• Ruth Andreas-Friedrich (1901-1977) zat in de Tweede Wereldoorlog in het Duitse verzet. Haar dagboek uit die tijd is vertaald (door B. Mackenzie) als Berlijns dagboek 1938-1948.
Zondag, 6 mei 1945
Frank en ik wagen de eerste uitval naar de omliggende voorsteden. Er heerst paniek in de stad. Ontsteltenis en wanhopige ontzetting. Waar we komen, vinden we dezelfde ellende. Roof, plundering, geweld. Met onbeheerste begerigheid heeft het leger van onze overwinnaars zich op de Berlijnse vrouwen gestort. We bezoeken Hannelore Thiele, Heikes vriendin en klasgenote. Ineengedoken zit ze op haar bank. Ze kijkt nauwelijks op, als we de kamer binnenkomen. 'Ik maak er een eind aan,' huilt ze. 'Je kunt toch zo niet leven.' - 'Was het werkelijk zo erg,' vraag ik voorzichtig. Ze kijkt me zielig aan. 'Zeven,' zegt ze met vertrokken mond. 'Zeven achter elkaar. Als beesten.'
In Klein-Machnow woont Inge Zaun. Ze is achttien jaar en wist niets van de liefde. Nu weet ze alles. In zestigvoudige herhaling. 'Hoe moet je je dan verdedigen?' meent ze onverschillig, bijna afgestompt. 'Als ze op de deur beuken en zinloos om zich heen schieten. Elke nacht nieuwe, elke nacht andere. Toen ze me de eerste keer onder handen namen en vader dwongen om toe te kijken, dacht ik dat ik stierf. Later...,' ze maakt een matte beweging met haar hand. 'Sinds hun kapitein een verhouding met me heeft, is het er gelukkig nog maar een. Hij luistert naar me en maakt, dat ze de meisjes met rust laten.' Vier jaar lang heeft Goebbels ons verteld, dat de Russen ons verkrachten zouden. Dat ze zouden schenden en plunderen, moorden en brandschatten. Gruwelpropaganda! zeiden we verontwaardigd en vestigden onze hoop op de geallieerde bevrijders. We willen nu niet teleurgesteld zijn. We zouden het niet kunnen verdragen, dat Goebbels gelijk kreeg. Twaalf jaar waren we anti. Eens moet je ook 'pro' kunnen zijn. Als ons dat nu niet lukt...
'Ze onteren onze dochters, ze verkrachten onze vrouwen,' zeggen de mannen. Je hoort over niets anders praten in de stad. Er zit een sfeer van zelfmoord in de lucht. Men verstopt de meisjes in de hanebalken, graaft ze in kolenhopen in en vermomt ze als oude vrouwen. Bijna geen van hen slaapt waar ze thuishoort. 'Eer verloren, alles verloren,' zegt een geschokte vader en drukt zijn twaalf maal onteerde dochter een strop in de hand. Gehoorzaam gaat ze weg en hangt zich op aan het dichtstbijzijnde vensterkruis. 'Wanneer ze jullie onteren, blijft jullie niets anders over dan de dood,' verklaarde twee dagen voor de ineenstorting de lerares van een meisjesklas. Meer dan de helft van de leerlingen trekt de consequenties en verdrinkt zich. Eer verloren, alles verloren. - 'Frank,' vraag ik vertwijfeld. 'Begrijp je dat allemaal?' Hij schudt het hoofd. 'Maar we moeten het begrijpen. Als we het niet begrijpen, houdt voor ons de toekomst op te bestaan, nog voor ze begonnen is.' Weinig spraakzaam wandelen we door de straten.
Thuis zijn intussen gasten aangekomen. Iedereen wil zien, wie er nog leeft. We horen de eerste boodschappen van Flamm en Wald. Flamm is met zijn beschermelingen goed door de laatste dagen heen gekomen. Ook Wald is in leven. Hoe zou het toch met de andere leden van de groep zijn? In telegramstijl wisselen we laatste berichten uit. Sinds gisteren wapenstilstand, gevechten alleen nog in Praag. Hitler dood aan hersenbloeding. Nog altijd leven we van geruchten.
Nauwelijks zijn we naar bed of we worden opgeschrikt door lawaai. 'Russen in huis,' wordt er in het trappenhuis geschreeuwd. We schieten in de kleren. Andrik loopt naar buiten. Na vijf minuten is hij er weer. 'Ze wilden plunderen,' lacht hij tevreden. 'Ik heb ze een uitbrander gegeven. Ga er liever op uit en haal fietsen voor ons,' heb ik tegen ze gezegd. 'Hoe moeten wij naar ons werk, als jullie kameraden onze fietsen afpakken.' - 'Pasjalstje,' zeiden ze. 'Tot uw dienst.' Maakten rechtsomkeert en trokken af.' - Voor wie ze als gevaarlijk beschouwt, worden ze gevaarlijk, denk ik. Andrik taxeert ze op de juiste manier.
vrijdag 6 mei 2016
woensdag 4 mei 2016
Nederlander bij SS-eenheid, ca 30 jaar - Woudenberg -- 5 mei 1945
• Nederlander bij SS-eenheid, ca 30 jaar - Woudenberg. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945,
geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening
Omstreeks 5 Mei 1945
- Voor ons in het Westen is de oorlog geeindigd. Op dit oogenblik marcheeren Geallieerde troepen de vesting Holland binnen, nadat reeds eenige dagen gevechtspauze geweest was.
Onmiddellijk bij het vernemen van het bericht van den dood van den Führer voelde iedereen, dat hiermede de oorlog in een crisis was gekomen, waaruit hij niet meer te redden is. Admiraal Dönitz richtte een proclamatie tot het Duitsche volk, waarin hij verklaarde dat de oorlog tegen de Sovjets het eenige belangrijke was. Er wordt tegen de Sovjets gevochten, totdat de honderdduizenden, die uit Duitschland weggesleept waren, weer bevrijd zouden zijn. De oorlog tegen Engeland en Amerika zou slechts worden voortgezet, indien dezen ons in dien strijd tegen de bolschewisten zouden hinderen.
We voelden de belangrijkheid van dit besluit. In onzen frontsector heerschte reeds een paar dagen een gevechtspauze, daar overeengekomen was dat levensmiddelentransporten uit het Zuiden zouden worden doorgelaten naar de in de vesting Holland ingesloten burgerbevolking. De onzen aan de eene zijde, de Tommies aan de andere zijde bouwden tot dit doel een brug over den Rijn bij Rhenen, en eenige dagen lang rolden onafzienbare kolonnen Amerikaansche auto's het door ons bezette gebied binnen, terwijl een groot aantal viermotorige bombardementsvliegtuigen laag vliegend eveneens levensmiddelen brachten voor de hongerende burgerbevolking.
Kort daarop kwam de mededeeling, dat aan het heele Westelijk front de wapens rustten. Overal verscheen de burgerbevolking op de straten, op vele plaatsen kwam het tot groote feestvieringen en, helaas, ook tot schietpartijen. Onze regimentsgefechtsstand in Leersum werd door een groep bewapenden aangevallen, waarop direct [een] razzia georganiseerd werd tegen deze partisanen, met het gevolg, dat alleen in Leersum negen personen werden neergeschoten. Ook in Amersfoort kwam het tot kleine schieterijen.
De burgerbevolking wist ons te vertellen, dat de Vesting Holland onvoorwaardelijk gecapituleerd had, en in de Engelsche linies werd dit gevierd met een lichtkogel-illuminatie.
Overigens schijnt dit een vergissing te zijn. Zeker weten doen we helaas niets, de golf van geruchten is nog niet verminderd. Van het Btl. [Bataillon] vernamen we gister het volgende: Er zou worden onderhandeld over het vrijgeven van de heele bezetting der Vesting Holland voor den strijd in het Oosten. Wij zouden gesloten daarheen gevoerd worden. Men zou daaruit kunnen opmaken dat de Geallieerden ons in den strijd tegen het bolschewisme willen vrij laten. Veelbeteekenend is hierbij ook dat de Amerikanen aan de Elbe geen moeite doen om de Russen te helpen, terwijl op de conferentie van San Francisco eveneens moeilijkheden schijnen opgetreden te zijn.
Maar we hooren ook andere berichten. De Adjudant moet gezegd hebben, dat alle SS-officieren de kogel krijgen, terwijl de rest als misdadigers behandeld zal worden, en hij schijnt reeds een aantal jongens verlof te hebben gegeven om te trachten naar huis te komen, op eigen risico natuurlijk, daar er groot gevaar bestaat dat op iedere Duitsche uniform geschoten wordt.
Op het oogenblik hebben de burgers al verlof gekregen, de panzersperren op te ruimen en de versperringen in de beken weg te nemen en zoodoende den waterstand weer op normaal peil te brengen.
Onze jongens, die tegenover het door de Engelschen bezette Kasteel van Renswoude liggen, houden zich onder het oog van de Tommies bezig met het organiseeren van levensmiddelen in Niemandsland, en ik hoor, dat bij andere kompanieën reeds bosjes deserteurs 'm gesmeerd zijn.
Wat zal uit dit alles nog voortvloeien? Ik zit hier met mijn tros als op een verlaten eiland op de boerderij Jacobahoeve in Woudenberg, en hooren geen nieuws, alleen maar geruchten. De burgers, die steeds merkwaardig goed ingelicht blijken, beweren nu dat we morgen ontwapend zullen worden. We weten zelf niet meer hoe of wat, en er is niets ellendigers denkbaar als dit lijdelijk afwachten wat er met ons gebeuren gaat. De Kompanieën zijn vandaag op Grootadmiraal Dönitz beëedigd, ofschoon er vele bij waren, die daartoe geen lust vertoonden. De Landstorm werd trouwens opgericht voor inzet in Nederland, niet voor inzet aan het Oostfront, en de meesten schijnen geen lust te hebben daar hun huid nog eens te gaan wagen.
In elk geval zijn de vooruitzichten weinig rooskleurig, en het aantal mogelijkheden is beperkt. Worden we niet tegen Rusland ingezet dan worden we òf uitgeleverd aan de Britsche regeering voor dwangarbeid in Canada, òf we gaan gedwongen vrijwillig tegen de Japanners in Indië vechten, òf we worden door onze eigen landgenooten afgemaakt. Het getij is gekeerd, en ons lot ligt in de handen onzer vijanden.
Omstreeks 5 Mei 1945
- Voor ons in het Westen is de oorlog geeindigd. Op dit oogenblik marcheeren Geallieerde troepen de vesting Holland binnen, nadat reeds eenige dagen gevechtspauze geweest was.
Onmiddellijk bij het vernemen van het bericht van den dood van den Führer voelde iedereen, dat hiermede de oorlog in een crisis was gekomen, waaruit hij niet meer te redden is. Admiraal Dönitz richtte een proclamatie tot het Duitsche volk, waarin hij verklaarde dat de oorlog tegen de Sovjets het eenige belangrijke was. Er wordt tegen de Sovjets gevochten, totdat de honderdduizenden, die uit Duitschland weggesleept waren, weer bevrijd zouden zijn. De oorlog tegen Engeland en Amerika zou slechts worden voortgezet, indien dezen ons in dien strijd tegen de bolschewisten zouden hinderen.
We voelden de belangrijkheid van dit besluit. In onzen frontsector heerschte reeds een paar dagen een gevechtspauze, daar overeengekomen was dat levensmiddelentransporten uit het Zuiden zouden worden doorgelaten naar de in de vesting Holland ingesloten burgerbevolking. De onzen aan de eene zijde, de Tommies aan de andere zijde bouwden tot dit doel een brug over den Rijn bij Rhenen, en eenige dagen lang rolden onafzienbare kolonnen Amerikaansche auto's het door ons bezette gebied binnen, terwijl een groot aantal viermotorige bombardementsvliegtuigen laag vliegend eveneens levensmiddelen brachten voor de hongerende burgerbevolking.
Kort daarop kwam de mededeeling, dat aan het heele Westelijk front de wapens rustten. Overal verscheen de burgerbevolking op de straten, op vele plaatsen kwam het tot groote feestvieringen en, helaas, ook tot schietpartijen. Onze regimentsgefechtsstand in Leersum werd door een groep bewapenden aangevallen, waarop direct [een] razzia georganiseerd werd tegen deze partisanen, met het gevolg, dat alleen in Leersum negen personen werden neergeschoten. Ook in Amersfoort kwam het tot kleine schieterijen.
De burgerbevolking wist ons te vertellen, dat de Vesting Holland onvoorwaardelijk gecapituleerd had, en in de Engelsche linies werd dit gevierd met een lichtkogel-illuminatie.
Overigens schijnt dit een vergissing te zijn. Zeker weten doen we helaas niets, de golf van geruchten is nog niet verminderd. Van het Btl. [Bataillon] vernamen we gister het volgende: Er zou worden onderhandeld over het vrijgeven van de heele bezetting der Vesting Holland voor den strijd in het Oosten. Wij zouden gesloten daarheen gevoerd worden. Men zou daaruit kunnen opmaken dat de Geallieerden ons in den strijd tegen het bolschewisme willen vrij laten. Veelbeteekenend is hierbij ook dat de Amerikanen aan de Elbe geen moeite doen om de Russen te helpen, terwijl op de conferentie van San Francisco eveneens moeilijkheden schijnen opgetreden te zijn.
Maar we hooren ook andere berichten. De Adjudant moet gezegd hebben, dat alle SS-officieren de kogel krijgen, terwijl de rest als misdadigers behandeld zal worden, en hij schijnt reeds een aantal jongens verlof te hebben gegeven om te trachten naar huis te komen, op eigen risico natuurlijk, daar er groot gevaar bestaat dat op iedere Duitsche uniform geschoten wordt.
Op het oogenblik hebben de burgers al verlof gekregen, de panzersperren op te ruimen en de versperringen in de beken weg te nemen en zoodoende den waterstand weer op normaal peil te brengen.
Onze jongens, die tegenover het door de Engelschen bezette Kasteel van Renswoude liggen, houden zich onder het oog van de Tommies bezig met het organiseeren van levensmiddelen in Niemandsland, en ik hoor, dat bij andere kompanieën reeds bosjes deserteurs 'm gesmeerd zijn.
Wat zal uit dit alles nog voortvloeien? Ik zit hier met mijn tros als op een verlaten eiland op de boerderij Jacobahoeve in Woudenberg, en hooren geen nieuws, alleen maar geruchten. De burgers, die steeds merkwaardig goed ingelicht blijken, beweren nu dat we morgen ontwapend zullen worden. We weten zelf niet meer hoe of wat, en er is niets ellendigers denkbaar als dit lijdelijk afwachten wat er met ons gebeuren gaat. De Kompanieën zijn vandaag op Grootadmiraal Dönitz beëedigd, ofschoon er vele bij waren, die daartoe geen lust vertoonden. De Landstorm werd trouwens opgericht voor inzet in Nederland, niet voor inzet aan het Oostfront, en de meesten schijnen geen lust te hebben daar hun huid nog eens te gaan wagen.
In elk geval zijn de vooruitzichten weinig rooskleurig, en het aantal mogelijkheden is beperkt. Worden we niet tegen Rusland ingezet dan worden we òf uitgeleverd aan de Britsche regeering voor dwangarbeid in Canada, òf we gaan gedwongen vrijwillig tegen de Japanners in Indië vechten, òf we worden door onze eigen landgenooten afgemaakt. Het getij is gekeerd, en ons lot ligt in de handen onzer vijanden.
dinsdag 3 mei 2016
Italo Svevo -- 4 mei 1928
• Italo Svevo (1861-1928) was een Italiaanse schrijver. In Autobiografisch profiel (vertaald door Yolanda Bloemen) zijn ook dagboekfragmenten van hem opgenomen.
mei 1928
Dat was mijn begin.
Maar het heden wordt niet uitgedrukt door een datum. Wie heeft ooit geprobeerd zich er 's avonds toe te zetten zijn eigen dag te beschrijven? Wanneer het geen dag van oorlog is of een dag die het verdient de bekroning te zijn van vele andere (en wat zijn die zeldzaam) heb je geen idee waar je moet beginnen. Een enkele klank is nooit een melodie. Vandaag ben ik uitgegaan, weer thuis gekomen, ik had honger en stilde die, na het middageten genoot ik een rustige slaap zonder dromen. Ik zag mijn zoon, die schilder is en net als gisteren schildert, mijn dochter, weduwe, die me besprengde met haar tranen, mijn vrouw, kalm als vijfendertig jaar geleden, maar nu in beslag genomen door al haar beesten, Musetta en de andere, en niet meer alleen door mij. Een dag bestaat uit een heleboel fragmenten. Als dit het heden niet hoeft te zijn, verlaat ik het. Ik weet niet hoe ik er greep op moet krijgen. Wat voor zin zou het hebben als ik registreerde: Vandaag kwam mijn vrouw, voordat ze wegging, naar me toe om me haar wang aan te bieden voor een kus. En ik kuste die wang terwijl ik dacht: 'Sinds ik mijn vrouw niet meer bedrieg weet ik ook niet meer hoe ik haar moet kussen.'
Belangijk is [manuscript breekt af]
mei 1928
Dat was mijn begin.
Maar het heden wordt niet uitgedrukt door een datum. Wie heeft ooit geprobeerd zich er 's avonds toe te zetten zijn eigen dag te beschrijven? Wanneer het geen dag van oorlog is of een dag die het verdient de bekroning te zijn van vele andere (en wat zijn die zeldzaam) heb je geen idee waar je moet beginnen. Een enkele klank is nooit een melodie. Vandaag ben ik uitgegaan, weer thuis gekomen, ik had honger en stilde die, na het middageten genoot ik een rustige slaap zonder dromen. Ik zag mijn zoon, die schilder is en net als gisteren schildert, mijn dochter, weduwe, die me besprengde met haar tranen, mijn vrouw, kalm als vijfendertig jaar geleden, maar nu in beslag genomen door al haar beesten, Musetta en de andere, en niet meer alleen door mij. Een dag bestaat uit een heleboel fragmenten. Als dit het heden niet hoeft te zijn, verlaat ik het. Ik weet niet hoe ik er greep op moet krijgen. Wat voor zin zou het hebben als ik registreerde: Vandaag kwam mijn vrouw, voordat ze wegging, naar me toe om me haar wang aan te bieden voor een kus. En ik kuste die wang terwijl ik dacht: 'Sinds ik mijn vrouw niet meer bedrieg weet ik ook niet meer hoe ik haar moet kussen.'
Belangijk is [manuscript breekt af]
maandag 2 mei 2016
Jan Wolkers -- 3 mei 1970
• Jan Wolkers (1925-2007) was een Nederlandse schrijver en kunstenaar. Gedeelten uit zijn dagboek van 1970 zijn te lezen bij Google Books.
ZONDAG 3 MEI 1970
Tweemaal pootpil.
Je luistert in bed naar 'U Vraagt, Wij Draaien.' Voske heeft om zes uur al eten gehad. Hij sluipt door het wilgenhout tegen het schuurtje. Bij elk verdacht geluid blijft hij staan.
Om' twaalf uur gaan we naar het strand. We hebben het draagbare radiootje bij ons voor het nieuws over Cambodja en de sport. Op het strand ligt een enorme boomstam van plusminus vijf meter lang en één tot anderhalve meter dik. Er staat op de kopse kant: B - een paar cijfers - en dan Grade.
Van het strand stijgt steeds damp op in luchtige wolkjes, alsof je door een lichte bewolking vanuit een vliegtuig over de woestijn uitkijkt. Tegen een duintje luisteren we naar het sportprogramma over Radio Veronica van Henk Bongaarts.
MAANDAG 4 MEI 1970
Tweemaal pootpil.
Om halfzeven op. Arie komt om acht uur. We brengen eerst mevrouw Boon en nog iemand naar Den Burg. Dan gaan we op de pont. In de koffiekamer eten we broodjes met kaas. Hij twee. Het is nog mistig. Langs het Noordhollands Kanaal moeten we voorzichtig rijden. Op Schiphol staan twee Russen van de ambassade op ons te wachten. Een gekrulde spreekt erg goed Hollands. Het zijn vormelijke mannetjes. Tjalle Jager is er ook met ene mevrouw Boereman. Die begint meteen aan persoonsverheerlijking te doen. 'Dat ik met de grote schrijver zelf nog eens oog in oog zou staan', enz. Ze vond Turks Fruit zo geweldig. Ze beginnen ook samen erg op Theun de Vries af te geven. Tjalle zegt dat hij denkt dat Theun het meeste verdient met zijn artikelen in de VARA-gids. Dat ze het al gedacht hadden toen hij de P.C. Hooft-prijs kreeg.
Als de Russen terugkeren krijgen we te horen dat de broer van Loladze niet is aangekomen, zodat we onverrichter zake weer naar Texel kunnen. Arie zegt onderweg als het tijd is voor de herdenking: 'Nu liggen ze een krans.'
Met Arie ga ik meteen door naar het Russenkerkhof. Er zijn nog maar een paar mensen. Het monumentje ligt vol kransen. Een met een wit lint dat met een ballpoint in het Georgisch beschreven is.
Om half vijf komen we in De Lindeboom aan waar de receptie van de Russen is. Ik word voorgesteld aan verschillende secretarissen van de Russische ambassade. De zaal zit vol met dikke Russische vrouwen die indertijd gedwongen in Duitsland hebben moeten werken en daar met Nederlandse mannen getrouwd zijn.
ZONDAG 3 MEI 1970
Tweemaal pootpil.
Je luistert in bed naar 'U Vraagt, Wij Draaien.' Voske heeft om zes uur al eten gehad. Hij sluipt door het wilgenhout tegen het schuurtje. Bij elk verdacht geluid blijft hij staan.
Om' twaalf uur gaan we naar het strand. We hebben het draagbare radiootje bij ons voor het nieuws over Cambodja en de sport. Op het strand ligt een enorme boomstam van plusminus vijf meter lang en één tot anderhalve meter dik. Er staat op de kopse kant: B - een paar cijfers - en dan Grade.
Van het strand stijgt steeds damp op in luchtige wolkjes, alsof je door een lichte bewolking vanuit een vliegtuig over de woestijn uitkijkt. Tegen een duintje luisteren we naar het sportprogramma over Radio Veronica van Henk Bongaarts.
MAANDAG 4 MEI 1970
Tweemaal pootpil.
Om halfzeven op. Arie komt om acht uur. We brengen eerst mevrouw Boon en nog iemand naar Den Burg. Dan gaan we op de pont. In de koffiekamer eten we broodjes met kaas. Hij twee. Het is nog mistig. Langs het Noordhollands Kanaal moeten we voorzichtig rijden. Op Schiphol staan twee Russen van de ambassade op ons te wachten. Een gekrulde spreekt erg goed Hollands. Het zijn vormelijke mannetjes. Tjalle Jager is er ook met ene mevrouw Boereman. Die begint meteen aan persoonsverheerlijking te doen. 'Dat ik met de grote schrijver zelf nog eens oog in oog zou staan', enz. Ze vond Turks Fruit zo geweldig. Ze beginnen ook samen erg op Theun de Vries af te geven. Tjalle zegt dat hij denkt dat Theun het meeste verdient met zijn artikelen in de VARA-gids. Dat ze het al gedacht hadden toen hij de P.C. Hooft-prijs kreeg.
Als de Russen terugkeren krijgen we te horen dat de broer van Loladze niet is aangekomen, zodat we onverrichter zake weer naar Texel kunnen. Arie zegt onderweg als het tijd is voor de herdenking: 'Nu liggen ze een krans.'
Met Arie ga ik meteen door naar het Russenkerkhof. Er zijn nog maar een paar mensen. Het monumentje ligt vol kransen. Een met een wit lint dat met een ballpoint in het Georgisch beschreven is.
Om half vijf komen we in De Lindeboom aan waar de receptie van de Russen is. Ik word voorgesteld aan verschillende secretarissen van de Russische ambassade. De zaal zit vol met dikke Russische vrouwen die indertijd gedwongen in Duitsland hebben moeten werken en daar met Nederlandse mannen getrouwd zijn.
zondag 1 mei 2016
Brigitte Eicke -- 2 mei 1945
Brigitte Eicke (1927-?) was in 1945 18 jaar oud en woonde in Berlijn. Ze hield van 1942-1945 een oorlogsdagboek bij.
1. Mai 1945
Dienstag (Nationaler Feiertag des deutschen Volkes). Als Feuerwerk erlebten wir einen äusserst schweren Angriff, jetzt sind die Russen bald hier. Die Soldaten strömen schon zurück. Um 10 Uhr mit Christel schlafen.
2. Mai 1945
Um 3 Uhr kam Frau Schöbs in den Keller und sagte: Der Führer ist tot, der Krieg ist aus. Ich konnte nur einen Schrei ausstossen. Der Volkssturm war geflitzt, obwohl uns der Oberste von ihnen ehrenwörtlich versprochen hatte, wenns soweit ist, sagt er Bescheid und sie wollten uns beschützen. Sie haben alles liegenlassen und wir sind auf, haben erstmal die Waffen und Panzerfäuste drüben in die Trümmer geworfen, dann hat Frau Schöbs die Brote und Margarine aufgeteilt. Wir sind auf die Strasse gegangen, da zogen alle Soldaten zurück, es ist so traurig, die Parteigenossen aus der Goebbelssiedlung ziehen auch mit Sack und Pack unsere Strasse rauf. Nebenan in 20 trinken sie alle Schnaps. Früh, als es hell wurde, fing die Plünderei an. Mit Tante Walli bin ich auch losgezogen zum Kreishaus. Wir mussten auf dem Berg über Leichen steigen. Eine alte Frau lag da, die hat gebrannt. Im Keller des Kreishauses holten sie alles Mögliche raus und ich habe Helga Debeaux Schwester, die Vera getroffen und wir haben uns an die Hand gefasst und sind auch rein, es war so qualmig, dass man bald erstickt ist, drin alles dunkel, man trat immer auf Weiches, wie auf Tote. Die Männer haben eine Tür nach der anderen aufgebrochen und es war alles da, Zigaretten, Wein, Schnaps, Krem, Kartenspiele, Sachen, Stiefel. Ich habe in der Hast ein paar Kremdosen greifen können, anstatt vielleicht Stiefel zu nehmen. Dann sind wir raus, es war zu unheimlich da drin und alle haben geschrien, es wäre Munition drin, die jeden Augenblick in die Luft fliegen könnte. Dann sind wir nach oben in die Zimmer, da habe ich in einem Zimmer Babywäsche und Spielsachen genommen. Das hab ich nachher auf der Strasse gleich verschenkt. Mutti war im Bekleidungsamt in der Greifswalder Straße, da haben sie alle unheimlich Stoffe und Pelze rausgeholt und wir auch hin. Nach Kampf und Rauferei habe ich einen runden Ballen kaffeebraune Kreppseide ergattern können, Hosenträger, und allerhand Kleinkram. Dann bin ich im Parterre in den Pelzspeicher rein und habe mir einen schönen Pelzmantel ausgesucht, mit einmal Pfeifen und Schiessen und es heisst, die Russen sind da, ich dachte jetzt ist aus, wir alle runter, am Ausgang standen welche und wir mussten die Soldatenmäntel hinlegen, ich vor Angst alles hingeschmissen. Gott sei Dank, dass ich da überhaupt raus kam und nur nach Hause, die Menschen waren alle wie irre und beim Plündern wie die Hyänen, keiner hat Rücksicht genommen, sie haben geschlagen, gar nicht mehr menschenähnlich. Wir waren dann bei Schöbses oben. Da kamen dreimal Russen an. Der eine stand mit der Maschinenpistole vor uns und hielt sie uns auf die Brust, wir sollten Schmucksachen: Uri Uri abgeben. Ich hatte meinen Rauchtopasring, den habe ich gegeben. Sonja war im Schlafzimmer und der da rein, wenn ihr Vater nicht dazwischen gegangen wäre, hätte sie dran glauben müssen. Es war alles furchtbar. Wir haben uns Tücher um den Kopf gewickelt, damit sie nicht sehen, dass wir jung sind. Eine alte Frau aus unserem Haus haben sie zweimal vergewaltigt, sie hat das beim Kommandanten gemeldet und er sagt, wenn sie ihm die beiden zeigt, werden sie bestraft. Ich habe solche Angst. Die Männer holen sie schon alle ab. Unsere Polizei ist geschlossen abgeführt worden. Sie waren alle noch in Uniform, unsere alten Polizisten, alle Frauen, die da auf der Strasse standen, haben geweint, wie die Männer abgeführt wurden. Wir werden wohl alle nicht mehr leben bleiben. Wir haben uns abends alle bei Schöbses eingefunden und haben die ganze Nacht da gesessen. Ich habe so viel geweint, dass ich ein schlimmes Auge habe und ich mir eine Augenklappe vormachen musste. Vor Übermüdung und Aufregung konnte keiner schlafen und wir haben alle auf den Stühlen gesessen, alle ganz dicht zusammen, aber es ist nachts keine Russen mehr gekommen.
1. Mai 1945
Dienstag (Nationaler Feiertag des deutschen Volkes). Als Feuerwerk erlebten wir einen äusserst schweren Angriff, jetzt sind die Russen bald hier. Die Soldaten strömen schon zurück. Um 10 Uhr mit Christel schlafen.
2. Mai 1945
Um 3 Uhr kam Frau Schöbs in den Keller und sagte: Der Führer ist tot, der Krieg ist aus. Ich konnte nur einen Schrei ausstossen. Der Volkssturm war geflitzt, obwohl uns der Oberste von ihnen ehrenwörtlich versprochen hatte, wenns soweit ist, sagt er Bescheid und sie wollten uns beschützen. Sie haben alles liegenlassen und wir sind auf, haben erstmal die Waffen und Panzerfäuste drüben in die Trümmer geworfen, dann hat Frau Schöbs die Brote und Margarine aufgeteilt. Wir sind auf die Strasse gegangen, da zogen alle Soldaten zurück, es ist so traurig, die Parteigenossen aus der Goebbelssiedlung ziehen auch mit Sack und Pack unsere Strasse rauf. Nebenan in 20 trinken sie alle Schnaps. Früh, als es hell wurde, fing die Plünderei an. Mit Tante Walli bin ich auch losgezogen zum Kreishaus. Wir mussten auf dem Berg über Leichen steigen. Eine alte Frau lag da, die hat gebrannt. Im Keller des Kreishauses holten sie alles Mögliche raus und ich habe Helga Debeaux Schwester, die Vera getroffen und wir haben uns an die Hand gefasst und sind auch rein, es war so qualmig, dass man bald erstickt ist, drin alles dunkel, man trat immer auf Weiches, wie auf Tote. Die Männer haben eine Tür nach der anderen aufgebrochen und es war alles da, Zigaretten, Wein, Schnaps, Krem, Kartenspiele, Sachen, Stiefel. Ich habe in der Hast ein paar Kremdosen greifen können, anstatt vielleicht Stiefel zu nehmen. Dann sind wir raus, es war zu unheimlich da drin und alle haben geschrien, es wäre Munition drin, die jeden Augenblick in die Luft fliegen könnte. Dann sind wir nach oben in die Zimmer, da habe ich in einem Zimmer Babywäsche und Spielsachen genommen. Das hab ich nachher auf der Strasse gleich verschenkt. Mutti war im Bekleidungsamt in der Greifswalder Straße, da haben sie alle unheimlich Stoffe und Pelze rausgeholt und wir auch hin. Nach Kampf und Rauferei habe ich einen runden Ballen kaffeebraune Kreppseide ergattern können, Hosenträger, und allerhand Kleinkram. Dann bin ich im Parterre in den Pelzspeicher rein und habe mir einen schönen Pelzmantel ausgesucht, mit einmal Pfeifen und Schiessen und es heisst, die Russen sind da, ich dachte jetzt ist aus, wir alle runter, am Ausgang standen welche und wir mussten die Soldatenmäntel hinlegen, ich vor Angst alles hingeschmissen. Gott sei Dank, dass ich da überhaupt raus kam und nur nach Hause, die Menschen waren alle wie irre und beim Plündern wie die Hyänen, keiner hat Rücksicht genommen, sie haben geschlagen, gar nicht mehr menschenähnlich. Wir waren dann bei Schöbses oben. Da kamen dreimal Russen an. Der eine stand mit der Maschinenpistole vor uns und hielt sie uns auf die Brust, wir sollten Schmucksachen: Uri Uri abgeben. Ich hatte meinen Rauchtopasring, den habe ich gegeben. Sonja war im Schlafzimmer und der da rein, wenn ihr Vater nicht dazwischen gegangen wäre, hätte sie dran glauben müssen. Es war alles furchtbar. Wir haben uns Tücher um den Kopf gewickelt, damit sie nicht sehen, dass wir jung sind. Eine alte Frau aus unserem Haus haben sie zweimal vergewaltigt, sie hat das beim Kommandanten gemeldet und er sagt, wenn sie ihm die beiden zeigt, werden sie bestraft. Ich habe solche Angst. Die Männer holen sie schon alle ab. Unsere Polizei ist geschlossen abgeführt worden. Sie waren alle noch in Uniform, unsere alten Polizisten, alle Frauen, die da auf der Strasse standen, haben geweint, wie die Männer abgeführt wurden. Wir werden wohl alle nicht mehr leben bleiben. Wir haben uns abends alle bei Schöbses eingefunden und haben die ganze Nacht da gesessen. Ich habe so viel geweint, dass ich ein schlimmes Auge habe und ich mir eine Augenklappe vormachen musste. Vor Übermüdung und Aufregung konnte keiner schlafen und wir haben alle auf den Stühlen gesessen, alle ganz dicht zusammen, aber es ist nachts keine Russen mehr gekommen.
Boerendochter (22) uit Lijmers -- 1 mei 1942
• Boerendochter, 22 jaar - Lijmers. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945,
geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening
1 Mei 1942
- Jacob gaat nou niet naar den N[oord] O[ost polder], hij blijft in de Peel bij de Grondmij. Nu hoef ik ook niet bang te zijn dat ze hem nog eens ophalen voor 't Oostland. Verbeeld je toch eens zeg! Je kunt tegenwoordig van alles meemaken. We leven toch ook wel in een verschrikkelijke tijd. Nou zijn ze de jongens die in Rijks-betrekking zijn aan 't oproepen voor de verplichte Arbeidsdienst. Den Bisschop heeft 't ons Katholieken echter verboden of we moesten 't eerst met 'n priester overleggen, als er 'n geldige reden voor is. De vorige week heeft de Pastoor dat afgelezen 't was weer 'n echt pittige brief van onze fiere Bisschop. Daar kunnen we met recht trots op gaan. Het is de juiste man voor deze tijd Ja, ons kleine Katholieke volksdeel verzet zich dapper als één man achter onze grote Bisschop. Zoo'n brief kan je weer n's echt moed geven om taai vol te houden en onze Katholieke beginselen met overtuiging te beleven. Op zoo'n manier leven we ook nog weer in 'n mooie tijd. We mogen er nu wat voor doen voor ons Geloof. Vroeger was 't maar sleur en gewoonte Wat hebben wij jongeren nog 'n grootsche taak te vervullen.
Onze Pastoor had 't laatst nog zoo mooi gezegd op de meisjescongregatie. Meisjes denkt er aan, jullie zijt de draagsters van ons H. Geloof in de toekomst. Van ons hangt 't af of er later nog Katholieke gezinnen zullen zijn, vooral van ons, de vrouwen de moeders van de toekomst.
1 Mei 1942
- Jacob gaat nou niet naar den N[oord] O[ost polder], hij blijft in de Peel bij de Grondmij. Nu hoef ik ook niet bang te zijn dat ze hem nog eens ophalen voor 't Oostland. Verbeeld je toch eens zeg! Je kunt tegenwoordig van alles meemaken. We leven toch ook wel in een verschrikkelijke tijd. Nou zijn ze de jongens die in Rijks-betrekking zijn aan 't oproepen voor de verplichte Arbeidsdienst. Den Bisschop heeft 't ons Katholieken echter verboden of we moesten 't eerst met 'n priester overleggen, als er 'n geldige reden voor is. De vorige week heeft de Pastoor dat afgelezen 't was weer 'n echt pittige brief van onze fiere Bisschop. Daar kunnen we met recht trots op gaan. Het is de juiste man voor deze tijd Ja, ons kleine Katholieke volksdeel verzet zich dapper als één man achter onze grote Bisschop. Zoo'n brief kan je weer n's echt moed geven om taai vol te houden en onze Katholieke beginselen met overtuiging te beleven. Op zoo'n manier leven we ook nog weer in 'n mooie tijd. We mogen er nu wat voor doen voor ons Geloof. Vroeger was 't maar sleur en gewoonte Wat hebben wij jongeren nog 'n grootsche taak te vervullen.
Onze Pastoor had 't laatst nog zoo mooi gezegd op de meisjescongregatie. Meisjes denkt er aan, jullie zijt de draagsters van ons H. Geloof in de toekomst. Van ons hangt 't af of er later nog Katholieke gezinnen zullen zijn, vooral van ons, de vrouwen de moeders van de toekomst.
Coenraad Ruysch -- 30 april 1675
• Coenraad Ruysch (1650-1731) begaf zich in 1674 samen met zijn neef Dirck van Hoogeveen op een grand tour van drie jaar. Hij hield van die reis een dagboek bij: Journaal van een reis naar Genève, Italië en Frankrijk [Transcriptie en editie: Alan Moss]. Het onderstaande fragment gaat over Florence.
Maendach den 29en ben ick des morgens met de Fonteijnen en Van Dam eerst aen de post geweest, alwaer sij haere brieven lichten [ophalen], waer uijt met groote surprisen verstondt [begreep] dat den heere prince van Orangie aen de kinderpockies ** sieck was, doch met groote vreuchde dat sijn hoogheid sich noch wel naer gelegentheid van saeken was bevindende, en hier van daen naer t' paleijs daer wij de heer Maliabechi salueerde, die mij met groote beleeftheijt en vrienscap ontfonch. Des middachs bleef ick bij mijn geselscap eeten en den naer middach gingen wij buyten de stadt wandelen, daer het extraordinaris vermaekelijck is.
Dijnsdach den laetsten april bleef ick den heelen morgen t' huijs, mij met scrijven besich houdende. Naer de middach toonden ons de heer Maliabechi uijt last van den hartoch de Pandectae Florentinae **. Ick kost het manuscript niet te deegen lesen, noch niemandt van t' geselscap, te weeten de heeren Van Dam, twee Fonteynen, een Hamburger en een jesuit. Dit fameuse manuscript wert in een silvere geemaelieerde kist bewaert onder alle de scatten van den hertoch die op de galerij syn. t' Selve is in twee tomi [boekdelen] in root flueel gebonden, met gout beslach, seer fraij geemallieert. Dit boeck pleech met groote ceremonie aen de vreemdelingen als een heijlige reliquie getoont te werden, met brandende kaersen etc. Oock wiert het in de processie wel eer met groot respect onder een daix [verhoging, podium] altoos gedraegen. Naer dat wij hier van daen gingen, wandelde ick met Van Dam vermits het scoone weer tot den avont toe, als wanneer wij adieu ginch seggen aen de twee heeren Fonteijn, die des anderen daechs met den dach [bij het ochtendgloren] naer Livorno wilden.
** In 1675 kreeg stadhouder Willem III (1650-1702) de kinderpokken. Volgens de overlevering deelde hij zijn bed met zijn kamerjonker Bentinck (1649-1709) om zo de ziekte uit te zweten en af te geven aan Bentinck.
** De Littera Florentina is een zeer oud manuscript bewaard in Florence dat deel uitmaakt van de zogenaamde 'pandectae', een bloemlezing van Romeinse rechtsteksten.
Maendach den 29en ben ick des morgens met de Fonteijnen en Van Dam eerst aen de post geweest, alwaer sij haere brieven lichten [ophalen], waer uijt met groote surprisen verstondt [begreep] dat den heere prince van Orangie aen de kinderpockies ** sieck was, doch met groote vreuchde dat sijn hoogheid sich noch wel naer gelegentheid van saeken was bevindende, en hier van daen naer t' paleijs daer wij de heer Maliabechi salueerde, die mij met groote beleeftheijt en vrienscap ontfonch. Des middachs bleef ick bij mijn geselscap eeten en den naer middach gingen wij buyten de stadt wandelen, daer het extraordinaris vermaekelijck is.
Dijnsdach den laetsten april bleef ick den heelen morgen t' huijs, mij met scrijven besich houdende. Naer de middach toonden ons de heer Maliabechi uijt last van den hartoch de Pandectae Florentinae **. Ick kost het manuscript niet te deegen lesen, noch niemandt van t' geselscap, te weeten de heeren Van Dam, twee Fonteynen, een Hamburger en een jesuit. Dit fameuse manuscript wert in een silvere geemaelieerde kist bewaert onder alle de scatten van den hertoch die op de galerij syn. t' Selve is in twee tomi [boekdelen] in root flueel gebonden, met gout beslach, seer fraij geemallieert. Dit boeck pleech met groote ceremonie aen de vreemdelingen als een heijlige reliquie getoont te werden, met brandende kaersen etc. Oock wiert het in de processie wel eer met groot respect onder een daix [verhoging, podium] altoos gedraegen. Naer dat wij hier van daen gingen, wandelde ick met Van Dam vermits het scoone weer tot den avont toe, als wanneer wij adieu ginch seggen aen de twee heeren Fonteijn, die des anderen daechs met den dach [bij het ochtendgloren] naer Livorno wilden.
** In 1675 kreeg stadhouder Willem III (1650-1702) de kinderpokken. Volgens de overlevering deelde hij zijn bed met zijn kamerjonker Bentinck (1649-1709) om zo de ziekte uit te zweten en af te geven aan Bentinck.
** De Littera Florentina is een zeer oud manuscript bewaard in Florence dat deel uitmaakt van de zogenaamde 'pandectae', een bloemlezing van Romeinse rechtsteksten.
Abonneren op:
Posts (Atom)







