• De Amerikaanse schrijver Richard Grayson (1951) houdt al bijna zijn leven lang een dagboek bij. Fragmenten uit de jaren '70 staan hier online.
Thursday, April 29, 1971
A dark and drizzly day. Mom drove me to Kings Plaza this morning on her way to the store, and I took the bus from there to school.
Yesterday I ran into Norman on campus, and today I saw Bobby Cohen, and both of them said business in the store is very bad. The Pants Set is in real trouble. Now that they’ve bought out Uncle Marty and given his share to Lennie, I don’t know what they have planned to save the business. Dad’s very aggravated.
Voting in the student government election began in earnest today. The Alignment is going to win; those fascists have the yarmulke vote, and at Brooklyn College, what else counts? Elspeth, Evan, Shelli, Casey, Allan and I went out leafleting and pulling people into voting booths. It’s so degrading to have to ask people to vote for you.
Mrs. Schlissel was out sick today. Phil told me that Harold’s in the hospital with rheumatic fever, and that’s shot Harold’s campaign for vice president to pieces.
Alice said her mother was all right after the surgery. She voted for me, as did a lot of my friends. Perhaps, because I’m running on the Upper Slate this time, I may have a chance to win. But I’m not banking on it.
Tired, Shelli and I went for lunch in the SUBO Dining Room. Dr. Whipple was having a lunch for the students in SO-FED-UP, trying to tell them the Student Center will be fixed to accommodate the handicapped better. Aaron and Pam were there, and Fred Franklin has thrown SO-FED-UP’s support to their campaign. During lunch, we said hello to our friends at nearby tables: Dick Wright, Dr. Stone, Timmy and Esther.
To help the campaign, we put in an appearance at an Israeli Club get-together, talked with Stacy and some other people, and attended a ridiculous Election Commission hearing Carole convened to look into complaints and counter-complaints.
We left campus with Larry and Karen, who were going to the printers in Williamsburg; tomorrow Kingsman will come out with an endorsement, most likely of Harvey and Linda and the whole Alignment slate.
Shelli and I went to Kings Plaza and talked with Merryl in the store about business being lousy. Then we came home to bed. I entered her vagina, but she’s afraid to let me break her hymen. My beautiful baby is scared; I was too, for a minute, when I had to withdraw before I ejaculated.
Afterwards we had a quiet dinner at the Windsor Deli and I drove her home through a pouring rain. Shelli is so wonderful, so kind, so beautiful — but she’s also confused and irresponsible.
donderdag 28 april 2016
zondag 24 april 2016
A.F.Th. van der Heijden -- 25 april 1993
• A.F.Th. van der Heijden (1951) is een Nederlandse schrijver. In Engelenplaque. Notities van alledag publiceerde hij dagboekfragmenten uit de periode 1966-2003.
Zondag 25 april 1993 Contract voor één partij
Tijd, plaats. – Het is de avond van zondag 25 april 1993. Op mijn horloge, dat mogelijk achterloopt, is het bijna half tien. Tonio, die vandaag wat recalcitrant en huilerig was (heel zeldzaam), ligt sinds een uur in zijn stapelbed, tweede verdieping aan de straatkant. Mirjam is op haar werkkamer, begane grond, straatkant.
Ik bevind me op mijn werketage, op de kamer aan de tuinkant, de ‘zonkamer’, die ik voor de komende lente- en zomermaanden heb ingericht voor het voltooien van De tandeloze tijd 3. Beide bureaus staan nu hier: het ene, waaraan ik met mijn gezicht naar de balkondeuren zit, is er voor het handwerk; het andere, dat zijn licht van links ontvangt, fungeert als typetafel, en het is daar dat ik dit ‘contract’ schrijf, rechtstreeks op de machine.
Toestand. – Voor het eerst sinds woensdag 14 april jl. heb ik weer een dieetdag, d.w.z. elke twee uur slik ik twee capsules, die, als de handleiding niet liegt en mijn lichaam me niet bedriegt, uitzetten in de maag o.i.v. het glas water dat men erbij drinkt.
De afgelopen anderhalve week heb ik veel, en veel te veel, alcohol gedronken, voornamelijk bier, maar ook wodka, cognac, wijn. Soms viel ik laat op de avond op de bank in de huiskamer in slaap. Dit alcoholgebruik baart me zorgen, niet alleen vanwege het overgewicht dat er het gevolg van is.
Ook gisteravond, zaterdag, heb ik te veel gedronken. ’s Middags vrienden opgezocht bij de Pilserij in de Gravenstraat (in gezelschap van Tonio). Vijf à zes glazen bier. Thuis een flesje witbier. Het grootste deel van een fles witte wijn bij het voorgerecht (meloen met ham). Ruim een liter rode wijn bij het hoofdgerecht (blanquette de veau). Cognac bij de koffie met moorkop. Later weer witbier. Te veel, dit alles. Mijn herinneringen aan de afloop van de avond zijn vaag. Geminnekoosd met M. Op de bank in slaap gevallen. Tegen de ochtend wakker; M. bleek een logeerdeken over me heen te hebben gelegd. Naar bed; geslapen tot het middaguur. Lamlendig met de krant in bed blijven liggen, ook toen Mirjam en Tonio al naar het Amsterdamse Bos vertrokken waren. Grote somberheid. Angst geen greep meer te kunnen krijgen op mijn werk. Walging wegens mijn zwaarlijvigheid. Ongewassen, in t-shirt en shorts, op mijn werkkamer gaan zitten. Wat gewerkt aan de knipsels voor een geplande roman (mogelijk onderdeel van De tandeloze tijd), werktitel: De bijlslag of De chip van het Noodlot. Maar met weinig lust en overtuiging, en met een dof gevoel in mijn hoofd.
Aanleiding. – Drank, dieet, werk – ziedaar aanleiding en reden om voor mezelf dit ‘contract’ op te stellen. Aan het begin van de avond beneden op de bank gezeten wist ik opeens wat me te doen stond: harde afspraken met mezelf op schrift stellen, en zo een vruchtbare werkperiode veilig stellen. Ik ben gaan douchen, heb me aangekleed, om vervolgens naar boven te gaan.
Werk. – Dit dient voorop te staan. Zonder met iemand iets te hebben afgesproken, zonder me contractueel met Querido te hebben verbonden, wil ik proberen De tandeloze tijd 3 Tweede Boek, Onder het plaveisel het moeras, in mei volgend jaar te laten verschijnen. Dat betekent dat ik tot en met februari 1994 de tijd heb om het boek te voltooien. Hoeveel maanden zijn dat?
Eind april tot eind juli (begin van Tonio’s vakantie): drie maanden.
Half augustus tot begin oktober (Frankfurter Buchmesse, aansluitend vier weken Berlijn): anderhalve maand.
Half november tot en met eind februari: drieënhalve maand.
In totaal: acht volle maanden werktijd.
Ik stel me zo voor dat het leeuwedeel van het werk de komende drie maanden verricht gaat worden. Tamelijk woeste arbeid, bedoeld om de tors van het boek tot stand te brengen. Latere werkperiodes: verfijning en uitbreiding.
Op het hoofdstuk ‘werk’ kom ik verderop nog terug.
Dieet en alcoholgebruik. – Het overgewicht dient met meerdere middelen bestreden te worden:
1. het Zero-3-capsuledieet, dat ik tot aan de vakantie eind juli zonder onderbrekingen zou willen volhouden, en na half augustus tot begin oktober zou willen voortzetten. Ik verplicht mezelf tot niets. Dient zich een ander, en beter, dieet aan, dan kies ik daarvoor. Blijkt drie dagen per week niet eten te storend voor mijn werk, dan zorg ik op een andere manier af te vallen.
2. Het drinken tot een absoluut minimum beperken. Ik zeg met opzet niet: ‘alle alcohol laten staan’, want ik ken de gevaren van zo’n strenge afspraak. Drank wordt dan een obsessie, de gespannenheid groeit etc. Als het nodig blijkt, dan bezwijk ik, en probeer ik de schade beperkt te houden.
3. Beweging. Elke ochtend gymnastische oefeningen op slaap- of werkkamer. Elke ochtend, en mogelijk ook later op de dag nog, hometrainer. Wandelen.
4. Zo min mogelijk zoetigheid.
5. Als het alcoholgebruik inderdaad tot het absolute minimum beperkt blijft, dan de eetlustremmende pillen weer gaan gebruiken.
Zondag 25 april 1993 Contract voor één partij
Tijd, plaats. – Het is de avond van zondag 25 april 1993. Op mijn horloge, dat mogelijk achterloopt, is het bijna half tien. Tonio, die vandaag wat recalcitrant en huilerig was (heel zeldzaam), ligt sinds een uur in zijn stapelbed, tweede verdieping aan de straatkant. Mirjam is op haar werkkamer, begane grond, straatkant.
Ik bevind me op mijn werketage, op de kamer aan de tuinkant, de ‘zonkamer’, die ik voor de komende lente- en zomermaanden heb ingericht voor het voltooien van De tandeloze tijd 3. Beide bureaus staan nu hier: het ene, waaraan ik met mijn gezicht naar de balkondeuren zit, is er voor het handwerk; het andere, dat zijn licht van links ontvangt, fungeert als typetafel, en het is daar dat ik dit ‘contract’ schrijf, rechtstreeks op de machine.
Toestand. – Voor het eerst sinds woensdag 14 april jl. heb ik weer een dieetdag, d.w.z. elke twee uur slik ik twee capsules, die, als de handleiding niet liegt en mijn lichaam me niet bedriegt, uitzetten in de maag o.i.v. het glas water dat men erbij drinkt.
De afgelopen anderhalve week heb ik veel, en veel te veel, alcohol gedronken, voornamelijk bier, maar ook wodka, cognac, wijn. Soms viel ik laat op de avond op de bank in de huiskamer in slaap. Dit alcoholgebruik baart me zorgen, niet alleen vanwege het overgewicht dat er het gevolg van is.
Ook gisteravond, zaterdag, heb ik te veel gedronken. ’s Middags vrienden opgezocht bij de Pilserij in de Gravenstraat (in gezelschap van Tonio). Vijf à zes glazen bier. Thuis een flesje witbier. Het grootste deel van een fles witte wijn bij het voorgerecht (meloen met ham). Ruim een liter rode wijn bij het hoofdgerecht (blanquette de veau). Cognac bij de koffie met moorkop. Later weer witbier. Te veel, dit alles. Mijn herinneringen aan de afloop van de avond zijn vaag. Geminnekoosd met M. Op de bank in slaap gevallen. Tegen de ochtend wakker; M. bleek een logeerdeken over me heen te hebben gelegd. Naar bed; geslapen tot het middaguur. Lamlendig met de krant in bed blijven liggen, ook toen Mirjam en Tonio al naar het Amsterdamse Bos vertrokken waren. Grote somberheid. Angst geen greep meer te kunnen krijgen op mijn werk. Walging wegens mijn zwaarlijvigheid. Ongewassen, in t-shirt en shorts, op mijn werkkamer gaan zitten. Wat gewerkt aan de knipsels voor een geplande roman (mogelijk onderdeel van De tandeloze tijd), werktitel: De bijlslag of De chip van het Noodlot. Maar met weinig lust en overtuiging, en met een dof gevoel in mijn hoofd.
Aanleiding. – Drank, dieet, werk – ziedaar aanleiding en reden om voor mezelf dit ‘contract’ op te stellen. Aan het begin van de avond beneden op de bank gezeten wist ik opeens wat me te doen stond: harde afspraken met mezelf op schrift stellen, en zo een vruchtbare werkperiode veilig stellen. Ik ben gaan douchen, heb me aangekleed, om vervolgens naar boven te gaan.
Werk. – Dit dient voorop te staan. Zonder met iemand iets te hebben afgesproken, zonder me contractueel met Querido te hebben verbonden, wil ik proberen De tandeloze tijd 3 Tweede Boek, Onder het plaveisel het moeras, in mei volgend jaar te laten verschijnen. Dat betekent dat ik tot en met februari 1994 de tijd heb om het boek te voltooien. Hoeveel maanden zijn dat?
Eind april tot eind juli (begin van Tonio’s vakantie): drie maanden.
Half augustus tot begin oktober (Frankfurter Buchmesse, aansluitend vier weken Berlijn): anderhalve maand.
Half november tot en met eind februari: drieënhalve maand.
In totaal: acht volle maanden werktijd.
Ik stel me zo voor dat het leeuwedeel van het werk de komende drie maanden verricht gaat worden. Tamelijk woeste arbeid, bedoeld om de tors van het boek tot stand te brengen. Latere werkperiodes: verfijning en uitbreiding.
Op het hoofdstuk ‘werk’ kom ik verderop nog terug.
Dieet en alcoholgebruik. – Het overgewicht dient met meerdere middelen bestreden te worden:
1. het Zero-3-capsuledieet, dat ik tot aan de vakantie eind juli zonder onderbrekingen zou willen volhouden, en na half augustus tot begin oktober zou willen voortzetten. Ik verplicht mezelf tot niets. Dient zich een ander, en beter, dieet aan, dan kies ik daarvoor. Blijkt drie dagen per week niet eten te storend voor mijn werk, dan zorg ik op een andere manier af te vallen.
2. Het drinken tot een absoluut minimum beperken. Ik zeg met opzet niet: ‘alle alcohol laten staan’, want ik ken de gevaren van zo’n strenge afspraak. Drank wordt dan een obsessie, de gespannenheid groeit etc. Als het nodig blijkt, dan bezwijk ik, en probeer ik de schade beperkt te houden.
3. Beweging. Elke ochtend gymnastische oefeningen op slaap- of werkkamer. Elke ochtend, en mogelijk ook later op de dag nog, hometrainer. Wandelen.
4. Zo min mogelijk zoetigheid.
5. Als het alcoholgebruik inderdaad tot het absolute minimum beperkt blijft, dan de eetlustremmende pillen weer gaan gebruiken.
Christopher Isherwood -- 24 april 1944
• Christopher Isherwood (1904-1986) was een Britse, in de VS wonende schrijver. Hij hield het grootste deel van zijn leven een dagboek bij.
April 24. Am in bed. The day before yesterday, while seeing For Whom the Bell Tolls with Sudhira (who is up and about again) I developed a pile [= aambei]. I called Peggy and suggested that Bill Kiskadden should come down and cut it open for me — thinking, in the kindness of my heart, that this would be a nice treat for him, since he never gets any surgery to do in the army. So Bill came, with his little knife. It hurt like hell. I yelled clear around the block, and immediately knew I'd gotten a black mark for doing it. Bill is a spartan.
However, the pain — or rather, the discomfort: it's nothing more — is a great relief, because, for the moment, it takes the sting out ot the X. situation. You can't be in love when you have a sore behind.
April 24. Am in bed. The day before yesterday, while seeing For Whom the Bell Tolls with Sudhira (who is up and about again) I developed a pile [= aambei]. I called Peggy and suggested that Bill Kiskadden should come down and cut it open for me — thinking, in the kindness of my heart, that this would be a nice treat for him, since he never gets any surgery to do in the army. So Bill came, with his little knife. It hurt like hell. I yelled clear around the block, and immediately knew I'd gotten a black mark for doing it. Bill is a spartan.
However, the pain — or rather, the discomfort: it's nothing more — is a great relief, because, for the moment, it takes the sting out ot the X. situation. You can't be in love when you have a sore behind.
woensdag 20 april 2016
Bemanning 'Oosterschelde' -- 21 april 1997
• De Oosterschelde is een Nederlandse driemastschoener gebouwd in 1917/1918. In 1996-1998 maakte zij een reis rond de wereld, waarvan het reisjournaal is gepubliceerd als Verslag van de wereldreis van de Oosterschelde. Waaruit onderstaande fragmenten.
21.4. 's Ochtends op onze pier een departure ceremony met toespraken, geschenken en een Japanse drumgroep. Vertrek om 13:10 voor Parade of Sail voor de stad. Enkele van onze liaison officers staan te huilen op de kant. Er zijn schepen bijgekomen, zoals de twee 109 meter lange Japanse schepen Nippon Maru en Kaiwo Maru. Kades weer vol mensen, we vuren een schot af.
Na afloop parade varen we naar Yamagawa, in de zuidelijke opening van de baai, 20 mijl te varen. Morgen de start van de race voor Sata Misaki (Kaap Sata). Het is een mooie kleine vissersplaats, met een lange deining op de kade. Tussen de huisjes door hangen luchtjes van eten en wierook. Bij laag water 's nachts (het is springtij) blijken de rubberen stootvormen van de kade zo hoog te komen dat de deining schade veroorzaakt aan de verschansing.
22.4. Vertrek om 08:00. Zon en frisse bries uit oostelijke richting. Start om 11:00, voor Kaap Sata. We hebben een mooie positie bovenin. De wind valt in de middag geheel weg. Pas de volgende middag komt de wind weer. Plotseling uit het niets een NE-bries die binnen een kwartier aanwakkert tot 4. Niet lang erna wordt de deining langer en hoger. Zeezieken, lekkere vaart, kruisen.
Elke dag wordt het overigens duidelijk iets kouder, steeds meer komen truien, jacks en kielen tevoorschijn. In de loop van de avond neemt de wind verder toe tot 6. Steeds langere en hogere deining. Steken rif op bezaan. Restanten van typhoon 9701 ten oosten en hogedrukgebied boven China ten NW tesamen verantwoordelijk, 's Nachts toename tot 7. Rif op grootzeil en tweede rif op bezaan. Zware deining, tot 4 meter. De zee komt boven de lijverschansing en de boegspriet gaat te water. Bezaan gestreken.
Melding NavTex: man overboord op Japans jacht 'Escape One', deelnemer aan de tocht; later ook een MOB op een ferry en nog een op een vrachtschip. Veel zeezieken. Slagzij tot 45 graden. TV-kast in het ruim dondert om.
Rond 07:30 minder wind. In de loop van ochtend meer zeil gezet en ontreefd. Uiteindelijk wind weer nagenoeg weg. Deining neemt ook af. In middag rustig weer en heerlijke zon. MOB 'Escape One' nog steeds spoorloos. Had geen zwemvest aan.
Het blijft windstil. Op 26.4 's avonds komt het bericht van inkorting van de race door. De 05:00-positie is het einde.
21.4. 's Ochtends op onze pier een departure ceremony met toespraken, geschenken en een Japanse drumgroep. Vertrek om 13:10 voor Parade of Sail voor de stad. Enkele van onze liaison officers staan te huilen op de kant. Er zijn schepen bijgekomen, zoals de twee 109 meter lange Japanse schepen Nippon Maru en Kaiwo Maru. Kades weer vol mensen, we vuren een schot af.
Na afloop parade varen we naar Yamagawa, in de zuidelijke opening van de baai, 20 mijl te varen. Morgen de start van de race voor Sata Misaki (Kaap Sata). Het is een mooie kleine vissersplaats, met een lange deining op de kade. Tussen de huisjes door hangen luchtjes van eten en wierook. Bij laag water 's nachts (het is springtij) blijken de rubberen stootvormen van de kade zo hoog te komen dat de deining schade veroorzaakt aan de verschansing.
22.4. Vertrek om 08:00. Zon en frisse bries uit oostelijke richting. Start om 11:00, voor Kaap Sata. We hebben een mooie positie bovenin. De wind valt in de middag geheel weg. Pas de volgende middag komt de wind weer. Plotseling uit het niets een NE-bries die binnen een kwartier aanwakkert tot 4. Niet lang erna wordt de deining langer en hoger. Zeezieken, lekkere vaart, kruisen.
Elke dag wordt het overigens duidelijk iets kouder, steeds meer komen truien, jacks en kielen tevoorschijn. In de loop van de avond neemt de wind verder toe tot 6. Steeds langere en hogere deining. Steken rif op bezaan. Restanten van typhoon 9701 ten oosten en hogedrukgebied boven China ten NW tesamen verantwoordelijk, 's Nachts toename tot 7. Rif op grootzeil en tweede rif op bezaan. Zware deining, tot 4 meter. De zee komt boven de lijverschansing en de boegspriet gaat te water. Bezaan gestreken.
Melding NavTex: man overboord op Japans jacht 'Escape One', deelnemer aan de tocht; later ook een MOB op een ferry en nog een op een vrachtschip. Veel zeezieken. Slagzij tot 45 graden. TV-kast in het ruim dondert om.
Rond 07:30 minder wind. In de loop van ochtend meer zeil gezet en ontreefd. Uiteindelijk wind weer nagenoeg weg. Deining neemt ook af. In middag rustig weer en heerlijke zon. MOB 'Escape One' nog steeds spoorloos. Had geen zwemvest aan.
Het blijft windstil. Op 26.4 's avonds komt het bericht van inkorting van de race door. De 05:00-positie is het einde.
dinsdag 19 april 2016
Dorothy Wordsworth -- 20 april 1802
• Dorothy Wordsworth (1771–1855) was een Engels dichteres en dagboekschrijfster, en de jongere zus van de dichter William Wordsworth. Haar dagboeken staan hier online.
Tuesday, 20th. — A beautiful morning. The sun shone. William wrote a conclusion to the poem of the Butterfly:—
Wednesday, 21st. — William and I sauntered a little in the garden. Coleridge came to us, and repeated the verses he wrote to Sara. I was affected with them, and in miserable spirits. The sunshine, the green fields, and the fair sky made me sadder; even the little happy, sporting lambs seemed but sorrowful to me. The pile wort spread out on the grass a thousand shiny stars. The primroses were there, and the remains of a few daffodils. The well, which we cleaned out last night, is still but a little muddy pond, though full of water.... Read Ferguson's life and a poem or two....
Thursday, 22nd. — A fine mild morning. We walked into Easedale. The sun shone. Coleridge talked of his plan of sowing the laburnum in the woods. The waters were high, for there had been a great quantity of rain in the night. I was tired and sate under the shade of a holly tree that grows upon a rock, and looked down the stream. I then went to the single holly behind that single rock in the field, and sate upon the grass till they came from the waterfall. I saw them there, and heard William flinging stones into the river, whose roaring was loud even where I was. When they returned, William was repeating the poem:—
Tuesday, 20th. — A beautiful morning. The sun shone. William wrote a conclusion to the poem of the Butterfly:—
I've watched you now a full half-hour.I was quite out of spirits, and went into the orchard. When I came in, he had finished the poem. It was a beautiful afternoon. The sun shone upon the level fields, and they grew greener beneath the eye. Houses, village, all cheerful—people at work. We sate in the orchard and repeated The Glow-worm and other poems. Just when William came to a well or trough, which there is in Lord Darlington's park, he began to write that poem of The Glow-worm; ... interrupted in going through the town of Staindrop, finished it about 2 miles and a half beyond Staindrop. He did not feel the jogging of the horse while he was writing; but, when he had done, he felt the effect of it, and his fingers were cold with his gloves. His horse fell with him on the other side of St. Helens, Auckland. So much for The Glow-worm. It was written coming from Middleham on Monday, 12th April 1802.... On Tuesday 20th, when we were sitting after tea, Coleridge came to the door. I startled him with my voice. C. came up fatigued, but I afterwards found he looked well. William was not well, and I was in low spirits.
Wednesday, 21st. — William and I sauntered a little in the garden. Coleridge came to us, and repeated the verses he wrote to Sara. I was affected with them, and in miserable spirits. The sunshine, the green fields, and the fair sky made me sadder; even the little happy, sporting lambs seemed but sorrowful to me. The pile wort spread out on the grass a thousand shiny stars. The primroses were there, and the remains of a few daffodils. The well, which we cleaned out last night, is still but a little muddy pond, though full of water.... Read Ferguson's life and a poem or two....
Thursday, 22nd. — A fine mild morning. We walked into Easedale. The sun shone. Coleridge talked of his plan of sowing the laburnum in the woods. The waters were high, for there had been a great quantity of rain in the night. I was tired and sate under the shade of a holly tree that grows upon a rock, and looked down the stream. I then went to the single holly behind that single rock in the field, and sate upon the grass till they came from the waterfall. I saw them there, and heard William flinging stones into the river, whose roaring was loud even where I was. When they returned, William was repeating the poem:—
I have thoughts that are fed by the sun.It had been called to his mind by the dying away of the stunning of the waterfall when he got behind a stone....
maandag 18 april 2016
Jan van Heukelom -- 19 april 1805
• Jan van Heukelom (1784-1847) was een Leidse lakenfabrikant. In 1805 maakte hij een maandenlange reis naar Engeland om ideeën op te doen voor het familiebedrijf. Zijn reisdagboek is gepubliceerd als De Engelse Industriële Revolutie beleefd door een Leidse lakenfabrikant.
Vrijdag 19 April maakte ik met Barend Hulshoff na het doen enige boodschappen een heerlijke wandeling om het Hyde Park en de Kensington Gardens en wij amuseerden ons daarmee zeer. Des avonds gingen wij nog eens naar Covent Garden theater.
Zaterdag 20 April ging ik enige visites maken en mijn paspoort trachten te bekomen. Den avond gingen wij met de Hr. Weber en zijn vrouw naar Saddlers Wells en zagen daar, hetgeen er altijd vertoond wordt. Pantomime Comique, met verscheidene Harlekijns. Men moet zich verwonderen over de moeite en kosten, die aan decoraties en kleding te koste worden gelegd, maar nog meer over hetgeen de Londenaars voor zulke vertoningen aanhoudend verkiezen te betalen. Een bijzonderheid is hier evenwel, die wij ook gelegenheid hadden op te merken, namelijk dal men een vrij goede hoeveelheid water op dat toneel heeft weten te leiden, hetgeen door de planken bedekt wordt, doch zo nodig neemt men de planken weg en dan heeft men een toneel van water. Zo zagen wij die avond een niet onaardige afbeelding van wedstrijd roeien op de Theems.
Zondag 21 April. 's Ochtends thuisgebleven om enige voorbereidingen te maken voor ons vertrek.
Die middag aten we bij de Hr. Weber vroeg en gingen wij met hem naar Chelsea. Zagen daar het Chelsea Hospital voor oudere en gebrekkige landsoldaten geschikt. We dronken toen aan een brug over de Theems thee. waarna wij weer terugkeerden. Deze vaart op de Theems was zeer aangenaam, en leverde zeer fraaie gezichten op. Te Chelsea zelf is buiten het hospitaal nog de Vauxhall, doch de deur ervan was niet alleen gesloten; er woonde niemand en de gehele boel zag er verschrikkelijk ontramponeerd uit.
Maandag 22 April. Eindelijk met de paspoorten om in het land te mogen reizen klaar gekomen zijnde, namen wij die dag afscheid van onze vrienden, pakten ons goed op. Soupeerden nog 's avonds bij Hr. Weber en vertrokken toen de volgende morgen om half 6 uur van London.
Vrijdag 19 April maakte ik met Barend Hulshoff na het doen enige boodschappen een heerlijke wandeling om het Hyde Park en de Kensington Gardens en wij amuseerden ons daarmee zeer. Des avonds gingen wij nog eens naar Covent Garden theater.
Zaterdag 20 April ging ik enige visites maken en mijn paspoort trachten te bekomen. Den avond gingen wij met de Hr. Weber en zijn vrouw naar Saddlers Wells en zagen daar, hetgeen er altijd vertoond wordt. Pantomime Comique, met verscheidene Harlekijns. Men moet zich verwonderen over de moeite en kosten, die aan decoraties en kleding te koste worden gelegd, maar nog meer over hetgeen de Londenaars voor zulke vertoningen aanhoudend verkiezen te betalen. Een bijzonderheid is hier evenwel, die wij ook gelegenheid hadden op te merken, namelijk dal men een vrij goede hoeveelheid water op dat toneel heeft weten te leiden, hetgeen door de planken bedekt wordt, doch zo nodig neemt men de planken weg en dan heeft men een toneel van water. Zo zagen wij die avond een niet onaardige afbeelding van wedstrijd roeien op de Theems.
Zondag 21 April. 's Ochtends thuisgebleven om enige voorbereidingen te maken voor ons vertrek.
Die middag aten we bij de Hr. Weber vroeg en gingen wij met hem naar Chelsea. Zagen daar het Chelsea Hospital voor oudere en gebrekkige landsoldaten geschikt. We dronken toen aan een brug over de Theems thee. waarna wij weer terugkeerden. Deze vaart op de Theems was zeer aangenaam, en leverde zeer fraaie gezichten op. Te Chelsea zelf is buiten het hospitaal nog de Vauxhall, doch de deur ervan was niet alleen gesloten; er woonde niemand en de gehele boel zag er verschrikkelijk ontramponeerd uit.
Maandag 22 April. Eindelijk met de paspoorten om in het land te mogen reizen klaar gekomen zijnde, namen wij die dag afscheid van onze vrienden, pakten ons goed op. Soupeerden nog 's avonds bij Hr. Weber en vertrokken toen de volgende morgen om half 6 uur van London.
zondag 17 april 2016
Jan Hanlo -- 16 april 1969
• De Nederlandse schrijver Jan Hanlo (1912-1969) bezocht vlak voor zijn dood Marrakech. Van zijn verblijf daar hield hij een soort dagboek in brieven bij, dat na zijn dood gepubliceerd werd als Go to the Mosk (1971).
±15 april '69 Marrakech
Hoorde in het café du Glacier van andere straatjongens (die daar eigenlijk helemaal niet mogen komen maar soms toch even binnenglippen) dat M. gepakt was door de politie wegens het gidsen van toeristen. Alleen daartoe gemachtigde gidsen mogen, formeel, toeristen door de stad of naar een winkeltje leiden (iets waar met het bekende boogje-en-onmiddellijk-weer-terug al héél sterk de hand mee wordt gelicht). Ik had wat wijn gedronken in het café. De barman, die me graag mag en van gezicht precies op me lijkt - zeggen de jongens, had mijn waterglas boordevol geschonken. Daardoor was ik nog eerder geneigd spontaan te handelen, iets waar ik mij om de een of andere reden toch altijd al toe verplicht schijn te voelen. Maar ik had het zonder die wijn ook gedaan, denk ik. Ik zei tegen de jongens dat ik M. ging opzoeken. Ze leidden me toen naar het op het plein liggende Bureau de Sureté. Op 't laatst was er alleen het jongetje op krukken dat nog voor me uit liep. Voor de stoep draaide hij om en zei me dat het hier was. Ik wist dat wel, het stond er in grote letters op en ik was er al eens geweest om te vragen of mijn (goedkope) eerste fotocamera misschien gevonden was door een eerlijke vinder, een kans van 1 op het miljoen. Ik legde uit dat ik reeds enige weken bevriend was met Mohamed en men liet hem mij zien in zijn cel. Hij lag er netjes en soumis (= volgens de kleine Larousse 'Disposé a l'obéissance: enfant soumis. Respectueux'.) naast twee andere, kleinere schoffies onder een nette grote biezenmat op de grond op de nacht te wachten (!), keek wat beschaamd en gaf me geen hand. Ik zei vrolijk 'comment ça va?' en gooide hem een pakje Clark's kauwgum toe, zeggend tegen de politieman dat er geen vijl in zat, en ging weer weg met de politieman. Die zei dat ik 's morgens maar eens moest terugkomen. Ik vroeg hoe laat. 9 uur. Ik was er om 9 uur, mocht hem weer zien. Hij zat er nu met z'n vijven. 3 naast elkaar op de knieën, zittend op de hielen, uitgeslapen blijkbaar. 2 nog onder de biezenmat. Hij lachte me toe met z'n vriendelijkste (ook soms wel routine-) lachje. De rechercheur die de celdeur voor mij geopend had (nu een ander dan de agent in uniform de avond tevoren, het is een zeer druk bureau) maakte een gebaar van 'o die!' toen hij zag dat het om Mohamed ging. Alsof hij zeggen wilde 'natuurlijk die weer' of 'een hopeloos geval'. De rechercheur (:questceque c'est: 'amitié") zei dat ik Ghadouja maar moest halen. Ik zei dat ik dat doen zou maar dat ik niet wist ofze mee wilde komen. 'Kom dan zelf in ieder geval terug' zei hij.
Ik heb toen 4 uur lang gezocht (had vannacht 39.04 koorts: diarree, maar misschien wel door zon en vermoeidheid) om het adres van Ghadouja en Mohamed terug te vinden, wat me pas samen op fietsen met een nog onbekende grotere jongen lukte.
Toen ik eindelijk werkelijk de buurt van de woning begon terug te kennen zag ik ... Mohamed daar in mijn paarse pullover! (hij had in de cel 'de jumper' aan, iets wat ook bijdroeg tot de reactie van de rechercheur). Hij was dus al vrijgelaten. In het huis was eindelijk ook eens de man van Ghadouja aanwezig, een zeer donkerblikkende Marokkaan. Ik kreeg eten van Ghadiezja, 2 gebakken eitjes en een tomatensla-tje en brood. Heel goed, de diarree heb ik daar niet van, ik had het al een paar dagen onder de leden. Muntthee bij de buren, waar ik bij vergissing, na op het binnenplaatsje foto's van Ghadiezja en de kinderen gemaakt te hebben, binnenliep. Eindeloos praatje gemaakt over thee. Later bij Ghadiezja en haar man gesproken over meegaan voor een maand of zo van Mohamed met mij naar Holland. De grote jongen die het huis voor mij gevonden had en van wie de fietsen waren, hielp als tolk want de man sprak niet veel frans. De man ging tot mijn verbazing accoord met het voorstel. We zouden de volgende dag al naar de pasja gaan (burgemeester?) om te vragen of het kon. De grote jongen dacht dat het niet kon omdat M. een 'mineur' is en drong er bij me op aan hem mee te nemen in plaats van M. Hij was tot elke werkzaamheid in Holland bereid. Ik zei dat ik in Teroudant al aan een jonge sandalenmaker beloofd had moeite voor die te doen en dat ik niet meer op me kon nemen. Ik gaf hem later een tientje voor al z'n moeite van uren en uren lopen en fietsen, waar hij uiteraard wel tevreden mee was, maar hij was toch bedroefd dat ik M. en niet hem mee wilde hebben. Ja ... Het was een flinke aardige jongen van 18 (19, zei hij), waarschijnlijk een veel beter karakter dan Mohamed, hoewel: wat is 'beter'.
Wij zijn toen gisteren om 11 uur naar het mooie stadshuis gegaan, de man van Ghadiezja en ik werden toen op een wonderlijk gesmeerde manier (van fooien geven onthoud ik mij liever in deze kwestie) naar het juiste bureau (passeports) geleid omdat de 'vader' van Mohamed de bedienden daar kende, hij is nl. los-werkman en heeft voor de gemeente ook wel eens karweitjes opgeknapt met een handkar en hij was bij die mensen, tot mijn genoegen, wel populair. De politie van het passeport-bureau zei, toen ik kwam met mijn 'requète extraordinaire' (waarop ik een volmondig 'Oui' kreeg), dat het in principe wel mogelijk was.
Er werd zelfs op mijn verzoek al een ontwerp verklaring die ik zou moeten tekenen, opgesteld. Alles ging zeer gehaast (het was warm zonnig weer wat zowel mensen als honden - o die blaffende honden in de nette buurt waar mijn hotelletje ligt, iets duivelachtigs - toch wel koortsachtig maakt, meen ik gemerkt te hebben), en uiterst vlot vanwege de volko men gortdroge instemming van de vader van Mohamed. We waren in 10 minuten weg.
Ik begrijp de familieomstandigheden nu beter. De vader van M. is blind en volgens M. dood. M. zegt dat hij een mooie lange witte baard had die hij voortdurend streelde. 'Een neger?' 'Ja'. Volgens de man van Ghadouja is er niemand dood. Ook de vader van M. niet. Maar hij, de man van Ghadiezja, is nu de vader van Mohamed (de stiefvader dus, M. noemt hem tegen mij vaak 'le mesieu de Ghadiezja', de verhouding stiefvader-zoon is, ook hier, niet te best). En Ghadiezja is wel degelijk de echte moeder van Mohamed! M. heeft mij wat op de mouw gespeld door te zeggen dat Ghadiezja de zuster van zijn overleden moeder is! Ghadiezja moest er onwillekeurig om lachen toen ik hun dat nu vertelde. En een witte baard zal de eigenlijke vader van M. ook wel niet hebben. Maar blind zal hij wel zijn. Mohamed houdt veel van Ghadiezja. Ze hebben hetzelfde type, dezelfde stem, dezelfde tanden.
Nu zien hoe het verder loopt.
Een paar dagen geleden bracht Mohamed mij 's avonds naar de bus. Hij vroeg weer om wat geld. Het was de avond na die avond van die kus op straat. Ik wilde hem niets geven, stond al in de bus en liet hem 2 koperen munten zien zeggend: daar ben je toch niet tevreden mee. Hij kon toch niet nalaten te lachen, van 'nee, daar heb je gelijk in'. Ik gaf hem later door het openstaande raam van de bus een dirhamme. Hij was helemaal opgelucht. Ging stralend met zijn ivoorwitte tanden met zijn rug tegen een palmboom staan tot de bus zou weggaan, mocht daar niet staan stralen van een busbeambte en stond wat later aan de andere kant van de bus, op de binnenkant van de vingers van zijn rechterhand een afwezig-dromerige kushand gevend met een lief-tevreden gezicht zoals er toch maar geen ander van al zijn kameraden dat heeft, (die kushand was bedoeld voor mij maar hij keek me niet aan, en dat was het wat er, heel typisch, arabische gratie aan gaf.*) Zag hem, toen de bus vertrok, met een vrolijk gezicht een hand geven aan een oudere toerist met een wit baardje. Hij had weer een klant gevonden om mee te praten of ergens heen te brengen. We wuifden vrolijk naar elkaar, want dat moet ik hem wel gunnen, het is zijn job, aardig zijn voor elkaar schaadt niet zó gauw.
Vandaag, na de koortsnacht (me heel lekker gevoeld overigens) gewacht op de vader van Mohamed, die à midi zou komen, maar hij is er nog altijd niet. Maar om 3, 4 uur 's middags is het hier nog 'midi' veronderstel ik. Om 10 uur 's morgens zeggen ze trouwens al 'bonsoir'. Ik geloof dat ze 'bonjour' niet zo'n goed woord vinden.
*) Wanneer ik soms de Arabieren een overtuigde pluim geef, wil dat niet zeggen dat ik ie een sentimentele blindheid voor hun negatieve punten zou hebben, ze dat ik ze zou vergelijken met de Joden. Dat is volkomen niet mijn bedoeling. Deze brieven staan buiten de politiek. De Marokkanen zijn trouwens niet anti/joods. Ze beminnen de oorlog niet en voelen dat de Joden die ook niet wensen.
±15 april '69 Marrakech
Hoorde in het café du Glacier van andere straatjongens (die daar eigenlijk helemaal niet mogen komen maar soms toch even binnenglippen) dat M. gepakt was door de politie wegens het gidsen van toeristen. Alleen daartoe gemachtigde gidsen mogen, formeel, toeristen door de stad of naar een winkeltje leiden (iets waar met het bekende boogje-en-onmiddellijk-weer-terug al héél sterk de hand mee wordt gelicht). Ik had wat wijn gedronken in het café. De barman, die me graag mag en van gezicht precies op me lijkt - zeggen de jongens, had mijn waterglas boordevol geschonken. Daardoor was ik nog eerder geneigd spontaan te handelen, iets waar ik mij om de een of andere reden toch altijd al toe verplicht schijn te voelen. Maar ik had het zonder die wijn ook gedaan, denk ik. Ik zei tegen de jongens dat ik M. ging opzoeken. Ze leidden me toen naar het op het plein liggende Bureau de Sureté. Op 't laatst was er alleen het jongetje op krukken dat nog voor me uit liep. Voor de stoep draaide hij om en zei me dat het hier was. Ik wist dat wel, het stond er in grote letters op en ik was er al eens geweest om te vragen of mijn (goedkope) eerste fotocamera misschien gevonden was door een eerlijke vinder, een kans van 1 op het miljoen. Ik legde uit dat ik reeds enige weken bevriend was met Mohamed en men liet hem mij zien in zijn cel. Hij lag er netjes en soumis (= volgens de kleine Larousse 'Disposé a l'obéissance: enfant soumis. Respectueux'.) naast twee andere, kleinere schoffies onder een nette grote biezenmat op de grond op de nacht te wachten (!), keek wat beschaamd en gaf me geen hand. Ik zei vrolijk 'comment ça va?' en gooide hem een pakje Clark's kauwgum toe, zeggend tegen de politieman dat er geen vijl in zat, en ging weer weg met de politieman. Die zei dat ik 's morgens maar eens moest terugkomen. Ik vroeg hoe laat. 9 uur. Ik was er om 9 uur, mocht hem weer zien. Hij zat er nu met z'n vijven. 3 naast elkaar op de knieën, zittend op de hielen, uitgeslapen blijkbaar. 2 nog onder de biezenmat. Hij lachte me toe met z'n vriendelijkste (ook soms wel routine-) lachje. De rechercheur die de celdeur voor mij geopend had (nu een ander dan de agent in uniform de avond tevoren, het is een zeer druk bureau) maakte een gebaar van 'o die!' toen hij zag dat het om Mohamed ging. Alsof hij zeggen wilde 'natuurlijk die weer' of 'een hopeloos geval'. De rechercheur (:questceque c'est: 'amitié") zei dat ik Ghadouja maar moest halen. Ik zei dat ik dat doen zou maar dat ik niet wist ofze mee wilde komen. 'Kom dan zelf in ieder geval terug' zei hij.
Ik heb toen 4 uur lang gezocht (had vannacht 39.04 koorts: diarree, maar misschien wel door zon en vermoeidheid) om het adres van Ghadouja en Mohamed terug te vinden, wat me pas samen op fietsen met een nog onbekende grotere jongen lukte.
Toen ik eindelijk werkelijk de buurt van de woning begon terug te kennen zag ik ... Mohamed daar in mijn paarse pullover! (hij had in de cel 'de jumper' aan, iets wat ook bijdroeg tot de reactie van de rechercheur). Hij was dus al vrijgelaten. In het huis was eindelijk ook eens de man van Ghadouja aanwezig, een zeer donkerblikkende Marokkaan. Ik kreeg eten van Ghadiezja, 2 gebakken eitjes en een tomatensla-tje en brood. Heel goed, de diarree heb ik daar niet van, ik had het al een paar dagen onder de leden. Muntthee bij de buren, waar ik bij vergissing, na op het binnenplaatsje foto's van Ghadiezja en de kinderen gemaakt te hebben, binnenliep. Eindeloos praatje gemaakt over thee. Later bij Ghadiezja en haar man gesproken over meegaan voor een maand of zo van Mohamed met mij naar Holland. De grote jongen die het huis voor mij gevonden had en van wie de fietsen waren, hielp als tolk want de man sprak niet veel frans. De man ging tot mijn verbazing accoord met het voorstel. We zouden de volgende dag al naar de pasja gaan (burgemeester?) om te vragen of het kon. De grote jongen dacht dat het niet kon omdat M. een 'mineur' is en drong er bij me op aan hem mee te nemen in plaats van M. Hij was tot elke werkzaamheid in Holland bereid. Ik zei dat ik in Teroudant al aan een jonge sandalenmaker beloofd had moeite voor die te doen en dat ik niet meer op me kon nemen. Ik gaf hem later een tientje voor al z'n moeite van uren en uren lopen en fietsen, waar hij uiteraard wel tevreden mee was, maar hij was toch bedroefd dat ik M. en niet hem mee wilde hebben. Ja ... Het was een flinke aardige jongen van 18 (19, zei hij), waarschijnlijk een veel beter karakter dan Mohamed, hoewel: wat is 'beter'.
Wij zijn toen gisteren om 11 uur naar het mooie stadshuis gegaan, de man van Ghadiezja en ik werden toen op een wonderlijk gesmeerde manier (van fooien geven onthoud ik mij liever in deze kwestie) naar het juiste bureau (passeports) geleid omdat de 'vader' van Mohamed de bedienden daar kende, hij is nl. los-werkman en heeft voor de gemeente ook wel eens karweitjes opgeknapt met een handkar en hij was bij die mensen, tot mijn genoegen, wel populair. De politie van het passeport-bureau zei, toen ik kwam met mijn 'requète extraordinaire' (waarop ik een volmondig 'Oui' kreeg), dat het in principe wel mogelijk was.
Er werd zelfs op mijn verzoek al een ontwerp verklaring die ik zou moeten tekenen, opgesteld. Alles ging zeer gehaast (het was warm zonnig weer wat zowel mensen als honden - o die blaffende honden in de nette buurt waar mijn hotelletje ligt, iets duivelachtigs - toch wel koortsachtig maakt, meen ik gemerkt te hebben), en uiterst vlot vanwege de volko men gortdroge instemming van de vader van Mohamed. We waren in 10 minuten weg.
Ik begrijp de familieomstandigheden nu beter. De vader van M. is blind en volgens M. dood. M. zegt dat hij een mooie lange witte baard had die hij voortdurend streelde. 'Een neger?' 'Ja'. Volgens de man van Ghadouja is er niemand dood. Ook de vader van M. niet. Maar hij, de man van Ghadiezja, is nu de vader van Mohamed (de stiefvader dus, M. noemt hem tegen mij vaak 'le mesieu de Ghadiezja', de verhouding stiefvader-zoon is, ook hier, niet te best). En Ghadiezja is wel degelijk de echte moeder van Mohamed! M. heeft mij wat op de mouw gespeld door te zeggen dat Ghadiezja de zuster van zijn overleden moeder is! Ghadiezja moest er onwillekeurig om lachen toen ik hun dat nu vertelde. En een witte baard zal de eigenlijke vader van M. ook wel niet hebben. Maar blind zal hij wel zijn. Mohamed houdt veel van Ghadiezja. Ze hebben hetzelfde type, dezelfde stem, dezelfde tanden.
Nu zien hoe het verder loopt.
Een paar dagen geleden bracht Mohamed mij 's avonds naar de bus. Hij vroeg weer om wat geld. Het was de avond na die avond van die kus op straat. Ik wilde hem niets geven, stond al in de bus en liet hem 2 koperen munten zien zeggend: daar ben je toch niet tevreden mee. Hij kon toch niet nalaten te lachen, van 'nee, daar heb je gelijk in'. Ik gaf hem later door het openstaande raam van de bus een dirhamme. Hij was helemaal opgelucht. Ging stralend met zijn ivoorwitte tanden met zijn rug tegen een palmboom staan tot de bus zou weggaan, mocht daar niet staan stralen van een busbeambte en stond wat later aan de andere kant van de bus, op de binnenkant van de vingers van zijn rechterhand een afwezig-dromerige kushand gevend met een lief-tevreden gezicht zoals er toch maar geen ander van al zijn kameraden dat heeft, (die kushand was bedoeld voor mij maar hij keek me niet aan, en dat was het wat er, heel typisch, arabische gratie aan gaf.*) Zag hem, toen de bus vertrok, met een vrolijk gezicht een hand geven aan een oudere toerist met een wit baardje. Hij had weer een klant gevonden om mee te praten of ergens heen te brengen. We wuifden vrolijk naar elkaar, want dat moet ik hem wel gunnen, het is zijn job, aardig zijn voor elkaar schaadt niet zó gauw.
Vandaag, na de koortsnacht (me heel lekker gevoeld overigens) gewacht op de vader van Mohamed, die à midi zou komen, maar hij is er nog altijd niet. Maar om 3, 4 uur 's middags is het hier nog 'midi' veronderstel ik. Om 10 uur 's morgens zeggen ze trouwens al 'bonsoir'. Ik geloof dat ze 'bonjour' niet zo'n goed woord vinden.
*) Wanneer ik soms de Arabieren een overtuigde pluim geef, wil dat niet zeggen dat ik ie een sentimentele blindheid voor hun negatieve punten zou hebben, ze dat ik ze zou vergelijken met de Joden. Dat is volkomen niet mijn bedoeling. Deze brieven staan buiten de politiek. De Marokkanen zijn trouwens niet anti/joods. Ze beminnen de oorlog niet en voelen dat de Joden die ook niet wensen.
Abonneren op:
Posts (Atom)







