woensdag 31 december 2014

Ernest Claes -- 31 december 1966

• Ernest Claes (1885-1968) was een Belgische schrijver. Gedeelten uit zijn dagboeken werden gepubliceerd in Uit de dagboeken van Ernest Claes en Uit de dagboeken van Ernest Claes: het afscheid.

31.12.66: Dit is de laatste avond van het jaar. In de eerste plaats dank ik God die ons, mij en mijn lieve vrouw, dit jaar nog heeft geschonken. Ik denk ook aan de liefde van onze kinderen. Maar het was ook een droevig jaar, waarin de dood is opgetreden. Henri Geyskens, mijn schoonbroer, zijn zoon Louis, Poldine van Peer, mijn schoonzuster, mijn oude vriend Arthur Meulemans en nog zovele anderen die zijn heengegaan, Vooral denk ik aan onze goede Madeleine. Volgend jaar wordt ik 82, als de Vader mij niet vroeger tot hem roep. Ik zie de vrienden en kennissen een voor een sterven.

dinsdag 30 december 2014

Gerard Bilders -- 30 december 1862

Gerard Bilders (1838-1865) was een Nederlandse schilder. Zijn brieven en dagboek zijn te lezen bij de dbnl.

30 December.
- De leelijkste kennismaking is die met zichzelven. Er zijn vele omstandigheden, waarin men zich maar liever niet had moeten leeren kennen. Ik heb ergens gelezen, dat men sommige handelingen, ondervindingen, gebeurtenissen, wel eens houdt voor keerpunten in het leven. Men meent, dadelijk na die verricht of beleefd te hebben, een anderen weg te zullen inslaan dan dien, welken men tot heden volgde, maar hoe vergist men zich! Den volgenden dag bemerkt men, dat men nog altijd dezelfde is gebleven en iedere gewenschte verandering slechts langzaam komt. Zou dit waar zijn en eene plotselinge omkeering onmogelijk, althans zeer onwaarschijnlijk?

zondag 28 december 2014

Victor Hugo -- 29 december 1870

Victor Hugo (1802–1885) was een Frans schrijver, dichter, essayist en staatsman. Vertaalde dagboekfragmenten van hem zijn gepubliceerd als Zelf gezien.

25 december
De hele nacht zware beschietingen.
Ik heb verscheidene bijdragen geschonken voor de verkoop ten bate van de oorlogsslachtoffers die vandaag plaatsvindt: een exemplaar van Les Châtiments op geschept papier (waarvan slechts vijftig exemplaren bestaan), het boek Les Enfants, geïllustreerd, Napoléon le Petit, twaalf exemplaren van mijn Brief aan het Duitse volk, aan het Franse volk, aan het volk van Parijs, en diverse autografen.
De Ier O'Flynn riep naar de mobiele gardisten: 'Zijn er honderd die mij willen volgen? Vijftig? Vijfentwintig? Eén?' Ze verroerden zich niet. Helemaal alleen stormde hij op de Pruisen af, luid schreeuwend: 'Weg met Pruisen! Leve Frankrijk!' Toen de Pruisen zagen dat het maar één man was die hen aanviel, schoten ze niet op hem. Hij kwam behouden terug, razend van woede.
Een bericht over Parijs in deze dagen: zo juist is er een mand oesters gearriveerd en voor 750 frank verkocht.
Op de bazaar ten bate van de armen, waar Alice en Mme Meurice ook in de kramen staan, is een levende kalkoen verkocht voor 250 frank.
De Seine is gaan kruien.
Wekelijkse betaling aan het Pavillon de Rohan: 590 fr.

29 december
De hele nacht geschutvuur. De Pruisische aanval lijkt afgeslagen.
Th. Gautier heeft een paard. Dat paard is aangehouden. Men wil het opeten. Gautier schrijft mij of ik wil trachten gratie voor het dier te verkrijgen. Ik heb een verzoek daartoe ingediend bij de minister.
Het is helaas toch waar dat Dumas overleden is. Het staat in de Duitse kranten. Hij is op 5 december in Puys, nabij Dieppe, gestorven, bij zijn zoon.
Er wordt steeds meer druk op mij uitgeoefend om toe te treden tot de regering. De minister van justitie, Em. Arago, is mij komen uitnodigen met hem te dineren. We hebben uitvoerig met elkaar gesproken. Na het eten kwam Louis Blanc. Ik blijf bij mijn weigering.
Afgezien van Emmanuel Arago en mijn vaste gasten van donderdag is ook H. Rochefort komen eten, samen met Blum. Ik nodig hen uit elke donderdag mijn gast te zijn, als wij nog enkele donderdagen te leven hebben. Bij het dessert heb ik een toast uitgebracht op de gezondheid van Rochefort. Het geschutvuur wordt heviger. We hebben het plateau d'Avron moeten ontruimen.

30 december
Vanaf volgende week kan er in Parijs geen linnengoed meer worden gewassen, bij gebrek aan kolen.
Ik heb luitenant Farcy te eten gehad, de commandant van de kanonneerboot.
IJzige kou. Sinds drie dagen draag ik mijn wollen cape en mijn capuchon als ik het huis uitga.
Pop voor kleine Jeanne (8 fr.). Korf vol speelgoed voor Georges (30 fr.).
Fort Rosny is al gedeeltelijk kapotgeschoten. De eerste granaat is in Parijs terechtgekomen. Vandaag hebben de Pruisen zesduizend bommen op ons afgevuurd.
In fort Rosny liep een matroos met een zak aarde op zijn rug, bestemd voor de schanskorven. Een granaat slaat de zak van zijn rug. 'Bedankt' zegt de matroos, 'maar ik was echt niet moe.'
Iemand vertelt mij dat de koning van Pruisen heeft verklaard dat hij, als ik in zijn handen viel, me zou laten sterven in fort Spandau.
Doos loden soldaatjes voor kleine Georges, 2 fr. 50.
Ik hoop het arme paard van Th. Gautier te kunnen redden.
Alexandre Dumas is op 5 december gestorven. Bij het doorbladeren van dit notitieboekje zie ik, dat ik op 5 december een grote lijkwagen met een H erop zag langskomen in de rue Frochot
. Wat we eten is niet eens meer paardevlees. Misschien is het hondevlees? Misschien is het rat? Ik begin last van mijn maag te krijgen. We weten niet meer wat we eten.
Valois is namens het Letterkundig Genootschap komen vragen wat ik wil dat er gebeurt met de 3000 frank die nog zijn overgebleven van de drie voorstellingen van Les Châtiments nu alle kanonnen zijn afgeleverd. Ik heb hem gezegd die 3000 frank integraal te storten in het steunfonds voor de oorlogsslachtoffers, dat beheerd wordt door Mme Jules Simon.

Rudi van Dantzig -- 28 december 1981

Rudi van Dantzig (1933–2012) was een Nederlandse choreograaf, balletdanser en schrijver. Eind 1981 hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Maandag
In de krant lees ik over een ander dan het Poolse generaalsregime, ditmaal geprezen door Reagan: '52 doodstraffen in Turks proces.' Ook de Kerstrede van de paus, over Polen. O.K., maar had hij zich ook maar zo duidelijk uitgesproken over Zuid-Amerika destijds, na dat bezoek. Moeilijk Gods plaatsvervanger op aarde te zijn. Het lijkt van benedenaf nauwelijks nog te overzien.
Vanavond premières van Hans en Toer, een drukke dag voor de boeg, dus vroeg weg. In de rotonde van de schouwburg worden videofilms over de geschiedenis van Het Nationale Ballet gedraaid, 's Ochtends anderhalf uur Sonia Gaskell, mijn vroegere directrice en leermeesteres. Schuif halverwege de film even het zaaltje binnen, hoor haar stem, zie haar gezicht en daarna zoveel schimmen uit het verleden: Marianne Hilarides en Jaap Flier dansend, Andrea, Olga, Joop Schultink. Zo velen die er al niet meer zijn.
Alle worstelingen, hoop, teleurstellingen, alle bezetenheid en onbuigzaamheid ook, veel fanatiek en hard geloof, dat alles samengeperst in zo korte filmtijd, het is bijna niet te verwerken als je er zo dicht op hebt geleefd. Zeer aangeslagen ga ik weer naar boven: op het toneel wordt druk gerepeteerd, ons leven van alledag, hier heeft het toch allemaal toe geleid.
Koop voor Hans en Toer elk een boek van Käthe Kollwitz, en zie, terug op kantoor, dat Hans zijn nieuwe ballet aan Anton Gerritsen en mij heeft opgedragen en Toer het zijne aan Monique Sand, die een auto-ongeluk heeft gehad. En het fijne is dat het een echte saamhorigheid is, onder onze mensen. Een groep om heel veel van te houden.
s Middags zie ik een stuk van de tweede video-ronde, over Hans en mij waar ik de makers en vooral Wilbert Bank, erg dankbaar voor ben. Hoe hij onze twee portretten, levenswijzen, opvattingen en geloofsbelijdenissen heeft verweven, dat Hans en ik op die manier verbonden zijn en blijven, dat is als een bezegeling van een voor ons uiterst belangrijk stuk bestaan.
De première-avond, vier Nederlandse choreografieën, twee gloednieuw, twee iets ouder. Toer, Hans en ik zitten gezamenlijk op ons lievelingsplekje van de schouwburg, het trappetje achter in de zaal, een plekje dat de jongste, Jan Linkens, nog moet ontdekken. We zitten daar met ons drieën en genieten van onze groep, ons twintigjarig kind. Hans heeft twee geweldige rollen gemaakt voor Rachel en Clint en in Toers ballet is het fantastisch om Alexandra Radius met evenveel zeggingskracht een absurd, gekweld schepsel te zien vertolken als een stralende, zuivere Beauty.
's Avonds lopen Toer en ik, weer door het Vondelpark, naar een feestje bij Hans thuis. We zijn geluksvogels, denk ik, dat we zo samen leven en denken. Toer logeert bij me. Zijn kachel is stuk en bovendien is hij doodmoe.

vrijdag 26 december 2014

Benoîte Groult -- 27 december 1944

Benoîte Groult (1920) is een Franse schrijfster. In 1963 publiceerde ze een oorlogsdagboek, dat ze samen met haar zus Flora geschreven heeft: Journal à quatre mains, in het Nederlands door Nini Wielink vertaald als Dagboek voor vier handen.

25 december 1944
Kurt had geen zin om in een club met rotjes en slingers te hossen en we hebben met z'n tweeën bij mij thuis een kerstmaal gehouden. Ik wilde bijna zeggen bij ons thuis... Hij haaide een heel kerstfeest uit zijn dozen tevoorschijn: cadeaus, champagne, kip en uiteindelijk deed ik de doos niet snel genoeg weer dicht en kwam er een huwelijksaanzoek uit.
Kurt is veertien jaar ouder dan ik; in het burgerleven piloot bij een particuliere maatschappij. Vrijgezel. Spaargeld. Bovendien zou ik gelukkig zijn als ik voor een of twee jaar met hem zou trouwen. Maar hoe moet ik hem uitleggen dat Amerika op mij overkomt als één grote kliniek waar onze geliefde Franse microben niet worden toegelaten? Dat ik niet 's middags in drugstores wil picknicken of eeuwig hete honden eten of deel uitmaken van een gezelschap dames met bebloemde hoeden die kaartspelletjes doen om niet de indruk te maken dat ze op een man zitten te wachten; en dat ik nog minder zin heb toe te treden tot de War-Brides die bij massa's tegelijk op troepentransport worden verstuurd naar vijandige families die ervan overtuigd zijn dat alle Francaises hoeren zijn. Op een dag zal ik mijn ware aard weer terugkrijgen en ik wil niet, als ik wakker word, getrouwd blijken te zijn met een vliegenier die met me over meteorologie praat.
Kurt is niet veelzijdig genoeg om de problemen van een ex-patriatie voor mij te maskeren. Een moeilijke kerstnacht voor hem en voor mij. Het kindje Jezus is dood. Ik praat met hem over mijn land waar ik plotseling zielsveel van houd; hij praat met mij over zijn gevoelens en er begint definitief iets tussen ons te wringen.
Ik voel dat Kurt zich enigszins bestolen, bedrogen zal voelen. Het was geen gril van hem dat hij van me hield; het is een man die de dingen serieus doet. En nu zou ik hem niet met gelijke munt betalen?
Ik moet me vooral niet laten vermurwen. Ik wéét dat ik er spijt van zou krijgen, ook al heb ik er op dit ogenblik erg veel zin in. Toch houd ik evenveel van Kurt als eerst en zelfs nog meer. Maar hij houdt sinds gisteren minder van mij, want het is een praktische man en niet iemand die zich door zijn gevoelens van de wijs laat brengen.
Ik ben nog helemaal onder de indruk van mijn moed. Ik bederf, geloof ik, voor mezelf een geluk dat ik nog niet helemaal had gesavoureerd. We hebben slecht geslapen. Kurts rug was vijandig en gesloten. De Atlantische Oceaan strekte zich in het midden van het bed tussen ons uit. O, wat is het irritant om te vernielen! Maar Kurt is te simpel om in onduidelijkheid te kunnen leven. En hij begrijpt niet dat ik echt van hem houd, maar niet voor het leven. Het leven is langer dan de liefde. Hij is vanochtend vroeg vertrokken, zonder nog ergens over te praten.

Laatste minuut
Ik verwachtte het al een beetje: ze belden me vanaf Orly om te zeggen dat Flight Officer Heller zojuist was weggevlogen naar het oostfront en dat hij me zou bellen als hij terug was.

26 december 1944
En toch moet je wel blijven uitgaan om niet te sterven van de kou en de honger. Ik heb mijn hele houtvoorraad voor Kurt verbruikt. Telefoonboeken verbrand en twee afschuwelijke stoeltjes van voortreffelijk hout. Deze bevrijding duurt te lang. Onheil komt altijd zo veel sneller dan geluk: doorgaans ga je erop achteruit.
Niet alleen is Von Runstedt niet op de vlucht geslagen, maar hij doet een tegenaanval in Colmar. In België is het front alleen maar 'gestabiliseerd', een woord dat riekt naar een heen en weer gaande beweging; en in ons westen zitten er nog steeds honderdduizend Duitsers in de buurt van Lorient en Saint-Nazaire. We zijn nog niet uit de ellende.

27 december 1944
Ik heb vanavond thuis gegeten en ben uitgegaan met Flora en haar Andrew. We zijn in Le Biarritz naar Ma Femme est une Sorcière gaan kijken. Andrew besloot dat Flora iets had van Veronica Lake; maar ik krijg niet de indruk dat hij genoeg afstand neemt om haar te kunnen beoordelen. Hij kijkt aandachtig naar haar, plotseling getroffen door bijziendheid, tegelijk bezitter en bezetene. En Flora beweegt zich hemels in dat klimaat. Eigenlijk heeft Flora behoefte aan een blik die op haar is gevestigd. Wanneer ze die niet heeft, rest haar nog de mogelijkheid om scheel te kijken en God en haar dagboek weten dat ze daar gebruik van heeft gemaakt. Andrew is trouwens aantrekkelijk. Hij heeft gezag, humor en die schijnbaar onbeholpen houding van de Engelsen, die bij hen op elegantie lijkt. We hebben met z'n drieën heel plezierig over het leven, de vrouw en de liefde gepraat, wat het meest laag-bij-de-grondse of meest boeiende onderwerp is, al naar gelang de kwaliteit van je gespreksgenoot.

James Boswell -- 25 december 1762

James Boswell (1740-1795) was een Schotse advocaat en schrijver, bekend vanwege zijn The Life of Samuel Johnson, maar zeker ook vanwege zijn dagboeken, waaronder het London Journal 1762-1763.

In de winter van 1762/63 had Boswell een affaire met ene Louisa. Voor de voorgaande dagboekbladen hierover zie 14 december, 17 december en 21 december.

[Friday 24 December]
I waited on Louisa. Says she, "I have been very unhappy since you was here. I have been thinking of what I said to you. I find that such a connection would make me miserable." "I hope, Madam, I am not disagreeable to you." "No, Sir, you are not. If it was the first duke in England I spoke to, I should just say the same thing." "But pray, Madam, what is your objection?" "Really, Sir, I have many disagreeable apprehensions. It may be known. Circumstances might be very troublesome. I beg it of you, Sir, consider of it. Your own good sense will agree with me. Instead of visiting me as you do now, you would find a discontented, unhappy creature." I was quite confused. I did not know what to say. At last I agreed to think of it and see her on Sunday. I came home and dined in dejection. Yet I mustered up vivacity, and away I went in full dress to Northumberland House. There was spirit, to lay out a couple of shillings and be a man of fashion in my situation. There was true economy.

[Saturday 25 December]
The night before I did not rest well. I was really violently in love with Louisa. I thought she did not care for me. I thought that if I did not gain her affections, I would appear despicable to myself. This day I was in a better frame, being Christmas day, which has always inspired me with most agreeable feelings. I went to St. Paul's Church and in that magnificent temple fervently adored the GOD of goodness and mercy, and heard a sermon by the Bishop of Oxford on the publishing of glad tidings of great joy.

[Sunday 26 December]
I went to Whitehall Chapel and heard service. I took a whim to go through all the churches and chapels in London, taking one each Sunday. At one I went to Louisa's. I told her my passion in the warmest terms. I told her that my happiness absolutely depended upon her. She said it was running the greatest risk. "Then," said I, "Madam, you will show the greatest generosity to a most sincere lover." She said that we should take time to consider of it, and that then we could better determine how to act. We agreed that the time should be a week, and that if I remained of the same opinion, she would then make me blessed. There is no telling how easy it made my mind to be convinced that she did not despise me, but on the contrary had a tender heart and wished to make me easy and happy.

dinsdag 23 december 2014

Vilgot Sjöman -- 24 december 1961

Vilgot Sjöman (1924-2006) was een Zweedse schrijver en regisseur. In 1961/62 was hij assistent van Ingmar Bergman bij de opnames van diens film De avondmaalsgasten. Van die periode hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als L136. Dagboek met Ingmar Bergman.

Donderdag 14 december 1961
Afgelast vandaag. IB [Ingmar Bergman] ziek.
Sommigen zijn blij om dit plotselinge Kerstverlof. Anderen spijt het. Sommigen die met Kerstmis klaar hadden willen zijn, maar die bij wijze van bezwering gemompeld hadden: 'We komen vast niet klaar voor Kerstmis', komen nu plotseling tot de ontdekking dat ze gelijk gekregen hebben, tot hun eigen wrange verwondering.

Woensdag 20 december 1961
Door de telefoon klinkt Ingmars stem vanwege de pijn in zijn keel, alsof hij de baard in de keel heeft. Maar hij is in elk geval aan de beterende hand.
Toch heeft hij een paar ellendige dagen gehad, zijn keel zat zo dicht dat hij het gevoel had dat bij zou stikken. Doodsbenauwd was hij - totdat zijn keel ten slotte wat minder opgezwollen was en hij een kleine opening meende te voelen waardoor hij adem kon krijgen.
(Nu ik een half jaar later deze notitie lees, heb ik de associatie met Ingrid Thulins doodsscène in De grote stilte.)
Hij bewondert de grote, objectieve, visionaire kracht in Birgitta Trotzigs roman En berättelse från kusten die hij bezig is te lezen. Hij is van plan 15 januari naar hotel Siljansborg te gaan om aan Folksagan te werken.
Hij is tevreden met Gunnars grote zelfbekentenis: 'Toen Gunnar zich er eenmaal voor openstelde, deed hij het heel erg goed.

Kerstavond 1961
Zijn stem klinkt nog steeds verkouden en mat:
-... en verder heb ik Marianne Hööks boek over mij gelezen. De drukproef. Uitbarsting en commentaren.