespraak, waarin hij veel zeide van den hemel, maar ik geloof niet, dat zijne woorden veel indruk maakten; het is ook moeilijk aan den hemel te denken, terwijl men in een graf naar omlaag ziet.
Daarna sprak de ontvanger, de beste vriend van den dokter; uit ieder zijner woorden sprak innige hartelijkheid en droefheid; hij moet veel van onzen goeden dokter gehouden hebben.
Ten slotte bedankte de schoonzoon, en toen gingen allen huiswaarts.
Op den terugweg hoorde ik er druk over spreken welke nieuwe dokter er zou komen. ‘Le roi est mort! Vive le roi!’

Koos Speenhoff • 17 mei 1940

• Koos Speenhoff (1869-1945) was een Nederlandse schrijver-zanger en kleinkunstenaar, en misschien wel de bekendste Rotterdammer in zijn tijd. Een paar dagen na het bombardement op Rotterdam (14 mei) kwam hij kijken in zijn verwoeste stad. 
Zijn dagboek wordt bezorgd door Jacques Klöters en zal waarschijnlijk nog dit jaar worden gepubliceerd.

"Ik kwam aan het onbeschadigde Schie-viaduct en zag er naast een schoen een dood poesje liggen naast een stalen steunstuk. Een dood katje. Alleen en onaanzienlijk. Het lag op de linkerzijde met de pootjes keurig naast elkaar als verontschuldiging voor haar dood en haar povere houding.
Nu kwam ik aan een ruïne die me zeer ernstig ontstelde:.... de ruïne van het Rotterdamsch Nieuwsblad dat me zo na ligt en lag en zal liggen. Aan een stuk muur stond nog: Publieke Telefoon. Ik zag achter in de ruïne de verbrande persen die duizenden guldens hadden gekost en duizenden kranten hadden gedrukt met honderden malen mijn werk erin.
Daar zag ik een deel van de oude Delftse Poort die we juist aan het verplaatsen waren. Daar het Hofplein-Station met het restaurant Loos. De oude Kees Loos zou nu wel in kommer zijn met zijn lieve vrouw en kinderen. Alles weg waar hij zo hard voor had gewerkt. Daar [café-restaurant] Pschorr van [eigenaar Dirk] Reese. Ook een uitgebrande ruïne. Daar de Doelen-gebouwen en toen op eens een eerste blik op onze Sint Lauwrens. Nu moet ik even wachten met tikken en wat gaan drinken.

Onze mooie Kerk.... zal moeten worden gesloopt en misschien eenmaal worden herbouwd? Wanneer? In een mistig licht van puinstof die geblakerde toren! Hoe eerbiedwaardig en armoedig. Droeve lieveling waarvan de groen-wit--groene vlag zo kon stralen. Hoe vele malen beklommen we hem in de vroegere kermisdagen. Wat hoorden we er mooie toonkunst en wat zagen we er vele Kerkelijke feesten vieren. Voorgoed verdwenen. Die kerk, die lieve gastvrije kerk...met al haar dierbare graven en gedenktekenen. Die Kerk daar achter de oude zeedijk. Afgedaan!

We trokken verder langs de Coolsingel. Het Raadhuis, bijna ongeschonden. Johan van Oldenbarneveldt staat er nog bij zijn brede zetel. Daarboven de Burgemeesterskamer ... gehavend wel. Beestachtig geweld. Geweld van de stomme dingen. Dan het Postkantoor. Ook zwaar beschadigd maar snel te herstellen. En dan: dat afschuwelijke Beursgebouw van de idiote [architect] Staal. Dat monsterlijke glasrommeltje. Dat kinderlijke prutsgebouw dat geen gebouw is...het bleef gespaard. Waarom dat niet meteen vernietigd? Waarom daar geen honderd bommen doorheen? Al het laffe en ploertige van een bouwersziel ligt er in opgesloten. O die verdoemde en vervloekte Beurs. Ik veracht en haat de fabrikant ervan.

Een marinier houdt me staande. Papieren heb ik niet. Dan terug. Arbeiders roepen uit de puinhopen: Ome Koos doorlaten zeesoldaatje! De jonge man is aan het blozen geslagen. Hij verdedigde met zijn kameraden de Maasbrug waar in elke voetbalk de kogelgaten nog schrijnen. De mariniers... bij tientallen vielen ze. Ze beten de vijand met hun rij tanden de strotten af en ze kilden ze met hunne klewangs. Het mocht niet baten. De zaak was verloren en dit werd te laat ingezien.

Ik werd aangesproken door voorbijgangers van alle standen. Waarachtig een kasteleines van de Dijk? Een vrouw met een breed uitgebouwd lijf waar al vele luchtafweerschoten door gingen van de schrik. Ze heette Eliza, was moeder en eenmaal maagd. Voor mij was ze het na elke kus die ik haar in vroeger jaren verstrekte en lang niet in eer en deugd.
Nu we er toch allemaal aan gingen of zouden gaan, moesten we maar wáár zijn ook. Dat gezedeleer, dat niets dan theorie was. Duizenden waren er ongelukkig geworden door die walgelijke onthouding. De grootste zedeloosheid was ontstaan door gebrek aan onze natuurlijkste uiting. Zeker, daar zat een hoer naast me en ik bewonderde haar. Wat was ze bereikbaar en bereid. Ik had maar te knipogen en ze was mijn. Al die misselijke uitwassen danken we aan dat verbod van wellust. Geef een man een vrouw en een vrouw een man als het haar of hem aanstaat. Bevrediging van ons allerhoogste streven willen we. Stop met dat gezeur over deugd als het gaat om elkander bekennen, voldoen en de bijslaap genieten. Dank den Almachtige dat het vlees zwak is. Zeker daar zat ik naast een bekende hoer. En ik schaamde me niet zoals vroeger door dwang en fatsoen en angst voor openbaarheid en ik zat op een bank in het verwoeste Rotterdam en ik overwoog deze storende dingen. Waarom?

Daar er geen kroeg in de buurt was bood ik Eliza een lieve gulden aan om zich gedeeltelijk te gaan bedrinken. Het andere deel zou een volgende man haar wel geven. Bedrinken dat is overheerlijk. Bedrinken aan Hollandse mannelijke jenever. Niet drinken als een beest en omvallen, maar benevelen en lachen om niets. Drinken omdat het lekker is: die krakende, heldere jenever. Ik had toch ook de naam er van en ik hoop tot het einde van mijn leven als een liefhebber te worden aangezien. Wilt ge onthouden voorbeeldgevers of maagzwakken goed... maar die het lusten geve men een vlotte vrouw en een rulle slok."

Toon Hermans • 16 mei 1988

• Toon Hermans (1916-2000) was een Nederlandse cabaretier. Hij hield in 1988 een dagboek bij dat is gepubliceerd als Een mooie dag.

16 mei
Vroeg wakker. Rond zes uur... maar met nogal wat onvriendelijke gedachten in het hoofdje. Ik heb toen mijn hele gebedenboek je uitgelezen, en ter ere van Maria een blauwe trui aangetrokken. Geloven is voor iedereen anders, bidden ook. Voor mij zit het in de kleine dingen, de doodeenvoudige gesprekken met de hemel. Iets vragen, en luisteren naar wat er vanuit jc innerlijk op wordt geantwoord. Zo praat ik vaak met Antonius van Padua of met de Heilige Gemma, of met Maria, en soms met de baas zelf. Altijd merk ik. als ik gecompliceerd ga bidden, met krullen aan de zinnen die ik zeg, dat ik er naast zit. Bidden is praten, hardop in jezelf. Als je Vader in de hemel in de kleine dingen betrekt, komen de grote dingen vanzelf. Heel gewoon. Dagelijks werk, en niet moeilijk. De theologen hebben geloven moeilijk gemaakt. Op de stenen tafelen van Mozes was het zo simpel als maar kan. Als je nu nog mensen hoort discussiëren in forums of bijeenkomsten, dan voel ik altijd dat zij geloven ingewikkelder maken dan het is. Als de mensen bidden is alles O.K. Maar ze bidden niet, of veel te weinig, en dan wordt het moeilijker. Jammer. God is leven, daar is alles mee gezegd. Hoe kun je in je eigen leven geloven, als je niet in de God van alle leven gelooft?
Mensen zeggen weleens: 'Jij bent de laatste jaren veranderd. Meer vanuit het geloof gaan leven.' Dat is niet helemaal waar. Geloven is altijd de basis van mijn leven geweest. Ik heb het misschien wel meer naar buiten uitgedragen. Niet opzettelijk overigens. Ik ben ook niet vroom of vromer geworden, maar uit levenservaringen openbaart zich het geloof.
Dat gaat geleidelijk aan. Dat is een natuurlijke rijping. Dat hoef je niet per se te willen, dat gaat vanzelf. En juist die ontwikkeling duidt op het natuurlijke van 'geloven in God'. Het is hetzelfde als geloven in Leven. Eeuwig leven.

'Staat je goed, die blauwe trui,' zegt Rietje aan het ontbijt. Ik heb ter ere van Maria tot mijn zevende levensjaar blauw gedragen. Ook in mijn liedjes zit een beetje Madonnablauw. Nu is het mei. dat is de Maria-maand, maar het blauw van de hemel laat het mooi afweten. Het is grijs en nog eens grijs, dag aan dag. Ik zal wel weer wat schilderen vandaag. Heb ik gisteren ook gedaan. Ging moeilijk. Ik schilderde op schoon linnen. Dat doe ik niet graag. De doeken moeten een kleurtje hebben, een fond, grijs, groenig, blauwig, roze-achtig, geel... soms zelfs rood of heel donker, amber, dat werkt veel lekkerder. Als het linnen zo leeg is, zie ik het niet zo zitten.

De grijsheid aan het raam is wat opgehelderd. Rietje zegt: 'Als je gauw bent, kun je een uurtje wandelen.' Dat ga ik doen. Heerlijk. En wat ik daarnet lees, is ook niet mis. Vanmiddag de bekerfinale op Wembley. Lekker matineetje, a real Cup-fïnal. Dat is een gevecht. Ze zijn daar: 'not for the cat', als je het mij vraagt.

Gisteren had ik een paar appeltjes en een kan geschilderd in oker-tinten, heel snel opgezet. 'Wel aardig,' zei Rietje. Een matig applausje dus.
Wat mankeert er nou aan?' vroeg ik. We wisten het niet. Ik dacht, morgen zal ik het even anders aanpakken, dus vanmiddag ging ik weer met die appeltjes en die kan aan het stoeien. Nu heb ik het helemaal verprutst. Dat ben ik ten voeten uit. Dat overkomt me al jaren. Als ik de kegels niet bij de eerste worp omgooi, lukt het nooit meer. Daarom bepaal ik mij meestal tot eenvoudige dingen die ik in één klap aan kan, dat geldt zo'n beetje voor alles wat ik doe. Als ik er écht voor ga zitten, komt er niets van terecht. Het gaat allemaal zo'n beetje 'en passant', of niet.

Dat de Engelsen het voetbal hebben uitgevonden, hebben we vanmiddag weer eens kunnen zien in de Cup Final Coventry City-Tottenham Hotspurs. Binnen de eerste tien minuten al twee doelpunten. Niet dat voorzichtige, maar vijf goals in een finale. Dat is echt sport. A real Fight. Grote klasse. Zoiets is niet te vergelijken met een Europa Cup waar men speelt volgens uitgekiende tactische regels, dus niet écht 'speelt', maar bijvoorbeeld oppast om geen goaltje tegen te krijgen. Engels voetbal kent geen tactische remmen. Er wordt gewoon gevoetbald om te scoren. Wat een fantastische middag. Natuurlijk met twee keer vijftien minuten verlenging. Wij Hollanders matigen ons aan om als het over Engelsen gaat, te spreken over stijve Engelsen, maar bij zo'n Cup Final zie je hoe ze écht zijn. Je herkent dezelfde uitgelatenheid van het: 'The last night of the Proms-concert'. Goed volk hoor.
Vanmorgen heb ik ook nog een paar uur aan liedjes geschreven. Dat is, zoals ik al zei, net zoiets als schilderen. Als het lukt, lukt het, als je er al te serieus mee aan de slag gaat, wordt het niet goed, dan gaat de souplesse uit de tekst, en dan wordt het hard, te geconstrueerd.
Ik heb een paar goede coupletjes gemaakt, dacht ik, terwijl ik liep te wandelen in het plantsoen. Hele lichte kost hoor.

Buurman Henk kwam plotseling binnen met een varkenshart in glas gevat, een kubus, geplastificeerd heet dat geloof ik. Hij had daar een heel verhaal over, en wees me al die vaatjes aan. Leuk om te zien, maar daarna heb ik hem wat voorgezongen uit mijn nieuwe liedjes, want 't gekke was, mijn gedachten begonnen ineens te lopen, en dan hou je ze niet meer tegen. Ik heb al urenlang zitten schrijven, en goed. Dat kun je wel eens hebben. Het is nu al bij tienen. Ik ga de pen neerleggen, en even niks doen. Het was een goeie dag.

donderdag 14 mei 2020

Anna Achmatova • 15 mei 1963

• Anna Achmatova (1889-1966) was een Russische dichteres. Dagboekfragmenten van haar zijn opgenomen in De echte twintigste eeuw (vertaald door Alissa Leigh en Silvana Wedemann).

15 mei 1963
Stravinski en Kraft gelezen. Ik vrees dat het meer Kraft dan Stravinski is. Het is moeilijk zoveel tekst van een niet-schrijver te lezen. Ongetransformeerde taal kun je alleen als citaat of stoplap gebruiken. Daar speelt en klinkt het uitstekend en vliegt het als een betoverde pijl, maar als het honderden pagina’s zijn waar de grote componist in een stink-Wiegel verandert die het noodzakelijk acht om het ‘laatste nieuws’ over zijn homoseksuele vrienden te vertellen, ga je je afvragen waar het allemaal voor nodig is. Van ons, de ‘achtergeblevenen’ herinnert hij zich alleen Sergej Gorodetski (die hij om de een of andere reden een ‘lange blonde man’ noemt), voor de diensten die hij Bjaka aan het begin van de Revolutie heeft bewezen. In ieder geval kun je met zekerheid stellen dat dit werk het aantal Stravinski-bewonderaars niet zal doen stijgen.


De “Kraft” waar de Russische dichteres Anna Achmatova (1889-1966) het in haar dagboek over heeft, is Robert Craft, vriend van Stravinsky en auteur van een flink aantal boeken over deze componist. Het fragment van gister (14 mei) komt uit een van die boeken – zijn dagboek – maar niet het boek waar Achmatova over schrijft.