zondag 19 april 2020

Frances Woolfolk Wallace • 19 april 1864

• De Amerikaanse Frances Woolfolk Wallace (1835-1904) hield van maart-augustus 1864 een reisdagboek bij van haar reis van het zuiden van de VS naar Canada (waar ze naartoe verbannen was), dat bekend is onder de titel A Trip to Dixie.

April 17, 1864.
Hattie and Mally take a ride on horseback. Dr. Boyd says he will send us to Meridian in a carriage. Sunday evening took a walk in the woods, beautiful flowers and honeysuckle growing wild. This is what they call Mississippi swamps, a rather fine swamp. How I wish Nannie was here to enjoy the walks! How I could enjoy this trip if I knew how all were at home, and my dear Mother was with me. Everyone says our trip to Meridian will be trouble--roads very bad, the same Sherman and his army passed over, houses all burned, have to camp out at night. The Torys and robbers are very numerous, hope we will get through safely. This is a beautiful evening. Oh! what a glorious world, all that is necessary to make us happy and content and yet this beautiful land is flowing with human blood, death, and suffering has become an accustomed sight. Oh! God! when will this sinful strife end? God grant us peace and good will towards one another.

Tuesday, April 19, 1864.
Left Dr. Boyd's for Meridian, Mally, Hattie, the children and I; Sargeant Posey driving us, a mule drawing the wagon with the trunks. Hattie left her baby with Mrs. Boyd. How kind the doctor and his wife have been to us. We fared very well and missed nothing but coffee, they use cornmeal parched for coffee, and except for that they live very well. We will now, I fear, find rough fare.

Pass through Brandon about 12 o'clock, stopped at one and took lunch and enjoyed it very much, good appetites. Find we have to go 13 miles before reaching a house. Travel slowly, the mules being slow and tired, travel until quite late into the night, prospect poor, sing to keep up our spirits. Reach a house at 8 o'clock, beg for admission, but are refused by a man named Easton. 3/4 mile from Morton. We told him we were travel-worn, our children sleepy, our mules broken down, while talking to him one of the carriage mules fell down. We told him we only wanted shelter. He then asked us where we were going. We replied "to see our husbands." He said, "A great time to go to your husbands," which so exasperated us that we whipped up our mules and started for Morton. There our mules gave out. The sargeant went off in search of a house but to no effect. While the sargeant was absent, the wagon driver cut the sick mule's mouth, so that he bled profusely We then went into Mr. Binney's house, a gentlemen from Louisiana. He, finding we could get no further, said he would do the best he could, but could give us no bed. We were thankful that his wife, a very nice lady, had a bed made on the floor in which Mally, Eddie, Hattie, and Fanny slept, Georgie and I taking the sofa. We went to bed supperless about 12 o'clock.

April 20, 1864.
Slept badly, got our faces washed, found one mule in a poor condition, mouth bleeding very much, we can't stop it. We feel very discouraged, take a rough breakfast, but don't enjoy anything we are so anxious about the mule. It seems some better. We have concluded to take the road to Enterprise. The mule is so weak it can scarcely pull. Hattie drives, we walk two miles, stop at a cabin and will rest here until 2 o'clock, then go to Hillsboro, a distance of 10 miles. We took a snack and gave $1.00 for a quart of meal for the sick mule, which seems better. Come to the village by 6 o'clock very pleasant ride, roads are not near so bad as we expected, but the country seems an utter waste, nothing for food for horses or humans. The same cry is heard from house to house, "The Yankees have destroyed all I had." We seem to have quite a comfortable house to stay in tonight. They brought us a small table bowl in which to wash our faces and told us their washbowls had been broken by the Yankees. That cry will haunt this country for many a day. We hope to make an early start in the morning.

Jacques Inbona • 18 april 1654

• De Brugse patriciër Jacques Inbona († 1714) had een open oog voor het vreemde en curieuze dat bijwijlen de eentonigheid van het dagelijkse leven in zijn stad kwam breken. Uit het Handschrift (Rare Geschriften) van Jacques Inbona, blz. 80-81.

Goudmaker en valsmunter terechtgesteld. 1654
‘Opden 18. april 1654 wiert tot Brugghe gheiusticiert eenen valschen muntenaere ghenaempt Abraham Coult wesende eenen alchimist van professie ende mackten ducatons ende waeren soo subtillick ghemackt dat men het bedrogh niet en conde ontdecken dan als de ducatons waren ghesmolten ende ghemackt tot assay, want het gheschiede door de chimie, ende wiert levende gheworpen inde siedende olie, ende de vrauwe van synen compaingnion die ontlopen was wiert oock ghestelt op een schavot daer ieghens over om het spel te aenschauwen ende wiert den ontloopen muntenaere weesende eenen fransman vervolght door den pensionairis Dooghe door Zeelant ende Hollant tot datmen tot Amsterdam verstont dat hij was vertrocken met een schip op Hamburgh daegs voor het arrivement vanden pensionairis Dooghe. Maer Abraham Coult wiert seere beclaeght van alle liefhebbers vande conste vande chimie omme sijne perfectie inde selve conste.’

woensdag 15 april 2020

Witold Gombrowicz • 16 april 1963

• Witold Gombrowicz (1904-1969) was een Poolse schrijver. Zijn Dagboek 1953-1969 is door Paul Beers in het Nederlands vertaald.

DINSDAG [16 april 1963]
Wij hebben de band met het Amerikaanse continent verbroken. De oceaanstomer snijdt, midden op de Atlantische Oceaan, de equator en richt zijn steven recht naar Europa.
Nieuwsgierig? Opgewonden? Vol verwachting? Nee. De vrienden die daar op mijn komst wachten en die ik nog nooit met eigen ogen gezien heb-Jelenski, Giedroyc, Nadeau? Nee. Parijs, na vijfendertig jaar? Evenmin. Ik wil niet weten. Ik ben opgeteld en afgesloten als een rekening.
Ik dwaal, ik drijf rond-en alles wat me in de geest komt, is op hetzelfde moment alweer een stukje verder. Mijn denken volgt me en gaat me niet vooraf.
Een telegram van Kot Jelenski dat ze me tweehonderd dollar zullen sturen. Tot op vandaag van geld geen spoor. In Las Palmas misschien?
Verveling. Geen enkel interessant gezicht. Schaken. Ik win het toernooi, een medaille, ik ben schaakkampioen van het schip. De dood opzoeken door een achterwaartse beweging? (Nee, ik wantrouw dat soort 'gedachten'.)

dinsdag 14 april 2020

Otis Keene • 15 april 1865

• Dagboekfragmenten van Otis Keene (1830-191?) over de aanslag op president Lincoln.

Friday April 14, 1865
A lovely morning but chilly. News good. Order to stop the draft & recruiting. Genl Grant in the City. Eve. Abbie & I went down to the avenue to see the Arsenal torch light procession. Heard Secy. Stanton speak. Most awful intelligence reaches us at 12 midnight, that President was shot at 10-30 at Fords Theatre. Also that Secty Seward had been assassinated at his House at about the same hour by some [sic] by the assassin; God grant that they will be captured. Mrs Lincoln, Miss Harris & Maj Rathman were in the box with the President.

Saturday April 15, 1865
Oh Lord help our bleeding and afflicted Nation in this hour of its sad bereavement and irreparable loss. Our beloved and most noble of all Presidents, Abraham Lincoln, is no more. He has fallen by the traitorous hand of one of the poisonous instigators of this awful wicked rebellion. He expired at 7 A.M. after a lingering of a few hours. We just hear that Fredk Seward, asst secty, is dead from the effects of his wounds. Not at work to-day. Went down the avenue purchased crepe &c to drape the House & flags. The City generally is draped in mourning for the departed hero and martyr to his cause country & his people. His body was moved to the White House at 9 o’clock A.M. Intense excitement all over the City. Copperheads & traitors dare not speak or be seen.

maandag 13 april 2020

Adriaan Roland Holst • 14 april 1908

• Uit de correspondentie die Adriaan Roland Holst (1888-1976) voerde met Marius Brinkgreve. Uit: Brieven aan Marius Brinkgreve 1908-1914 (bezorgd door Margaretha H. Schenkeveld).

April 1908
Ik had gisterenavond geen tijdje bij ons gehaast afscheid nemen eens te zeggen hoeveel genoegen ‘t mij heeft gedaan dien avond bij je te zijn geweest. [...] Vanmorgen heb ik veel gelezen in alles wat ik gisteren meenam. [...] Over je eigen verzen hoop ik je gauw nog eens te spreken, nu alleen wensch ik toch even te constateeren dat je anderen niet al te veel ‘t recht hoeft te geven er slecht over te denken, zooals je dat gisteren zoo nederig deed. Nederigheid staat je niet en evenmin past ‘t bij. je verzen. Verder: zoo gunstig als mijn indruk was van v. Gelderen’s gedichten, zoo groot was mijn teleurstelling over die van Annie Salomons. Ik weet niet juist te definieeren wat mij er absoluut niet in bevalt. Zij heeft ongetwijfeld een talent dat een momentair-gunstigen indruk op velen zal maken, maar zij mist m.i. de poëtische macht van verbeelding en uitdrukking die mij bij v. G. zoo aantrekt. Je weet ik heb een groote liefde voor verbeelding en het in mooie beelden brengen van gedachten. Haar verzen zijn wel vol gedachten van betrekkelijk veel waarde, maar ik geloof dat een gebrek aan werkelijk artistiek gevoel en diepe intensiteit de oorzaak is van den eenigszins middelmatigen indruk, dien ik ontving bij lezing. Zij heeft talent, geen genialiteit en het dramatische in de kunst is zoo dikwijls dat een talent zonder genialiteit meer algemeenen indruk maakt dan genialiteit met te weinig talent.


• Uit de correspondentie die Adriaan Roland Holst (1888-1976), een van de drie Nederlanders die de eretitel ‘prins der dichters’ is toegekend, in de periode 1908-1913 voerde met Marius Brinkgreve, toen nog student klassieke letteren en veelbelovend. Later ging hij het bedrijfsleven in en sloot zich aan bij verschillende fascistische organisaties.

zondag 12 april 2020

J.J. van Drielst • 13 april 1915

• J. van Drielst (?-?). Dagboek van mijne reis door het binnenland van Honduras naar Guatemala.

April 13. Bij mijn ontwaken kan ik eerst goed deze omgeving opnemen: ik besef thans tot welke hoogte wij reeds gestegen zijn, want overal hangen de wolken rondom ons tegen de bergen aan; de atmosfeer is koel en vochtig, alles is hier nat en ziet er miserabel uit. Tot mijn groote blijdschap slaagt Leonardo er in eene kleine mula te huren, zij is fijn gebouwd, en geheel berekend voor de vermoeienissen van deze bergwegen; daar de eigenaar niet wil, dat zij met den koffer wordt belast, zal ik het dier berijden, terwijl L. mijne mula neemt. Ik heb later alle reden tevreden te zijn met dezen maatregel.

zaterdag 11 april 2020

Johann Peter Eckermann • 11 april 1827

• Johann Peter Eckermann (1792-1854) was een Duitse dichter, en daarnaast medewerker en vriend van Johann Wolfgang von Goethe. Eckermann is vooral bekend geworden door zijn opgetekende en uitgegeven gesprekken met Goethe (vertaald door Gerda Meijerink).

11 april 1827
Ik vroeg Goethe welke van de nieuwere filosofen hij het meest waardeerde.
‘Kant,’ zei hij, ‘is zonder enige twijfel de voortreffelijkste. Hij is ook degene wiens leer zichzelf voortdurend heeft bewezen en die in onze Duitse cultuur het diepst is doorgedrongen. Hij heeft ook op u invloed gehad zonder dat u hem hebt gelezen. Nu hebt u hem niet meer nodig omdat u reeds bezit wat hij u kon geven. Wanneer u later eens iets van hem wilt lezen, beveel ik u de Kritik der Urteilskraft aan, waarin hij de retoriek voortreffelijk, de poëzie matig en de beeldende kunst ontoereikend heeft behandeld.’
’Heeft uwe excellentie ooit persoonlijk contact gehad met Kant?’ vroeg ik.
’Nee,’ zei Goethe. ‘Kant heeft nooit notitie van mij genomen, hoewel ik zelf een zelfde weg ben gegaan als hij. Mijn Metamorphose der Pflanzen heb ik geschreven voordat ik iets van Kant wist en toch is het gehéél volgens de principes van zijn leer. Het onderscheid tussen subject en object en verder het inzicht dat elk schepsel omwille van zichzelf existeert en dat bij voorbeeld de kurkboom niet is gegroeid opdat wij onze flessen kunnen afsluiten, dat heeft Kant met mij gemeen en het verheugde me hem daarin te herkennen. [...]
Met dit soort gesprekken liepen we in de tuin op en neer.


• Voor de oude Goethe (1749-1832) was het gesprek een van de belangrijkste vormen van communicatie. In de gesprekken met vrienden en vereerders voerde hij vrijwel dagelijks zijn nog altijd boeiende dialoog met de wereld. Eckermann deed verslag van deze gesprekken – hij is er beroemd mee geworden.