zondag 18 september 2016

Jeanne Meeter-Endt -- 17 september 1944

• Jeanne Meeter-Endt (1880-1971) was een Nederlandse huisvrouw die ten tijde van de slag om Arnhem een dagboek bijhield.

Oosterbeek, 17 september 1944.
Wat een geluksdag vandaag! Het begin van de bevrijding! Hoe is het mogelijk dat ik dat juist in Oosterbeek meemaak? ’t Ging als volgt toe:
Vanmorgen (Zondag) omstreeks 11 uur cirkelden er eenige vliegtuigen boven ons hoofd, die voortdurend bleven inspecteren. Van alle kanten knetterde ’t Duitsche afweervuur; raketbommen vielen neer en in minder dan geen tijd was ’t een lawaai van geweld. ’t Huis schudde en kraakte, wij vluchtten naar het trapgat, de kinderen doodsangstig en, eerlijk gezegd, wij ook, want van zoo dichtbij hadden wij nog geen oorlogsgeweld meegemaakt. Bovendien was Friso naar de Kochs, pension Waldfriede, gegaan en daar zaten wij over in onrust, want Waltfriede ligt vlabij het station en het zat er vol soldaten; ’t leek wel een fort, gisteren, toen wij er waren ter eere van de Zilveren Bruiloft van de Kochs.
Het bleek al gauw, dat wat we meegemaakt hadden, een Engelsch voorbereidingsbombardement geweest was; eenige bommen waren bij ons in de buurt, in de wei achter het kerkje, terecht gekomen, andere naast de bruggen.
Toen we een beetje van de schrik bekomen waren, kwam er een nieuw schouwspel (Friso was thuisgekomen, heelhuids): een massa Engelsche vliegtuigen kwamen er over de Betuwe aanzetten en gingen in Noordelijke richting; zeker wel duizend! Ze draaiden om Wolfeze heen. Vreemde, grote types waren erbij, waarvan we zagen dat ze door een gewoon type aan een kabel voortgetrokken werden; boven de bosschen van Wolfheze daalden ze langzaam neer: grote zweefvliegtuigen waren het, “gliders”, die massa’s Tommies transporteerden. O, dit heeft wel een uur geduurd, al meer en meer! Kort daarna zagen we grote rookkolommen boven Wolfeze opstijgen en stond alles daar in lichterlaaie. Dit alles vanuit ons huis te zien, omdat we zoo’n vrij uitzicht in die richting hadden. Wat het te beduiden had, wisten we toen nog weinig, maar we voelden dat er iets groots gebeurde, en na de benauwdheid die ons ’s morgens bevangen had, kwam er een gevoel van opluchting, van bevrijding over ons.
Dit merkwaardige schouwspel duurde wel tot een uur of drie. Toen merkten we dat al die moffen die in Oosterbeek lagen ingekwartierd, zich zenuwachtig klaar maakten om met wagens en tanks te vertrekken. Het terrein om Vôute en Brevée heen, stroomde leeg, nadat het eerst nogeens flink beschadigd werd door het aftrekken van takken voor camouflage. Van de politie, buurman Nieboer, hoorden we dat er wel veel brand in Wolfeze en omtrek was, maar dat het de Engelschen gelukt was, het dorp te bezetten en dat ook Ede al bevrijd was. Wat een enthousiasme toen door je heen voer is niet te beschrijven! Je juichte en lachte en holde, ondanks granaatscherven-gevaar, naar diverse buren die nog niets gezien of gehoord hadden doordat ze in de kelder zaten en geen vrij uitzicht hadden, o.a. de Brevée’s. En iedereen werd aangestoken door het enthousiasme en wist van gekheid niet wat je doen of laten moest. Een of andere hooge oome, die op de Tafelberg zat, was ook verdwenen. Alle moffen weg: ’t was een ongekende rust! Maar in de lucht was ’t nog lang niet rustig. Telkens hoorde je bommen vallen, maar afweer was er niet meer: of weggebracht of weggebombardeerd. We hoorden dat Arnhem het ook erg te kwaad had gehad: Café Royal, eenige huizen op de Oude Kraan en op het Nieuwe Plein. De elektriciteit ging niet meer, maar wat deed dát er toe; we waren bevrijd en eerder dan Holland! Wat een beleving!

Een paar uur later
“ Daar zijn ze, daar zijn de Tommies!” werd er buiten geroepen. En waarachtig daar liepen een heele troep Tommies ongehinderd over de Benedendorpsche weg! Wij holden er heen, lieten alles in de steek, ook de aardappelkoek die desnoods maar aan moest branden, en waren half gek van vreugde net als de andere dorpelingen die er samenstroomden. Men schreeuwde hoera, men danste, men juichte, men “shook hands” met de Tommies en men verwelkomde ze met appels, peren, tomaten en jenever. Die jeneverflesch van de kroegbaas ging van mond tot mond en op een gek oogenblik zag ‘k zelfs Ditha er aan lurken. Iedereen had plotseling oranje aan; Rie Chits voorzag ons van strikjes en bloemetjes, Ditha haalde een groote oranje kwast tevoorschijn; Friso stak de vlag van de Chitsen op een schoffel naar buiten, en op een goed oogenblik werd zelfs een vlag uit de kerktoren gestoken! En voortdurend meer Tommies en steeds grooter gejuich! De Brevée’s werden gewaarschuwd en werkelijk verscheen opa dokter ook zelf met zijn grappige gezicht tussen de menigte. Ik holde naar de Schadé’s, die nota bene nog netjes, plichtsgetrouw, aan hun koffietafeltje zaten, en eigenlijk te bang waren om uit hun huis te komen. Ze geloofden ’t niet, dat ’t Benedendorp vol Engelschen zat, maar aangemoedigd door mij, trokken we met z’n vieren gearmd naar de Weg en ook zij werden door ’t enthousiasme aangestoken. Hun hondje moest natuurlijk ook mee en was niet te houden van opwinding. Ampat, de terriër van de Chitsen, keft de Engelschen ook aan één stuk aan, tot hun groot plezier. Sietske en Onno huppelden ook nog tusschen de menigte en riepen “Good bye, good luck!” tegen de Tommies, die “Good bye, sweetheart” terugriepen. ’t Waren zulke goeie, flinke gezichten, groot verschil met die moffenkoppen. ’t Was één onophoudelijke bejubeling, en ’t bleef maar Tommies met kleine tanks en fietsen en karretjes met munitie en houwitsers stroomen, alles naar Arnhem.
We dachten ons al geheel bevrijd, maar och, wat waren we onnoozel. Achteraf beschouwd was ’t heel gevaarlijk wat we deden, want in ’t Benedendorp waren ze al in een strijd gewikkeld, en toen we eenmaal thuis waren om 7 uur en aan tafel zaten, brak de verdediging pas goed los: ontzettend lawaai van geschut en bommen en mitrailleurs en grote explosies. De brug over de Rijn was ’s morgens gesprongen. We vlogen allemaal angstig naar het trapgat, de kinderen huilend, Rie nerveus, en Ampat de eenige die zich van de herrie niets aantrok, en per se de tuin in wilde. Zoo bleef het tot donker aanhouden; gelukkig deed de electriciteit het weer, ook gas en water bleven we houden. De kinderen die doodop van opwinding waren, hebben we toen op matrasjes in de zitkamer te slapen gelegd en Friso ging bij hen zitten. Ditha is naar boven gegaan en ik ben bij de Chitsen gaan zitten, waar we ter kalmeering een spelletje gerummied hebben, waar later ook Friso, die eigenlijk wat koortsig en asthmatisch was, aan deelnam. Onze vlag was allang binnengehaald en we merkten eigenlijk nú pas, hoe hachelijk de heele toestand was. Een vreemd contrast: ’t Benedendorp een vrijheidsfeest en ’t Bovendorp in oorlog!

dinsdag 13 september 2016

Adriaan Morriën -- 14 september 1986

• Adriaan Morriën (1912-2002) was een Nederlandse schrijver. In Plantage Muidergracht zijn ook dagboeknotities van hem opgenomen.
In 1986 maakte hij een vakantiereis naar Portugal. Hieronder het verslag van de derde dag. Dag een - dag twee.

