• De Nederlandse schrijfster Beb Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.
Half mei 1945
De laatste maanden is het werk zwaarder geworden. Het heeft weinig geregend, en de kenteringsbuien bleven uit. Door de droogte moet er meer begoten worden. De oude plantersvrouw heeft het er erg moeilijk mee. Iedere dag is ze vierentwintig uur ouder geworden. Ze klaagt niet meer, ze heeft de kracht niet meer om te klagen, en zonder dat het afgesproken is, proberen we haar te ontzien. We zijn een kleine groep en Popeye [bijnaam voor hun Japanse toezichthouder] heeft dat blijkbaar ook in de gaten, want hij heeft beloofd dat we versterking krijgen als de nieuwelingen er zijn, de volgende week, heeft hij tegen Rien gezegd; dat weten we dus alweer.
16 mei 1945
Het restant van de Tjihapit-mensen [uit een nader kamp] is vandaag aangekomen. Het moeten er zo'n zevenhonderd of meer zijn, met overstelpend veel barang [bagage], in zware leren handkoffers en nog zwaardere houten hutkoffers. De Japanners zijn woedend over de grote hoeveelheid goederen (geborduurde lakens en damasten tafelkleden), waar sommige nieuwelingen mee zijn komen aanzetten. De fout ligt bij Nippon zelf, hun collega's in Bandoeng die dat hadden toegestaan. Maar zoals gewoonlijk wanneer in hun gelederen iets is misgegaan, koelen ze hun woede op ons, hun gevangenen. `Twintig kilo en niet meer,' schreeuwen ze, de rest wordt in beslag genomen. Ze laten alle bagage naar het grote veld brengen en controleren die stuk voor stuk. Als de schemer valt zijn ze er nog niet klaar mee. De vrouwen worden naar de barakken gejaagd, de geopende koffers blijven achter op het veld, bewaakt door de heiho's [inheemse hulpsoldaat]. In kussenslopen gestouwd, in bundels gebonden, dragen ze hun twintig kilo mee. Er zijn er nogal wat die huilen.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten