• De Nederlandse schrijver en psychiater Frederik van Eeden (1860-1932) hield een uitgebreid dagboek bij.
vrijdag 14 augustus
Gisteren berichten van de Geldmachers [bevriende familie]. Ze zijn precies als de Engelschen in 1899 tijdens den Boerenoorlog. Ze laten zich geheel beliegen en opwinden door hun regeering en hun pers, en ze gebruiken opgewonden rhetoriek die wee maakt. Arme, arme menschen. Ik schreef eeven oopenhartig als indertijd aan mijn Engelsche vrienden. Ook een rondschrijven aan den Kring. [...] Maar mijn tijd van spreeken is nog niet gekoomen. Shaw zei het zeer goed: wij strijden teegen Potsdam, niet teegen Duitschland - het Duitschland van Bismarck heeft ons 40 jaar verveeld, we willen zien of dat van Goethe en Beethoven nog leeft. We zullen nu Frankrijk helpen teegen Potsdam. Zooals we eenmaal Duitschland teegen Rusland zullen helpen.
Ik ging gister weer naar Hans. Ooveral zijn de soldaten opgewekt en beleefd. Er wordt geen drank gedronken.
De groote slag in België blijft nog uit, maar iedere dag is winst. Omdat het élan verzwakt en de economische toestand buiten Duitschland zich herstelt, en in Duitschland de schade steeds zwaarder gevoeld wordt, door zijn isolement. [...]
zondag 16 augustus
[...] Ik ben zeer neerslachtig, met oorsuizen. Alleen slaap ik zwaar en lang. De oorlog bedroeft me zoo, om het reedelooze, domme, akelige - en het leugenachtige, het moedwillig liegen uit een of andere politieke reeden. Wat een figuur maken die diplomaten, die als deftige, beschaafde menschen optraden en nu elkaar voor bedriegers, woordbreekers en leugenaars uitmaken. Ieder van hen is er door geblameerd. Ik weet dat ik meer vertrouwen moest hebben. Ik weet dat hét Heelal volmaakt is, en dat dit alles ten goede strekt. Zelfs in mijn kleinen gezichtskring zie ik al de moogelijke zeegen na den storm. Maar ik kan het niet voelen en ben nu diep gedeprimeerd. Het einde van dit conflict schijnt nog zoo ver. Geduld! geduld!
De Tsaar heeft Polen de autonomie beloofd. Dat zou een wijze zet zijn - als het ernstig gemeend is. Het is vuil werk uit al die leugenberichten van weerskanten de waarheeden te visschen.
donderdag 13 augustus 2026
woensdag 12 augustus 2026
Jozef van Walleghem • 13 augustus 1799
• Jozef van Walleghem (1757-1801), een Brugs handelaar in garen en linten die een winkel hield op de Eiermarkt, hield van 1787 tot 1800 een journaal bij, dat eind vorige eeuw door het Stadsarchief van Brugge gepubliceerd is. Zijn dagboeken gaan over de cruciale periode van de Franse Tijd te Brugge.
Op den 13 augusti.
Op den 14 augusti heeft men vernomen dat gisteren in den naermiddag een voorval plaets gehadt heeft dat enkelijk uijt jalosije van den kolonel onser besettinge plaets gehadt heeft. Op het casteel van d'heer Croeser, gestaen buijten de Dampoorte langs den weg leijdende naer Dudzeele, wiert er daegelijks bijeenkomst of zoogenaemde kouterije door de edele deser stadt gehouden. Den kolonel tevergeefs getragt hebbende zig in hetzelve geselschap te vervoegen en daerbij niet gevraegt nog gesogt wordende, heeft desen naermiddag een detachement Fransche gardarmen te peerde daernaer toegesonden en heeft zoo de heeren als dames doen aenhouden, welke met geen civique kaerte, om te mogen uijt stadt gaen, voorsien waeren, alle welke naer Damme des zelfs canton vervoert wierden en naer veele debatten en mogelijks geltboeten maer des anderdaegs zijn geslaekt geworden.
Op den 13 augusti.
Op den 14 augusti heeft men vernomen dat gisteren in den naermiddag een voorval plaets gehadt heeft dat enkelijk uijt jalosije van den kolonel onser besettinge plaets gehadt heeft. Op het casteel van d'heer Croeser, gestaen buijten de Dampoorte langs den weg leijdende naer Dudzeele, wiert er daegelijks bijeenkomst of zoogenaemde kouterije door de edele deser stadt gehouden. Den kolonel tevergeefs getragt hebbende zig in hetzelve geselschap te vervoegen en daerbij niet gevraegt nog gesogt wordende, heeft desen naermiddag een detachement Fransche gardarmen te peerde daernaer toegesonden en heeft zoo de heeren als dames doen aenhouden, welke met geen civique kaerte, om te mogen uijt stadt gaen, voorsien waeren, alle welke naer Damme des zelfs canton vervoert wierden en naer veele debatten en mogelijks geltboeten maer des anderdaegs zijn geslaekt geworden.
Jacob van Lennep • 12 augustus 1855
• Jacob van Lennep (1802-1868) was een Nederlandse schrijver. Uit: Fragmenten uit het dagboek, gedurende eene reis naar Zwitserland.
10 Augustus. Stutgard.
Eene allerliefste residentie, met groote, luchtige pleinen en straten, een heerlijk park, fraaie monumenten, en allerliefste wandelingen in den omtrek. — Men bestelle er eene flesch Onder-Turkheimer, een frisschen, gezonden, alleraangenaamsten wijn, waarvan men drinken kan zooveel men wil, zonder er hinder van te gevoelen - en bespottelijk goedkoop. NB. Ik heb voor vast beginsel aangenomen, als ik op reis ben, altijd die wijnen bij voorkeur te drinken, welke het land zelf oplevert, of welke de inboorlingen gewoon zijn te gebruiken, en ik heb er mij steeds wel bij bevonden. Si fueris Romae Romano vivite more is een voorschrift, dat den reiziger, zoo hij zich niet aan gedurige teleurstelling en ongerief wil blootstellen, niet genoeg kan worden ingescherpt.
12 Augustus. Heidelberg.
Dat Heidelberg allerverrukkelijkst gelegen is, bewees mij de omstandigheid, dat het mij, hoezeer uit Zwitserland komende, evengoed beviel als te voren. De bergen zijn hier wel pygmeën in vergelijking met de Alpen; maar de kleur der rotsen is hier bevalliger: namelijk hier zijn zij rozerood, wat lief afsteekt tegen het groen der acacia's en linden; terwijl in Zwitserland de steen meest overal vaal grijs is.
10 Augustus. Stutgard.
Eene allerliefste residentie, met groote, luchtige pleinen en straten, een heerlijk park, fraaie monumenten, en allerliefste wandelingen in den omtrek. — Men bestelle er eene flesch Onder-Turkheimer, een frisschen, gezonden, alleraangenaamsten wijn, waarvan men drinken kan zooveel men wil, zonder er hinder van te gevoelen - en bespottelijk goedkoop. NB. Ik heb voor vast beginsel aangenomen, als ik op reis ben, altijd die wijnen bij voorkeur te drinken, welke het land zelf oplevert, of welke de inboorlingen gewoon zijn te gebruiken, en ik heb er mij steeds wel bij bevonden. Si fueris Romae Romano vivite more is een voorschrift, dat den reiziger, zoo hij zich niet aan gedurige teleurstelling en ongerief wil blootstellen, niet genoeg kan worden ingescherpt.
12 Augustus. Heidelberg.
Dat Heidelberg allerverrukkelijkst gelegen is, bewees mij de omstandigheid, dat het mij, hoezeer uit Zwitserland komende, evengoed beviel als te voren. De bergen zijn hier wel pygmeën in vergelijking met de Alpen; maar de kleur der rotsen is hier bevalliger: namelijk hier zijn zij rozerood, wat lief afsteekt tegen het groen der acacia's en linden; terwijl in Zwitserland de steen meest overal vaal grijs is.
maandag 10 augustus 2026
William S. Burroughs • 11 augustus 1975
• William S. Burroughs (1914-1997) was een Amerikaanse schrijver. Het tijdschrift Terras publiceerde Het retraitedagboek, vertaald door Lodewijk Busscher.
Maandag 11 augustus, 1975
Eerste dag van retraite. Evalueer het proces. Beckett heeft me gevraagd in zijn vijver te vissen. Interview door Kiki geregeld met Playboy. Op station met Ray M. wachtend op de trein naar St. Louis. Klein huis in New Orleans. In verkeerde huis in Wyoming Street, ik woon in Denver Street. Kroongetuige van moord in Spanje. Hebben ze de moordenaars gepakt. ‘Ja’ zegt een agent. ‘Ik heb hem bij mij thuis. Ik had namelijk vroeger een discotheek.’ Tarara boemdié. I hurry to my blue heaven. Eten met Bill Willis en Brion bij Italiaans tentje. De lekkerste steak van de stad bij Lucky Nick Dickendorf's. Romeinse ruïnes in Engeland. Huurde een hutje aan de rivier van D. Camel. Tandem-toilet. ‘Zullen we kamelen?’ Een toilet in de Hel. Gevecht met de uitsmijter. ‘Ik ken jouw soort.’ Die verdomde bus. John Brady in New York met Pat. Lege, onmenselijke blik. Tehuis aan Price Road. Bradbury Robinson - hert steekt over. Enganado a la policia. Rashomon. Het zou fijn zijn om wat van je te horen. Dit veld, deze rust, deze stille omgeving. Waarom slangen doden? Het is Onafhankelijkheidsdag in Marokko. Ian is morgen in Parijs. Stuk bevuild touw. Zijdeplant Minnesota. De plooi in mijn broekspijpen laat mij al koud. Karma is een woord. Daar gaat Madrid. De trolleybus in Alexandria. ‘Delodge, waar zijn de sleutels?’ Sjofel stationnetje, gele lichten. Het wordt steeds donkerder en steeds later.
Maandag 11 augustus, 1975
Eerste dag van retraite. Evalueer het proces. Beckett heeft me gevraagd in zijn vijver te vissen. Interview door Kiki geregeld met Playboy. Op station met Ray M. wachtend op de trein naar St. Louis. Klein huis in New Orleans. In verkeerde huis in Wyoming Street, ik woon in Denver Street. Kroongetuige van moord in Spanje. Hebben ze de moordenaars gepakt. ‘Ja’ zegt een agent. ‘Ik heb hem bij mij thuis. Ik had namelijk vroeger een discotheek.’ Tarara boemdié. I hurry to my blue heaven. Eten met Bill Willis en Brion bij Italiaans tentje. De lekkerste steak van de stad bij Lucky Nick Dickendorf's. Romeinse ruïnes in Engeland. Huurde een hutje aan de rivier van D. Camel. Tandem-toilet. ‘Zullen we kamelen?’ Een toilet in de Hel. Gevecht met de uitsmijter. ‘Ik ken jouw soort.’ Die verdomde bus. John Brady in New York met Pat. Lege, onmenselijke blik. Tehuis aan Price Road. Bradbury Robinson - hert steekt over. Enganado a la policia. Rashomon. Het zou fijn zijn om wat van je te horen. Dit veld, deze rust, deze stille omgeving. Waarom slangen doden? Het is Onafhankelijkheidsdag in Marokko. Ian is morgen in Parijs. Stuk bevuild touw. Zijdeplant Minnesota. De plooi in mijn broekspijpen laat mij al koud. Karma is een woord. Daar gaat Madrid. De trolleybus in Alexandria. ‘Delodge, waar zijn de sleutels?’ Sjofel stationnetje, gele lichten. Het wordt steeds donkerder en steeds later.
zondag 9 augustus 2026
Hiske Dibbets • 10 augustus 1997
• In 1997 nodigde het tijdschrift Optima een aantal schrijvers uit tot het bijhouden van een 'Onhollands dagboek' — als reactie op het populaire 'Hollands Dagboek'uit de NRC. Zo ook schrijfster Hiske Dibbets (1966-2023).
10 augustus
Op de laatste dag van de schoolvakantie ga ik naar mijn oma in Weert. Ze is zesentachtig en dement, en hoewel ze niemand herkent, vindt ze het nog steeds leuk om bezoek te krijgen. Ik loop van het station naar het bejaardentehuis, gelegen aan het Maria Hart. Op de vierde etage kom ik langs de logeerkamer waar mijn opa zes jaar geleden is overleden. Hij is op zijn sterfbed naar het bejaardentehuis verhuisd omdat mijn oma daar anders geen plaats kon krijgen. Ik herinner me zijn ingevallen gezicht, het vel dat om zijn botten slobberde en zijn buik, bol van het vocht en de gezwellen; hij leek een hulpeloos spartelende schildpad in het stalen logeerbed.
Een schildpad met een wijncollectie, dat wel. Elke avond stuurde hij zijn dochters naar huis om de beste flessen uit zijn kelder te halen, want hij vond het zonde om te sterven zonder die te proeven. In het bejaardentehuis werd dan de ene goede wijn na de andere ontkurkt, die hij met kleine slokjes door zijn mond liet rollen. ‘Pas over twee jaar op dronk,’ zei hij dan spijtig. Er kwam zelfs een ijskastje voor de witte wijn.
Oma zit voor het raam en spreekt in onbegrijpelijke halfzinnen; ze had het net neergelegd, maar nu zijn de dozen weer weg en ze had nog zo gezegd. Oma is Plato's grot geworden, het echte leven is buiten, in haar alleen schaduwen van dingen, herinneringen, woorden en emoties.
‘Dag oma, ik ben het, Hiske.’
‘Dag Jan,’ zegt ze.
Samen met de verpleegsters hijs ik haar in de rolstoel en rijd haar naar de grote markt. Ik voer haar hapjes van een mini-ijscoupe. Ze geniet en vraagt: ‘Verzorg jij je voeten wel?’ Later belanden we op het parcours van een wielerwedstrijd. De straten van Weert zijn afgezet met linten, we komen niet meer weg en ik vrees mijn oma te moeten voortduwen totdat we in Lourdes zijn. Gelukkig, daar is de finish. Onder luid gejuich van toeschouwers passeren we de streep. Wanneer ik oma terugbreng, kom ik weer langs de logeerkamer. Toch mooi dat mijn opa, omgeven door goede wijn, is gestorven in het hart van Maria; al was het in een logeerbed.
10 augustus
Op de laatste dag van de schoolvakantie ga ik naar mijn oma in Weert. Ze is zesentachtig en dement, en hoewel ze niemand herkent, vindt ze het nog steeds leuk om bezoek te krijgen. Ik loop van het station naar het bejaardentehuis, gelegen aan het Maria Hart. Op de vierde etage kom ik langs de logeerkamer waar mijn opa zes jaar geleden is overleden. Hij is op zijn sterfbed naar het bejaardentehuis verhuisd omdat mijn oma daar anders geen plaats kon krijgen. Ik herinner me zijn ingevallen gezicht, het vel dat om zijn botten slobberde en zijn buik, bol van het vocht en de gezwellen; hij leek een hulpeloos spartelende schildpad in het stalen logeerbed.
Een schildpad met een wijncollectie, dat wel. Elke avond stuurde hij zijn dochters naar huis om de beste flessen uit zijn kelder te halen, want hij vond het zonde om te sterven zonder die te proeven. In het bejaardentehuis werd dan de ene goede wijn na de andere ontkurkt, die hij met kleine slokjes door zijn mond liet rollen. ‘Pas over twee jaar op dronk,’ zei hij dan spijtig. Er kwam zelfs een ijskastje voor de witte wijn.
Oma zit voor het raam en spreekt in onbegrijpelijke halfzinnen; ze had het net neergelegd, maar nu zijn de dozen weer weg en ze had nog zo gezegd. Oma is Plato's grot geworden, het echte leven is buiten, in haar alleen schaduwen van dingen, herinneringen, woorden en emoties.
‘Dag oma, ik ben het, Hiske.’
‘Dag Jan,’ zegt ze.
Samen met de verpleegsters hijs ik haar in de rolstoel en rijd haar naar de grote markt. Ik voer haar hapjes van een mini-ijscoupe. Ze geniet en vraagt: ‘Verzorg jij je voeten wel?’ Later belanden we op het parcours van een wielerwedstrijd. De straten van Weert zijn afgezet met linten, we komen niet meer weg en ik vrees mijn oma te moeten voortduwen totdat we in Lourdes zijn. Gelukkig, daar is de finish. Onder luid gejuich van toeschouwers passeren we de streep. Wanneer ik oma terugbreng, kom ik weer langs de logeerkamer. Toch mooi dat mijn opa, omgeven door goede wijn, is gestorven in het hart van Maria; al was het in een logeerbed.
José Saramago • 9 augustus 1995
• De Portugese schrijver (en Nobelprijswinnaar) José Saramago (1922-2010) hield vijf jaar lang, van 1993 tot en met 1997, een dagboek bij dat gepubliceerd werd onder de titel Cadernos de Lanzarote. Een keuze daaruit werd (vertaald door Harrie Lemmens) gepubliceerd in Bzzletin.
9 augustus 1995
Gisteren heb ik De stad der blinden afgerond, bijna vier jaar nadat het idee bij me was opgekomen, om precies te zijn op 6 september 1991, toen ik alleen zat te eten in restaurant Varina da Madragoa van mijn vriend António Oliveira (ik heb tijd en plaats opgetekend in een van mijn zwarte boekjes). Op de kop af drie jaar en drie maanden later, op 6 december 1994, noteerde ik dat ik nog geen vijftig bladzijden had geschreven: ik had gereisd, was aan staar geopereerd, verhuisd naar Lanzarote... En ik heb gevochten, hard gevochten, alleen ik weet hoeveel, tegen de twijfels, de verbijstering, de fouten waardoor het verhaal telkens weer vastliep en ik niet meer wist hoe het verder moest. Alsof dat nog niet genoeg was, dreef de afschuw, de horreur van wat ik aan het vertellen was mij tot wanhoop. Maar goed, het is af, ik hoef niet langer te lijden. Nu is het tijd mezelf de vraag te stellen waar geen enkele schrijver van houdt: ‘Wat is er overgebleven van dat oorspronkelijke idee?’ (Schrijvers houden er niet van omdat ze liever hebben dat de lezer denkt dat een boek kant en klaar uit hun hoofd komt.) Ik zou zeggen dat er alles en haast niets van is overgebleven: weliswaar heb ik geschreven wat ik wilde schrijven, maar ik heb het niet gedaan hóe ik had gedacht. Ik hoef maar mijn inspiratie van vier jaar geleden te vergelijken met wat het uiteindelijk is geworden. Toen krabbelde ik neer: ‘Er worden blinde kinderen geboren. Eerst nog zonder verontrusting: jammerklachten, bijzonder onderwijs, tehuizen. Wanneer duidelijk wordt dat er geen kinderen meer worden geboren die kunnen zien, ontstaat er paniek. Sommigen doden hun kind bij de geboorte. Met het verstrijken van de tijd sterven de “zienden” en de balans slaat door naar de blinden. Iedereen die nog kan zien gaat dood en de hele wereldbevolking bestaat uit blinden. Op zekere dag wordt er een kind geboren dat normaal kan zien en er volgen er meer: verbaasde, soms gewelddadige reacties, sommige van die kinderen sterven. Het proces keert om tot het - misschien - weer terugkeert naar het begint.’ Als je dat vergelijkt...
9 augustus 1995
Gisteren heb ik De stad der blinden afgerond, bijna vier jaar nadat het idee bij me was opgekomen, om precies te zijn op 6 september 1991, toen ik alleen zat te eten in restaurant Varina da Madragoa van mijn vriend António Oliveira (ik heb tijd en plaats opgetekend in een van mijn zwarte boekjes). Op de kop af drie jaar en drie maanden later, op 6 december 1994, noteerde ik dat ik nog geen vijftig bladzijden had geschreven: ik had gereisd, was aan staar geopereerd, verhuisd naar Lanzarote... En ik heb gevochten, hard gevochten, alleen ik weet hoeveel, tegen de twijfels, de verbijstering, de fouten waardoor het verhaal telkens weer vastliep en ik niet meer wist hoe het verder moest. Alsof dat nog niet genoeg was, dreef de afschuw, de horreur van wat ik aan het vertellen was mij tot wanhoop. Maar goed, het is af, ik hoef niet langer te lijden. Nu is het tijd mezelf de vraag te stellen waar geen enkele schrijver van houdt: ‘Wat is er overgebleven van dat oorspronkelijke idee?’ (Schrijvers houden er niet van omdat ze liever hebben dat de lezer denkt dat een boek kant en klaar uit hun hoofd komt.) Ik zou zeggen dat er alles en haast niets van is overgebleven: weliswaar heb ik geschreven wat ik wilde schrijven, maar ik heb het niet gedaan hóe ik had gedacht. Ik hoef maar mijn inspiratie van vier jaar geleden te vergelijken met wat het uiteindelijk is geworden. Toen krabbelde ik neer: ‘Er worden blinde kinderen geboren. Eerst nog zonder verontrusting: jammerklachten, bijzonder onderwijs, tehuizen. Wanneer duidelijk wordt dat er geen kinderen meer worden geboren die kunnen zien, ontstaat er paniek. Sommigen doden hun kind bij de geboorte. Met het verstrijken van de tijd sterven de “zienden” en de balans slaat door naar de blinden. Iedereen die nog kan zien gaat dood en de hele wereldbevolking bestaat uit blinden. Op zekere dag wordt er een kind geboren dat normaal kan zien en er volgen er meer: verbaasde, soms gewelddadige reacties, sommige van die kinderen sterven. Het proces keert om tot het - misschien - weer terugkeert naar het begint.’ Als je dat vergelijkt...
Clara • 8 augustus 1818
• Uit: Bladen uit Clara's dagboek. Fictief dagboek, geschreven door Erna. Clara leert de leuke nieuwe dorpsdokter kennen.
8 Augustus.
Tante is weer geheel beter, en in de wolken over de knapheid van Van Duren. Hij bezocht haar van de week elken dag, en zijne visites waren altijd even gezellig, al duurden ze soms kort.
Van middag kwam hij voor het laatst en bleef toen bijna een uur zitten praten; hij vertelde van zijn ouders, die beiden dood zijn, en van zijn studententijd, zoodat ik telkens moest lachen om al de grappen.
Eindelijk sprong hij met schrik op, en nam haastig afschied met excuus dat hij zoo lang gebleven was.
‘In zulk prettig gezelschap zou ik mijne patienten vergeten’ zei hij, mij aanziende.
Meende hij dat, of was het eene beleefdheidsfrase?
Dit kan ik bijna niet denken, want hij vroeg aan tante of hij ook eens eene visite mocht komen maken ‘als gewoon mensch.’ Tante antwoordde natuurlijk, dat het haar genoegen zou doen, ik ben benieuwd wanneer hij komen zal.
8 Augustus.
Tante is weer geheel beter, en in de wolken over de knapheid van Van Duren. Hij bezocht haar van de week elken dag, en zijne visites waren altijd even gezellig, al duurden ze soms kort.
Van middag kwam hij voor het laatst en bleef toen bijna een uur zitten praten; hij vertelde van zijn ouders, die beiden dood zijn, en van zijn studententijd, zoodat ik telkens moest lachen om al de grappen.
Eindelijk sprong hij met schrik op, en nam haastig afschied met excuus dat hij zoo lang gebleven was.
‘In zulk prettig gezelschap zou ik mijne patienten vergeten’ zei hij, mij aanziende.
Meende hij dat, of was het eene beleefdheidsfrase?
Dit kan ik bijna niet denken, want hij vroeg aan tante of hij ook eens eene visite mocht komen maken ‘als gewoon mensch.’ Tante antwoordde natuurlijk, dat het haar genoegen zou doen, ik ben benieuwd wanneer hij komen zal.
vrijdag 7 augustus 2026
Esther van Vriesland • 7 augustus 1942
• Esther van Vriesland (1926-1942) hield in 1942 negen maanden een dagboek bij, tot ze werd weggevoerd naar Westerbork en later Auschwitz, waar ze in oktober 1942 werd omgebracht.
Thursday, August 6, 1942
"The day of Liberty", Simon said all the day. But it is not. The sun shines, hooray! The airplanes have flown last night. And the night before they have flown also. I ended, for else my cup of chocolate becomes cold. Bye!
Friday, August 7,1942
Today I have had an English lesson. At six o'clock we should go to the doctor to inoculate (inenten). I was very fearful (angstig) and I stood to tremble on my legs. When we were at the doctor, he had not his (serum) and now we must come back Tuesday (!)
I have "Kleine Levens" of Diet Kramer. I am knitting a cap of wool. Bye, I go to read.
Zondag, 9 augustus 1942
Gelukkig weer Hollands. Nu kan ik veel beter alles vertellen. Ik heb niets bijzonders beleefd. Jo en Kees zijn uit de stad. Henk was gisteravond hier en was het veel gezelliger, dan wanneer ze allemaal hier zijn. Dan moet je zo opletten, of je niet in je onderjurk zit en dan al die misselijk praatjes aan te horen. We hebben leuk gekletst en gekke herinneringen opgehaald. Miep was er ook.
Ik ben een wollen muts aan het breien met puntjes, voor als ik naar Polen moet. Ik heb er een oud truitje voor uitgehaald. Ik ga weer breien.
Maandag, 10 augustus 1942
Ongeveer half zeven. Pas bericht gehad, dat de joden uit Dordt, Sliedrecht, Hardinxveld (Schelluinen) en Leerdam naar Polen moeten. Denkelijk (God zal het geven) is Gorkum vergeten. Alles in rep en roer. Vader en moeder wanhopig. God, vergeef me, dat ik vader kon haten, want ik heb pas ruzie met hem gehad. Vader en moeder hoeven niet, alleen wij met z'n drieën. Ik ben soms zo hoopvol. Is het werkelijk vertrouwen in God, of is het naïeviteit, kinderlijke onwetendheid? We zijn er allemaal kapot van. We kunnen vanavond nog bericht krijgen, morgenavond gaan ze pas weg. Zullen we er levend doorkomen? Vader en moeder achterlaten? Wanneer is het dan toch vrede? O God, help toch! Ik wou, dat we mochten knielen. Ik heb het wel eens heel eventjes gedaan, maar dan heb je zo n angstig gevoel. Wij mogen niet knielen. Maar bidden mag toch. God, ik bid U... 321-2017>
Thursday, August 6, 1942
"The day of Liberty", Simon said all the day. But it is not. The sun shines, hooray! The airplanes have flown last night. And the night before they have flown also. I ended, for else my cup of chocolate becomes cold. Bye!
Friday, August 7,1942
Today I have had an English lesson. At six o'clock we should go to the doctor to inoculate (inenten). I was very fearful (angstig) and I stood to tremble on my legs. When we were at the doctor, he had not his (serum) and now we must come back Tuesday (!)
I have "Kleine Levens" of Diet Kramer. I am knitting a cap of wool. Bye, I go to read.
Zondag, 9 augustus 1942
Gelukkig weer Hollands. Nu kan ik veel beter alles vertellen. Ik heb niets bijzonders beleefd. Jo en Kees zijn uit de stad. Henk was gisteravond hier en was het veel gezelliger, dan wanneer ze allemaal hier zijn. Dan moet je zo opletten, of je niet in je onderjurk zit en dan al die misselijk praatjes aan te horen. We hebben leuk gekletst en gekke herinneringen opgehaald. Miep was er ook.
Ik ben een wollen muts aan het breien met puntjes, voor als ik naar Polen moet. Ik heb er een oud truitje voor uitgehaald. Ik ga weer breien.
Maandag, 10 augustus 1942
Ongeveer half zeven. Pas bericht gehad, dat de joden uit Dordt, Sliedrecht, Hardinxveld (Schelluinen) en Leerdam naar Polen moeten. Denkelijk (God zal het geven) is Gorkum vergeten. Alles in rep en roer. Vader en moeder wanhopig. God, vergeef me, dat ik vader kon haten, want ik heb pas ruzie met hem gehad. Vader en moeder hoeven niet, alleen wij met z'n drieën. Ik ben soms zo hoopvol. Is het werkelijk vertrouwen in God, of is het naïeviteit, kinderlijke onwetendheid? We zijn er allemaal kapot van. We kunnen vanavond nog bericht krijgen, morgenavond gaan ze pas weg. Zullen we er levend doorkomen? Vader en moeder achterlaten? Wanneer is het dan toch vrede? O God, help toch! Ik wou, dat we mochten knielen. Ik heb het wel eens heel eventjes gedaan, maar dan heb je zo n angstig gevoel. Wij mogen niet knielen. Maar bidden mag toch. God, ik bid U... 321-2017>
woensdag 5 augustus 2026
Thomas Mann • 6 augustus 1945
• Thomas Mann (1875-1955) was een van de allergrootste Duitse schrijvers. In zijn dagboeken documenteerde hij objectief en in telegramstijl zijn leven en gedachtes. In de jaren veertig woonde hij in de Verenigde Staten, aan de Californische kust. Gedeeltes uit zijn dagboeken uit die tijd zijn in het Nederlands vertaald (door Paul Beers) in Duitsland heeft me nooit met rust gelaten. Amerikaans dagboek 1940-1948.
Pacific Palisades, maandag 6 augustus 1945
In Westwood voor het kopen van witte schoenen en kleurige overhemden. – Eerste aanval op Japan met bommen waarin de krachten van het gesprongen atoom (uranium) werkzaam [zijn]. Het geheim is dus ontdekt. Ook de Duitsers waren er dichtbij, maar de Amerikanen hebben de wedstrijd gewonnen – misschien met hun hulp; want talrijke Duitse fysici schijnen hier nu te werken – met dezelfde ijver als voor Hitler-Duitsland. De atoom-kracht-bom heeft 2 miljard gekost, en tienduizenden mensen hebben er in geheimzinnige arbeidsverdeling aan gewerkt.
Pacific Palisades, dinsdag 7 augustus 1945
De bladen vol van de atoom-bom en de geschiedenis van haar uitvinding, waarin veel joodse geleerden een rol spelen. De Duitsers waren er dichtbij voor hun collaps. Dit alles opwindend en onheilspellend. Het Vaticaan ertegen, kenmerkend genoeg. In het innerlijk van de natuur dringt geen geschapen geest? De binnenste kracht van het heelal wordt in dienst van de mens gesteld. Ze is daarbij in twijfelachtige handen. Maar het hoofd heeft het afgedwongen, gestimuleerd en begunstigd door de oorlog, vooralsnog alleen voor vernietigingsdoeleinden. De ontdekking van de radio-activiteit en van de atoom-transformatie moest wel voort gaan. Het ontstaan van barium uit het uranium, dat eerst ongeloofwaardig leek. 668-2020>
Pacific Palisades, maandag 6 augustus 1945
In Westwood voor het kopen van witte schoenen en kleurige overhemden. – Eerste aanval op Japan met bommen waarin de krachten van het gesprongen atoom (uranium) werkzaam [zijn]. Het geheim is dus ontdekt. Ook de Duitsers waren er dichtbij, maar de Amerikanen hebben de wedstrijd gewonnen – misschien met hun hulp; want talrijke Duitse fysici schijnen hier nu te werken – met dezelfde ijver als voor Hitler-Duitsland. De atoom-kracht-bom heeft 2 miljard gekost, en tienduizenden mensen hebben er in geheimzinnige arbeidsverdeling aan gewerkt.
Pacific Palisades, dinsdag 7 augustus 1945
De bladen vol van de atoom-bom en de geschiedenis van haar uitvinding, waarin veel joodse geleerden een rol spelen. De Duitsers waren er dichtbij voor hun collaps. Dit alles opwindend en onheilspellend. Het Vaticaan ertegen, kenmerkend genoeg. In het innerlijk van de natuur dringt geen geschapen geest? De binnenste kracht van het heelal wordt in dienst van de mens gesteld. Ze is daarbij in twijfelachtige handen. Maar het hoofd heeft het afgedwongen, gestimuleerd en begunstigd door de oorlog, vooralsnog alleen voor vernietigingsdoeleinden. De ontdekking van de radio-activiteit en van de atoom-transformatie moest wel voort gaan. Het ontstaan van barium uit het uranium, dat eerst ongeloofwaardig leek. 668-2020>
dinsdag 4 augustus 2026
A.F.Th. van der Heijden • 5 augustus 1966
• A.F.Th. van der Heijden (1951) is een Nederlandse schrijver. In Engelenplaque. Notities van alledag publiceerde hij dagboekfragmenten uit de periode 1966-2003.
Vrijdag 5 augustus 1966. Luxemburg. Na het middageten maakten we een plan om de smalle beek langs ons kampeerterrein te volgen naar zijn bron. Eerst ging het gemakkelijk, maar later werden de bossen dichter. Sparretakken en dennetakken striemden onze blote ruggen. Het was zeer warm. Het werd steeds moeilijker.
Op een gegeven moment zagen we langs de beek een kleine kampplaats. Er lagen nog de verkoolde resten van een houtvuur. Bart vond een soort vlaggestok met in zwarte letters het woord 'vorwärds' erop gedrukt. Dus niet 'vorwärts', maar met een d. Iets Scandinaafs misschien. Het was zo'n stok die open kon, zoals bij die dingen waar je een krant tussen kunt klemmen. Er zat geen vlag in.
'Vorwärds,' zei Kees, maar het bos werd zowat ondoordringbaar en de wolken insecten ook. We keerden terug naar ons basiskamp. Nooit zouden we weten hoe de bron eruitzag.
239-2013>
Op een gegeven moment zagen we langs de beek een kleine kampplaats. Er lagen nog de verkoolde resten van een houtvuur. Bart vond een soort vlaggestok met in zwarte letters het woord 'vorwärds' erop gedrukt. Dus niet 'vorwärts', maar met een d. Iets Scandinaafs misschien. Het was zo'n stok die open kon, zoals bij die dingen waar je een krant tussen kunt klemmen. Er zat geen vlag in.
'Vorwärds,' zei Kees, maar het bos werd zowat ondoordringbaar en de wolken insecten ook. We keerden terug naar ons basiskamp. Nooit zouden we weten hoe de bron eruitzag.
maandag 3 augustus 2026
Nescio • 4 augustus 1951
• Nescio (J.H.F. Grönloh, 1882-1961) was een Nederlandse schrijver. In zijn Natuurdagboek (1946-1955) deed hij verslag van onder meer zijn wandelingen.
3 Augustus
Vrijdag. Bus heen en weer naar Bergen (alleen). Kopje koffie in de ‘Rustende Jager’. Zonnespel op ruïne en in de boomtoppen en op het muurtje (Corot, Renoir, Manet). Uit van ½ 10 tot ½ 12. 's Avonds op het duin geklommen, zon vurig onder in zee. Knaap met bruin en wit geruite bloes, met opgetrokken knieën, handen om z'n knieën zat extatisch naar de zon te staren (14 jaar?), speelde Bavink of Bekker.
4 Augustus
Zaterdag. Dag van nix. Veel geslapen. 's Middags met Os in het dorp een taartje gekocht en later (± 7 uur) bloemen bij Meedendorp.
5 Augustus
Zondag ochtend, te vergeefs naar de Miepen (met bus tot driesprong). 's Middags op het duin, pays de velours met witte wolken, zag er uit of het 1256 was. De 2 zilveren torenspitsen van Schagen op den horizon. 's Avonds weer met bus naar de Miepen, die nu thuis waren. Even daar geweest, toen heeft Miep me naar de driesprong gebracht, waar we 40 minuten op dien hoek hebben gewacht. Ik zat op de ‘stone of chastity’ en keek naar die dichte rij populieren voòr het duin.
6 Augustus
Maandagochtend. Bijna 1½ uur met Os op stoelen op het gras in den tuin van Peek gezeten. Ideale nazomer. Witjes, stippelpaard (grauw met eenig wit) met de lange steeds zwaaiende witte staart en starende kijkkop. Als Erasmus bij Bergen op Zoom.
7 Augustus
Dinsdag. 's Morgens met de bus heen en weer naar Bergen. Weer Rustende Jager. Daarvoor en daarna op het muurtje geleund en over het gras gekeken naar de kerk (met lantaarn bij de deur) en naar de grafsteenen, tusschen de brokken ruïne door. Witjes. Weer Corot enz. 's Avonds even gaan kijken bij den ‘Paardenhemel’ naar dat fantastisch duinlandschap met naar alle kanten hellende boomgroepen en zandplekken en dat oploopende weitje. Zon rechts op zij, alleen door scherp te kijken kon je de teekening in het landschap zien. 40 kameelen wandelden achter elkaar door dat landschap.
3 Augustus
Vrijdag. Bus heen en weer naar Bergen (alleen). Kopje koffie in de ‘Rustende Jager’. Zonnespel op ruïne en in de boomtoppen en op het muurtje (Corot, Renoir, Manet). Uit van ½ 10 tot ½ 12. 's Avonds op het duin geklommen, zon vurig onder in zee. Knaap met bruin en wit geruite bloes, met opgetrokken knieën, handen om z'n knieën zat extatisch naar de zon te staren (14 jaar?), speelde Bavink of Bekker.
4 Augustus
Zaterdag. Dag van nix. Veel geslapen. 's Middags met Os in het dorp een taartje gekocht en later (± 7 uur) bloemen bij Meedendorp.
5 Augustus
Zondag ochtend, te vergeefs naar de Miepen (met bus tot driesprong). 's Middags op het duin, pays de velours met witte wolken, zag er uit of het 1256 was. De 2 zilveren torenspitsen van Schagen op den horizon. 's Avonds weer met bus naar de Miepen, die nu thuis waren. Even daar geweest, toen heeft Miep me naar de driesprong gebracht, waar we 40 minuten op dien hoek hebben gewacht. Ik zat op de ‘stone of chastity’ en keek naar die dichte rij populieren voòr het duin.
6 Augustus
Maandagochtend. Bijna 1½ uur met Os op stoelen op het gras in den tuin van Peek gezeten. Ideale nazomer. Witjes, stippelpaard (grauw met eenig wit) met de lange steeds zwaaiende witte staart en starende kijkkop. Als Erasmus bij Bergen op Zoom.
7 Augustus
Dinsdag. 's Morgens met de bus heen en weer naar Bergen. Weer Rustende Jager. Daarvoor en daarna op het muurtje geleund en over het gras gekeken naar de kerk (met lantaarn bij de deur) en naar de grafsteenen, tusschen de brokken ruïne door. Witjes. Weer Corot enz. 's Avonds even gaan kijken bij den ‘Paardenhemel’ naar dat fantastisch duinlandschap met naar alle kanten hellende boomgroepen en zandplekken en dat oploopende weitje. Zon rechts op zij, alleen door scherp te kijken kon je de teekening in het landschap zien. 40 kameelen wandelden achter elkaar door dat landschap.
zondag 2 augustus 2026
Nanne Tepper • 3 augustus 1997
• In 1997 nodigde het tijdschrift Optima een aantal schrijvers uit tot het bijhouden van een 'Onhollands dagboek' — als reactie op het populaire 'Hollands Dagboek'uit de NRC. Zo ook Nanne Tepper (1962-2012).
3 augustus 1997
Kom bont en blauw thuis van de boekenmarkt in Deventer. Kilometers lang gemolesteerd door de met W.F. Hermans volgepropte rugzakjes van in maanden niet verschoonde bejaarden.
4 augustus 1997
Postmodernisme?
De twee beste essays die ik de laatste jaren heb gelezen (te vinden in Jongstra's Familieportret) handelen - scherpzinnig, hartstochtelijk en liefdevol - over twee klassieken die ik hartgrondig verfoei: Sterne's Sentimentele Reis en Gogols Dode Zielen.
15 augustus 1997
Een schrijfster, met wie ik sinds kort correspondeer, vraagt mij, nadat ik wat collega's op de korrel heb genomen, wat mijn ‘makke’ dan wel is. Dat laat zich snel formuleren: mijn ambachtelijke makke is dat ik mij veel te weinig gelegen laat liggen aan het voldongen feit dat ik geen genie ben.
16 augustus 1997
Miljoenen mensen rouwen vandaag om iemand die zich letterlijk doodgescheten heeft. Ik ook.
En opeens herinner ik me ene Peter te Bos, zanger van het meest overschatte vaderlandse popgroepje aller tijden, Claw Boys Claw, die in een televisieshow op de vraag van de gastvrouw ‘Welk nummer van Elvis zou jij graag willen coveren?’ antwoordde: ‘Suspicious Minds.’
‘O ja?’ zei de gastvrouw, ‘zing 's een stukje dan?’
Peter te Bos: ‘♪♪We called in a tramp, I can't walk out ♪♪’
Gelukkig heb ik altijd een bandje uit de jaren zeventig met de stem van Henk Spaan scherp staan: ‘Vuilnismaaaaan! Kan deze zák ook mee?!’
3 augustus 1997
Kom bont en blauw thuis van de boekenmarkt in Deventer. Kilometers lang gemolesteerd door de met W.F. Hermans volgepropte rugzakjes van in maanden niet verschoonde bejaarden.
4 augustus 1997
Postmodernisme?
De twee beste essays die ik de laatste jaren heb gelezen (te vinden in Jongstra's Familieportret) handelen - scherpzinnig, hartstochtelijk en liefdevol - over twee klassieken die ik hartgrondig verfoei: Sterne's Sentimentele Reis en Gogols Dode Zielen.
15 augustus 1997
Een schrijfster, met wie ik sinds kort correspondeer, vraagt mij, nadat ik wat collega's op de korrel heb genomen, wat mijn ‘makke’ dan wel is. Dat laat zich snel formuleren: mijn ambachtelijke makke is dat ik mij veel te weinig gelegen laat liggen aan het voldongen feit dat ik geen genie ben.
16 augustus 1997
Miljoenen mensen rouwen vandaag om iemand die zich letterlijk doodgescheten heeft. Ik ook.
En opeens herinner ik me ene Peter te Bos, zanger van het meest overschatte vaderlandse popgroepje aller tijden, Claw Boys Claw, die in een televisieshow op de vraag van de gastvrouw ‘Welk nummer van Elvis zou jij graag willen coveren?’ antwoordde: ‘Suspicious Minds.’
‘O ja?’ zei de gastvrouw, ‘zing 's een stukje dan?’
Peter te Bos: ‘♪♪We called in a tramp, I can't walk out ♪♪’
Gelukkig heb ik altijd een bandje uit de jaren zeventig met de stem van Henk Spaan scherp staan: ‘Vuilnismaaaaan! Kan deze zák ook mee?!’
Beb Vuyk • 2 augustus 1945
• De Nederlandse schrijfster Beb Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.
1 augustus 1945
Het nachtwachtlopen bevalt mij wel. Vier uur werken, in plaats van de zes uur in de tuinen. De betaling is hetzelfde en als extra halverwege de wacht hete thee met suiker. Er is weinig animo voor dit werk, vandaar de gunstige voorwaarden De meesten durven niet. Bang, omdat de nachtwacht direct door de kenpeitai [militaire politie] wordt gecontroleerd, en ook om het alleen zijn in het donker. En dan de spoken, dat moet voor de Indischen vreselijk zijn, er zijn hier al zovelen gestorven. Ieder uur komt de hancho [blokhoofd] langs en vraagt of er iets is te rapporteren. Het is een grappig mens, een Schotse, met een kordaat verweerd oudemannengezicht. Eén keer per nacht komt de kenpeitai. Ik kan de Japanse zin niet onthouden en mompel maar wat. 'Je wordt zo dom van de honger,' klaagde Rudi gisteren, terwijl hij Franse woordjes zat te leren. 'Nou, dat merk ik zelf dan ook.' We hebben de opdracht om te gaan staan en te buigen, en soms schreeuwt de Jap wat terug, maar meestal loopt hij zwijgend voorbij. Nooit aanspreken, een vrouw mag een officier nooit aanspreken! Rapporteren aan de hancho. Er valt nooit wat te rapporteren. Zorgen dat je niet in slaap valt is de voornaamste opdracht. Je mag heen en weer lopen tussen de twee wachttorens of gaan zitten op een centraal punt. In de nacht is het kamp anders. De spanning is weg. Je hoort weer tot de wereld en niet meer alleen tot het kamp. Buiten zijn in de nacht, wat verboden was, geeft een gevoel van vrijheid. In ieder geval herstelt het een stuk van mijn privé-leven, ook overdag. Je valt als nachtwacht buiten het werkschema van de anderen, je slaapt als zij werken, je kunt baden als niemand baadt, alleenzijn in de badkamer en alleenzijn op de w.c.
1 augustus 1945
Het nachtwachtlopen bevalt mij wel. Vier uur werken, in plaats van de zes uur in de tuinen. De betaling is hetzelfde en als extra halverwege de wacht hete thee met suiker. Er is weinig animo voor dit werk, vandaar de gunstige voorwaarden De meesten durven niet. Bang, omdat de nachtwacht direct door de kenpeitai [militaire politie] wordt gecontroleerd, en ook om het alleen zijn in het donker. En dan de spoken, dat moet voor de Indischen vreselijk zijn, er zijn hier al zovelen gestorven. Ieder uur komt de hancho [blokhoofd] langs en vraagt of er iets is te rapporteren. Het is een grappig mens, een Schotse, met een kordaat verweerd oudemannengezicht. Eén keer per nacht komt de kenpeitai. Ik kan de Japanse zin niet onthouden en mompel maar wat. 'Je wordt zo dom van de honger,' klaagde Rudi gisteren, terwijl hij Franse woordjes zat te leren. 'Nou, dat merk ik zelf dan ook.' We hebben de opdracht om te gaan staan en te buigen, en soms schreeuwt de Jap wat terug, maar meestal loopt hij zwijgend voorbij. Nooit aanspreken, een vrouw mag een officier nooit aanspreken! Rapporteren aan de hancho. Er valt nooit wat te rapporteren. Zorgen dat je niet in slaap valt is de voornaamste opdracht. Je mag heen en weer lopen tussen de twee wachttorens of gaan zitten op een centraal punt. In de nacht is het kamp anders. De spanning is weg. Je hoort weer tot de wereld en niet meer alleen tot het kamp. Buiten zijn in de nacht, wat verboden was, geeft een gevoel van vrijheid. In ieder geval herstelt het een stuk van mijn privé-leven, ook overdag. Je valt als nachtwacht buiten het werkschema van de anderen, je slaapt als zij werken, je kunt baden als niemand baadt, alleenzijn in de badkamer en alleenzijn op de w.c.
Carla Bogaards • 1 augustus 1997
• Carla Boogaards (schrijfster, 1947): Onhollands dagboek.
1 augustus
Second opinion, reumatoloog heet Ament. O.L.V.G, dus niet meer het Prinsengrachtziekenhuis. Ik ga niet meer terug naar Hattink. Hij zat er naast met zijn bewering over reumatoïde arthritis. Ik had nooit spontaan van de pijn af kunnen zijn met alleen prednison. Later kwam er wel weer wat terug, ik was immers nog ziek en de shock van die hoge dosis werd enigszins geneutraliseerd, voor een deel trouwens werden mijn hevige pijnen veroorzaakt door de veronachtzaamde knieblessures. Plus: spierreuma omvat meer dan spieren of adertjes in spieren, ook de aanhechtingen aan het bot of de weefsels. Een ziekte van het afweermechanisme is moeilijk te doorgronden. De medische wetenschap weet er nog te weinig vanaf. Dat hoorde ik allemaal voor het eerst, voor een deel had de orthopeet me ingelicht. Spierreuma, wat een eenvoudig te begrijpen woord, alles staat in een folder, waarom heb ik die folder nooit gekregen? Dokter Ament zal folder voor me meenemen. Volgens mij wist dokter Hattink er niets van af! Maar waarom ging hij niet bij een collega te rade? Of in de studieboeken? Een scheurtje in de meniscus betekent dat er bij veel beweging (lekker hard fietsen, te veel lopen) weefsel tussen komt, dat kan een soort ontsteking veroorzaken. Dikke en rode knie met uitstralende pijn, van lies tot enkel en zelfs de enkel gezwollen. Polymyalgia reumatica betekent spierreuma. Veroorzaakt door een virus, te genezen zonder of met prednison. Meestal gaat het gewoon over, het komt en gaat. In mijn geval liep ik er veel en veel te lang mee door. Vandaar dat ik bijna niet meer te redden was.
donderdag 30 juli 2026
Lady Dorothy Kennard • 31 juli 1916
• Lady Dorothy Katherine Barclay Kennard verbleef in de jaren 1915-1917 in Roemenië en schreef over die periode een dagboek.
Vertaling onderaan.
July 1916. — A month has passed and we are still here, still neutral, still on tenterhooks. There is no news from Russia, but troops are said to have crossed the Danube.
All the ladies have been requested to report themselves at the Headquarters of the Rou- manian Red Cross. We Englishwomen can go and work where we like, and I have offered myself to one of the big military hospitals. I was asked whether I had ever done any nursing, and was obliged to give a negative reply. But I was told that it "did not matter," my hands would be useful. I work there feverishly every day trying to accumu- late as much knowledge and nursing informa- tion as is possible. Nurses are even more completely non-existent than I had realised. There is not a woman in the place who knows the first principles of hospital training such as we have in England, and I feel just as com- petent as are any of the others to use lavish quantities of disinfectants and to do exactly as I am told. The doctor who is to be my immediate chief is a very clever man; he knows how to teach me my job, and now it is only a question of time.
The days fly past. Each evening the conflagration seems inevitable within the next twenty-four hours, every morning sees us sunk in apathy and summer stupor. And the heat is indescribable. We avoid meeting peo- ple ; where 's the use ? They know now more than we do ourselves, and talking about the situation only aggravates the tension. 307-2015>
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.
Juli 1916. — Er is een maand verstreken en we zijn nog altijd hier: nog steeds neutraal, nog steeds in gespannen afwachting. Uit Rusland komt geen nieuws, maar naar verluidt zijn er troepen de Donau overgestoken.
Alle dames zijn verzocht zich te melden bij het hoofdkwartier van het Roemeense Rode Kruis. Wij, Engelse vrouwen, mogen zelf kiezen waar we willen werken, en ik heb mij aangemeld bij een van de grote militaire ziekenhuizen. Mij werd gevraagd of ik ooit verpleegwerk had gedaan, waarop ik noodgedwongen ontkennend moest antwoorden. Maar men verzekerde mij dat dit „niet uitmaakte”; mijn handen zouden hoe dan ook van nut zijn.
Sindsdien werk ik er elke dag met grote ijver, in een poging zoveel mogelijk kennis en ervaring in de verpleging op te doen. Er blijken nog veel minder verpleegsters te zijn dan ik mij had voorgesteld. Er is geen enkele vrouw in het ziekenhuis die ook maar de eerste beginselen van een verpleegkundige opleiding kent, zoals wij die in Engeland hebben. Ik voel mij dan ook minstens zo bekwaam als ieder ander om overvloedig gebruik te maken van ontsmettingsmiddelen en verder precies te doen wat mij wordt opgedragen.
De arts onder wie ik rechtstreeks zal werken, is een bijzonder bekwaam man. Hij weet mij goed in mijn taak in te wijden; vanaf nu is het eigenlijk alleen nog een kwestie van tijd.
De dagen vliegen voorbij. Elke avond lijkt het onvermijdelijk dat de vlam binnen vierentwintig uur in de pan zal slaan; iedere ochtend verzinken we opnieuw in apathie en de loomheid van de zomer. En de hitte is onbeschrijfelijk. We vermijden het om mensen te ontmoeten; wat heeft het voor zin? Zij weten nu evenveel als wijzelf, en praten over de situatie maakt de spanning alleen maar groter.
Vertaling onderaan.
July 1916. — A month has passed and we are still here, still neutral, still on tenterhooks. There is no news from Russia, but troops are said to have crossed the Danube.
All the ladies have been requested to report themselves at the Headquarters of the Rou- manian Red Cross. We Englishwomen can go and work where we like, and I have offered myself to one of the big military hospitals. I was asked whether I had ever done any nursing, and was obliged to give a negative reply. But I was told that it "did not matter," my hands would be useful. I work there feverishly every day trying to accumu- late as much knowledge and nursing informa- tion as is possible. Nurses are even more completely non-existent than I had realised. There is not a woman in the place who knows the first principles of hospital training such as we have in England, and I feel just as com- petent as are any of the others to use lavish quantities of disinfectants and to do exactly as I am told. The doctor who is to be my immediate chief is a very clever man; he knows how to teach me my job, and now it is only a question of time.
The days fly past. Each evening the conflagration seems inevitable within the next twenty-four hours, every morning sees us sunk in apathy and summer stupor. And the heat is indescribable. We avoid meeting peo- ple ; where 's the use ? They know now more than we do ourselves, and talking about the situation only aggravates the tension. 307-2015>
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.
Juli 1916. — Er is een maand verstreken en we zijn nog altijd hier: nog steeds neutraal, nog steeds in gespannen afwachting. Uit Rusland komt geen nieuws, maar naar verluidt zijn er troepen de Donau overgestoken.
Alle dames zijn verzocht zich te melden bij het hoofdkwartier van het Roemeense Rode Kruis. Wij, Engelse vrouwen, mogen zelf kiezen waar we willen werken, en ik heb mij aangemeld bij een van de grote militaire ziekenhuizen. Mij werd gevraagd of ik ooit verpleegwerk had gedaan, waarop ik noodgedwongen ontkennend moest antwoorden. Maar men verzekerde mij dat dit „niet uitmaakte”; mijn handen zouden hoe dan ook van nut zijn.
Sindsdien werk ik er elke dag met grote ijver, in een poging zoveel mogelijk kennis en ervaring in de verpleging op te doen. Er blijken nog veel minder verpleegsters te zijn dan ik mij had voorgesteld. Er is geen enkele vrouw in het ziekenhuis die ook maar de eerste beginselen van een verpleegkundige opleiding kent, zoals wij die in Engeland hebben. Ik voel mij dan ook minstens zo bekwaam als ieder ander om overvloedig gebruik te maken van ontsmettingsmiddelen en verder precies te doen wat mij wordt opgedragen.
De arts onder wie ik rechtstreeks zal werken, is een bijzonder bekwaam man. Hij weet mij goed in mijn taak in te wijden; vanaf nu is het eigenlijk alleen nog een kwestie van tijd.
De dagen vliegen voorbij. Elke avond lijkt het onvermijdelijk dat de vlam binnen vierentwintig uur in de pan zal slaan; iedere ochtend verzinken we opnieuw in apathie en de loomheid van de zomer. En de hitte is onbeschrijfelijk. We vermijden het om mensen te ontmoeten; wat heeft het voor zin? Zij weten nu evenveel als wijzelf, en praten over de situatie maakt de spanning alleen maar groter.
Max Frisch • 30 juli 1946
• Max Frisch (1911-1991) was een Zwitserse architect en schrijver. Zijn dagboeken zijn vertaald, onder meer als Dagboek 1946-1949. Vertaling: Wouter Donath Tieges
Café de la terasse
In alle kranten zijn de foto's van Bikini te vinden. Enkele uren nadat de atoombom is ontploft, staat de rook overeind als een zwarte bloemkool Met een zekere teleurstelling verneem je dat de kruisen en torpedobootjagers die in de atol voor anker lagen, nog in redelijke staat verkeren, dus niet zo dat je ze op je brood kunt smeren. De geiten, die deze keer de plaats van de mensen innamen, zijn zelfs nog in leven en kauwen hun voer als ware er niets gebeurd; de apen kunnen er al minder goed tegen. Dit verandert allemaal niets aan de fundamentele vreugde die deze gebeurtenis teweegbrengt. Bij Hiroshima, toen honderdduizenden erdoor om het leven kwamen, was zo'n vreugde niet mogelijk. Ditmaal is het slechts een generale repetitie. Ook de palmen staan nog overeind. Maar het is allemaal ongetwijfeld voor verbetering vatbaar, en de vooruitgang, die tot Bikini heeft geleid, zal ook de laatste stap nog zetten: we kunnen de zondvloed tot stand brengen. Dat is het grandioze. We kunnen wat we willen, en het is alleen nog maar de vraag wát we willen; aan het einde van onze vooruitgang staan we daar waar Adam en Eva hebben gestaan; het enige dat we nog moeten zien op te lossen is de morele kwestie. Misschien zou je niet van vreugde mogen spreken: dat klinkt naar een rotsvast vertrouwen of naar cynisme, en eigenlijk is het geen van beide wat we ervaren als we deze foto's zien; het is de verfrissende alertheid van een voetreiziger die plotseling een heldere en duidelijke wegkruising voor zich ziet, het besef dat we nu moeten beslissen, het gevoel dat we nog één keer de keus hebben en misschien wel voor de laatste keer; een gevoel van waardigheid; het ligt in onze handen of er een mensheid bestaat of niet.
Café de la terasse
In alle kranten zijn de foto's van Bikini te vinden. Enkele uren nadat de atoombom is ontploft, staat de rook overeind als een zwarte bloemkool Met een zekere teleurstelling verneem je dat de kruisen en torpedobootjagers die in de atol voor anker lagen, nog in redelijke staat verkeren, dus niet zo dat je ze op je brood kunt smeren. De geiten, die deze keer de plaats van de mensen innamen, zijn zelfs nog in leven en kauwen hun voer als ware er niets gebeurd; de apen kunnen er al minder goed tegen. Dit verandert allemaal niets aan de fundamentele vreugde die deze gebeurtenis teweegbrengt. Bij Hiroshima, toen honderdduizenden erdoor om het leven kwamen, was zo'n vreugde niet mogelijk. Ditmaal is het slechts een generale repetitie. Ook de palmen staan nog overeind. Maar het is allemaal ongetwijfeld voor verbetering vatbaar, en de vooruitgang, die tot Bikini heeft geleid, zal ook de laatste stap nog zetten: we kunnen de zondvloed tot stand brengen. Dat is het grandioze. We kunnen wat we willen, en het is alleen nog maar de vraag wát we willen; aan het einde van onze vooruitgang staan we daar waar Adam en Eva hebben gestaan; het enige dat we nog moeten zien op te lossen is de morele kwestie. Misschien zou je niet van vreugde mogen spreken: dat klinkt naar een rotsvast vertrouwen of naar cynisme, en eigenlijk is het geen van beide wat we ervaren als we deze foto's zien; het is de verfrissende alertheid van een voetreiziger die plotseling een heldere en duidelijke wegkruising voor zich ziet, het besef dat we nu moeten beslissen, het gevoel dat we nog één keer de keus hebben en misschien wel voor de laatste keer; een gevoel van waardigheid; het ligt in onze handen of er een mensheid bestaat of niet.
woensdag 29 juli 2026
Robin Hannelore • 29 juli 1987
• Robin Hannelore (1937) is een Belgische Nederlandstalige schrijver en dichter, vooral bekend in de Belgische Kempen. Uit: Een schild met everzwijnen.
Woensdag 29 juli 1987 • Verleden maandag leende ik een overall van Jan Gerlach en toog ik in de kerk met hamer en breekijzer aan het werk. Ik kon dat doen zonder schroom, want nergens duidde een inskriptie op de begraafplaats van een vroegere pastoor, donateur of donatrice. Een halve dag had ik ervoor nodig om enkele vierkante meter van de arduinstenen vloer op te breken. Onder die vloer zat een andere vloer, van gestampte aarde, leem wellicht. En daaronder stootte ik op een derde vloer... van keramiek... Andennekeramiek. Volgens ‘De Geschiedenis van Ykele’ van Benedikt Coppé werd de kerk gedeeltelijk verwoest tijdens de godsdienstoorlogen én nogmaals tijdens de Franse Revolutie. Mijn graafwerk was een peiling van het verleden, een put in de tijd. 's Namiddags kwam Jan Gerlach mij helpen. Jan is blind, maar met zijn handen kan hij zoveel meer dan ik. En gisteren kreeg ik ook de hulp van Vinus Gils. ‘Een krat trappist per dag is niet te veel betaald,’ zei hij. Na elk geledigd flesje plaatste hij de krat één meter verder, zodat het opbreken behoorlijk opschoot. Alhoewel ik mij voorgenomen had de ondergrond zo weinig mogelijk te beroeren - op historisch en archeologisch vlak ben ik een zero - kon ik op een bepaald ogenblik toch mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen: ik nam een troffel en legde een gedeelte van de derde vloer bloot... Groot was mijn verbazing toen ik een figuur met een mijter, een staf, een boek, een geselroede en een bijenkorf in de keramiek ontwaarde. ‘Is dat Sinterklaas?’ vroeg Vinus Gils naiëf.
‘Dat is de heilige Ambrosius!’ wees ik hem terecht. ‘Hij moet ooit de patroon van deze parochie geweest zijn...’
‘Dat kan kloppen,’ mengde Jan Gerlach zich in het gesprek. ‘De heilige Rita werd pas in 1900 heilig verklaard. Ze werd in het Italiaanse Roccaporena nabij Cascia geboren in 1381 en ze stierf in Cascia in 1457. Toen stond hier waarschijnlijk al geruime tijd een kerk.’
Ik had daar nooit over nagedacht. ‘Wie zou haar dan hier aan de mensen opgedrongen hebben?’ vroeg ik domweg.
‘Iemand die een hopeloze zaak toch nog in het reine wilde krijgen,’ zei Vinus plomp.
‘Dat kan zijn,’ meende Jan. ‘De heilige Rita zat achttien jaar opgescheept met een beest van een man. Voor iemand met aspiraties om heilig te worden was dat de absolute impasse. Toen echter werd haar man vermoord. In 1413 werd ze augustines in Cascia. Ze leefde zo boetvaardig dat ze de stigma's van de doornenkroon ontving.
‘1413 min achttien is 1395?’ zei Vinus, terwijl hij een flesje bier ontkurkte. ‘En ze werd geboren in 1381? Dan was ze hoop en al veertien jaar toen ze huwde met die bruut... Dat kind moet wat meegemaakt hebben!’
‘De persoon die haar hier als patroonheilige kon doen aanvaarden, moet zéér invloedrijk geweest zijn,’ mijmerde ik.
‘Rosanne van Ykele,’ zei Jan, met getuite lippen, en knikkend.
‘Nooit van gehoord,’ gaf ik toe.
‘Een schande!’ meende Jan. ‘Op Akeldam, de plaats waar het Akelbeekje zich afscheidt van de Akelbeek, stond vroeger een waterburcht die Prusdare heette. Daar woonde sinds mensenheugenis de gravenfamilie Van Ykele. Rosanne van Ykele was de laatste van het geslacht. Zij was gehuwd met een Limburgse graaf, doch kreeg geen kinderen. Het is best mogelijk dat zij het in het begin van deze eeuw op een koopje wilde gooien met de heilige Rita...’
‘Waar is Rosanne van Ykele gebleven?’ vroeg ik. ‘En die waterburcht?’
‘Zij en haar man stierven in een koncentratiekamp,’ zei Vinus.
Jan knikte. ‘In Mauthausen. In het begin van de jaren veertig zat Prusdare vol Joden. Wij dachten dat het allemaal familieleden van de graaf waren. Iemand moet de Gestapo op de hoogte gebracht hebben... Het kasteel werd opgeblazen.’
Ik moet toch absoluut ‘De Geschiedenis van Ykele’ eens grondig gaan lezen. Lektuur is een troost voor de eenzamen, heb ik altijd gedacht. Waarom kom ik er niet toe hier ook maar één boek te lezen. Waarom ben ik elke avond ziek van melancholie? En op de zolder van de pastorie heb ik nog geen voet gezet. Het is alsof ik er onderbewust altijd van overtuigd geweest ben dat ik hier maar en passant vertoef... tot God inziet wat voor een bok hij in mijn geval geschoten heeft.
Woensdag 29 juli 1987 • Verleden maandag leende ik een overall van Jan Gerlach en toog ik in de kerk met hamer en breekijzer aan het werk. Ik kon dat doen zonder schroom, want nergens duidde een inskriptie op de begraafplaats van een vroegere pastoor, donateur of donatrice. Een halve dag had ik ervoor nodig om enkele vierkante meter van de arduinstenen vloer op te breken. Onder die vloer zat een andere vloer, van gestampte aarde, leem wellicht. En daaronder stootte ik op een derde vloer... van keramiek... Andennekeramiek. Volgens ‘De Geschiedenis van Ykele’ van Benedikt Coppé werd de kerk gedeeltelijk verwoest tijdens de godsdienstoorlogen én nogmaals tijdens de Franse Revolutie. Mijn graafwerk was een peiling van het verleden, een put in de tijd. 's Namiddags kwam Jan Gerlach mij helpen. Jan is blind, maar met zijn handen kan hij zoveel meer dan ik. En gisteren kreeg ik ook de hulp van Vinus Gils. ‘Een krat trappist per dag is niet te veel betaald,’ zei hij. Na elk geledigd flesje plaatste hij de krat één meter verder, zodat het opbreken behoorlijk opschoot. Alhoewel ik mij voorgenomen had de ondergrond zo weinig mogelijk te beroeren - op historisch en archeologisch vlak ben ik een zero - kon ik op een bepaald ogenblik toch mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen: ik nam een troffel en legde een gedeelte van de derde vloer bloot... Groot was mijn verbazing toen ik een figuur met een mijter, een staf, een boek, een geselroede en een bijenkorf in de keramiek ontwaarde. ‘Is dat Sinterklaas?’ vroeg Vinus Gils naiëf.
‘Dat is de heilige Ambrosius!’ wees ik hem terecht. ‘Hij moet ooit de patroon van deze parochie geweest zijn...’
‘Dat kan kloppen,’ mengde Jan Gerlach zich in het gesprek. ‘De heilige Rita werd pas in 1900 heilig verklaard. Ze werd in het Italiaanse Roccaporena nabij Cascia geboren in 1381 en ze stierf in Cascia in 1457. Toen stond hier waarschijnlijk al geruime tijd een kerk.’
Ik had daar nooit over nagedacht. ‘Wie zou haar dan hier aan de mensen opgedrongen hebben?’ vroeg ik domweg.
‘Iemand die een hopeloze zaak toch nog in het reine wilde krijgen,’ zei Vinus plomp.
‘Dat kan zijn,’ meende Jan. ‘De heilige Rita zat achttien jaar opgescheept met een beest van een man. Voor iemand met aspiraties om heilig te worden was dat de absolute impasse. Toen echter werd haar man vermoord. In 1413 werd ze augustines in Cascia. Ze leefde zo boetvaardig dat ze de stigma's van de doornenkroon ontving.
‘1413 min achttien is 1395?’ zei Vinus, terwijl hij een flesje bier ontkurkte. ‘En ze werd geboren in 1381? Dan was ze hoop en al veertien jaar toen ze huwde met die bruut... Dat kind moet wat meegemaakt hebben!’
‘De persoon die haar hier als patroonheilige kon doen aanvaarden, moet zéér invloedrijk geweest zijn,’ mijmerde ik.
‘Rosanne van Ykele,’ zei Jan, met getuite lippen, en knikkend.
‘Nooit van gehoord,’ gaf ik toe.
‘Een schande!’ meende Jan. ‘Op Akeldam, de plaats waar het Akelbeekje zich afscheidt van de Akelbeek, stond vroeger een waterburcht die Prusdare heette. Daar woonde sinds mensenheugenis de gravenfamilie Van Ykele. Rosanne van Ykele was de laatste van het geslacht. Zij was gehuwd met een Limburgse graaf, doch kreeg geen kinderen. Het is best mogelijk dat zij het in het begin van deze eeuw op een koopje wilde gooien met de heilige Rita...’
‘Waar is Rosanne van Ykele gebleven?’ vroeg ik. ‘En die waterburcht?’
‘Zij en haar man stierven in een koncentratiekamp,’ zei Vinus.
Jan knikte. ‘In Mauthausen. In het begin van de jaren veertig zat Prusdare vol Joden. Wij dachten dat het allemaal familieleden van de graaf waren. Iemand moet de Gestapo op de hoogte gebracht hebben... Het kasteel werd opgeblazen.’
Ik moet toch absoluut ‘De Geschiedenis van Ykele’ eens grondig gaan lezen. Lektuur is een troost voor de eenzamen, heb ik altijd gedacht. Waarom kom ik er niet toe hier ook maar één boek te lezen. Waarom ben ik elke avond ziek van melancholie? En op de zolder van de pastorie heb ik nog geen voet gezet. Het is alsof ik er onderbewust altijd van overtuigd geweest ben dat ik hier maar en passant vertoef... tot God inziet wat voor een bok hij in mijn geval geschoten heeft.
maandag 27 juli 2026
Marion Sambourne • 28 juli 1882
• Marion Sambourne (1851-1914) was de echtgenote van de Britse cartoonist, tekenaar en fotograaf Edward Linley Sambourne. Ze hield vele jaren een dagboek bij, waarin ze vooral huishoudelijke zaken neerschreef.
Friday 28 July.
Bacon, ½ haddock etc. Hashed mutton, whiting, mackerel, gooseberry tart etc. White soup, fish, steak, tomatoes, cauliflower, chocolate blancmange, cheese straws. Ham came in. Last day of Mrs Breffitt. Go with Tilda to Stores, took Baby. Jessie ill at 1 o/c in night.
Saturday 29 July.
Bacon, 2 new laid eggs, jam etc. Roast leg og mutton, rice, cutlets, tomatoes, cold mutton. Mrs F.Gordon's garden party 3-8. Went with a'Becketts, v. jolly. Jessie's Baby Girl born at 6 o/c in evg, called there on way home.
Sunday 30 July.
Bacon, buttered eggs etc. Steak, cold mutton & fowl, plum tarts & chocolate shapes. Soup, cold fowl, tomato salad, roast beef, vegetable marrow, greengage tart, blancmange, cheese straws.
Monday 31 July.
Bacon, boiled eggs. Cold beef, pancakes. Potato soup, rissoles. Lovely day. Went to see Baby, very pretty little thing, dark. Went to “Home” about cook. Lin goes with Burnand & Tenniel to Epping Forest. V. hot. Go shopping in carriage with Tilda, took Maud & baby.301-2015>
Friday 28 July.
Bacon, ½ haddock etc. Hashed mutton, whiting, mackerel, gooseberry tart etc. White soup, fish, steak, tomatoes, cauliflower, chocolate blancmange, cheese straws. Ham came in. Last day of Mrs Breffitt. Go with Tilda to Stores, took Baby. Jessie ill at 1 o/c in night.
Saturday 29 July.
Bacon, 2 new laid eggs, jam etc. Roast leg og mutton, rice, cutlets, tomatoes, cold mutton. Mrs F.Gordon's garden party 3-8. Went with a'Becketts, v. jolly. Jessie's Baby Girl born at 6 o/c in evg, called there on way home.
Sunday 30 July.
Bacon, buttered eggs etc. Steak, cold mutton & fowl, plum tarts & chocolate shapes. Soup, cold fowl, tomato salad, roast beef, vegetable marrow, greengage tart, blancmange, cheese straws.
Monday 31 July.
Bacon, boiled eggs. Cold beef, pancakes. Potato soup, rissoles. Lovely day. Went to see Baby, very pretty little thing, dark. Went to “Home” about cook. Lin goes with Burnand & Tenniel to Epping Forest. V. hot. Go shopping in carriage with Tilda, took Maud & baby.301-2015>
zondag 26 juli 2026
Louis-Ferdinand Céline • 27 juli 1933
• Twee brieven van de Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961). Uit: Van de ene dood naar de andere. Brieven, artikelen en polemieken (vertaald door E. Kummer).
98 rue Lepic juli 1933
Lieve vriendin,
Ik vind dat je je roman inderdaad vanaf de 'bevalling' moet omwerken en de ik-vorm moet gebruiken. Ik kreeg de indruk dat je dan heel raak en gevoelig schrijft. Dat is de toon die je moet aanhouden, want die is waarschijnlijk echt de jouwe, de rest kun je erbij aanpassen. Dan ben je absoluut verzekerd van succes.
Zelf zal ik ook erg blij zijn je van de winter weer te zien. Hoe onheilspellend jouw droom je ook lijkt, hij ligt misschien dichter bij de mogelijke werkelijkheid dan je denkt en is niet zo maar fantasie. We bevinden ons in een periode waarin het gruwelijke nog slechts een heel gewone manier is om je te amuseren.
Je moet geen hekel aan je leven krijgen, aan niets trouwens en vooral niet aan jezelf. Waarom zou je? Je hebt er geen geldige redenen voor. Pas goed op je gezondheid. Het leven dat wij leiden is van 't begin af aan volkomen verkeerd en tegennatuurlijk en afschuwelijk in strijd met onze instincten, 't is één grote mislukking, we zouden helemaal opnieuw moeten beginnen. Jouw hachelijk en onzeker bestaan heeft toch wel erg veel charme, 't is een wonder. Klamp je eraan vast. Schrijf me.
Heel hartelijke groeten,
L.-F. Destouches [de echte naam van Céline]
98 rue Lepic juli 1933
Lieve Evelyne,
Als je deze boeken uit hebt, zal ik je andere sturen. Haal eruit wat bij je temperament past. Als je de dingen zo voelt, heb je in alle opzichten gelijk. Op deze wereld begin je praktisch niets met hartstochten als ze niet echt zijn. Je moet je eigen deuntje kiezen, dat is alles. Allendy is een psychoanalyticus die niet veel waard is**, maar het werk van Freud is werkelijk heel belangrijk, voor zover de Mens belangrijk is. Je dromen betekenen een heleboel voor je, merk ik. Goed beschouwd is dat het enige waarmee mannen (en vrouwen!) zich bezig zouden moeten houden. De komende jaren ga ik me erop toeleggen ze allemaal te gebruiken. Heel vriendschappelijke groeten,
L.D.
Hoe gaat 't met de zaken van je man? Dat alleen is erg.
98 rue Lepic juli 1933
Lieve vriendin,
Ik vind dat je je roman inderdaad vanaf de 'bevalling' moet omwerken en de ik-vorm moet gebruiken. Ik kreeg de indruk dat je dan heel raak en gevoelig schrijft. Dat is de toon die je moet aanhouden, want die is waarschijnlijk echt de jouwe, de rest kun je erbij aanpassen. Dan ben je absoluut verzekerd van succes.
Zelf zal ik ook erg blij zijn je van de winter weer te zien. Hoe onheilspellend jouw droom je ook lijkt, hij ligt misschien dichter bij de mogelijke werkelijkheid dan je denkt en is niet zo maar fantasie. We bevinden ons in een periode waarin het gruwelijke nog slechts een heel gewone manier is om je te amuseren.
Je moet geen hekel aan je leven krijgen, aan niets trouwens en vooral niet aan jezelf. Waarom zou je? Je hebt er geen geldige redenen voor. Pas goed op je gezondheid. Het leven dat wij leiden is van 't begin af aan volkomen verkeerd en tegennatuurlijk en afschuwelijk in strijd met onze instincten, 't is één grote mislukking, we zouden helemaal opnieuw moeten beginnen. Jouw hachelijk en onzeker bestaan heeft toch wel erg veel charme, 't is een wonder. Klamp je eraan vast. Schrijf me.
Heel hartelijke groeten,
L.-F. Destouches [de echte naam van Céline]
98 rue Lepic juli 1933
Lieve Evelyne,
Als je deze boeken uit hebt, zal ik je andere sturen. Haal eruit wat bij je temperament past. Als je de dingen zo voelt, heb je in alle opzichten gelijk. Op deze wereld begin je praktisch niets met hartstochten als ze niet echt zijn. Je moet je eigen deuntje kiezen, dat is alles. Allendy is een psychoanalyticus die niet veel waard is**, maar het werk van Freud is werkelijk heel belangrijk, voor zover de Mens belangrijk is. Je dromen betekenen een heleboel voor je, merk ik. Goed beschouwd is dat het enige waarmee mannen (en vrouwen!) zich bezig zouden moeten houden. De komende jaren ga ik me erop toeleggen ze allemaal te gebruiken. Heel vriendschappelijke groeten,
L.D.
Hoe gaat 't met de zaken van je man? Dat alleen is erg.
** Terzijde: Allendy was heel belangrijk voor Anaïs Nin en komt veelvuldig in haar dagboeken voor.
525-2020>
Sarah Raymond • 26 juli 1865
• Sarah Raymond (1840-1914) trok met haar familie per huifkar naar het westen als kolonist. Haar dagboek is later gepubliceerd als Days on the road. "The family began their journey on May 1, 1865 in Missouri and arrived at their destination in Virginia City, Montana Territory on September 6.
Vertaling onderaan.
Wednesday, July 26
...I did not awake this morning until everything was ready for a very early start. Mother had kept my breakfast warm by keeping the stove until the last minute. I sat in the wagon and ate my breakfast after the train had started. When through, I climbed out and went to see how Neelie [Sarah's friend] was. I found her feverish and restless; her symptoms unfavorable.
Oh, the dust, the dust; it is terrible. I have never seen it half as bad; it seems to be almost knee-deep in places. We came twenty miles without stopping, and then camped for the night. We are near a fine spring of most excellent water - Barrel Spring it is called. I do not know why; there are no barrels there. When we stopped, the boys' faces were a sight; they were covered with all the dust that could stick on. One could just see the apertures where eyes, nose and mouth were through the dust; their appearance was frightful. How glad we all are to have plenty of clear cold water to wash away the dust.452-2021>
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT:
Woensdag 26 juli
...Vanmorgen werd ik pas wakker toen alles al gereed was voor een zeer vroege afreis. Moeder had mijn ontbijt warm gehouden door het fornuis tot het laatste moment aan te laten. Ik zat in de wagen mijn ontbijt te eten nadat de karavaan weer op weg was gegaan. Toen ik klaar was, klom ik eruit om te kijken hoe het met Neelie ging. Ik trof haar koortsig en onrustig aan; haar toestand gaf weinig aanleiding tot optimisme.
Ach, dat stof, dat stof – het is verschrikkelijk. Ik heb het nog nooit zo erg gezien; op sommige plaatsen lijkt het bijna tot aan je knieën te reiken. We legden zo'n twintig mijl af zonder te stoppen en sloegen daarna voor de nacht ons kamp op. We bevinden ons bij een prachtige bron met voortreffelijk water: Barrel Spring heet die. Waarom, weet ik niet, want er zijn daar helemaal geen tonnen.
Toen we halt hielden, waren de gezichten van de jongens een wonderlijk gezicht. Ze zaten onder een dikke laag stof; alleen de openingen voor hun ogen, neus en mond waren nog zichtbaar. Hun aanblik was bijna angstaanjagend.
Wat zijn we allemaal blij dat we hier volop helder, koud water hebben om het stof van ons af te wassen.
Vertaling onderaan.
Wednesday, July 26
...I did not awake this morning until everything was ready for a very early start. Mother had kept my breakfast warm by keeping the stove until the last minute. I sat in the wagon and ate my breakfast after the train had started. When through, I climbed out and went to see how Neelie [Sarah's friend] was. I found her feverish and restless; her symptoms unfavorable.
Oh, the dust, the dust; it is terrible. I have never seen it half as bad; it seems to be almost knee-deep in places. We came twenty miles without stopping, and then camped for the night. We are near a fine spring of most excellent water - Barrel Spring it is called. I do not know why; there are no barrels there. When we stopped, the boys' faces were a sight; they were covered with all the dust that could stick on. One could just see the apertures where eyes, nose and mouth were through the dust; their appearance was frightful. How glad we all are to have plenty of clear cold water to wash away the dust.452-2021>
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT:
Woensdag 26 juli
...Vanmorgen werd ik pas wakker toen alles al gereed was voor een zeer vroege afreis. Moeder had mijn ontbijt warm gehouden door het fornuis tot het laatste moment aan te laten. Ik zat in de wagen mijn ontbijt te eten nadat de karavaan weer op weg was gegaan. Toen ik klaar was, klom ik eruit om te kijken hoe het met Neelie ging. Ik trof haar koortsig en onrustig aan; haar toestand gaf weinig aanleiding tot optimisme.
Ach, dat stof, dat stof – het is verschrikkelijk. Ik heb het nog nooit zo erg gezien; op sommige plaatsen lijkt het bijna tot aan je knieën te reiken. We legden zo'n twintig mijl af zonder te stoppen en sloegen daarna voor de nacht ons kamp op. We bevinden ons bij een prachtige bron met voortreffelijk water: Barrel Spring heet die. Waarom, weet ik niet, want er zijn daar helemaal geen tonnen.
Toen we halt hielden, waren de gezichten van de jongens een wonderlijk gezicht. Ze zaten onder een dikke laag stof; alleen de openingen voor hun ogen, neus en mond waren nog zichtbaar. Hun aanblik was bijna angstaanjagend.
Wat zijn we allemaal blij dat we hier volop helder, koud water hebben om het stof van ons af te wassen.
Abonneren op:
Posts (Atom)




















