dinsdag 3 november 2026

Hanneke de Klerck • 4 november 1999

Uit: Schrijversdagboek ('Ik wordt') in Lust & gratie van Hanneke de Klerck.

Donderdag, 4 november 1999 • Dit is mijn feestje (en dat van Yves van Kempen), maar als ik om vijf uur op de uitgeverij verschijn, staat de drank nog niet klaar en heerst er paniek - het is ook de middag dat de Belgische rechter in hoger beroep zal beslissen of Uitgeverij Guggenheimer van Herman Brusselmans in België verboden blijft.
Onze advocaat ziet het somber in, zegt Maritge Wielaert, de publiciteitsmedewerkster van Prometheus.
Goh! Wanneer verwacht je het het vonnis? Waar kan ik bellen? Journalist ben je ook op je vrije dag, ook als je het verschijnen viert van je eerste boek. Maar bellen is niet nodig al snel lopen Volkskrant-collega's binnen, een van hen keert naar de redactie terug zodra het vonnis (het boek blijft verboden) uit de fax rolt.
Journalist ben ik, en schrijver. Ik vind het een ongemakkelijke combinatie. Het is of ik goed Frans spreek en Spaans wil leren. Ik leer in vliegende vaart, want veel weet ik al of gok ik goed op basis van mijn kennis van het Frans. Maar ik blijf rare fouten maken, ik spreek Spaans met een Frans accent, ik strooi Franse woorden door mijn Spaanse zinnen, en mijn klasgenoten, die in het Frans niet verder komen dan de pijprokende papa, spreken aan het einde van de cursus met minder moeite even goed Spaans als ik.
Ik moet de journalistiek van mij afschudden om fictie te schrijven. Vier, vijf jaar geleden, toen ik serieus met schrijven begon omdat ik mezelf wilde kunnen zeggen dat ik het in ieder geval had geprobeerd, maakte ik een steeds terugkerende fout. Ik vindt, schreef ik, ik wordt; ik was zo gewend aan de derde persoon.
Ik heb moeten leren omtrekkende bewegingen te maken, te suggereren, onduidelijkheid te laten bestaan. Met het wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe, dat ik me voor de krant zo eigen heb gemaakt, kan ik mijn boek Een hemel van blauw fluweel in een halve pagina samenvatten.
De flaptekst van mijn novelle vermeldt niet dat ik journalist ben.
Het is geen aanbeveling, het is een handicap. Liever verdiende ik mijn geld met een beroep dat ver van het schrijven afstaat, liever was ik rondvaartschipper en schreef ik daarnaast. De rondvaartschipper die ik ken, auteur van een mooie verhalenbundel, is het niet met mij eens. Mijn schrijvende collega's vermoedelijk ook niet.
Een van hen, Kees Broere, correspondent in Rwanda, publiceerde romans onder de naam Kees Asten. Hij wilde voorkomen dat krantenlezers zouden denken: o, dat is die man die verhalen verzint. Maar op zijn debuut liet hij vermelden dat Asten de auteursnaam is van de journalist Broere en op zijn tweede boek, dat onlangs verscheen, is van Broere geen sprake meer. Kees Asten is correspondent van de Volkskrant, staat er - de Volkskrant heeft een fictieve correspondent.
Dit is mijn feestje, en dat van Yves Kempen, een borrel die uitgeverij Bert Bakker (onderdeel van Prometheus) geeft ter ere van het verschijnen van onze debuten.
Koningin-moeder heet zijn bundel, het zijn impressies van een jongetje in de jaren vijftig over zijn moeder en haar familie. Ik heb het boek gelezen, uit nieuwsgierigheid en uit beleefdheid; ik had het graag mooi gevonden, maar ik vind de stijl te gekunsteld en tegelijkertijd niet bijzonder genoeg, en de herinneringen alledaags.
Een hemel van blauw fluweel gaat over een jonge vrouw die alleen nog kan slapen en een baantje accepteert als levende etalagepop in een luxe warenhuis tijdens de ‘Maand van het bed’.
De stijl is ‘nuchter en to the point’ (ik citeer uit het leesrapport van Graa Boomsma die het manuscript beoordeelde), het verhaal ‘teder en subtiel’. En somber. De verkoopafdeling noemt dat weemoedig. Redacteur Annette Portegies overhandigt Van Kempen en mij de eerste exemplaren van ons boek. Symbolisch, want beide boeken liggen al in de winkel. Mijn twintig auteursexemplaren heb ik de afgelopen dagen met gulle hand uitgedeeld.
Annette citeert J.C. Bloem: ‘denkend aan de dood kan ik niet slapen/ en niet slapend denk ik aan de dood’; dichtregels die prachtig passen bij mijn verhaal. Josje, mijn hoofdpersoon, probeert de dood weg te slapen en slaagt daar vanzelfsprekend niet in.
Annette zegt dat het contact met de uitgeverij voor mij een kwelling is geweest. Dat is waar. Voor iemand die niet beter weet dan dat aan deadlines niet te tornen valt, voor iemand die gewend is wat ze vandaag schrijft morgen in druk te zien, draaien de molens van een grote uitgeverij tergend traag.
Het is anderhalf jaar geleden dat ik het manuscript van wat Een hemel van blauw fluweel zou gaan heten naar Prometheus stuurde. Graa Boomsma, die werk van mij kende, las het en belde twee weken later al: dat het een pakkend verhaal was en dat hij het met positief advies zou doorgeven aan anderen binnen de uitgeverij.
Daarna werd het stil. Ik belde zelf, hoorde dat Plien van Albada moest beslissen, kon Plien maar niet te pakken krijgen, wilde me ook niet opdringen, wachtte, aarzelde en belde wanhopig, na lang moed verzamelen, Graa weer: hoe het er nu mee stond?
‘Dat weet ik niet,’ zei Graa. ‘Plien? Wat gebeurt er met het manuscript van Hanneke de Klerck?’ Ik hoorde dat hij zijn hand op de hoorn legde, maar kon toch alles verstaan.
‘Manuscript? Dat héb ik helemaal niet.’
‘Jawel. Dat heb ik je gegeven, met een briefje erbij.’
‘Vind jij dat we het moeten doen?’
‘Ja, ik vind van wel.’
Ze lachte. ‘Goed. Dan doen we het.’
De hand ging weer van de hoorn. ‘Hanneke? Het zit hier in de molen. Je hoort het zo snel mogelijk.’
Ieder besluit duurde weken, zo niet maanden, het heeft een klein jaar geduurd voor ik mijn contract had en toen nog driekwart jaar voor het boek verscheen, waarbij op het laatst alles in het honderd liep door de ontwerpers van het omslag die het maar niet lukte iets te maken dat bij mijn boek paste. Schokkend vond ik vooral hun enthousiasme voor de - mooie, dat wel - foto van een dode baby in een kistje. Een krachtig beeld, vonden zij, en ze begrepen net zomin dat ik hun geestdrift niet deelde als ik begreep hoe ze juist voor dit beeld konden kiezen. Dit is mijn feestje (Yves van Kempen is allang uit mijn gezichtsveld verdwenen). Nooit eerder kreeg ik zoveel aandacht en zoveel bloemen. Iedereen is er, ook lang uit het oog verloren vrienden die hebben begrepen dat het hier om een geboorte gaat, en om kraamvisite.
De afgelopen week hebben naaste vrienden en familie het boek gelezen, de reacties zijn lovend. Ik heb het manuscript angstvallig bewaakt, pas nu het boek er is, kan mijn omgeving zien waar ik al die tijd mee bezig ben geweest. Dat is eng. Met elke enthousiaste reactie groeit mijn zelfvertrouwen.
Ja. Ik heb een mooi boek geschreven.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten