zondag 26 april 2020

Dorothee • 26 april 1995

• Dorothee uit Duitsland was in 1995 zestien jaar oud.

26. April 1995

BRAD PITT! Scheiße!

Ich hätte den Fernseher nicht einschalten dürfen! Ich bin im Moment total hip auf Brad. Seit ich "Legends of the fall" gesehen habe und dann hab ich so'n Bericht über ihn gelesen mit total süßen Bildern und nem Bericht, wo drin stand, dass er solo wäre. Ich kann gar nicht mehr klar denken.

Naja, gerade eben kam was über ihn im Fernsehen und er sah wieder so verdammt gut aus, dass ich fast ausgeflippt wäre, außerdem war er in Begleitung von seiner Freundin, nem Model. Ich bin jetzt voll aufgeregt und kann nur noch an ihn denken. Ich fand das früher immer albern, dieser Star-Fanatismus, aber was soll ich denn machen?

ICH ZIEHE NACH AMERIKA!!!

Bitte, bitte mach, dass ich später nach Amerika ziehe.

Scheiße!

Edmond en Jules de Goncourt • 25 april 1858

• Edmond de Goncourt(1822-1896) en Jules de Goncourt (1830-1870) waren Franse schrijvers en critici, en initiatiefnemers van de zeer prestigieuze Prix Goncourt. Ze hielden samen een (inmiddels zeer beroemd) dagboek bij, dat Edmond na de dood van Jules in zijn eentje voortzette. Vertaling door Leo van Maris.

25 april
Bij Norblin geweest, een echte kunstliefhebber, de stut en steun van handelaren en veilingen. Een klein bescheiden interieur, met een heleboel kinderen en geheel gevuld met tekeningen van Claude Lorrain van vijfhonderd frank. Hij laat ons zijn rijke collectie Hollandse meesters zien; werken van Jan Steen waar hij heel veel geld voor heeft betaald. Al die meesters vervelen me; ik denk aan de mensen die hun uiterlijk aan al die apentronies hebben gegeven en daar zie ik ze dan, gemeen, gedrongen, met grote achterwerken, in de schoorsteen pissend, hun muts op één oor, met hun bakkersjasje aan en hun voorschoot waarmee ze voor de trog staan, – lelijk en slecht opgevoed zoals bij Teniers, en eveneens verstoken van enig schoonheidsideaal.

donderdag 23 april 2020

Gustave Flaubert • 24 april 1852

• De Franse schrijver Gustave Flaubert (1821-1880) aan zijn minnares Louise Colet.

24 april 1852
Je schrijft me dat ik merkwaardige beschouwingen over de vrouwen heb weggegeven en dat ze (de vrouwen) niet zo vrij zijn in hun handelen. Dat is waar. Men leert ze bijna niets anders dan liegen en ze krijgen zoveel leugens te horen! Niemand is ooit in staat ze de waarheid te zeggen. En wanneer je zo ongelukkig bent oprecht te zijn, komen ze in opstand tegen dat zonderlinge gedrag! Wat ik ze vooral verwijt is hun behoefte aan verdichterlijking. Stel, een man houdt van zijn linnenmeid en hij weet dat zij dom is, dan zal zijn genot er niet minder om zijn. Maar als een vrouw van een of andere boerenkinkel houdt, dan is hij een miskend genie, een hoogstaande figuur enzovoort, zodat ze door deze natuurlijke neiging om scheel te kijken de waarheid niet zien wanneer die hun pad kruist, en ook de schoonheid niet wanneer die zich manifesteert. Deze slechte eigenschap (die vanuit het oogpunt van de liefde op zich een goede eigenschap is) is de oorzaak van de teleurstellingen waar zij zo over klagen! Van appelbomen sinaasappelen verlangen is een veel voorkomende ziekte bij ze. Ze zijn niet eerlijk tegenover zichzelf, zij willen niet weten dat ze er zinnen op na houden. Ze zien hun reet voor hun hart aan en geloven dat de maan er is om hun boudoir te verlichten. Het ontbreekt hun aan cynisme, de ironie van de zonde, en wanneer zij zich cynisch gedragen is het aanstellerij. De courtisane is een mythe. Nooit is een of andere vorm van wellust door een vrouw uitgevonden. Hun ziel is een piano waarop de egoïstische artiest die man heet zich verlustigt melodieën te spelen die hem doen schitteren, en alle toetsen spreken.

woensdag 22 april 2020

Frances d'Arblay • 23 april 1784

• Frances d'Arblay (1752-1840) was een Britse schrijfster. Haar dagboeken zijn gepubliceerd als The Diary and Letters of Madame D'Arblay.

Friday, April 23, 1784.- The sweet and most bewitching Mrs. Locke called upon me in the evening, with her son George. I let her in and did so rejoice I had not gone to Mrs. Vesey's. But I rejoiced for only a short time; she came but to take leave, for she was going to Norbury the very next morning. I was quite heavy all the evening. She does truly interest both head and heart. I love her already. And she was so kind, so caressing, so soft ; pressed me so much to fix a time for going to Norbury ; said such sweet things of Mrs. Phillips; and kissed me so affectionately in quitting me, that I was quite melted by her.
What a charm has London lost for me by her departure sweet crea ture that she is ; born and bred to dispense pleasure and delight to all who see or know her! She, Mrs. Thrale and Mrs. Delany, in their several ways all excellent, possess the joint powers of winning the affections, while they delight the intellects, to the highest summit I can even conceive of human attraction. The heart-fascination of Mrs. Thrale, indeed, few know - but those few must confess and must feel her sweetness, to them, is as captivating as her wit is brilliant to all.

dinsdag 21 april 2020

Wim Raven • 22 april 1977

• Wim Raven (1947) is arabist. Uit Tirade.

Aleppo, 22 april.
Het heeft enige tijd gekost om te begrijpen waarom ik zo de pest heb aan deze eerlijkgezegd best aardige plaats. Eén reden is dat het niet Cairo is. Ik ben uit heimwee van Cairo naar Aleppo gegaan. Dat is stom. Een andere reden is dat ik hier niet de status van toerist kan hebben. De marktstraatjes, de pittoreske doorkijkjes, de oosterse tafereeltjes, dat werkt niet bij een arabist, want voor het exotische is hij al immuun. Tot en met Turkije was ik toerist, maar bij de bureaucraten aan de grens was de vakantie voorbij en begon de Plicht: de zware en zinloze plicht van een student Arabisch in een Arabisch land, net als in Cairo zes jaar geleden. Ineens moet je je dan voor van alles interesseren; je leest zo'n hopeloze krant waar niets in staat, je krijgt kramp in je kaken van het praten met mensen die je niet echt aardig vindt maar die je ‘participerend’ wilt waarnemen, je probeert een taal te leren beheersen waarin tegen jou toch nooit iets gezegd zal worden, omdat ze hun hart niet willen uitstorten tegen vreemden, en geef ze eens ongelijk. Daar komt bij dat het koud is en regent. Het hele idee om naar deze streken te gaan was hinken op twee gedachten. Je houdt toch van zwemmen en zo meer? Dan moet je in Dubrovnik wezen.

maandag 20 april 2020

Willem de Clercq • 21 april 1816

• Willem de Clercq (1795-1844) was een Nederlandse handelsman. Per karos naar St. Petersburg. Reisdagboek van de Amsterdamse graanhandelaar uit het jaar 1816.

3e Dag Neuhaus, 20 April
Deze dag bleef ik in Neuhaus en dus is er van dezelve niet veel bijzonders te melden. Neuhaus is een soort van middelwezen tusschen eene stad en een dorp. Men is hier zooals de tuinman in de fabel van La Fontaine: Demi bourgeois, demi manant.
Verder gaat het hier zooals in de meeste kleine steedjes. Men heeft eene comedietroep van... marionetten, nu en dan eens een bal, een haven, een kerk. Men bepraat elkander, komt bij elkander in een collegie of liever herberg en leeft bijna gelijk als op 't land. Neuhaus is zeker een der fraaiste plaatsen die ik tot nu toe in Kehdingenland zag. - En dit zij dan ook genoegzame eer voor Neuhaus.

4de Dag. Geversdorf, Kehdingenland
Geversdorf was het oord dat ik heden bezocht en dat ook niet onder de meest bekende behoort. Schoon is de ligging aan de Oste voor binnen en buitenlandschen handel. Hier woonde voormaals een man die door koornhandel rijk geworden is, en nog vele gedenktekens van kleingeestige trotschheid à la Siegfried* nagelaten heeft. Zijn huis praalt met eenen toren, terwijl het huis Gods er genen heeft. Dit huis Gods is eene kerk die reeds een paar eeuwen telt en waar de zitbanken zoo oud zijn, dat het mij verwondert dat zij niet reeds onder den last der gelovigen ingezonken zijn. Hier had nu gemelde heer eenen verhevenen zitbank doen plaatsen alwaar - Etalant son néant en face des autels - alle zijne bezittingen, waaronder een olymolen konstiglijk in hout uitgesneden waren, welke zitbank eens op last van kerkmeesters afgebroken, en naderhand weder hersteld wierd en dus voor eenen dichter de stof tot een twede Lutrin** zou kunnen opleveren. Op het kerkhof vindt men de eerzuil voor den bezitter van den nooit volbouwden olymolen. Nog een eerzuil rijst hier door eene bedroefde weduwe aan haren egtgenoot opgerigt, welke nabij Geversdorf door eenen booswicht voor eenige jaren omgebragt wierd. De laatste stichting eindelijk is een armenhuis hetwelk misschien beter den meer gepasten naam van varkenshok verdiende te dragen.
Al dit beschrevene behoort tot het land Kehding wiens midden geest- of zandgrond en wiens kant heerlijke korenvelden bevat. Men leeft hier meestal zeer eenvoudig. Klütjes of meel-proppen die wel iets naar de Liba*** der Romeinen gelijken, zijn hier een bekende spijze. Het diner wordt in eenen groten pot opgebragt, en vader, moeder en kinderen tasten op 't felst toe. De taal is hier bijna onverstaanbaar. Het land is een paradijs voor de verkondigers des Woords, die hier tegelijk den wereldlijken en geestelijken akker beploegen. Terwijl het aanlokkelijke waardoor een vader zijnen zoon tot het bestudeeren der godgeleerdheid aanvuurt, steeds is: Dan kunt gij in eenen wagen met vier paarden rijden, 'tgeen dan ook werkelijk gebeurt.

* Held uit het Middelhoogduitse Nibelungenlied (omstr. 1205) door De Clercq gebruikt als het gestalte krijgen van de Duitse (Germaanse) pralerij.
** Komisch heldendicht van Nicolas Boileau (1636-1711). [p. 53]
*** Liba, vermoedelijk wordt hier bedoeld libamen, een Romeins plengoffer

zondag 19 april 2020

Folke Bernadotte • 20 april 1945

• Folke Bernadotte (1895-1948) was een Zweedse diplomaat en tijdens de Tweede Wereldoorlog vice-voorzitter van het Zweedse Rode Kruis. Over de laatste dagen van de oorlog en zijn rol daarin schreef hij Het einde (vertaling M. Mees).

20 April — Adolf Hitlers verjaardag. Dr. Goebbels verkondigde: "Onze Führer heeft ons niet verlaten. Dit is de overwinning." Twee dagen later begonnen de Russische troepen Berlijn binnen te dringen.
Het was een eigenaardige gewaarwording om in Berlijn aan te komen dien dag, den 20en, die vroeger gevierd was met zooveel geestdrift van de zijde van het trouwe, toegenegen, bewonderende volk van Hitler. Nu was Berlijn een stille stad geworden, de barricaden waren klaar, het volk liep doelloos rond, wachtend op de dingen, die komen gingen.
Een luchtalarm dwong mij om eenige uren in den Zweedschen bunker te verblijven. Daarna zocht ik onmiddellijk contact met Brigadeführer Schellenberg, die mij mededeelde, dat Himmler niet in Berlijn was. Ik zei hem, dat ik den volgenden morgen absoluut naar Friedrichsruh moest terugkeeren en drong er bij Schellenberg op aan, te doen wat in zijn vermogen lag om een ontmoeting te bewerkstelligen gedurende den nacht van den 20en op den 21en April. Een paar uren verstreken. Toen kwam de mededeeling van Schellenberg, dat ik mij naar Hohen-Lüchen moest begeven, waar ik in den loop van den nacht Himmler zou ontmoeten. Toen ik in den laten namiddag Berlijn verliet, hoorde ik het gedreun der Russische kanonnen.
De wegen waren vol troepen en scharen vluchtelingen en het was niet gemakkelijk om vooruit te komen. Om negen uur 's avonds bereikten wij echter onze plaats van bestemming. Professor Gebhardt deelde mij mede, dat het hem nog niet gelukt was om met Himmler in contact te komen. Wij konden dus niets anders doen dan wachten. Wij gebruikten het middagmaal, men liet mij het ziekenhuis zien, dat geheel bezet was met gewonden van het Oostfront, en men bood mij zelfs aan om aanwezig te zijn bij de operatie van een paar soldaten. Om half een werd er opgebeld. Er werd medegedeeld, dat Himmler den volgenden morgen om zes uur op Hohen-Lüchen zou ontbijten.

Het was een vermoeide en futlooze Gestapo-chef, die op het afgesproken tijdstip de eetkamer binnentrad. Misschien voelde hij, dat hij een verklaring moest geven voor zijn uiterlijk. In ieder geval deed hij uitkomen, dat hij de laatste nachten nauwelijks een oog had dichtgedaan. Het was, alsof hij geen rust had om op één plaats te verblijven; hij ging van de eene plaats naar de andere, om uiting te geven aan zijn onrust en ongedurigheid.
De ontbijttafel was goed voorzien en Himmler bleek goeden eetlust te hebben. Soms tikte hij met de nagels tegen zijn voortanden. Naar Schellenberg mij later vertelde, was dit een teeken dat hij zenuwachtig was. Dezen keer ging het gesprek uitsluitend over de humanitaire maatregelen. Ik uitte nog eens mijn wensch, dat de Scandinavische gevangenen, die nu op transport waren van Duitschland naar Denemarken, verder zouden mogen gaan naar Zweden. Schellenberg vertelde mij later, dat Hitler nog eens opnieuw had verboden hierin toe te stemmen. Daarentegen ging Himmler wel mee in andere dingen. Hij vond goed dat de Scandinavische gevangenen, in geval er oorlogshandelingen in Denemarken zouden uitbreken, door toedoen van het Zweedsche Roode Kruis naar Zweden overgebracht zouden worden. Hij bleek ook te voelen voor mijn voorstel, dat het Zweedsche Roode Kruis gelegenheid zou krijgen om alle Fransche vrouwen uit het concentratiekamp te Ravcnsbrück weg te halen. Hij verklaarde niet slechts hierin toe te stemmen, maar hij wilde tevens gaarne, dat wij vrouwen van alle nationaliteiten daar vandaan zouden halen, omdat Ravensbrück ongetwijfeld binnenkort zou moeten evacueeren. Ik beloofde hem ons detachement onmiddellijk hiertoe order te geven.
De militaire situatie was ernstig, zeer ernstig, verklaarde Himmler. Hij had echter blijkbaar geen lust om er dieper op in te gaan.
Onmiddellijk na het ontbijt begaf ik mij op weg naar Friedrichsruh.