(Zondag, 14 september) Overnacht in Lemmet, halverwege Bordeaux en Bayonne, in het hotelletje van madame Bardot, een vriendelijke landelijke dame. Het hotelletje heeft een zwembad dat nu leeg staat, al met een paar afgevallen bladeren erin. Alles ziet er verlaten uit, het seizoen is voorbij. Ik voel stemmingen van verlatenheid niet zozeer in mijn hart als wel in mijn longen. Vanaf Tours tot Bordeaux reden wij over de tolweg die wij praktisch voor ons alleen hadden. Janneke vond het landschap saai, mij beviel het door zijn ruimte: het vergrootte mijn zelfbesef door het in zich op te nemen. Nadat het vrijdag en gisteren had geregend, klaarde het voorbij Tours op. De temperatuur steeg aanzienlijk. Wij zijn een klein uur in Bordeaux geweest, een rommelige uiteengereten stad met opluchtende bruggen over de Garonne en de Gironde. Moe en bezweet, na ruim zevenhonderd kilometer, moesten wij de stad wel in, omdat ons Franse geld bijna op was. Ik bedacht datje op zaterdag waarschijnlijk nog alleen in het station cheques zou kunnen wisselen en na enige moeite slaagden wij erin de Gare Saint Jean te vinden. Verdomd, onder de grond zat een jonge bleke godin van het Thomas Cook Concern.
Wij zien weinig vogels, zelfs geen mussen. Op de snelweg zag ik, met een blij gevoel van herkenning, drie zwaluwen door de lucht buitelen en ook bij madame Bardot zong vanochtend in de vroegte een vogeltje, heel even maar. Daarvoor slaapje dan op het platteland, dacht ik. Gisteravond aten wij een Magret de canard au miel, die ik ervan verdacht tam te zijn geweest en misschien wel het lievelingsdier van een Frans kind. Wij dronken een hele fles wijn uit de Pyreneeën, om de nabijheid van Spanje alvast te proeven, en werden bediend door het eerste mooi-ige mens dat wij in Frankrijk tot nu toe hebben waargenomen, een bruinogig blank meisje, tussen achttien en vierentwintig, naar schatting, maar met het stemgeluid van een veertienjarige. Onder het serveren keek zij heel ernstig, maar een enkele keer glimlachte zij allerliefst. Wat knapt de wereld van zo'n glimlach op!
Frankrijk is wel echt het land van het bidet, een heel bevredigende instelling waarvan je je afvraagt waarom wij die niet hebben overgenomen. Misschien alleen niet omdat onze Calvinistische voorvaderen zulke smeerpoetsen waren, wier nakomelingen zich pas in onze eeuw, en dan nog weer pas na de Tweede Wereldoorlog, van top tot teen hebben leren wassen. Het is waar dat het Franse volk dagelijks met zijn vingers in zijn gat grijpt, tast, wroet en woelt. Om zich op de ouderdom voor te bereiden?

zondag 11 september 2016

Kristien Hemmerechts -- 11 september 2001

• Kristien Hemmerechts (1955) is een Belgische schrijfster. In Een jaar als (g)een ander publiceerde ze een dagboek dat ze bijhield tussen 5 februari 2001 en 15 februari 2002.

11/9.
D. gisteren laat aan de telefoon. Over dat hij af en toe zin heeft om eruit te stappen. Maar dat heb ik ook, zei ik. Volgens mij is het volstrekt normaal. Meer zelfs: misschien is het abnormaal om niet door zelfmoordverlangens te worden gekweld.

Brief nav mijn tekst overig La vie sexuelle de Catherine M in VN: 'Ik vind uw woorden en die van Millet een ziekelijke aberratie.' En: 'Onlangs hoorde ik nog een Vlaamse prof in de Engelse taal en letterkunde zeggen dat u behoorlijk aan het afzakken was.' En: 'U sleurt uw naam (die vroeger goed klonk) steeds dieper door het slijk.'
En op het rectoraat van de KUB is een envelop binnengekomen (zonder vermelding van afzender, moedig en dapper als de mensen zijn) met het interview en daarop met de hand geschreven de vraag:'Hoe kunt u haar aan uw universiteit laten doceren?'Het rectoraat stopt dit 'schrijven' dan zonder een woord commentaar in een estafette-envelop en legt het in mijn vakje. Zijn ze het ermee eens of zijn ze het er niet mee eens? Of willen ze er gewoon niets mee te maken hebben?
Die eerste man beweert ook dat hij me ooit heeft zien voorlezen in een jurk die volkomen doorschijnend was. Man met rijke fantasie, voorwaar.

Voor het eerst in mijn leven in een roman (Meisje niemand van Tomek Tryzna) iets gelezen over iemand die zich gedraagt zoals Veerle vroeger tegen me deed, nu eens uiterst aanhankelijk en afhankelijk ('streel me, knuffel me, red me'), dan agressief alsof de baarlijke duivel in haar was gevaren.

Apocalyps in New York en Washington. Oeverloos geleuter en gespeculeer op elke radio - en televisiezender, terwijl er eigenlijk geen nieuws is tenzij het verschrikkelijke feit van de aanslagen zelf. And that's very very bad news.

Victor Klemperer -- 10 september 1949

• Victor Klemperer (1881-1960) was een Duitse taalkundige en schrijver. Zijn dagboeken zijn ook in het Nederlands vertaald.

Zaterdag 10 september 1949 's avonds
[...] 's Ochtends kon ik niets anders doen dan de rede voor vanmiddag voorbereiden. Combinatie natuurlijk van wat al 1000 x is gezegd, intellectuele leegloop en toch vermoeiend. Ik moest over het kamp spreken, over de taak van de vrouw, over de politieke situatie. Ik vergeleek de Hel van Dante en die van het kamp, de straf bij Dante, de straffeloosheid in West-Duitsland. [...] De vrouwen zouden aan politiek moeten doen, zei ik, om hun kinderen echt te kunnen opvoeden. Etc .... Eva reed met me mee. We hadden een snelle auto, Ko km. In de schouwburg van Bernburg voelde ik me al bijna thuis. Alleen hing voor de intendantenloge een het uitzicht versperrende DFD-vlag. [...] Om 20 u. terug.
Thuis vond ik de bewijsexemplaren van de 2e druk van mijn m Zónder het Sionhoofdstuk. Ex ossibus ultor* - ex tertia editione.**
Morgen had E. met een eredelegatie van de gss in Ravensbrück moeten zijn. Ik was bezorgd om haar en ben haast blij dat de tocht vanuit Halle werd afgezegd. [...]


* Volledig: Exoriare aliquis nostris ex ossibus ultor. Uit Aeneus van Vergilius. Betekenis: 'Moge eens een wreker opstaan uit mijn gebeenten'.
** 'Uit de derde editie.'

donderdag 8 september 2016

Cornelis Rijnsdorp -- 8 september 1940

• Cornelis Rijnsdorp (1894-1982) was een Nederlands schrijver en recensent. Van 1940 t/m 1950 hield hij een 'literair dagboek' bij.

8 september 1940
Ik herinner me ergens eens te hebben gelezen, dat onze dromen nooit gekleurd zijn, maar zich altijd afspelen in zwarte, witte of grijze tinten. Dit stemt niet met mijn ervaring van dromen overeen. Bij mij speelt juist altijd een of andere kleurwerking een belangrijke rol. Niet het hele droombeeld is gekleurd, dat herinner ik mij althans niet, maar wel een deel ervan. Die opgaande zon onlangs was bleek-paars. Gisterennacht droomde ik van een vrij grote, maar niet hoog-gezolderde ruimte, half winkel, half werkplaats. De eigenaar, een soort drogist of verfhandelaar, zag ik minder duidelijk. Het was een man van achter in de vijftig; in het begin van de droom had hij, meen ik, geen baard; later wel. Duidelijker zag ik zijn vriend, een kunstschilder, ook een man van achter in de vijftig, die ik later van opzij heel duidelijk zag met zijn korte, volle, een beetje kroezende zwarte baard. Nu ik wakker ben zou ik aan Paul Cézanne denken. De schilder was, wat dieper in die werkplaats, bezig dood op zijn gemak een beschilderd doek, dat op een ezel stond, schoon te maken. In mijn droom zag ik het doek schuin van opzij. Er was ergens een partij van dikke, korrelige verf, grijs, goud, wit en andere tinten door elkaar vertonend, waarin de schilder een poos bleef kijken, alsof er diepte in was. De andere man ging intussen blijkbaar zijn gang. Er werden bijna geen woorden tussen die twee gewisseld; blijkbaar een superieure vriendschapsverhouding, verborgen achter schaarse, brommerige conversatie. Twee oude mannen, volmaakt rustig en tevreden in elkaars tegenwoordigheid. Later zag ik, dat de schilderij een menselijke figuur voorstelde, groot en ten voeten uit geschilderd tegen een landschap als achtergrond. Die figuur, een man van ongeveer dertig jaar, met lokken en een korte dunne baard, zou Johannes de Doper, of Jezus als mens kunnen voorstellen. Ik herinner me de ellebogen en iets van kledingstof daarbij afhangend. De figuur stond een klein beetje met de benen uit elkaar, alsof hij van het schilderij af iets naar de verte wilde roepen of dat roepen in zijn houding wilde uitdrukken.
Later zag ik het weer schuin en de schilder, met een opgevouwen doekje in de hand, volmaakt rustig en op zijn gemak bezig met het schoonmaken. Zelf zat ik rechts apart, achter een breed soort tafel op schragen, of een lessenaar, en ik zag mezelf zo zitten, met een gladgeschoren gezicht, breed van boven en smal bij de kin, in een tamelijk heldere belichting, misschien ontstaan doordat er een glasplaat op de tafel voor mij lag.
Later probeerde ik die mannen duidelijk te maken, dat dit ook mijn thuis was en dat ik aanspraak erop kon maken mij hier te bewegen en tussen hen te verkeren. Hun duidelijke onwil kon ik niet aanvaarden en ik voelde wel dat ze in de grond me niet verwierpen, maar - zoals ik dat achteraf construeer - ze waren te oud geworden en in hun kostbare, zwijgende en brommerige vriendschap te zeer vergroeid, dan dat ze nog aan nieuwe relaties konden denken. Ik voelde mij als afgesneden van de bron van het leven, alsof men mij het recht betwistte (ontkende is beter) in en bij het mijne te leven. Ik herinner me dat ik zei schrijver te zijn, een argument dat mij voorkwam afdoende te wezen, maar dat op hen niet voldoende indruk maakte.

De ideale omstandigheden waaronder ik zou willen schrijven, die mij dus als een maximum voorkomen, zijn, vanuit de eisen van goede schrijfkunst gezien, een minimum: een zo juist door slaap of rust verfrist lichaam, een schoongewassen en bij de kin geschoren huid, een lichaam zonder afleidende of onrustig makende behoeften, schone kleren, een stemming zonder bitterheid, onrustigheid of zoiets en dan een betrekkelijke stilte in de omgeving. Dit alles als ik ga beginnen. Ben ik er eenmaal ‘in’, dan komt er niets meer op aan.

[ De lectuur van Ortega is me niet meegevallen. Leest men een poos van die cultuurbeschouwingen achter elkaar, zoals van Nietzsche, Huizinga, Ter Braak of Ortega y Gasset, dan krijgt men een gevoel van tegenzin. Men zou de tijd als een nieuwe bezettende macht kunnen zien, de cultuurhistorisch belezen intellectueel als iemand, die vóór de bezetting een rol speelde in het politieke of publieke leven en die nu probeert zich tegen de tijd te handhaven, ja erboven te blijven. In al die beschouwingen voelt men de pogingen van het door wetenschap gescherpt en gevoed verstand om zich tegen het leven te verweren en 't de baas te blijven. Cultuurhistorische beschouwers zijn leerling-zweefvliegers, die vergeten dat ze landen moeten of hoe ze landen moeten. Op nog meer afstand gezien zijn hun beschouwingen dorre blaren, die door de grondwinden opgeworpen worden en er korte of langer tijd op blijven ronddrijven. Zelfs de christen-denkers, zoals Augustinus en Pascal, zijn van dat element dat zo menselijk is, niet helemaal vrij. Maar zij hebben het althans over ‘uitkomsten tegen de dood’. De anderen loven het leven en verzwijgen de dood, treden die althans nooit met open vizier tegemoet.
Wanneer een wijsgeer al te glad en vloeiend wil gaan schrijven, ziet men pas goed hoe naakt en armelijk de grond van zijn geesteshouding is. Waarom worden die socratische of platonische gesprekken altijd in een idyllische omgeving gevoerd en niet bijvoorbeeld bij een mijnschacht na een ramp, op een slagveld of tijdens een bombardement? Al was het maar tijdens een bevalling. Vervalst de gedekte tafel of de mooie entourage niet onmerkbaar het denken en spreken?

De door mij in dit aantekenboek gevolgde methode, de gedachten niet tot hun laatste mogelijkheden aan te scherpen, doch ze min of meer onbekommerd op te schrijven, heeft zijn nadelen, maar brengt ook winst mee. Overigens is een element van teleurstelling aan elk opschrijven verbonden.

Stel nu dat ik van die droom over die twee oude vrienden een novelle maakte, dan zou de dagdroom die ik aan de nachtdroom zou ontspinnen, iets geheel anders zijn, afgezien nog van de noodzakelijkheid van een dramatische gebeurtenis, waar een droom zich in het geheel niet om bekommert. De vraag blijft hoe men aan het gegeven van zulk een droom komt. Herinnering aan lectuur over Cézanne speelt ongetwijfeld een rol. Vermoedelijk ben ik èn de drogist-verf-handelaar èn de oude schilder èn de schrijver op de achtergrond. De drogist is de dagelijkse mens die zijn brood verdient; de schilder is bepaald een zelfconceptie; op mijn gemak, vrij van zorgen, restaureer ik mijn geheugen en helder een beeld op van een mens. Ondanks de min of meer ideale vermomming kan die geschilderde figuur wel iets met mijn religieus-esthetische ‘zelf’ te maken hebben, laat ik in conferentietaal zeggen de ‘christen-kunstenaar’, die ik graag zou zijn en dus enigermate moet zijn. Maar dan blijft de verhouding tot de figuur op de achtergrond, die ik in de droom met mezelf vereenzelvigde, onverklaard, zoals trouwens de hele droom, die ik nu verder maar laat voor wat hij is.
De uitlegging die ik hierboven heb geprobeerd, herinnert me overigens wat ik eens van Wilhelm II heb gelezen, die bij elke gelegenheid het middelpunt wilde vormen: bij een kerkdienst wilde hij de predikant, bij een trouwerij de bruidegom en bij een begrafenis het lijk zijn.

dinsdag 6 september 2016

Riverbend -- 7 september 2003

• Riverbend is de schuilnaam van een Irakese blogster die van 2003-2007 verslag deed van de toestand in Bagdad en Irak. Het blog staat nog steeds online. De inhoud werd gepubliceerd als boek, dat in het Nederlands werd vertaald als Bagdad onder vuur.

Zondag, 7 september 2003
lk hoorde net interessant nieuws. Blijkbaar werden er toen Rumsfelds vliegtuig Bagdad Airport verliet om hem naar Koeweit te brengen projectielen op zijn vliegtuig afgevuurd; ze misten. Ik hoop er meer over te horen, maar dit moest ik even kwijt.
De marionettenmeester had een ontmoeting met Bremer en zijn marionetten, maar het beeld was niet compleet: Bush was er niet bij.
Ik vond Donald Rumsfelds nieuwste commentaar op Irak fantastisch: 'Het is net Chicago.'
Wauw, die man is geestig.
Weet je wat? Ik ben het met hem eens. Hij maakte alleen de verklaring niet af. Wat hij eigenlijk had moeten zeggen was: 'Het is net Chicago in de jaren twintig toen Al Capone er heerste: bendes, milities, gevechten, plunderingen, vendetta's, dubieuze handeltjes en schimmige figuren in donkere hoekjes.'
Maar in plaats van Al Capone hebben wij Al-Jaffari, Al-Chalabi, Al-Hakim en L. Paul Bremer.
Vandaag werden Amerikaanse troepen enkele malen aangevallen. Het opmerkelijkst waren de aanvallen in Baquba en Mosul, en een paar uur geleden waren er twee in Bagdad. Die van Bagdad waren niet op de televisie, maar we hoorden een doffe explosie en een van de buren vertelde aan E. over een pantservoertuig dat in brand stond.

Gepost door river @ 3.33 uur

vrijdag 2 september 2016

Anne Frank - 2 september 1942

• Anne Frank (1929-1945) was een Joods meisje dat bekend is geworden door het dagboek (Het achterhuis) dat ze schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen ze ondergedoken zat in Amsterdam.

Woensdag, 2 September 1942

Lieve Kitty,
Mijnheer en mevrouw Van Daan hebben erge ruzie gehad, ik heb zo iets nog nooit meegemaakt, daar vader en moeder er niet aan zouden denken zo tegen elkaar te schreeuwen. De aanleiding was zo nietig, dat het niet de moeite waard was om er één woord over vuil te maken. Maar ja, ieder zijn meug. Het is natuurlijk erg onaangenaam voor Peter, die er toch ook maar tussen moet zitten. Ook wordt hij door niemand au sérieux genomen, daar hij verschrikkelijk kleinzerig en lui is. Gisteren was hij danig ongerust, omdat hij een blauwe in plaats van een rode tong gekregen had; dit zeldzame verschijnsel verdween evenwel net zo gauw als het gekomen was. Vandaag loopt hij met een sjaal om zijn nek, daar deze stijf is en verder klaagt mijnheer over spit in de rug. Pijnen tussen hart, nier en long zijn hem ook niet vreemd, hij is een echte hypochonder (dat noem je toch zo, hè?)! Tussen moeder en mevrouw Van Daan botert het niet zo erg; aanleidingen tot onaangenaamheden zijn er genoeg. Om een klein voorbeeld te noemen wil ik je vertellen dat mevrouw uit de gemeenschappelijke linnenkast op drie na al haar lakens weggehaald heeft. Zij neemt natuurlijk aan, dat moeders goed voor de hele familie gebruikt kan worden. Zal haar wel lelijk tegenvallen als ze merkt dat moeder het goede voorbeeld gevolgd heeft.
Verder heeft mevrouw er erg de pé over in, dat ons servies niet, maar het hare wèl in gebruik is. Ze probeert steeds te weten te komen, waar wij onze borden wel naar toe gedaan hebben; ze zijn dichter bij dan ze denkt, want ze staan op zolder in cartonnen dozen, achter een heleboel reclamemateriaal. Gedurende onze onderduiktijd zijn de borden onbereikbaar en dat is maar goed ook. Mij gebeuren altijd ongelukken; gisteren smeet ik een soepbord van mevrouws servies aan stukken. ‘O!’ riep ze woedend uit, ‘wil je wel eens voorzichtig zijn, dit is het enige, dat ik nog heb’.
Mijnheer Van Daan is de laatste tijd poeslief tegen mij. Laat hem maar. Mama heeft vanochtend weer zo ellendig gepreekt; dat kan ik niet uitstaan. Onze opvattingen staan precies lijnrecht tegenover elkaar. Papa is een dot, al is hij wel eens 5 minuten kwaad op me.
Verleden week hadden we een kleine interruptie in ons zo eentonige leven: het kwam door een boek over vrouwen, - en Peter. Je moet namelijk weten, dat Margot en Peter haast alle boeken, die mijnheer Koophuis ons leent, mogen lezen, maar dit bijzondere boek over een vrouwenonderwerp hielden de volwassenen toch maar liever in eigen handen. Dat prikkelde dadelijk de nieuwsgierigheid van Peter. Wat zou er wel voor verbodens in dat boek staan? Stiekem pakte hij het van zijn moeder weg, terwijl zij beneden aan het praten was, en ging met zijn buit naar de vliering. Dat ging een paar dagen goed. Mevrouw Van Daan wist al lang wat hij deed, maar verklapte niets, totdat mijnheer er achter kwam. Die werd kwaad, pakte het boek af en dacht, dat daarmee de zaak afgelopen zou zijn. Hij had echter buiten de nieuwsgierigheid van zijn zoon gerekend, die door het kordate optreden van papa geenszins van zijn stuk gebracht was. Peter zon op mogelijkheden om dit meer dan interessante boek toch uit te lezen. Mevrouw had intussen bij moeder geïnformeerd wat zij van de kwestie dacht. Moeder vond dit boek niet goed voor Margot, maar in de meeste andere boeken zag ze geen kwaad.
‘Er is een groot verschil, mevrouw Van Daan’, zei moeder, ‘tussen Margot en Peter, ten eerste is Margot een meisje, en meisjes zijn altijd rijper dan jongens, ten tweede heeft Margot al meer serieuze boeken gelezen en zoekt niet naar dingen die voor haar verboden zijn, ten derde is Margot veel ontwikkelder en verstandiger, wat haar vier H.B.S.- jaren meebrengen’. Mevrouw stemde daarmee in, maar vond het toch in principe verkeerd jonge kinderen boeken voor volwassenen te laten lezen. Intussen had Peter de geschikte tijd gevonden, waarin niemand naar het boek of naar hem omkeek. 's Avonds om half 8, toen de hele familie in het privé-kantoor naar de radio luisterde, nam hij zijn schat weer mee naar de vliering. Om half 9 had hij weer beneden moeten zijn, maar daar het boek zo spannend was, vergat hij de tijd en kwam net de zoldertrap af, toen zijn vader de kamer binnenkwam. Wat volgde is begrijpelijk! Een tik, een klap, een ruk, het boek lag op tafel en Peter zat op de vliering. Zo stonden de zaken toen de familie ten eten kwam. Peter bleef boven, niemand bekommerde zich om hem, hij moest zonder eten naar bed. Vrolijk keuvelend zetten wij onze maaltijd voort, toen er opeens een doordringend gefluit tot ons doordrong, allen legden de vorken neer en ieder keek de ander met bleek en verschrikt gezicht aan. Dan hoorden we Peters stem, die door de kachelpijp riep: ‘Ik kom toch niet naar beneden, hoor’. Mijnheer Van Daan sprong op, zijn servet viel op de grond, met vuurrood hoofd schreeuwde hij: ‘Maar nu is het genoeg’.
Vader pakte hem bij de arm, daar hij erge dingen vreesde en samen gingen de twee heren naar de zolder. Na veel tegenstribbelen en trappen belandde Peter in zijn kamer, de deur ging dicht en wij aten door. Mevrouw wou een boterham voor zoonlief overlaten, mijnheer was onverbiddelijk. ‘Als hij niet dadelijk excuus vraagt, moet hij op de vliering slapen’.
Wij protesteerden en vonden ‘zonder eten’ al straf genoeg. Peter mocht eens verkouden worden en dan zou er geen dokter aan te pas kunnen komen. Peter vroeg geen excuus, hij zat alweer op de vliering. Mijnheer Van Daan bemoeide zich er niet meer mee, maar bemerkte 's morgens dat Peters bed wel beslapen was. Om 7 uur zat Peter alweer op zolder, maar werd toch door de vriendschappelijke woorden van vader genoopt naar beneden te komen. Drie dagen norse gezichten, hardnekkig zwijgen en toen liep alles weer in gewone banen.
Je Anne.