zaterdag 12 december 2015

Adriaan van Dis -- 12 december 1996

Adriaan van Dis (1946) is een Nederlandse schrijver. In 1996 hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Vrijdag
In de auto naar de universiteit voor een openbaar college; weer een dik uur in de file. Enkele studenten van de sectie Nederlands (170 eerstejaars, 300 bijvak. Heel wat meer dan op een Nederlandse universiteit), hebben een paar scènes uit Tropenjaren voorbereid. Bizarre ervaring om een meisje met een moslimhoofddoek mijn recalcitrante dialogen te horen uitspreken: “Geil, zeg.” “Ja ja, de vrouw van de kolonel neuken.” Alles met de klemtóón op de motór (ze moeten nog veel mondgymnastiek doen, zegt het hoofd van de afdeling). Doe mijn best me niet te schamen. Na afloop veel vragen over kleur, identiteit en het zogenaamde Italiaanse bloed van mijn vaders familie. Of ik graag bruin had willen zijn? Ja, vroeger als kind wel. Dan hoorde ik er in ons huis tenminste iets meer bij. Hier bleken de mooiste meisjes zich.
Na afloop feestlunch. Wij rekken de maag op. Eric: “Wie hier veel wil meemaken, moet veel eten.” Hup, in de auto naar een bekend historicus die een gezelschap schrijvers en kunstenaars heeft uitgenodigd. Een armer, maar even exotisch huis. Javastijl, pendopo. Losse vertrekken met dak zonder binnenmuren, uitpuilend van de boeken. Vrolijke bende. Badkamer in de openlucht. Ik maak kennis met een uitgever, de hoofdredacteur van een verboden dagblad, een zojuist wegens kritische opmerkingen ontslagen hoogleraar, een dichter van in beslag genomen bundels en andere vrolijke gekken. De meesten hebben elkaar begin jaren zestig in de studentenbeweging leren kennen in hun strijd tegen het Soekarno-communisme en voor een grotere democratie. Zij publiceerden en werden in hun vrijheid belemmerd, onder anderen door de toenmalige literaire voorman Pramoedya Ananta Toer. De dichter naast mij die zelf net als Pram in de gevangenis heeft gezeten, heeft het zijn oude tegenstrever al lang vergeven, maar er zijn er ook nog die bittere herinneringen aan hem bewaren. De vader van de dichter werd in '49 door de Nederlanders doodgeschoten. Aan mijn andere kant zit de tijdschriftredacteur wiens vader door Soeharto werd vermoord. En als ik vertel over de mijne, door de Japanners half gek gemaakt, schept dat toch een band. De 'drie zonen door de Indonesische geschiedenis verbonden', zegt de redacteur (die mij een tijdschrift geeft met een vertaald verhaal van mij. Nooit geweten!).
“En die klap van de geest” [Van Dis is een paar dagen eerder in zijn slaap door een geest geslagen], zegt de dichter, “dat spijt me.”
“Ik zie het als een welkom”, zeg ik.
“That is very generous of you.”
Aan het andere eind van de lange tafel hoor ik: “Als iemand die ik niet goed ken mijn naam en politieke mening vraagt, antwoord ik: ik zeg niets, dan weet je wat ik wil zeggen.” Ik neem mij voor mij hierbij aan te sluiten. Dus geen namen noemen. Helaas geen ruimte voor de tientallen moppen die ik over Soeharto hoor (Soeharto heeft gouden telefoon. Directe lijn met God. Vijfduizend dollar per minuut. Rabin komt op bezoek. Ik heb plastic telefoon, ook directe lijn met God. Hoeveel? Local call). “Vroeger durfde je bij de etensstalletjes geen grapjes over Soekarno te maken”, zegt een van de tafelgenoten, “over deze regering hoor je ze overal. We gaan vooruit: van een totalitair regime naar een autoritair regime.” Om 2.15 uur naar huis. Ik walm zo van de drank dat geen muskiet mij meer bijt. Neef Edwin (20) gaat nog uit dansen.

woensdag 9 december 2015

Jules Renard-- 10 december 1896

Jules Renard (1864-1910) was een Franse schrijver. Zijn Dagboek 1887-1899 is verschenen in de Privé Domein-reeks. Vertaling: F. de Haan & M. Kaas.

10 december
De ontvangstdag van Sarah Bernhardt.
Wanneer ze de wenteltrap van het huis afdaalt, lijkt het of zij stilstaat en de trap om haar heen draait.
[...]
Naast Georges Hugo zit Bauër. Hugo heeft zijn baard laten afscheren en deze waarschijnlijk aan Léon Daudet gegeven, die ik volledig bebaard zie. Bauèr zweet, en wrijft zichzelf droog alsof hij een tafel was. Ik stel me voor dat hij de ober om een spons zal vragen waarmee je een rijtuig schoonmaakt. Prachtig als een zon van suikergoed loopt hij uit over de bleke Sarah. Met haar blik inspireert ze iedereen. Ze heeft de onbeweeglijkheid van een beeld, alleen haar handen maken gebaren en haar ogen leven. Sardou, die lijkt op een Coppée die niet voor het voetlicht zou treden, omhelst haar.
'Ik heb gisteren uw naam geschreven/ zegt Haraucourt tegen me.
'Dat is nog eens aardig.'
'Op de aankondiging van mijn huwelijk.'
Ik weet niet hoe ik een vrouw een mantilla moet omdoen. Mevrouw Rostand sla ik de hare omgekeerd om, en ik geef haar de punt niet goed aan.
'Op een goede dag zal ook ik u toch eens de hand moeten kussen, als we ergens alleen in een hoekje zijn, om te zien wat er gebeurt,' zeg ik.
'Even boven de pols,' zegt ze, 'daar begint het prettig te worden.'
Sarah staat op. Zelfde aanbiddelijke spel op de trap. Bovenaan wacht Jules Chancel haar op en pakt haar hand als ze langsloopt.
In liet Théatre de la Renaissance. Ze wilde het te mooi maken. Phèdre speelt ze als een scène uit Amants, maar ze speelt het afschuwelijke geval van Parodi bewonderenswaardig. Sarah, een ongelooflijk 'hartediefje', om het zo maar eens te zeggen. Misschien heeft ze geen talent, maar na haar ontvangstdag die ons aller dag is, dag waarop we elkaar aardig vinden, waarop we dol op elkaar zijn, voelt iedereen zich een ander en beter mens. En die toestand van buitengewone opwinding is een weldaad, en als je de volgende dag geen talent hebt, ben je een ezel.
[...]
Dankzij de ogen van Sarah Bernhardt, ongehoord succes voor Rostand, wiens tekst van een indrukwekkende kracht is. Succes alsof zijn sonnet vijf bedrijven had, en het applaus voor Rostand vermengt zich met de bijval die naar Sarah gaat. Er komt geen eind aan, en het is onvergetelijk. En zij troont op eenzame hoogte, en wij zijn allen haar trouwe onderdanen die aan haar voeten liggen.
In de kleedkamer van zijn moeder is Maurice in tranen.
'Nog nooit heb ik het zo betreurd dat ik geen groot dichter ben,' zeg ik tegen Sarah Bernhardt.
'Maar u bent een groot dichter!'
'Ach welnee! Ik schrijf alleen maar niemendalletjes, maar ik heb oog voor verhevener dingen en ik kan ze bewonderen, en op dit ogenblik ben ik overgelukkig.'
'U vindt me dom, hè?'
'Ik vind u heel bijzonder.'
'Vandaag wil ik dom zijn. Wilt u me kussen?'
Ik geloof werkelijk dat ik me dat tweemaal heb laten zeggen. Ze kust me zonder omwegen op twee wangen. Ik kus haar zo'n beetje, uit een mondhoek, omdat ik geen druk durf uit te oefenen.
'Ben ik even in de wolken!' zeg ik tegen Rostand, tegen anderen. 'Sarah Bernhardt heeft me gekust! Ik heb Sarah Bernhardt gekust!'
En Maurice, die nog altijd huilt, zegt:
'Ze kennen mijn moeder niet. Ze is lief en goed.'
Ik wend me opnieuw tot haar en zeg:
'Wel, mevrouw, zal ik u eens wat zeggen? Weet u, u bent een goed mens.'
Ze heeft de uitspraak misschien niet gehoord, maar Rostand:
'Dat slaat de spijker precies op de kop.'
En allemaal zijn we vertederd, week gestemd, tot 's avonds laat.

maandag 7 december 2015

William Soutar -- 8 december 1933

• Bij de Schotse dichter William Soutar (1898-1943) werd op jonge leeftijd de ziekte van Bechterew geconstateerd. De laatste veertien jaar van zijn leven was hij aan zijn bed gekluisterd. In die periode hield hij een dagboek bij, waaruit gedeelten zijn gepubliceerd onder de titel Diaries of a dying man (Nederlandse vertaling (van Harry Oltheten): Dagboek van een stervende).

vrijdag 8 december Het wekt geen verbazing dat de poëzie van onze tijd lyrisch is, want lyriek is het natuurlijke medium om wisselende stemmingen uit te drukken, en het tijdperk waarin wij leven wordt in humeurigheid door geen ander in de wereldgeschiedenis overtroffen. Omdat we op drijfzand staan, grijpen we naar de vluchtige beelden van de realiteit die zich aan ons voordoen en proberen een soort geloofsfundament te destilleren uit de opeenstapeling van ongrijpbare stukjes waarheid die we her en der aantreffen. Deze eeuwige onbepaaldheid van onze stemming is voor de lyricus voldoende, maar zij biedt ons slechts een onbetrouwbaar inzicht in de realiteit - een keuze uit zijn werk zal dus eenheid tonen, zijn verzameld werk niet.

zondag 6 december 2015

Adam Tas -- 7 december 1705

Adam Tas (1668–1722) was een Afrikaanse boer die een belangrijke rol speelde in een conflict tussen de Kaapse gouverneur Willem Adriaan van der Stel en de "vryburgers" van die Kaap die Goeie Hoop. Zijn dagboek is gepubliceerd bij de DBNL.

Maandag den 7e. S'morgens warm weer. Op dato is ons volk met snijden van rogge en Ciciliaansche Tarwe bezig geweest. Tegens den middag ben ik na Stellenbosch gereden. Nadat ik aan 't huijs van Hans de Smit met eenige vrunden hadde gesprooken ben ik weder t' huiswaard gekeert. Dezen middag zijn de Juffrouwen van der Bijl en van der Heijden hier ten eeten geweest, des namiddags quamen hier mede Juffw. Coetsé met haar dogter Griet; Eenigen tijd daarna quam den land-drost hier nevens de Messrs. van der Bijl en van der Heijden. Na en wijnig keuvelens is Mr. van der Bijl en van der Heijden vertrokken, dog den Land-drost bleef hier tot dat het donker wierde; toen is hij mede vertrokken, nadat nonje Coetzé een wijnig te vooren met haar moeder was gaan stappen.

Dingsdag den 8e. S'morgens was het mistig weer dog ten duurde niet lang of de zon brak door. Met snijden van Siciliaansche Tarwe en Rogge zijn onze slaven en de Hottentots weder bezig geweest. Dezen morgen ten 6 uuren is Zuster Louw met haar twee rijs gezellinnen van hier na Juffw. Elbertsz gereeden, om vandaar na Monsr. van der Heijden en verder na de Caab te vertrekken. Ik ben desen voormiddag na 't snijden der rogge wezen zien; op dato is 't snijden van de rogge en 't Siciliaanse Coorn ten einde gebragt, zo dat de Hottentots weder na Juffw. Elbertsz staan te vertrekken.

Woonsdag den 9e. S'morgens tamelijk warm weer. Dezen morgen quam broer Jacobus van Brakel hier; hij verhaalde mij eenig nieuws, onder anderen dat den gouverneur vier menschen aan de Caab zoude vervolgen en drukken, zoo veel hij konde, namelijk Husing, Meerland, van der Heijden, en Tas, dat waren de voornaamste aanlijders van 't quaad dat hem berokkent was, en 't konde die menschen wel eens overkomen dat eenige oproermakers en Roovers in den Amsterdamsen oproer overquam, die van de waag uijt een venster wierden opgehangen, een droevige gelijkenis dat men mannen van eere, die de gemeente met kragt soeken voor te staan, bij schelmen en oproermakers wil gelijk stellen. Wijders meende den gouverneur in 't kort aan Stellenbosch te verschijnen, en eenige menschen aldaar wat te Capittelen, of wat lesjes voor te leesen. Men maakt in ons land de kinderen met een bulbak bang, maar mannen die in eer en deugd leeven, en zig geens misdrijfs bewust zijn, hebben voor niemand te schroomen. Ook hadde zekere vrouw (T.D.) gepraat dat den gouverneur wel eenige menschen bij de Cop mogte vatten, waar op geantwoord was, dat ze dan den gouvernr. wel eens den hals konden breeken, dog hij heeft 't op niemand met meer ijver gemunt als op Oom Huzing. Ondertusschen kan hij de man niet in 't minste deeren. Hij hadde ook gezegt datter drie zaaken door hem waren verricht die hem 't meeste quaad soude doen, 't eerste was dat hij wegens 't slagten met oom Huzing een Contract hadde aangegaan, ten tweeden dat hij hadde laten ruijlen, het derde dat hij aan Pheijffer alleen de wijnpagt hadde gegeven, zoodat hij thans vervaarlijk in 't nauw is, niet wetende waar hij 't sal soeken. Ondertusschen is hij bezig met volk op zijn hand te krijgen. De Juffr. voorengemt. hadde ook gezegd dat den gouverneur seer verwonderd was dat Diepenauw hem was afgevallen, en dat hij zulx van die vent niet was verwagtende geweest. Na verloop van tijd sullen hem wel meer saaken onverwagt voorkomen. De goede God geef' er zijn zeegen toe, want het gaat hier thans soo uijtsporig grof dat 'et kant nog wal raakt. Nadat broer van Brakel hier wat ontbeeten en eenige glaasjes wijn gedronken hadde, is hij na Juffr. Elberts gereeden. Op dato is ons resteerend Coorn ten bedrage van 16 mudde in de moole gebragt. Des namiddags zijn onse slaven met het rijpste Coorn af te snijden beezig geweest; des avonds quam Mr. van der Heijden hier, om mij te spreeken; ik hebbe hem het voorenstaande nieuws medegedeeld. Na 't smooken van een pijp Tabak is hij vertrokken.

Anaïs Nin -- 6 december 1932

Anaïs Nin (1903-1977) was een Franse schrijfster, die vooral bekend is vanwege haar dagboeken. Vertaling: Margaretha Ferguson. Het fragment gaat over schrijver Henry Miller en zijn vrouw June.

December 1932
Nooit zou ik gedacht hebben toen ik Henry [Miller] het geld gaf om naar Londen te ontvluchten dat June [Miller] de avond voor zijn vertrek zou komen en het hem allemaal afnemen. Hij schrijft mij een zwakke brief:
Ik ben boos, woedend op mijzelf, ik vertrek vanavond naar Londen. Fred kwam me redden. Ik vertrek, dus het zal niet weer gebeuren. Ik haat June. Na een verbitterd, wal ging wekkend gesprek voel ik me vernederd, diep beschaamd. Het was een marteling die ik verduurde. En waarom ik het uithield weet ik niet, tenzij het is dat ik een gevoel van schuld heb. June is niet voor rede vatbaar. Ze is een gekkin geworden. De smerigste bedreigingen en beschuldigingen. Dat is waarom ik instortte en ging huilen. Ze is in staat tot alles. Ze is angstaanjagend in haar heftigheid.
Henry kan alleen vechten in boeken. In het leven loopt hij weg. Nu is hij in Londen. Ik maak geld los voor Junes ticket naar New York, omdat ze me erom heeft gevraagd. Ik moet het achterlaten bij de American Express.
June laat een afscheidsindruk achter die niet fraai is. Henry's portefeuille legend, Henry bangmakend.

Henry & June Miller
Henry werd aan de Engelse grens tegengehouden omdat hij te weinig geld bij zich had. Ondervraagd. Weggeleid. Hij droeg zijn sjofelste kleren. Hij vertelde de autoriteiten dat hij wegliep voor zijn vrouw!
In het café waar we elkaar ontmoetten barstte hij uit in verhalen over June. En twee dingen tekenden zich af: zijn goedheid, zijn ware gevoelens. De zwakte van de man, zijn luisteren naar June helemaal tot aan het eind van wat ze te zeggen had wordt, in het geval van de schrijver, de passiviteit van de kunstenaar als beschouwer van het leven. Luisterend naar june hield hij op de man te zijn die haar tot stilzwijgen had moeten brengen; hij werd een onderzoeker, luisterend naar wat een normale man niet had willen observeren. 'Ik ontdekte de laaghartigheid van June. Door haar boosheid heen, wat er werd prijsgegeven was haar enorme egoïsme. Erger dan dat. Smakeloos. Toen ze me verliet draaide ze zich bij de deur om, om te zeggen: 'En nu heb je je laatste hoofdstuk voor je boek!'
Henry had tranen in zijn ogen toen hij dit laatste tafereel beschreef. Smakeloos. Wat een onverwacht woord om June mee te brandmerken.
Op dit moment zag Henry er afgetobd uit, droevig, diep.
Toen begon hij te praten over D. H. Lawrence en Dr. Otto Ranks Art and Artist. Zijn geest maakt immense omwegen. Dan raakt hij verdwaald. En dan ben ik in staat hem terug te voeren, niet omdat ik iets meer zou weten dan hij, of omdat ik meer een geheel ben, maar omdat ik in de wereld der ideeën gevoel voor richting heb.
Veel van wat ik aan het lezen ben in Art and Artist draagt bij tot bevestiging van de vermoedens die ik omtrent de kunstenaar heb gehad. Wat span ik me in om tot begrip te komen. Er zijn momenten, als Henry aan het praten is, dat ik me waarachtig vermoeid voel, als een vrouw die reikt naar kennis boven haar macht. Ik rek mijn geest uit om de bochten en zwenkingen van de geest van de man te volgen. Het zijn altijd de grote, onpersoonlijke ruimten die mij angst aanjagen, de enorme woestijnen, het universum, kosmologieën. Hoe klein mijn bijlichtende lantaren, hoe kolossaal het universum van de mens. Het schijnt me toe dat het het menselijke is waaraan ik me vastklem, en het persoonlijke. Ik wil geen onpersoonlijke, niet-menselijke werelden betreden.
Heeft Henry gelijk? Hij wil dat ik helemaal geen dagboek meer schrijf. Hij denkt dat het een ziekte is, een uitwas van eenzaamheid. Ik weet het niet. Het is ook het aantekenboek geworden van mijn extravertie, een reis-schetsboek: het is vol van anderen. Het heeft zijn aanzicht gewijzigd. Ik kan het niet voorgoed in de steek laten. Henry zegt: 'Doe je dagboek op slot, en ga zwemmen. Wat ik zou willen dat je deed is leven zonder het dagboek, je zou andere dingen schrijven.'
Ik zou me voelen als een slak zonder zijn huisje. Iedereen heeft mijn dagboek altijd dwarsgezeten. Mijn moeder drong er altijd op aan dat ik buiten zou gaan spelen. Mijn broers plaagden me, stalen het, en maakten het belachelijk. Mijn vriendinnetjes op school mochten het niet lezen. Iedereen zei dat ik er bovenuit zou groeien. In Havana zei mijn tante dat het mijn ogen zou bederven en de jongens afschrikken.
Henry is bezig zijn talrijke aantekenboeken te sorteren zodat ik ze eventueel kan laten inbinden. Zijn schrijftafel is bezaaid met manuscripten. Zijn naslagboeken staan op een rijtje vóór hem. Hij is in hemdsmouwen. Ik breng hem een nummer van de surrealistische publikatie This Quarter. Fred zit ook te typen. Iemand anders is in de keuken aan het koken.




zaterdag 5 december 2015

Vic van de Reijt -- 5 december 2001

Vic van de Reijt (1950) was in 2001 uitgever bij Nijgh & Van Ditmar. Hij hield op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij ter gelegenheid van de verschijning van zijn Nederlandstalige Cover Top-100.

Woensdag 5 december
Zorgelijke blikken tijdens het stafoverleg van de uitgeverijen die op het Amsterdamse Singel 262 gevestigd zijn. Lidewijde Paris van Querido had graag dit jaar nog een begin gemaakt met de nieuwe romancyclus van A.F.Th. van der Heijden; collega Bärbel Dorweiler moet concurreren op een kinderboekenmarkt die helemaal verharrypotterd is, maar gelukkig is daar de Minoes-film. Mark Pieters van Athenaeum Polak & Van Gennep draait boven verwachting met zijn klassieken, waarna de blikken op mij gericht zijn. Nijgh & Van Ditmar heeft vorig jaar 25.000 exemplaren van The Beatles Anthology verkocht, is er al een naijl-effect te verwachten nu de arme George Harrison is overleden? Met trots kan ik de vergadering melden dat ik ben uitgenodigd bij Barend & Van Dorp om mijn Nederlandstalige Cover Top-100 toe te lichten: de eindsprint om het jaar mooi af te sluiten is ingezet.
Na de vergadering ligt er een uitnodiging voor Met het oog op morgen, uitgerekend op de enige avond dat ik altijd thuis wil zijn. Want wij geloven nog heilig in Sinterklaas. Maud en Fanny (19 en 15) zetten elke dag hun schoen voor het kattenluikje – en we rijmen ons suf. Driehoeksoverleg met Hilversum en Jackie levert het volgende compromis op: pas om kwart over elf word ik opgehaald voor een gesprek vanuit de Amsterdamse studio van Paul Weijenberg.
Terwijl ik nog zit na te mijmeren over de ontroerende pakjesavond (voor mij vooral veel pesterige sokken en onderbroeken) merk ik dat mijn taxichauffeur de Sarphatistraat via de Zeeburgertunnel wenst te bereiken. Na ruim een half uur komen we nog net op tijd in de studio, waar het `Brandend zand' van Anneke Grönloh al is ingezet. Op de terugweg geef ik de chauffeur taxiles via de IJtunnel. In tien minuten weer veilig thuis.

donderdag 3 december 2015

Hubregt Kempe -- 4 december 1725

• Onderstuurman Hubregt Kempe deed verslag van een mislukte handelsexpeditie naar de Stille Zuidzee, in 1724-1727 - een tocht vol ontberingen. Het verslag is gepubliceerd als Voor zilver en Zeeuws belang. De rampzalige Zuidzee-expeditie van de Middelburgse Commercie Compagnie, 1724-1727.

Den 4e ditto gingen wij met al het volck na het eijlandt om te zien off wij nog meer schapen konden becomen. Maer wij konden die niet meer vinden.

Den 5e ditto hadden wij smorgens mooij weer. Zoo gink ik met de oppermeester nog eens met de sloep na de vaste wal toe, heel in de bogt, om te zien off wij daar nog eenigte ververssinge konde becomen. Als wij aan het land met de sloep qumen, soo quamen der wel 20 indianen te paerde na ons toereijden, want zij meenden dat wij Spangjers waren, maar als wij bij haar quamen, zoo wierden wij seer vriendelijk van haar verwellecomt, en quamen ons nog te hulpe om de sloep in een sloot te halen daar zij geen schade konde krijgen. Want wij kregen zooveel wint uijt het zuijden dat wij in dien avont of nagt niet aan boord konde komen, zoodat wij daer moesten overnagten. Wij versogten haar dat zij ons dogh eenigte veverssinge zoude bijsetten, hetwelck zij niet bij haar hadden. Maar 4 à 5 dagen reijsens hadden zij vee in overvloet landwaart in gebragt. Als zij ons met de sloep zagen aancomen, want zij waren bevreest, denckende dat wij Spanjers waren, want als die hier quamen, roofden en namen zij aldat zij sagen en konden vinden. En gaven de indianen nog slagen toe. Zoodat zij zeer benaeuwt voor de Spanjers waren. Ook zaeijden en plantentede sij niet meer, ook hadden zij anders geen vee bij haar als dat zij dagelyx konde verconsumeren, omdat zij verscheidemalen alles waren afgenomen dat zij in de wereld hadden. Ook was hier een fortres, hetwelck zij de naam gaven van Arauco, hetwelck ook in de boecken en caerten beschreven staat. Daer de indianen de Spangjaerden verscheidemalen uijt hadden verdreven, want zij konden het daar niet houden desen oorlog tusschen de Spanjaerden en de indianen hier. Arauco heeft al over de 200 jaren geduurt, maar de Spanjaerden en kunnen daar geen meester van blijven. Het heeft niet meer als een vlacke sand-strandt daar de zee geweldig tegen aan slaat, zoodat men daar niet gemackelijck aan kan komen. Ook is het eijland Sinte Maria en de vaste kust een seer vrugtbaar eijland daar van alles opgroeit en wast, het zij van tarwe en gerst, papatas, erten, boonen, appelen, peren, kersen, druijven, appelekoosen, rapen, aardbesien, als kleijne hoendereieren, en meer andere fruijten en groente meer. Zoodat dit hier een zeer vrugtbaar land is, maar het werd niet terdegen onderhouden. Omdat zij den eenen dag daar meester af zijn en den anderen dag wederom niet. Zoodat wij hier zeer weinig ververssinge konde becomen.