• Wim Kan (1911-1983) was cabaretier. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl. De fragmenten hieronder gaan over zijn laatste, zeer slecht ontvangen oudejaarsconference.
Woensdag 29 december. Nacht/donderdagochtend 3.00 uur. Sfeerloze kamer Americain Hotel, Amsterdam
Vanavond viewing om 20.00 uur in de NOS-studio. Geen fiat gegeven. Slot was rommelig, vol fouten. Gisteren om 12.45 uur Wildwal verlaten, om 14.00 uur voor De la Mar 14.45 (!) uur aanvang van de repetitie. Twee liedjes met Sant, paard, Puthoven in de zaal met vijfentwintig man figuratie. Niet eenmaal meer met Ru gerepeteerd. Twee broodjes gegeten en onderhand met meneer Van Liempt aan conference gewerkt. Twee flessen champagne in twee voorstellingen leeg gedronken. Het enige wat mij er bovenop hield en... durf gaf, o.a. conference liggend op de grond. Eigen kleedkamer voor Ol op toneel met monitor. Opkomst slot eerste voorstelling van Ol... iedereen in tranen. Ik het eerst! Ol ook. Publiek ook. Tweede voorstelling al veel minder slecht dan de eerste! Tweemaal anderhalf uur. Onmenselijke opgave.
Vrijdag 31 december. Avond. Wildwal
Kranten o.a. AD en Parool toch in de zaal. Toch foto's (schitterende in AD): ovatie voor Corry Vonk en W.K. Tussen 1 december en vandaag las ik elke dag verbaasd in de kranten wat ik van plan was op de oudejaarsavond te gaan doen. Dan weer zou ik ‘zoals altijd’ optreden van elf tot twaalf (op dat uur ben ik nog nooit opgetreden), dan weer zou ik op twee zenders te zien zijn, dan weer zou ik het op moeten nemen tegen Freek en tenslotte was het zeker dat de oudejaarsconference van Kan doorging. Maar de werkelijke beslissing nam ik pas vanavond. Om 15.00 uur viewing nos-Hilversum. Tot 17.30 uur in nos-studio staan debatteren. Wel of niet uitzenden. ANP belde op. Ze moesten het nu weten. De kleine, grijze generaal hakte de knoop door: (Corry op d'r best. Corry zoals ze altijd is geweest) Geen gelul. We zenden uit...
Zondag 16 januari 23.30 uur
Dagen vliegen voorbij. Steeds zekerder wordt het dat de oudejaarsavond een grote kijkdichtheid had, zeveneneenhalf miljoen kijkers, maar een kleinere waardering. Freek aan de overkant om elf uur werd vanaf het begin gebombardeerd als mijn tegenpartij en zoiets ligt me slecht. Je zou ook kunnen vragen wie is beter Johan Cruijff of Wim Kan. De plaat van mij wordt slecht verkocht. Volgens Frans, met wie we mijn verjaardag vierden om o uur o, zou er gisteravond een zuur stuk in het Parool hebben gestaan. Over Freek zijn plaat die liep als een trein en de mijne als een schildpad. Maar... het is ook geen goeie plaat! en het was ook geen goeie uitzending. Kunt u mij ook zeggen hoe laat de boot naar Elba gaat?
vrijdag 29 december 2017
dinsdag 26 december 2017
Irun Scheifes -- 27 december 1994
• Irun Scheifes (1957) is een Nederlandse schrijver. Het fragment hieronder is afkomstig uit Manisch dagboek, waarvan gedeeltes in de DBNL zijn terug te vinden.
dinsdag 27 december / 23:11
Teleh zet zich puffend op het bed. Haar buik een cirkusballon, zij de artiest die zich om de ballon heen vouwt. We komen van een etentje. Ik lig ook krom om een ballon, een ballon vol Zwitserse kaas en Marokkaanse witte wijn. Ik lees haar de eerste bladzijden van Bed en wereld voor, ze kruipt onder de dekens en valt in slaap.
Maar ik... Ik kan nog niet slapen. Duizenden beelden pakken mij beet, rukken aan mij, verleiden mij, schoppen mij. Ik voel mij vol, volgevreten met beelden en brood en kaas. Waarom ben ik zo dwaas? Ik draai rondjes om de tafel, leg me neer op de bank, sta weer op, loop de trap af, het dient nergens toe.
Ik kleed me uit en leg me naast het grote lichaam van Teleh, pak Ottens boek en lees het einde van Bed en wereld.
dinsdag 27 december / 23:11
Teleh zet zich puffend op het bed. Haar buik een cirkusballon, zij de artiest die zich om de ballon heen vouwt. We komen van een etentje. Ik lig ook krom om een ballon, een ballon vol Zwitserse kaas en Marokkaanse witte wijn. Ik lees haar de eerste bladzijden van Bed en wereld voor, ze kruipt onder de dekens en valt in slaap.
Maar ik... Ik kan nog niet slapen. Duizenden beelden pakken mij beet, rukken aan mij, verleiden mij, schoppen mij. Ik voel mij vol, volgevreten met beelden en brood en kaas. Waarom ben ik zo dwaas? Ik draai rondjes om de tafel, leg me neer op de bank, sta weer op, loop de trap af, het dient nergens toe.
Ik kleed me uit en leg me naast het grote lichaam van Teleh, pak Ottens boek en lees het einde van Bed en wereld.
‘Ik kan niet slapen, alles draait om mij heen. De wereld is vol beelden, vol gebeurtenissen waaraan ik moet deelnemen, vol mensen met wie ik moet afrekenen. Genoeg, genoeg, geef mij slaap, laat mij nu eindelijk slapen, Morpheus, heilige Morpheus, laat mij dan maar inslapen voorgoed, laat ik nu maar dood zijn. Niet meer opstaan morgen, niet weer wassen, niet weer eten, niet weer liegen, niet weer huichelen, niet weer duizend beelden moeten verwerken. Doodskabouters, lieve, lieve doodskabouters, sluit de wereld voor mij af, neemt mij mede naar de overkant naar het Grote Niets. Ik wil niet eenzaam sterven, laat ik nu maar dood blijven in mijn bed. Alles in de wereld is toch om niets... ik ben moe, ik ben dodelijk moe. Laat ik nu maar dood zijn, alles is toch om niets, alles verzandt, alles verzandt...’Fine... Ik leg mijn hoofd in het kussen en denk aan de spanningsboog: de gretigheid van het begin, het absolute genoeg van het eind. Het verlangen om overal bij te zijn verandert in het verlangen om nergens meer bij te zijn. Een teveel aan mobiliteit (in Ottense zin) roept de vraag naar absolute stilstand op. De dood als redding uit de chaos van beelden. De dood als bevrijding. Naar het einde toe wordt dat verlangen heviger, maar al eerder zijn er sporen van:
‘Ik ben het slachtoffer van een onverbiddelijke montage, die zich buiten mijn wil voltrekt. Ik zou zo gaarne eens knippen in al die films die worden afgedraaid in mijn hersens, ik zou zo gaarne eens even rusten en mij laten drijven beeldeloos en ongedeeld op éen enkele zee.’En vele bladzijden verder:
‘Ik kan het niet meer uithouden, ik zoek naar slaap, ik moet slapen, al die zenuwen, al die antennen, al die draden, die vibreren op het wereldgebeuren, wil ik verdoven. Duizenden grammen Dial, Codeonal, Veronal, Somnifeen wil ik kopen. Ik kan niet overal tegelijk zijn, ik wil verdoofd worden, ik wil al die beelden vernietigen.’
C.Buddingh' -- 26 december 1967
• C. Buddingh' (1918-1985) was schrijver en dichter. Hij publiceerde vijf boeken met dagboeknotities.
26-12
Na of loop van de premiere van `Hoera Amerika' — voortreffelijke voorstelling — met Sybe [schrijver Sybren Polet] en Cora [diens vrouw, vertaalster Cora Polet] gepraat, o.a. over tv-programma's. 1k zei dat ik graag keek naar De Wrekers en Rawhide, wat ze geen van beiden erg goed begrepen; Cora vond speciaal het laatste eigenlijk `altijd zo'n beetje eender' en zowel voor haar als voor Sybe lag het cultureel niveau ervan duidelijk veel te laag. Maar ik zie — en lees — nu eenmaal altijd liever iets, dat totaal geen pretenties heeft, maar wel spannend en onderhoudend is, (als het tenminste zonder ethisch gezever gebracht wordt), dan iets, dat pretendeert wat te zijn, maar dit niet waarmaken kan — en dit laatste tref je m.i. aan bij negen tiende van datgene, wat op de tv als 'cultuur' wordt gepresenteerd. Trouwens, wat het `schematische' van een programma als Rawhide aangaat: dat vormt er juist een van de charmes van, precies zoals het schematische van bijv. een detectiveverhaal: het verleggen van de verdenking van de een op de ander, de speurder die met zijn handen in het haar zit, de amateur die de politie te slim of is, e.d., tot de charmes van dat genre behoren, ja, in menig opzicht zelfs tot de vereisten.
Ook — eveneens in De Brakke Grond — een lang gesprek met Lizzy [wellicht schrijfster Lizzy Sara May], waarin we elkaar somber moesten toegeven dat er, sedert Hitler verslagen is, geen verdere dictaturen zijn afgegaan, maar wel nieuwe bijgekomen. Als geheel is de wereld stellig niet minder fascistisch dan in 1939; het treedt alleen minder aan de dag, omdat 'de nieuwe fascisten' (die vaak nog de oude zijn), niet over de machtsmiddelen van een Hitler beschikken. Wat me ook bijzonder trof — toen we het weer over de uitroeiing van de Joden hadden — was haar opmerking dat het niet de getallen zijn, die het drama vormen, maar dat kolossale cijfer (bijna zes miljoen) maal een Jood. Als man zit je toch veel sneller vast aan getallen en statistieken.
Tijdens de kerstdagen niet alleen veel Monopoly gespeeld met Wiebe en Sacha (vooral met de laatste), maar ook zo'n zeshonderd pagina's gelezen in de briefwisseling Ter Braak-Du Perron (ik was er al aan bezig en ben nu voorbij pag. 300 van het 2e deel). Het is een vreemde sensatie om me eensklaps weer zo intensief te verdiepen in deze twee figuren die mij — aanvankelijk samen met Greshoff — tussen de jaren 1935 en 1940 voor 80, 90% hebben `gevormd'. En het is nog vreemder te bedenken dat er van die `vorming' — althans in deze mate — misschien nooit sprake geweest zou zijn, als `juffrouw Snoeck Hurgronje' er niet was geweest, de toenmalige directrice van de Dordtse Openbare Leeszaal, die uit haar eigen portemonnee abonnementen bekostigde op diverse literaire bladen, o.a. Helikon en Forum, die tussen de `officiele' (De Stem, Elseviers Maandblad) in stonden of uit het magazijn in jaargangen konden worden opgevraagd. Maandenlang — en keer op keer — heb ik die Forum-jaargangen thuis gehad en vooral de essayistische en polemische stukken erin heb ik tot op het laatste leesteken in me opgezogen. Als ik hun brieven nu lees bedenk ik dat ze het waarschijnlijk helemaal niet gek zouden hebben gevonden, misschien zelfs wel hebben geapprecieerd, als ik hun althans schriftelijk deelgenoot had gemaakt van mijn grensloze geestdrift en bewondering. Maar dat is eenvoudig nooit een seconde bij me opgekomen: zij stonden zo onbereikbaar ver weg ergens op een enorme hoogte van waar ze alles wat dom of halfzacht was langs de hellingen naar beneden slingerden, dat het mij ondenkbaar leek dat er voor een uitermate timide verslinder van iedere letter die zij schreven ook maar een mogelijkheid was om tot enig persoonlijk contact met hen te geraken. (Als ik nu jonge dichters bij mij op bezoek krijg, die mij na drie minuten al bij m'n voornaam noemen — wat ik overigens best vind, natuurlijk — merk ik pas goed hoeveel er veranderd is sedert dat einde van die dertiger jaren). Dat ik hen nooit heb gekend heeft mij later heel erg gespeten, spijt mij trouwens nog altijd. Maar het beeld van 'de literatuur' en vooral ook, van wat literatuur moet zijn, hebben zij in elk geval diepgaand voor mij helpen bepalen, al was ik daartoe natuurlijk, door mijn aanleg, `voorbeschikt'. Mijn vriend uit die jaren, Anthony Bosman, hebben ze nooit iets gedaan, hij heeft zich feitelijk altijd alleen tegen hen afgezet. Du Perron was mij van de twee het allerliefst en ook nu bij de lezing van hun brieven merk ik, dat dit zo is gebleven: hij was niet alleen ongetwijfeld de man met de betere smaak, belezener ook, maar wat Ter Braak telkens in hem afwijst: zijn 'doordraverij, zijn afkeer voor schipperen, zijn opvliegendheid als hij onzuiverheid, verraad, e.d. bespeurde, staat mij toch nader dan Ter Braaks (overigens in de grond soms juistere) bedachtzame analyses van mensen en feitelijkheden. Wat mij ook opvalt is, dat zoveel van hun meningen — al hadden ze dan 'blind spots' voor diverse zaken, als bijv. het surrealisme en begreep speciaal Ter Braak heel weinig tot niets van poëzie — op zoveel punten nog volkomen 'up to date' zijn. Ze hebben de Nederlandse literatuur gewijzigd, grondiger dan de Tachtigers dat hebben gekund en ondanks hun soms evidente gebreken en tekortkomingen hebben zij, om met Kafka te spreken, hun tijdgenoten harder door elkaar geschud, dan hun tijdgenoten hen. En dat is het enige wat, uiteindelijk, telt.
26-12
Na of loop van de premiere van `Hoera Amerika' — voortreffelijke voorstelling — met Sybe [schrijver Sybren Polet] en Cora [diens vrouw, vertaalster Cora Polet] gepraat, o.a. over tv-programma's. 1k zei dat ik graag keek naar De Wrekers en Rawhide, wat ze geen van beiden erg goed begrepen; Cora vond speciaal het laatste eigenlijk `altijd zo'n beetje eender' en zowel voor haar als voor Sybe lag het cultureel niveau ervan duidelijk veel te laag. Maar ik zie — en lees — nu eenmaal altijd liever iets, dat totaal geen pretenties heeft, maar wel spannend en onderhoudend is, (als het tenminste zonder ethisch gezever gebracht wordt), dan iets, dat pretendeert wat te zijn, maar dit niet waarmaken kan — en dit laatste tref je m.i. aan bij negen tiende van datgene, wat op de tv als 'cultuur' wordt gepresenteerd. Trouwens, wat het `schematische' van een programma als Rawhide aangaat: dat vormt er juist een van de charmes van, precies zoals het schematische van bijv. een detectiveverhaal: het verleggen van de verdenking van de een op de ander, de speurder die met zijn handen in het haar zit, de amateur die de politie te slim of is, e.d., tot de charmes van dat genre behoren, ja, in menig opzicht zelfs tot de vereisten.
Ook — eveneens in De Brakke Grond — een lang gesprek met Lizzy [wellicht schrijfster Lizzy Sara May], waarin we elkaar somber moesten toegeven dat er, sedert Hitler verslagen is, geen verdere dictaturen zijn afgegaan, maar wel nieuwe bijgekomen. Als geheel is de wereld stellig niet minder fascistisch dan in 1939; het treedt alleen minder aan de dag, omdat 'de nieuwe fascisten' (die vaak nog de oude zijn), niet over de machtsmiddelen van een Hitler beschikken. Wat me ook bijzonder trof — toen we het weer over de uitroeiing van de Joden hadden — was haar opmerking dat het niet de getallen zijn, die het drama vormen, maar dat kolossale cijfer (bijna zes miljoen) maal een Jood. Als man zit je toch veel sneller vast aan getallen en statistieken.
Tijdens de kerstdagen niet alleen veel Monopoly gespeeld met Wiebe en Sacha (vooral met de laatste), maar ook zo'n zeshonderd pagina's gelezen in de briefwisseling Ter Braak-Du Perron (ik was er al aan bezig en ben nu voorbij pag. 300 van het 2e deel). Het is een vreemde sensatie om me eensklaps weer zo intensief te verdiepen in deze twee figuren die mij — aanvankelijk samen met Greshoff — tussen de jaren 1935 en 1940 voor 80, 90% hebben `gevormd'. En het is nog vreemder te bedenken dat er van die `vorming' — althans in deze mate — misschien nooit sprake geweest zou zijn, als `juffrouw Snoeck Hurgronje' er niet was geweest, de toenmalige directrice van de Dordtse Openbare Leeszaal, die uit haar eigen portemonnee abonnementen bekostigde op diverse literaire bladen, o.a. Helikon en Forum, die tussen de `officiele' (De Stem, Elseviers Maandblad) in stonden of uit het magazijn in jaargangen konden worden opgevraagd. Maandenlang — en keer op keer — heb ik die Forum-jaargangen thuis gehad en vooral de essayistische en polemische stukken erin heb ik tot op het laatste leesteken in me opgezogen. Als ik hun brieven nu lees bedenk ik dat ze het waarschijnlijk helemaal niet gek zouden hebben gevonden, misschien zelfs wel hebben geapprecieerd, als ik hun althans schriftelijk deelgenoot had gemaakt van mijn grensloze geestdrift en bewondering. Maar dat is eenvoudig nooit een seconde bij me opgekomen: zij stonden zo onbereikbaar ver weg ergens op een enorme hoogte van waar ze alles wat dom of halfzacht was langs de hellingen naar beneden slingerden, dat het mij ondenkbaar leek dat er voor een uitermate timide verslinder van iedere letter die zij schreven ook maar een mogelijkheid was om tot enig persoonlijk contact met hen te geraken. (Als ik nu jonge dichters bij mij op bezoek krijg, die mij na drie minuten al bij m'n voornaam noemen — wat ik overigens best vind, natuurlijk — merk ik pas goed hoeveel er veranderd is sedert dat einde van die dertiger jaren). Dat ik hen nooit heb gekend heeft mij later heel erg gespeten, spijt mij trouwens nog altijd. Maar het beeld van 'de literatuur' en vooral ook, van wat literatuur moet zijn, hebben zij in elk geval diepgaand voor mij helpen bepalen, al was ik daartoe natuurlijk, door mijn aanleg, `voorbeschikt'. Mijn vriend uit die jaren, Anthony Bosman, hebben ze nooit iets gedaan, hij heeft zich feitelijk altijd alleen tegen hen afgezet. Du Perron was mij van de twee het allerliefst en ook nu bij de lezing van hun brieven merk ik, dat dit zo is gebleven: hij was niet alleen ongetwijfeld de man met de betere smaak, belezener ook, maar wat Ter Braak telkens in hem afwijst: zijn 'doordraverij, zijn afkeer voor schipperen, zijn opvliegendheid als hij onzuiverheid, verraad, e.d. bespeurde, staat mij toch nader dan Ter Braaks (overigens in de grond soms juistere) bedachtzame analyses van mensen en feitelijkheden. Wat mij ook opvalt is, dat zoveel van hun meningen — al hadden ze dan 'blind spots' voor diverse zaken, als bijv. het surrealisme en begreep speciaal Ter Braak heel weinig tot niets van poëzie — op zoveel punten nog volkomen 'up to date' zijn. Ze hebben de Nederlandse literatuur gewijzigd, grondiger dan de Tachtigers dat hebben gekund en ondanks hun soms evidente gebreken en tekortkomingen hebben zij, om met Kafka te spreken, hun tijdgenoten harder door elkaar geschud, dan hun tijdgenoten hen. En dat is het enige wat, uiteindelijk, telt.
Josep Pla -- 25 december 1918
• Josep Pla i Casadevall (1897-1981) was een Spaanse schrijver en journalist. Zijn dagboeken over de jaren 1918-1920 zijn in het Nederlands vertaald door Adri Boon, en uitgegeven onder de titel Het grijze schrift.
25 december. Kerstmis. Wanneer men uren achtereen in feestkledij gehuld gaat en alle bij dit soort uitmonstering horende opmerkingen zijn geplaatst, komt er een moment waarop de knelling van het geheel enigszins begint te vermoeien. De combinatie van geroosterde kip met champagne van eigen bodem blijkt een normaal menselijk lichaam niet aan te kunnen. De Franse champagne die ik jaren geleden heb gedronken is tot de geschiedenis gaan behoren, die vind je niet meer. Die van hier zijn abominabel; als zij alles bij elkaar nog wel drinkbaar zijn, zit er een gronderige nasmaak aan en zijn ze ondraaglijk zoet. Misschien is de grond hier te uitgesproken, drukt die er te zwaar zijn stempel op om een zo lichte en etherische wijn te kunnen leveren. De combinatie van gekonfijte vruchten met zoete wijn ligt als een blok op je maag voor de eeuwigheid. Na een licht avondmaal ga ik slapen. Ik lees Stendhal - mordant* en ontnuchterend.
* mordant = bijtend, scherp, schamper
25 december. Kerstmis. Wanneer men uren achtereen in feestkledij gehuld gaat en alle bij dit soort uitmonstering horende opmerkingen zijn geplaatst, komt er een moment waarop de knelling van het geheel enigszins begint te vermoeien. De combinatie van geroosterde kip met champagne van eigen bodem blijkt een normaal menselijk lichaam niet aan te kunnen. De Franse champagne die ik jaren geleden heb gedronken is tot de geschiedenis gaan behoren, die vind je niet meer. Die van hier zijn abominabel; als zij alles bij elkaar nog wel drinkbaar zijn, zit er een gronderige nasmaak aan en zijn ze ondraaglijk zoet. Misschien is de grond hier te uitgesproken, drukt die er te zwaar zijn stempel op om een zo lichte en etherische wijn te kunnen leveren. De combinatie van gekonfijte vruchten met zoete wijn ligt als een blok op je maag voor de eeuwigheid. Na een licht avondmaal ga ik slapen. Ik lees Stendhal - mordant* en ontnuchterend.
* mordant = bijtend, scherp, schamper
donderdag 21 december 2017
Sergej Prokofjev -- 22 december 1925
• Sergej Prokofjev (1891-1953) was een Russische musicus en componist. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij, waaruit gedeeltes in het Nederlands zijn gepubliceerd onder de titel Dagboek 1907-1933 (vertaling Arie van der Ent). Eind 1925 was hij op tournee in Nederland.
21 december
Ptasjka vertrok 's morgens vroeg, gefrustreerd en ontevreden, al gaf ze wel toe dat ze er goed aan had gedaan niet te zingen, 's Avonds werden orkest, dirigent en solist weer in de sneltrein geladen en vertrokken we naar Arnhem: de vierde uitvoering van het Pianoconcert. Weer een heel groot succes, publiek en orkest gingen staan, ik kreeg een lauwerkrans van de plaatselijke directie. Over twaalven was ik thuis en pakte mijn koffers.
22 december
Ik reisde 's morgens vroeg af, met dezelfde trein als Ptasjka. Toevallig kwam Aljochin in dezelfde wagon als ik zitten, ik praatte de hele weg met hem, hoofdzakelijk over het zojuist afgelopen toernooi in Moskou, waar Aljocnet besloten had niet heen te gaan, uit angst voor de bolsjewieken. B.N., die Aljochin in Parijs was tegengekomen, had honderd frank van hem geleend en hem vervolgens hardnekkig meegetroond naar een club, waar hij volgens Aljochin geld krijgt voor het binnenhalen van goklustigen. Het had een heel akelige indruk op Aljochin gemaakt. In Parijs Werd Aljochin afgehaald door zijn vrouw, een erg opgeschilderde dame, een jaar of tien, vijftien ouder dan hij.
Pas om acht uur 's avonds was ik thuis, in Clamart. De hele avond waren Ptasjka, Olga Vladislavovna en ik aan het pakken: wat achterblijft, wat naar Amerika gaat, wat opgeslagen wordt.
21 december
Ptasjka vertrok 's morgens vroeg, gefrustreerd en ontevreden, al gaf ze wel toe dat ze er goed aan had gedaan niet te zingen, 's Avonds werden orkest, dirigent en solist weer in de sneltrein geladen en vertrokken we naar Arnhem: de vierde uitvoering van het Pianoconcert. Weer een heel groot succes, publiek en orkest gingen staan, ik kreeg een lauwerkrans van de plaatselijke directie. Over twaalven was ik thuis en pakte mijn koffers.
22 december
Ik reisde 's morgens vroeg af, met dezelfde trein als Ptasjka. Toevallig kwam Aljochin in dezelfde wagon als ik zitten, ik praatte de hele weg met hem, hoofdzakelijk over het zojuist afgelopen toernooi in Moskou, waar Aljocnet besloten had niet heen te gaan, uit angst voor de bolsjewieken. B.N., die Aljochin in Parijs was tegengekomen, had honderd frank van hem geleend en hem vervolgens hardnekkig meegetroond naar een club, waar hij volgens Aljochin geld krijgt voor het binnenhalen van goklustigen. Het had een heel akelige indruk op Aljochin gemaakt. In Parijs Werd Aljochin afgehaald door zijn vrouw, een erg opgeschilderde dame, een jaar of tien, vijftien ouder dan hij.
Pas om acht uur 's avonds was ik thuis, in Clamart. De hele avond waren Ptasjka, Olga Vladislavovna en ik aan het pakken: wat achterblijft, wat naar Amerika gaat, wat opgeslagen wordt.
woensdag 20 december 2017
Leonard Nolens -- 21 december 1992
• Leonard Nolens (1947) is dichter. Zijn verzamelde dagboeken (1979-2007) zijn verschenen onder de titel Dagboek van een dichter (2009).
Amsterdam-Antwerpen, dinsdag 24 november 1992
Het gedicht is niet gemaakt van woorden, maar van wat de woorden tegen elkaar zeggen en met elkaar doen. Neem nu een orkest. Je hebt zestig uitstekende musici die samen een partituur kunnen verknoeien, of zestig middelmatige muzikanten die een zeer geslaagd klankbeeld produceren. De dichter is geen zanger of instrumentalist, maar een dirigent die zijn orkestleden - zijn woorden - zorgvuldig en liefdevol kiest en van een afstand aan het werk zet. Het gedicht is niet gemaakt van woorden, zoals passie niet gemaakt is van twee mensen, maar van wat tussen die beiden gebeurt. Een saaie man en een lelijke vrouw: welk vuur kan tussen die twee niet op gaan laaien als de sterren gunstig staan. Zo gaat het ook met twee gewone, ogenschijnlijk saaie en lelijke, versleten woorden. Geef hun de juiste plaats, en ze verrichten wonderen.
In al zijn vanzelfsprekendheid blijft het toch een verbijsterend feit: dat alle mannen negen maanden lang in het lichaam van een vrouw hebben geleefd. Hoe anders zou de wereld eruitzien als ook het omgekeerde kon.
O, dat elkaar bewieroken! Om toch maar niet zelf in een kwade reuk te komen staan!
Missenburg, maandag 21 december 1992
De aandacht, in de media, voor kunst? Je ziet zoveel rommel aandacht krijgen dat aandacht tegenwoordig bijna automatisch verwijst naar rommel. Zo zal het ook met je eigen werk gaan als morgen wordt bekend gemaakt dat je de staatsprijs hebt gekregen. Kritische mensen, die net als jij vinden dat kwaliteit iets zeer schaars is geworden, iets dat door de apparatsjiks van de cultuurmachine over het hoofd wordt gezien, zullen bij de bekendmaking het hoofd schudden en denken: ach, weer zo'n knaap die de laatste tijd zo vaak onze aandacht wilde trekken dat hij haar ten slotte heeft gekregen. Wie zei ook alweer: succes is rattengif.
Amsterdam-Antwerpen, dinsdag 24 november 1992
Het gedicht is niet gemaakt van woorden, maar van wat de woorden tegen elkaar zeggen en met elkaar doen. Neem nu een orkest. Je hebt zestig uitstekende musici die samen een partituur kunnen verknoeien, of zestig middelmatige muzikanten die een zeer geslaagd klankbeeld produceren. De dichter is geen zanger of instrumentalist, maar een dirigent die zijn orkestleden - zijn woorden - zorgvuldig en liefdevol kiest en van een afstand aan het werk zet. Het gedicht is niet gemaakt van woorden, zoals passie niet gemaakt is van twee mensen, maar van wat tussen die beiden gebeurt. Een saaie man en een lelijke vrouw: welk vuur kan tussen die twee niet op gaan laaien als de sterren gunstig staan. Zo gaat het ook met twee gewone, ogenschijnlijk saaie en lelijke, versleten woorden. Geef hun de juiste plaats, en ze verrichten wonderen.
In al zijn vanzelfsprekendheid blijft het toch een verbijsterend feit: dat alle mannen negen maanden lang in het lichaam van een vrouw hebben geleefd. Hoe anders zou de wereld eruitzien als ook het omgekeerde kon.
O, dat elkaar bewieroken! Om toch maar niet zelf in een kwade reuk te komen staan!
Missenburg, maandag 21 december 1992
De aandacht, in de media, voor kunst? Je ziet zoveel rommel aandacht krijgen dat aandacht tegenwoordig bijna automatisch verwijst naar rommel. Zo zal het ook met je eigen werk gaan als morgen wordt bekend gemaakt dat je de staatsprijs hebt gekregen. Kritische mensen, die net als jij vinden dat kwaliteit iets zeer schaars is geworden, iets dat door de apparatsjiks van de cultuurmachine over het hoofd wordt gezien, zullen bij de bekendmaking het hoofd schudden en denken: ach, weer zo'n knaap die de laatste tijd zo vaak onze aandacht wilde trekken dat hij haar ten slotte heeft gekregen. Wie zei ook alweer: succes is rattengif.
Sergej Prokofjev -- 20 december 1925
• Sergej Prokofjev (1891-1953) was een Russische musicus en componist. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij, waaruit gedeeltes in het Nederlands zijn gepubliceerd onder de titel Dagboek 1907-1933 (vertaling Arie van der Ent). Eind 1925 was hij op tournee in Nederland.
16 december
Een telegram. Eberg is plotseling overleden. Wat is er gebeurd? Zijn nieren soms? Als ik naar hem keek, dacht ik altijd al dat hij het niet lang zou maken. Ik ben erg ontdaan. Hij was aardig en zijn inzet en toewijding voor de uitgeverij waren aandoenlijk. Wat zal het effect van zijn dood op de uitgeverij zijn? Ernest Aleksandrovitsj had ook wel zijn tekortkomingen - zijn traagheid en koppigheid - en het is moeilijk te zeggen of de zaken na hem beter of slechter zullen gaan.
De eerste tijd in elk geval slechter.
17-18 december
Voor Djagilev aan pianoversie van Oursignol gewerkt. Ptasjka is schor, haar stem klinkt niet, daarom hangt er een sombere stemming in huis.
19 december
Aangezien Ptasjka niet bij stem is, hebben we besloten dat ze beter niet kan zingen. Het Concertgebouw is een eersteklas instelling en je mag je hier niet te schande maken. We namen het besluit dat ik in plaats daarvan ook nog de Tweede sonate zou spelen. De mensen van de directie gedroegen zich als heren, ze hadden begrip voor de situatie, waren niet boos, deden niets van het honorarium af en wisten zelfs tijdig een nieuw programma te laten drukken. Het symfonieorkest speelde vandaag in Den Haag, met Thibaud als solist, en die was ook ziek geworden; de directie werkte zich uit de naad om het programma te knippen en te plakken. 's Avonds concert in de Kleine Zaal van het Concertgebouw. Voor driekwart vol. Een flink succes. Na het concert op een souper onthaald. Ptasjka was niet op het concert, dat was wat ongemakkelijk, maar men ging haar halen en nam haar ook mee uit souperen.
20 december
In een vrij toegankelijk concert ging de Scythische suite. Ik luisterde in een loge achter het orkest. Dat deed een beetje afbreuk aan de klank: de afzonderlijke instrumenten kwamen beter uit, maar het geheel klonk minder. Groot succes, ik werd geroepen.
16 december
Een telegram. Eberg is plotseling overleden. Wat is er gebeurd? Zijn nieren soms? Als ik naar hem keek, dacht ik altijd al dat hij het niet lang zou maken. Ik ben erg ontdaan. Hij was aardig en zijn inzet en toewijding voor de uitgeverij waren aandoenlijk. Wat zal het effect van zijn dood op de uitgeverij zijn? Ernest Aleksandrovitsj had ook wel zijn tekortkomingen - zijn traagheid en koppigheid - en het is moeilijk te zeggen of de zaken na hem beter of slechter zullen gaan.
De eerste tijd in elk geval slechter.
17-18 december
Voor Djagilev aan pianoversie van Oursignol gewerkt. Ptasjka is schor, haar stem klinkt niet, daarom hangt er een sombere stemming in huis.
19 december
Aangezien Ptasjka niet bij stem is, hebben we besloten dat ze beter niet kan zingen. Het Concertgebouw is een eersteklas instelling en je mag je hier niet te schande maken. We namen het besluit dat ik in plaats daarvan ook nog de Tweede sonate zou spelen. De mensen van de directie gedroegen zich als heren, ze hadden begrip voor de situatie, waren niet boos, deden niets van het honorarium af en wisten zelfs tijdig een nieuw programma te laten drukken. Het symfonieorkest speelde vandaag in Den Haag, met Thibaud als solist, en die was ook ziek geworden; de directie werkte zich uit de naad om het programma te knippen en te plakken. 's Avonds concert in de Kleine Zaal van het Concertgebouw. Voor driekwart vol. Een flink succes. Na het concert op een souper onthaald. Ptasjka was niet op het concert, dat was wat ongemakkelijk, maar men ging haar halen en nam haar ook mee uit souperen.
20 december
In een vrij toegankelijk concert ging de Scythische suite. Ik luisterde in een loge achter het orkest. Dat deed een beetje afbreuk aan de klank: de afzonderlijke instrumenten kwamen beter uit, maar het geheel klonk minder. Groot succes, ik werd geroepen.
Abonneren op:
Posts (Atom)






