• De Nederlandse schrijfster Bep Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.
Begin mei 1945
Vandaag was het broodje bijna niet eetbaar, weinig maïs, veel cassave, zuur en onsmakelijk. Ons dagelijks brood, letterlijk in het zweet ons aanschijns verdiend. ik zeg tegen Rudi dat ik op pay-dav ragi [zuurdesem] zal kopen, waarmee we gegiste broodpap kunnen maken. Mijn overbuurvrouw biedt mij een ragi-bollet je aan en ik gebruik mijn laatste schepje suiker om de gisting op gang te brengen.
Het is een ongewone geste in dit milieu, want hoewel we alleen gescheiden door een gangpad van krap drie meter overburen zijn, kennen we zelfs elkaars namen nog niet. We zeggen alleen goedemorgen bij het wakker worden, daar blijft het bij. Tot een gesprek zijn we nog niet gekomen; door mijn tuinwerk ben ik weinig in de hut.
Ze is een wat oudere vrouw, ik schat haar op even in de vijftig, maar daar informeer ik niet naar. Altijd als ik met een van de vele anoniemen praat, stel ik geen persoonlijke vragen. Tenslotte zijn wij net als wrakhout aangespoeld aan een barre kust, met de kans dat een nieuwe golf ons weer uit elkaar drijft.
Deze keer praten we wel nog wat na, terwijl ik de ragi behandel Ze werkt niet want ze heeft een achterlijk dochtertje van een jaar of zestien, een stil introvert kind dat weinig zegt en alleen heel verlegen lacht als ze aangesproken wordt. Ze heeft geen aansluiting bij de meisjes van haar leeftijd, die allemaal werken. De moeder vertelt mij dat zij zelf graag zou willen werken, maar ze durft het kind niet onbeschermd in de hut achter te laten. Ze wandelt veel met haar; beweging hebben ze beiden nodig.
'In de hut praten ze alleen maar over geruchten. De mensen hebben veel te weinig te doen,' klaagt ze. Er zijn een stel oude vrouwen, stakkers, zwak en ziekelijk, en moeders met nog hele kleine kinderen en echte zieken met koorts, maar niet hoog genoeg om naar het hospitaal overgebracht te worden. Geruchten over landingen in alle grote havensteden van Java en Sumatra en over dingen die het kamp onmiddellijk treffen. We zullen nóg minder brood krijgen en kleinere porties rijst. Er is een grote groep nieuwelingen op komst, voor wie we moeten opschuiven. En het allernieuwste: we krijgen Rode-Kruispakketten. Dat is wel het meest onwaarschijnlijk, daar zijn we het over eens. Het vorige jaar hebben wij een keer een Rode-Kruispakket gehad. Dat was in Kareës, toen ik nog tot de kongsi An, Chris, Beb en kinderen behoorde. Dat was in mei dat we ze kregen, precies op Hans' verjaardag, en nu is het weer mei. Hiermee meen ik de oorsprong van het gerucht getraceerd te hebben en ik vertel het mijn buurvrouw. Meimaand, Rode-Kruismaand, zo ontstaat de kampfolklore.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten