31 Mei 1936. Ten koste van een kleine woordenwisseling met Hafil heb ik mij bevrijd van de 'Zaterdagavondjes' bij de familie Soebana. Hafil schijnt er zich werkelijk nog te kunnen amuseren, maar voor mij waren het ware kwellingen. Het ging er als volgt toe: na het eten, dat wil zeggen om een uur of half acht, gaan wij naar het huis van Soebana toe. Daar wacht ons al de familie, gezeten rondom de tafel en meestal is de heer B., een buitengewoon praatgrage Arabier, er dan ook al. Zoodra wij de kring hebben volgemaakt, begint de heer B. met zijn verhalen uit de Duizend en Een Nacht. Dat vertellen doet hij overigens niet onverdienstelijk. Terwijl hij er mee bezig is, worden thee en koekjes rondgediend en dat aanhoren van wijze lessen uit de tijd van Haroen al Rashid, onder het verorberen van hoeveelheden gebak en thee, duurt dan tot na middernacht. Niet alleen, dat ik het gevoel had van een verknoeide avond, maar ook de volgende Zondag voelde ik mij niet erg prettig, omdat ik niet was uitgeslapen. Gisteravond heb ik Hafil dus voor het eerst alleen laten gaan; het zal mij zeker wel kwalijk worden genomen, maar daar moet ik mij maar overheen zetten.
[...]


Geen opmerkingen:
Een reactie posten