• Ernst Jünger (1895-1998) was een Duitse militair en schrijver (en bloemenliefhebber). Uit: Das erste Pariser Tagebuch.
Vertaling onderaan.
Vincennes, 17. Mai 1941
Nachts lag ich lange beklommen im Dunkeln, wog die Sekunden nach. Dann kam ein entsetzlicher Vormittag auf dem Kasernenhof von Vincennes. Ich war wie jemand, der sehr durstig ist: in einer Pause erquickte mich die schaumige Frische der weißen Dolden am Festungswall. Wenn ich die Blumen so still im Sonnenlicht sich breiten sehe, erscheint mir ihr Behagen unendlich tief. Ich fühle, daß sie mit Sätzen und Worten zu mir sprechen, die süß und tröstend sind, und immer ergreift mich Schmerz, daß doch kein Laut von alledem zu meinen Ohren dringt. Man wird gerufen und weiß doch nicht wohin.
Am Mittag kam der Oberst mit einem Hauptmann Höll, der ein Bild von mir malen soll und einige Zeit hierbleiben wird. Ich war abends mit ihm in der Gegend der Madeleine und kaufte für Perpetua Geschenke ein. Im Laden eines Negers, Gespräche über Kolanüsse und weißen Rum. Der ganze Nachmittag war seltsam und bestätigte mich in meiner Ansicht, daß wir es sind, die das Erlebnis dirigieren; die Welt stellt uns die Instrumentation. Wir sind geladen mit einer bestimmten Art von Kraft; es springen dann die adäquaten Ge-genstände an. So sind wir etwa männlich, und es stellen sich die Frauen ein. Oder sind kindlich, und es strömen uns Geschenke zu. Und wenn wir fromm sind — — —
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.
’s Nachts lag ik lange tijd benauwd in het donker, terwijl ik de seconden afwoog. Toen brak een verschrikkelijke voormiddag aan op de kazerneplaats van Vincennes. Ik was als iemand die hevige dorst heeft: tijdens een pauze verkwikte de schuimende frisheid van de witte bloemschermen aan de vestingwal mij. Wanneer ik de bloemen zo stil zie uitspreiden in het zonlicht, lijkt hun welbehagen mij oneindig diep. Ik voel dat zij met zinnen en woorden tot mij spreken die zoet en troostend zijn, en telkens grijpt het mij aan dat geen enkel geluid daarvan mijn oren bereikt. Men wordt geroepen en weet toch niet waarheen.
Tegen de middag kwam de kolonel met kapitein Höll, die een portret van mij zal schilderen en enige tijd hier zal blijven. ’s Avonds was ik met hem in de buurt van de Madeleine en kocht geschenken voor Perpetua. In de winkel van een neger spraken we over kolanoten en witte rum. De hele middag was vreemd en bevestigde mij in mijn opvatting dat wij het zelf zijn die de ervaring dirigeren; de wereld levert ons slechts de instrumentatie. Wij zijn geladen met een bepaalde soort kracht; vervolgens springen de passende voorwerpen daarop aan. Zo zijn wij bijvoorbeeld mannelijk, en dan dienen de vrouwen zich aan. Of wij zijn kinderlijk, en dan stromen de geschenken ons tegemoet. En wanneer wij vroom zijn — — —
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten