Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht marcel jouhandeau. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht marcel jouhandeau. Sorteren op datum Alle posts tonen

zondag 15 maart 2026

Marcel Jouhandeau • 14 maart 1964

Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein. Vertaling: Hepzibah Kousbroek

14 maart 1964
Ik denk af en toe aan onze vrienden, zij die twaalf jaar lang Céline bij ons hebben gekend, en haar behandelden als onze dochter. Van de ene dag op de andere, omdat ze bij Elise uit de gratie is, of misschien omdat ze een onge­huwde moeder werd, kent men haar niet meer.
Behalve Monsieur Kern en ik, gaat niemand haar ooit opzoeken.
Een van onze intimi, die ik mijn zoon noemde en die Céline aansprak als 'mijn zusje' heeft, ondanks het feit dat we elkaar via haar leerden kennen, het lef gehad mij tot aan de poorten van het ziekenhuis te rijden waar ze net was bevallen, zonder de moeite te nemen om mee naar binnen te komen, onder het voorwendsel van een andere afspraak.
Ik geloof dat wat in eerste instantie meespeelt de angst voor Elise is. Door samen met haar Céline links te laten liggen, vleit men haar.
In dit soort situaties, waarbij mensen in ongenade val­len, zoekt niemand het gelijk. Men is er slechts op uit de sterkste partij te vriend te houden.

* Alleen, voor de spiegel, heb ik mijzelf meer wellust ver­schaft dan met wie ook.

* Doorgaan met leven in een goede verstandhouding met mensen wier onwaardigheid en stupiditeit onomstotelijk vaststaan is niet alleen bijzonder moeilijk maar ook ver­standig. Dat is mijn lot, sinds bijna jaar en dag, iedere dag opnieuw. Als ik afstand had genomen van alle mensen die mij teleurgesteld hebben, of mij niet wisten te behagen, wat zou mijn eenzaamheid dan groot zijn!


dinsdag 15 maart 2016

Marcel Jouhandeau -- 16 maart 1971

• Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein. Vertaling: Hepzibah Kousbroek.

28 februari
11 maart

* 16 maart.
Deze eindeloze agonie breekt mij.
Vanavond is de mond gesloten. Men hoort alleen gereutel. Het gelaat toont alleen nog maar vermoeidheid, overgave, het opgegeven hebben, in plaats van de sporen van verwijt, van de wraakzuchtige kracht die gisteren nog de laatste vlammen van de blik deed oplichten.
Het heengaan van dit wezen van een ontegenzeggelijke grootsheid, die zoveel plaats innam in ons huis, laat me als berooid achter, in zekere zin alsof ik werkeloos was. Voortaan kan ik mijn leven naar eigen inzicht improviseren. De vrijheid is mij geschonken. De slavernij afgelopen, wat met mezelf aan te vangen?
Ik was een hard, zwaar juk gewend. Waarmee kan ik de nabijheid van deze tiran met het ondraaglijke humeur vervangen?
Mijn horizon, rond een uitgestorven wereld, schijnt me wonderbaarlijk toe. Het gaat er nu voor mij om het roer in handen te nemen, om voor mijzelf te gaan leven, zonder rekenschap te hoeven geven. Aangezien ik tijdens die slavernij nooit ophield met gelukkig zijn, waarom zou ik niet, bevrijd, proberen gelukkig te blijven?

* Dezelfde dag.
Vanavond, om tien uur, is Elise heengegaan, en het is alsof ik opeens voor een tweede keer meerderjarig word. Voor hoelang?

* 17 maart
Elise is net gestorven. Elise is dood. Een soort paniek bekruipt me, in de tegenwoordigheid van de nieuwe taak die mij roept, die mij wacht. *Wij waren niet van hetzelfde vlees, noch van dezelfde ziel, hoewel beiden van koninklijken bloede. Ik bedoel dat we geen van beiden tweederangsfiguren waren. In Elise was niets middelmatigs. Zelfs haar gebreken hadden hun grootheid.

* Men kan geen enkele sympathie voelen voor iemand die uw hartstocht oproept. Beter nog, hartstocht komt vaak voort uit een blinde, onbewuste onverenigbaarheid. Dat is waarschijnlijk wat er tussen Elise en mij gewoed heeft.

* Elise vond zichzelf zo vanzelfsprekend de enige eigenaar van haar huis dat ze mij nooit heeft beschouwd als haar echtgenoot, die de gezamenlijke woning deelde, maar als een huurder. Er ging geen maand voorbij dat ze niet tegen de bedienden zei: 'Als ik aan Monsieur huur zou vragen, dan zou hij de middelen niet hebben om die te voldoen.'
In Elise's ogen had ik nergens recht op. Desondanks, na het lezen van haar testament, - want ik wed dat haar gezond verstand even sterk was als haar bezitsdrift en haar rancunes jegens mij-blijkt mij bijna al haar eigendom toe te vallen; het genot van de woning en het recht op de rente die het leeuwedeel vormde van haar vermogen. Elise moet tegen haar bankier over mij hebben gesproken alsof ik een of andere zwerver was. Toen ik mij na de beroerte nietsvermoedend bij de Société Générale vervoegde met haar sieraden, om deze in de kluis te laten opbergen, behandelde men mij zo uit de hoogte, dat de chauffeur er aanstoot aan nam: 'Ach,' zei hij tegen me, 'als u eens wist hoe Madame werd ontvangen, wanneer ze naar de kelders afdaalde waar haar goud was ondergebracht. Een hele hofhouding escorteerde haar, en dan werd zij plechtig naar de auto teruggebracht.'

* Ik doe al het mogelijke om verdriet te hebben. Het lukt me niet. Madame Caryathis heeft mij ook zulke streken geleverd.
Het is waar, ze had haar excuus: mijn homoseksualiteit. Omdat ik van jongens hield, had ik in haar ogen nergens recht op, op geen enkele consideratie, geen enkele achting. Bovendien dacht ze mij het gebruik te moeten ontzeggen van goederen, de mijne en de hare, die ik zou kunnen aanwenden voor verborgen praktijken, terwijl ik met evenveel wijsheid over mijn hartstochten heb weten te regeren als zij over haar bezit.

woensdag 18 mei 2022

Marcel Jouhandeau • 19 mei 1968

• Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein. Vertaling: Hepzibah Kousbroek.
• In mei 1968 brak in Parijs een studentenoproer uit, dat zich ontwikkelde tot een algemene staking in heel Frankrijk.

19 mei 1968.
* Zo min als filantropie liefdadigheid is, impliceert liefde sympathie.
Wij omhelzen in onze privé-avontuurtjes meestentijds een symbool, waar de betreffende persoon niets of heel weinig mee te maken heeft. Met andere woorden, men houdt zelden van iemand, men houdt van niemand. Ik ben onschuldig aan de liefde die ik oproep. Net zo goed als zij die mij beroeren meestal nauwelijks verantwoordelijk zijn voor het gevoel dat ik voor hen denk te hebben.
Het toeval, het individu is slechts gezichtsbedrog – desondanks onmisbaar – om de hartstocht te bepalen.

* Tante Alexandrine en ik brachten brood bij een oude demente dame die steeds weer in haar voetstoof probeerde te kruipen.
De pretenties van de hedendaagse opstandigen zijn van dezelfde orde.

* Op hetzelfde moment dat de stakingen van de nepstudenten het Quartier Latin vernielden heb ik een jongeman ontmoet, een jaar of twintig oud, alleen, ernstig, met een boek in de hand dat hij af en toe dichtklapte om de tekst goed in zich op te nemen, of om ervan te genieten. Edele dieren zijn eenlingen.

* Alle beschaafde en serieuze jonge mensen die ik ken, die studeren, zijn vijandig tegenover de wanorde die veroorzaakt wordt door de imbecielen die hun regelmaat verstoren.
Ook de eerlijke arbeiders die ik ondervraag antwoorden dat ze onder dwang staken.

maandag 26 maart 2018

Marcel Jouhandeau -- 27 maart 1963

• Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Uit de 28 delen van zijn dagboek ontstaat het beeld van een leven vol tegenstellingen: mystiek en nuchterheid, goed en kwaad, genotzucht en smart, onbarmhartige spot en inlevingsvermogen. Zijn huwelijk met de danseres Élise is "een van de grote slechte huwelijken uit de wereldliteratuur". Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein (vertaling: Hepzibah Kousbroek).

Maart 1963
Ik heb het volgende bemerkt: hoezeer mensen van de hoge bourgeoisie en de aristocratie een onaangename 1ucht verspreiden. De oudere dames het meest, maar jongemannen en jongedames doen er niet voor onder. Is het omdat men van goede stand en beschaafd denkt te zijn, dat men zich minder wast, of is het omdat het vlees uit een oud geslacht een beetje adellijk moet zijn? Daar schuilt toch iets heel vreemds in, dat de moeite van het vermelden waard is. Gisteren heeft een rijke weduwe die er werkelijk vorstelijk uitzag, in een gouden jurk, het haar in een netje van Griekse tule, grootmoeder van negenentwintig kleinkinderen, mijn uithoudingsvermogen zeer op de proef gesteld. Ik stond achter de fauteuil waarin ze zat. De walm die uit haar decolleté een aanval op mijn neus deed liet mijn hoofd voor een ogenblik tollen. Ik dacht te zullen stikken.

Het lijkt me dat een slecht bedoelende criticus, als hij zich de moeite getroostte, zou kunnen bewijzen hoe men van Mauriac tot mij, en via Green, Montherlant en Peyrefitte, te maken heeft met ongeveer een zelfde personage, dat gehoor heeft gegeven aan verschillende richtlijnen, welke een min of meer gunstige ontwikkeling hadden op de ontplooiing van zijn talent en zijn schijnheiligheid.

zondag 10 maart 2024

Marcel Jouhandeau • 11 maart 1971

• Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein. Vertaling: Hepzibah Kousbroek.

[voorafgaand, 28 februari]

* 11 maart.
Langzamerhand kwijnt Elise weg. Diep in haar oogkassen is de blik nog helder. Die wanhopige, sprekende blik, die ze op mij richt, een flits aan een afgrond ontsnapt, lijkt mij te verwijten dat ik er nog ben, terwijl zij er binnenkort niet meer zal zijn. Ze denkt met een soort wanhoop aan alles, waarvan ze dacht dat het van haar alleen was, dat ze nooit zal weerzien, terwijl ik het zal terugvinden nadat ik afscheid van haar heb genomen, en er heer en meester over zal zijn. God weet dat haar luxe voor mij niet telt, behalve als een ballast, een nutteloze nasleep die alleen de herinnering aan haar zal verlengen, zonder mij ervan te kunnen overtuigen dat ik iets anders ter wereld bezit dan mijn werk en mijn naam.
Van tijd tot tijd, om haar af te leiden, noem ik namen die haar aandacht zouden kunnen afwenden van de idee-fixe die haar kwelt. Tevergeefs. Ze wil noch praten noch ophouden mij wezenloos aan te staren.

* Elise, bewusteloos vandaag, willoos, zonder stem, bijna zonder licht in de ogen (haar blik is versluierd), heeft alleen onze bediende enige sympathie getoond, door haar wang te strelen. Jegens mij, totale onverschilligheid.
Ik keek naar dat verslagen Gorgonenmasker en hoorde haar denken; die gaat vanavond een met roze zijde beklede kamer binnen. Dan beschikt hij overal over: de televisie, de badkamer. Hij heeft nu de sleutels van de salon in zijn zak. God weet dat niets van dat alles er voor mij toe doet, en in haar ogen lijkt het of ik haar onteigen. Gelukkig is er Marc, om aan haar leven een zin te geven waardoor het geen totale nederlaag wordt.

* 13 maart.
Et divites dimisit inanes.*
Vanavond was ik getuige van iets dat ondenkbaar leek. Ik heb Elise geheel naakt gezien, onder een laken, als een mummie. Haar lichaam loopt leeg, men kan haar niet meer kleden.
Wie zou niet door duizeling worden bevangen, in de aanwezigheid van een dergelijke ontreddering.



* Uit het Magnificat. Esurientes implevit bonis et divites dimisit inanes = Hongerigen heeft Hij met gaven vervuld, en rijken heeft Hij leeg weggezonden.

dinsdag 21 februari 2023

Marcel Jouhandeau • 22 februari 1967

Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein (vertaling: Hepzibah Kousbroek).

* 20 februari 1967
Is dit niet de laatste dag van mijn vrijheid? Morgen komt Marc in mijn leven, ik bedoel, zal ik in zijn dienst staan.

* Met het vallen van de nacht bekruipt me een soort angst. Morgen zal het kind hier zijn. Een nieuw tijdperk gaat aanvangen.
Ik voel dat Elise zenuwachtig is, maar ook nieuwsgierig en blij met de moeilijkheden die ze hoopt te overwinnen.
Men vindt ons onvoorzichtig.
De bedienden zijn al bij voorbaat jaloers op Marc. Het wordt zaak hem tegen ze te beschermen.

[22 februari]
Sinds gisteren is het huis niet meer hetzelfde. Het is een tempel waarin een kind slaapt. Zijn kamer ligt precies onder de mijne. Ik denk aan zijn hartje, dat zal overslaan, wanneer hij in een onbekende omgeving ontwaken zal. Het zingen van de vogels en het park beleeft hij als een sprookje. Zijn kamertje en zijn bed zijn naar de opkomende zon gericht. Zijn ogen zullen zich openen in een gouden licht.
Elise verbijstert me, in zwijm voor Marc, zo'n beetje als de Drie Koningin en de herders. De tederheid die ze uitstraalt herinnert me aan de gevoelens die ze vroeger eens toonde voor een vogel die voor onze deur uit het nest was gevallen.


donderdag 19 mei 2016

Marcel Jouhandeau -- 19 mei 1968

• Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein. Vertaling: Hepzibah Kousbroek.
• In mei 1968 brak in Parijs een studentenoproer uit, dat zich ontwikkelde tot een algemene staking in heel Frankrijk.

19 mei 1968.
* Zo min als filantropie liefdadigheid is, impliceert liefde sympathie.
Wij omhelzen in onze privé-avontuurtjes meestentijds een symbool, waar de betreffende persoon niets of heel weinig mee te maken heeft. Met andere woorden, men houdt zelden van iemand, men houdt van niemand. Ik ben onschuldig aan de liefde die ik oproep. Net zo goed als zij die mij beroeren meestal nauwelijks verantwoordelijk zijn voor het gevoel dat ik voor hen denk te hebben.
Het toeval, het individu is slechts gezichtsbedrog – desondanks onmisbaar – om de hartstocht te bepalen.

* Tante Alexandrine en ik brachten brood bij een oude demente dame die steeds weer in haar voetstoof probeerde te kruipen.
De pretenties van de hedendaagse opstandigen zijn van dezelfde orde.

* Op hetzelfde moment dat de stakingen van de nepstudenten het Quartier Latin vernielden heb ik een jongeman ontmoet, een jaar of twintig oud, alleen, ernstig, met een boek in de hand dat hij af en toe dichtklapte om de tekst goed in zich op te nemen, of om ervan te genieten. Edele dieren zijn eenlingen.

* Alle beschaafde en serieuze jonge mensen die ik ken, die studeren, zijn vijandig tegenover de wanorde die veroorzaakt wordt door de imbecielen die hun regelmaat verstoren.
Ook de eerlijke arbeiders die ik ondervraag antwoorden dat ze onder dwang staken.

maandag 29 februari 2016

Marcel Jouhandeau -- 28 februari 1971

• Marcel Jouhandeau (1888-1979) was een Franse schrijver. Een selectie uit zijn dagboeken is verschenen in de reeks Privé-domein. Vertaling: Hepzibah Kousbroek.

* Tot gisteravond, 27 februari 1971, wist ik niet hoe ver de gierigheid en de ondankbaarheid van mijn echtgenote jegens mij gingen. Hoe kan ik haar voortaan met dezelfde ogen zien? Men kon haar nog zo onmenselijk vinden, haar buitengewone wil om te overheersen was indrukwekkend.
Deze laatste tien jaar, sinds wij in het park van Malmaison wonen, heeft ze doorgebracht met gejeremieer over armoede, mij dwingend alle kosten op me te nemen, van het huishouden tot en met haar persoonlijke belastingen, en nu hoor ik dat zij over een slordige tien miljoen in goud beschikt, in een kluis van de Société Générale. Om de eindjes aan elkaar te knopen verkocht ik met bloedend hart mijn schilderijen, mijn manuscripten, waarmee ik me nog de spot van Le Figaro op de hals heb gehaald. Goed beschouwd is Elise dus verantwoordelijk voor de hoon die Monsieur Bouvard over mij uitstortte.
Wanneer men bedenkt dat deze reserve van edel metaal is gestart op het moment dat ik de firma Singer het gebouw heb moeten verkopen dat nog steeds in Guéret het plaatselijke kantoor is van deze luisterrijke firma, dan is er reden om verontwaardigd te zijn. Ik zie Elise nog in 1939 de hand leggen op de opbrengst van tweeëneenhalf miljoen. Van dat bedrag heb ik slechts met moeite vijftigduizend in handen gekregen, die ik besteedde aan de aankoop van de Mémoires van Saint-Simon, in de reeks Grands Ecrivains.
De details die mij over deze langdurige spaaractie ter ore komen verbijsteren mij. Een paar jaar geleden zou Elise, bang voor haar goud, met behulp van een vriend en een vriendin die in het complot zaten, het uit de kluis van de Société Générale hebben gehaald en het in onze tuin hebben begraven. Op die dag schijnt men mij voor de een of andere verre besogne te hebben weggestuurd, en opnieuw, toen men het opgroef om het weer op de bank te zetten. Ik zie mijn schraapster voor me, met de schep in de hand, op de uitkijk voor nieuwsgierigen.
In haar testament eist ze dat dit vermogen, waarvan ik tot nog toe geen weet had, op de Caisse des Dépots et Con-signations wordt gestort, om voor de opvoeding van Mare te worden gebruikt.
Ik kan me alleen maar verheugen over al het geluk dat ten deel valt aan een kind dat ik boven mezelf liefheb. Dat neemt niet weg dat een dergelijk gebrek aan vertrouwen, aan eerlijkheid, van een vrouw die aan mij zoveel, om niet te zeggen alles, te danken had, mij alleen maar dodelijk kan raken. Wanneer ik denk aan mijn vrienden die hier van wisten en er medeplichtig aan zijn geweest, dan moet ik mij wel beledigd voelen, alleen al door hun zwijgen.

* Het ontbreken van iedere ondeugd die haar zou verzwakken was bij Elise evenredig aan haar gevoel voor absoluut voordeel.
Zo heeft ze het geheel van haar persoonlijkheid, van haar wezen behouden, net zoals ze in het geheim haar kapitaal, haar vermogen heeft laten groeien. In haar kwam de wil tot macht op de eerste plaats, bepaalde de meeste van haar genegenheden, die ze uitdeelde als een vorst in zijn hof.
Niemand heeft haar ooit zien roken of alcohol drinken. In haar jeugd heeft ze in perverse kringen vertoefd, zoals een hermelijn, zonder ooit bevuild te raken. Het was voor haar een soort triomf zich te laten benaderen door zwakken zonder zelf te verzwakken.
Het is vreemd te denken dat ze zich haar hele leven met homoseksuelen heeft omringd. Alleen bij mij gaf die homoseksualiteit haar het recht alles te nemen zonder iets terug te geven.
In de verhalen over haar jeugd en in de herinneringen die ik heb van onze intieme verhouding, toen wij nog vurige minnaars waren, valt niet te ontkennen dat ze af en toe een voorliefde voor scatologie, voor liederlijkheid aan de dag legde. Het infame boeide haar als object van verwondering, zonder er lang bij stil te staan. Het uitstoten van kak door onze lichamen fascineerde haar, als een onwaarschijnlijke gebeurtenis. Tegelijkertijd ken ik geen voorbeeld van iemand die zo een perfecte hygiëne in acht nam als zij.

zondag 13 maart 2016

Ernst Jünger -- 14 maart 1943

Ernst Jünger (1895-1998) was een Duitse schrijver. Zijn Parijs dagboek 1943-1944 is verschenen in de Privé Domein-reeks.

Parijs, 14 maart 1943 - 's Middags bij Marcel Jouhandeau, die woont in een huisje in de rue du Commandant Marchand, een uithoekje van Parijs dat mij sinds lang bijzonder bevalt, We zaten met zijn vrouw en Marie Laurencin in zijn tuintje dat, hoewel het nauwelijks breder is dan een handdoek, toch tal van bloemen vertoonde. Zijn vrouw doet denken aan de maskers die men in oude wijnbouwdorpen vindt. Zij slaan ons niet zozeer in hun ban door het spel van de gelaatstrekken alswel door de starheid die afstraalt van hun houten en bontbeschilderde gezichten.
We maakten een rondgang door de woning die, afgezien van de kleine keuken, op elk van haar drie verdiepingen één kamer bezit-beneden een kleine salon, eenhoog de slaapkamer en boven, als het observatorium van een sterrenwacht, een bibliotheek die zo is ingericht dat men er kan wonen.
De wanden van de slaapkamer zijn zwart geverfd en met gouden ornamenten versierd, en er staat Chinees roodgelakt meubilair. De aanblik van dat stille kamertje was beklemmend, maar Jouhandeau verblijft er graag en werkt hier ook in alle vroegte als zijn vrouw nog slaapt. Heel fraai Vertelde hij hoe de vogels langzaam wakker worden en hoe hun melodieën elkaar aflossen.
Toen kwam ook nog Heller, en wij gingen in dc bibliotheek zitten. Jouhandeau toonde ons zijn manuscripten, waarvan hij er een aan mij cadeau deed, zijn herbaria, zijn fotoverzamelingen. In een map met opnamen van zijn vrouw bevonden zich ook naaktfoto's, uit de tijd dat ze nog danseres was. Dat verraste me echter niet bijzonder, want ik wist uit zijn boeken dat zij, met name 's zomers, graag aldus thuis rondloopt en zo ook de deur open doet voor leveranciers, ambachtslieden of de meteropnemer.
Gesprekken. Over de grootvader van mme Jouhandeau, een postbode die om vier uur 's ochtends in zijn wijngaard werkte alvorens de post te bestellen. 'Het werk in de wijngaard was zijn gebed.' Hij zag wijn als universeel geneesmiddel en gaf ook zijn kinderen bij ziekte daarvan te drinken.
Vervolgens over slangen, waarvan een huisvriend eens een dozijn had meegebracht. De dieren hadden zich door de woning verspreid; ze werden nog maandenlang onder de vloerkleden gevonden. Een van hen had de gewoonte 's avonds omhoog te kronkelen langs de voet van een staande schemerlamp; het dier wikkelde zich rond het midden van de lampekap, waar het het warmste was.
Opnieuw werd hier mijn impressie van de Parijse straten, huizen en woningen bevestigd: het zijn archieven van een substantie die doorweven is met oud leven, tot aan de rand gevuld met bewijsstukken, met herinneringen van allerlei aard.
's Avonds op ziekenbezoek bij Florence; ze heeft haar voet verstuikt in het huis van Céline. Ze vertelde dat deze auteur ondanks zijn hoog inkomen steeds lijdt onder geldgebrek omdat hij alles weggeeft aan de meisjes van de straat die met hun kwalen bij hem komen.
Wanneer alle gebouwen verwoest zullen zijn, blijft toch de taal bestaan, als betoverd kasteel met torens en tinnen en met oeroude gewelven en gangen die niemand ooit zal exploreren. Daar, in de schachten, oubliëttes en mijnen, zal men nog kunnen verblijven en uit deze wereld verdwijnen.

Uitgelezen: de Contes magiques. In dat boek vond ik de fraaie zin: 'Hier beneden zijn alleen de mensen met een verheven geest in staat tot een grote liefde, omdat zij als enigen de idee niet opofferen aan de uitwendige aantrekkelijkheden.'

zondag 21 september 2025

Simone de Beauvoir • 22 september 1939

Simone de Beauvoir (1908-1986) was een Franse filosofe en schrijfster. Fragment komt uit haar Oorlogsdagboek. september 1939 - januari 1941.

Vrijdag 22 september
Het leven gaat rustig verder. Vanmorgen om half 8 opgestaan. Ik maak uitgebreid toilet en om kwart over 8 tref ik Védrine in het café. De zon schijnt prachtig. Ze heeft een pak met sandwiches bij zich, maar een zielig smoeltje, bleek van het huilen; haar moeder heeft vanwege mij een hysterische scène gemaakt, haar zo ongeveer het huis uit gezet en haar verboden mij nog te zien. We lopen wat droevig rond; we gaan in het park zitten op een soort kaal muurtje, waar we rustig praten en waar ik probeer haar een beetje te kalmeren. Langzaam aan wordt ze wat rustiger. Om 11 uur nemen we een bus naar Concarneau. De oude 'gesloten stad' is enig, hij is omringd door muren en steekt als een miniatuur St Malo de zee in; de grijze huizen met hun leien daken zijn echt prachtig. We gaan de vestingmuur op en terwijl we naar de boten kijken waarop blauwe netten te drogen hangen, stop ik me vol met brood met rillettes; we zijn een ogenblik gelukkig, tijdens deze pauze, tijdens de wandeling door de stad, tijdens de wandeling langs de zee en als we in de blauwe serre van een doodstil hotel zitten en mousserende cider drinken. We lopen vrij lang, ik vertel Védrine over mijn voetreis; we gaan dwars door het Bretonse landschap via een paar mooie plekjes: die zoetwaterkreek waar de koeien kwamen drinken. Op het laatst zijn we bang dat we de bus missen, maar een vriendelijke auto brengt ons erheen. Terug naar Quimper. We gaan naar mijn kamer. Knuffelen. Maar ik heb totaal geen sensualiteit meer. Geen dromen, geen verlangens, ook dat is een vorm van geblokkeerd zijn. Ik ga naar het 'Café de Bretagne'; Védrine komt langs; vriendinnen hadden haar ongerust gemaakt door te zeggen dat ze meteen thuis moest komen, maar daar was niemand, daarna komt ze terug: haar moeder heeft de hele dag gehuild, in de overtuiging dat ze verdwenen was, en is toen een beetje bedaard. We wandelen wat in de maneschijn; de kathedraal is mooi tegen de sterrenhemel. Ik ga terug naar mijn hotel en lees een beetje in La Jeunesse de Théophile [van Marcel Jouhandeau].